EENE CRISIS.

In den tusschentijd verwonderde men zich op Fairoaks, dat de majoor nog

niet terug was. Doctor Portman en zijne vrouw gaven op hunne terugreis

naar Clavering aan de woning van Helena’s portier een kort briefje van

majoor Pendennis voor haar af, waarin hij meldde, dat hij nog een dag

te Chatteries zou vertoeven, daar hij gaarne den procureur Tatham wilde

spreken, en hem dien namiddag zou zien; maar er stond geen woord in

over de zaken, waarmee hij zich des morgens had bezig gehouden. Het

briefje was dan ook geschreven in de oogenblikken van stilstand na het

eerste gedeelte van den strijd, toen de majoor er bepaald het slechtst

afgekomen was.

Pen wilde zich liefst niet in de stad vertoonen zoolang zijn oom daar

was. Hij wilde niet onder den indruk verkeeren, dat zijn voogd hem van

het grasperk van dien akeligen deken bespiedde terwijl hij zijn hof aan

jufvrouw Costigan op hare kamers maakte; en het genoegen van eene

wandeling (eene zaligheid, die hij maar zelden genieten mocht) zou

bedorven zijn geweest, indien hij daarop den man met de mooi gepoetste

laarzen ontmoet had. Zijne bescheidene liefde kon zich in het publiek

door geene uitwendige teekenen kenbaar maken, behalve door zijne oogen

(waarmee de arme kerel verbazend lonkte en staarde); zij was stom in de

tegenwoordigheid van anderen; en dat was ook goed, want van al het

gepraat, dat in de wereld plaats vindt, is dat van verliefden het

flauwste voor de oningewijden. Het is eene woordenlijst, waarvan men

den sleutel niet heeft; eene lamp, waarvan men de vlam niet ziet. Laat

degeen, die dit boek in handen heeft, eenige oude minnebrieven herlezen

of herdenken, die hij (of zij) bezeten en vergeten heeft. Wat schijnen

zij zinledig en nietsbeteekenend! Welke opgewondene dwaasheid moet het

geweest zijn, die dien onzin schoon deed schijnen! Men moet zich

verwonderen, hoe zulk zuchten en wauwelen ooit iemand gelukkig heeft

kunnen maken. En echter is er een tijd geweest, toen gij die zotte

brieven in vervoering moest kussen, toen gij op zes dwaze regels eene

week lang leefdet, en toen gij, tot de tijd van omkeer kwam, rusteloos

en ongelukkig waart, zoolang gij geen nieuwen toevoer van onzin

ontvingt.

Dit is de reden waarom wij geen der brieven en verzen zullen meedeelen,

die mijnheer Pen in dit tijdperk zijns levens schreef; wij laten het na

uit loutere zorg voor den goeden naam van den jonkman. Zij zijn te

kinderachtig en opgewonden. Men moest ze aan geen jonge meisjes in

koelen bloede laten lezen. Wacht uw tijd af, jonge dames; misschien

zult gij iets dergelijks zelve spoedig ontvangen en schrijven.

Intusschen zullen wij mijnheer Pen’s eerste ontboezemingen ontzien, en

ze in de couranten opgevouwen laten liggen, waar jufvrouw Fotheringay

ze met een touwtje toegebonden en kapitein Costigan ze met zijn groot

zilveren cachet verzegeld heeft.

De majoor keerde met zooveel opgekropte verbolgenheid van zijn

onderhoud met kapitein Costigan terug, dat het gevaarlijk was hem nabij

te komen. „Die onbeschaamde schelm van een landlooper durft mij

dreigen!” dacht hij. „Durft er van spreken om zijne verwenschte

Costigan’s te vernederen door hen met een Pendennis te laten trouwen!

Mij eene uitdaging zenden! Als de kerel iemand, die op een gentleman

gelijkt, vinden kan om mij de uitdaging te brengen, dan heb ik grooten

lust om hem zijn zin te geven! – Bah! wat zou de wereld er van zeggen,

als ik met een dronken spelleman ging vechten wegens een twist over

eene actrice uit eene kermistent!” Toen de majoor dus doctor Portman

sprak, die hem in gespannen verwachting naar den afloop van, zijn

gevecht met den draak vroeg, wilde mijnheer Pendennis den geestelijken

heer niet bekend maken met het onbeschaamde gedrag van den Generaal,

maar zeide hij eenvoudig, dat het eene leelijke en onaangename zaak

was, waarvan men het einde nog niet voorzien kon.

Hij drukte den doctor en mevrouw Portman op het hart, niets van het

geval op Fairoaks te vertellen, waarheen hij zelf slechts het briefje

verzond, dat wij reeds vermeld hebben. Daarop keerde hij naar zijn

hotel terug, waar hij zijn toorn tegen zijn knecht Morgan luchtte, „en

alle duivels bij elkaar vloekte,” gelijk die heer tegen Foker’s knecht

zeide, toen zij samen in de dienstbodenkamer van den George aten.

De laatstgenoemde bracht dit nieuws aan zijn meester over. Mijnheer

Foker, die tegen dezen tijd – het was twee uur des namiddags – zijn

ontbijt geëindigd had, was nieuwsgierig naar den uitslag van het

gesprek tusschen zijne beide vrienden, en na het nommer der zitkamer

van den majoor gevraagd te hebben, liep hij over in zijne zijden

kamerjapon en tikte aan.

Majoor Pendennis had, gelijk hij had opgegeven, eenige zaken

betrekkelijk een huurcontract van de weduwe te verrichten, waarover hij

den ouden procureur Tatham wilde spreken, die zijn broeders zaak

waarnemer was geweest en een hulpkantoor te Clavering had, waar hij en

zijn zoon op markt- en andere dagen, drie- of viermaal in de week, te

spreken waren. Deze heer en zijn client zaten nu in gesprek, toen

mijnheer Foker met zijne prachtige kamerjapon en zijn geborduurd mutsje

aan de deur van majoor Pendennis verscheen.

Toen de bescheiden jonkman zag, dat de majoor met papier en zegels

bezig was en een oud heer met een grijs hoofd bij zich had, wilde hij

terugkeeren. „O, hebt gij zaken – dan zal ik wel eens terugkomen,”

zeide hij. Maar Pendennis wilde hem gaarne spreken en verzocht hem dus,

met een lachje, binnen te komen; waarop mijnheer Foker zijne

geborduurde muts (eigenhandig door de teederste der moeders gewerkt)

afnam en, tegen de heeren buigende, met een innemend lachje naderde.

Mijnheer Tatham had nog nooit zulk eene schitterende vertooning gezien

als dien jongen heer in „het zij,” die in een armstoel plaats nam, de

karmozijnen panden van zijne kamerjapon breed uitspreidde en de twee

anderen met de meeste minzaamheid en onbeschroomdheid aanzag.

„Mijne kamerjapon schijnt u te bevallen, mijnheer,” zeide hij tegen

Tatham. „Mooi, niet waar? Heel netjes, en in het minst niet opzichtig.

En hoe vaart gij, majoor Pendennis? kunt ge het hier nog al vinden?”

Er was in Foker’s manieren en voorkomen iets, dat een inquisiteur in

goede luim zou gebracht hebben, en het deed dan ook de rimpels onder

Pendennis’ pruik verdwijnen.

„Ik heb een gesprek met dien Ier gehad (gij kunt vrij uitspreken in

tegenwoordigheid van mijn vriend hier, mijnheer Tatham, die al de

familiezaken kent) en ik moet bekennen, dat het niet veel stof tot

tevredenheid geeft. Hij wil niet gelooven, dat mijn neef arm is; hij

zegt, dat wij allebei leugenaars zijn, en hij deed mij de eer, toen ik

vertrok, te verstaan te geven, dat ik een lafaard was. Ik dacht, toen

gij aan de deur kwaamt kloppen, dat gij de heer zoudt zijn, dien ik met

eene uitdaging van mijnheer Costigan verwacht. Dat is de wijze hoe ik

het hier maak, mijnheer Foker.”

„Gij meent dien Ier, den vader der actrice, toch niet?” vroeg mijnheer

Tatham, die een afgescheidene was en van het tooneel niet hield.

„Dien Ier, den vader der actrice – juist denzelfden. Hebt gij niet

gehoord, hoe mijn neef zich aan dat meisje verslingerd heeft?” Mijnheer

Tatham, die nooit een voet binnen de muren van een schouwburg zette,

had niets gehoord, zoodat majoor Pendennis nogmaals de geschiedenis der

verliefdheid van zijn neef aan den procureur moest vertellen,

waartusschen mijnheer Foker op zijne gewone gemeenzame wijze nu en dan

toepasselijke aanmerkingen maakte.

Tatham verstomde van verbazing bij dat verhaal. Waarom, dacht hij, had

mevrouw Pendennis geen man van eene ernstige denkwijze getrouwd –

mijnheer Tatham was weduwnaar – en dien rampzaligen knaap van het

verderf teruggehouden? Wat Costigan’s dochter betrof, wilde hij niets

zeggen; haar beroep was toereikend om haar te doen kennen. Hier kwam

mijnheer Foker er tusschen met de opmerking, dat hij verscheidene zeer

achtenswaardige lui op de planken – zooals hij den Tempel der Muzen

noemde – gekend had. Nu, het kon waar zijn, mijnheer Tatham hoopte dat

ten minste – maar den vader kende Tatham persoonlijk als een man van de

slechtste reputatie, een dronkaard en een steunpilaar van kroegen en

biljartkamers, en een kale bedelaar.

„Ik begrijp zeer goed, majoor,” zeide hij, „waarom de kerel niet op

mijn kantoor wilde komen, om de waarheid van uwe opgaven te

onderzoeken. Wij hebben een vonnis tegen hem en een anderen gemeenen

kerel, ook een van de acteurs, wegens een wissel, dien zij aan mijnheer

Skinner alhier, een voornaam kruidenier en handelaar in wijnen en

sterke dranken, een lid van het genootschap der Kwakers, afgegeven

hebben. Die Costigan kwam schreiende de genade van mijnheer Skinner

inroepen – hij stond te huilen in zijn winkel, en wij hebben het vonnis

tegen den een zoo min als tegen den ander ten uitvoer gelegd, daar van

geen van beiden een duit te halen is.”

Terwijl mijnheer Tatham deze historie vertelde, werd er weder aan de

deur geklopt en kwam er een heer van athletische gestalte in eene kale

jas met lussen binnen, met een brief, die een groot gespat rood lak

droeg, in zijne hand.

„Mag ik de eer hebben majoor Pendennis afzonderlijk te spreken?” begon

hij. „Ik heb eenige woorden aan u alleen te zeggen, mijnheer. Ik breng

eene boodschap van mijn vriend kapitein Costigan!” doch hier hield de

man met de basstem op, begon te stotteren en werd bleek, – want hij

kreeg het roode gezicht van mijnheer Tetham, dat hij zich maar al te

goed herinnerde, in het oog.

„Kom aan, Garbetts, spreek op!” riep mijnheer Foker vroolijk.

„Wel, beware, dat is de andere onderteekenaar van den wissel!” zeide

mijnheer Tatham. „Wacht eens, mijnheer, wacht eens!” Maar Garbetts

stamelde met een gezicht zoo bleek als dat van Macbeth, wanneer hem

Banquo’s geest verschijnt, eenige onsamenhangende woorden en vluchtte

de kamer uit.

De majoor kon zijne deftigheid niet bewaren en schaterde het uit,

evenals mijnheer Foker, die uitriep: „Bij den hemel, dat was mooi!”

evenals de procureur, ofschoon deze krachtens zijn beroep een ernstig

man was.

„Ik geloof niet, dat het tot een gevecht zal komen, majoor,” zeide de

jonge Foker en begon den acteur na te bootsen. „Als het zoover komt,

dan kan deze oude heer – Tatham, niet waar? – veel eer, kennis met u te

maken, mijnheer Tatham – de deurwaarders zenden om de strijders te

scheiden,” hetgeen mijnheer Tatham ook beloofde te zullen doen. De

majoor was volstrekt niet spijtig over den belachelijken afloop van den

twist. „Gij schijnt altijd te moeten komen, mijnheer,” zeide hij tegen

Foker, „om mij in goede luim te brengen.”

En dit was niet de eenige dienst, die mijnheer Foker dezen dag aan de

familie Pendennis bewijzen zou. Wij hebben gezegd, dat hij toegang had

ten huize van kapitein Costigan, en des namiddags kwam hij op het

denkbeeld den Generaal een bezoek te brengen, om uit zijn eigen mond te

vernemen wat er dien morgen bij het onderhoud met mijnheer Pendennis

voorgevallen was. Kapitein Costigan was niet thuis; zijne dochter had

hem verlof gegeven, ja aangespoord, om naar den vriendenkring in de

Ekster te gaan, waar hij ongetwijfeld op dat zelfde oogenblik zat te

zwetsen over zijn lust om zekeren schavuit te vermoorden; want hij was

niet alleen dapper, maar hij wist dat ook, en hield er dus van om zijn

moed te toonen en als het ware te luchten te hangen.

Costigan was er dan niet, maar jufvrouw Fotheringay was thuis en

spoelde het theegoed om, terwijl Bows tegenover haar zat.

„Net met het ontbijt klaar, zie ik – hoe vaar je?” vroeg mijnheer

Foker, terwijl hij zijn kluchtig hoofdje binnen de deur stak.

„Pak je weg, kleine guit!” riep jufvrouw Fotheringay.

„Gij meent, kom binnen!” gaf de ander ten antwoord. „Daar zijn we!” en

met gekruiste armen binnengetreden zijnde, begon hij het hoofd met eene

ongeloofelijke vlugheid rechts en links te draaien, evenals de clown in

de pantomimes, als hij uit den dop of uit een zak te voorschijn komt.

Jufvrouw Fotheringay schudde van lachen; zij kon om eene enkele

beweging van Foker in den lach schieten, terwijl de bitterste

spotternij van Bows haar geen glimlach ontlokte en de mooiste toespraak

van Pen haar slechts in de war bracht. Toen de arlekinade afgeloopen

was, liet Foker zich op ééne knie zakken en kuste haar de hand. „Gij

zijt het potsierlijkste kereltje, dat ik ooit gezien heb,” sprak zij en

gaf hem schertsend een tikje. Pen beefde als hij hare hand kuste en zou

het van een tikje bestorven zijn.

Na deze inleiding begon het drietal te praten, waarbij Foker hen

vermaakte door hun de nederlaag van Garbetts, welke hij bijgewoond had,

te beschrijven, waardoor zij voor het eerst vernamen hoe ver de

Generaal zijne wraakzucht tegen majoor Pendennis gedreven had. Foker

betoogde in de sterkste bewoordingen, dat de majoor een waarheidlievend

man en een man van eer was, en beschreef hem als een eersten piet, die

in de voornaamste kringen verkeerde en zich tot geen bedrog verlagen

zou, en wel het allerminst ten aanzien van zulk eene betooverende jonge

dame als jufvrouw Foth.

Met kieschheid gleed hij over de teedere huwelijks-questie heen,

ofschoon hij tegen wil en dank liet doorschemeren, dat hij van Pen geen

groote gedachten had. Hij koesterde ook werkelijk eene misschien niet

ongegronde minachting voor Pen’s hoog opgeschroefde sentimentaliteit,

daar hij meende van zijn kant aan dat euvel niet mank te gaan.

„Ik wist, dat het niet gaan zou, jufvrouw Foth,” zeide hij en knikte

met het kleine hoofdje. „Het kon niet gaan! Ik wilde er mij niet mede

bemoeien, maar ik wist, dat er niets van komen zou. Hij is te jong en

te groen voor u, veel te groen, en hij blijkt bovendien arm als job te

zijn. Gij kunt hem voor geen prijs krijgen, – niet waar, mijnheer

Bows?”

„En toch is het een aardige jongen,” zeide jufvrouw Fotheringay

tamelijk treurig.

„Een arme bedelaar!” zeide Bows met de handen in zijne zakken en een

zonderlingen blik op jufvrouw Fotheringay. Misschien dacht hij met

verwondering na over de wijze, waarop de vrouwen met de mannen spelen,

hun hoop geven en aan zich kluisteren en dan weer verstooten.

Doch mijnheer Bows maakte niet het minste bezwaar, om te erkennen, dat

jufvrouw Fotheringay zeer goed handelde met mijnheer Arthur Pendennis

te laten loopen en dat het huwelijk, zijns inziens, eene dwaasheid zou

geweest zijn en jufvrouw Costigan bekende, dat zij er zelve zoo over

gedacht had, maar dat zij geen twee duizend pond ’s jaars van de hand

had kunnen wijzen. „Alles komt daarvan, dat papa allerlei dwaze

praatjes gelooft,” sprak zij; „nu, ik beloof u, dat ik een andermaal

voor mij zelve zal kiezen,” en hoogst waarschijnlijk kwam op dat

oogenblik de zwaarlijvige beeltenis van luitenant Sir Derby Oaks haar

voor den geest.

Na majoor Pendennis geprezen te hebben, dien jufvrouw Costigan van top

tot teen voor een echt gentleman verklaarde, die naar lavendel rook en

door een ringetje kon gehaald worden, terwijl hij, naar het oordeel van

Bows, een goede kerel was, ofschoon wel een beetje te veel een oude

fat, kwam mijnheer Foker plotseling op den inval om beiden uit te

noodigen tot een diner nog dien zelfden avond op zijne kamer in den

George, waar zij den majoor zouden ontmoeten. „Hij heeft beloofd hij

mij te komen dineeren, en ik geloof, dat het – na de kleine

onaangenaamheid van heden morgen, waarbij ik moet zeggen, dat de

Generaal ongelijk had – niet anders dan beleefd zou zijn, begrijpt ge?

Ik weet dat de majoor op u verliefd is, jufvrouw Foth: hij heeft het

mij zelf gezegd.”

„Zoodat ze toch nog mevrouw Pendennis kan worden,” zeide Bows spottend.

„Neen, ik dank u, mijnheer F., – ik heb reeds gegeten.”

„Ja, maar dat was om drie uur,” zeide jufvrouw Costigan, die een

gezegenden eetlust bezat, „en zonder u kan ik niet gaan.”

„Wij zullen kreeftensalade en champagne hebben,” zeide het kleine

monster, dat geen regel latijn kon construeeren en geen som kon maken,

die hooger ging dan de regel van drieën. Nu zou jufvrouw Costigan om

kreeftensalade en champagne – altijd in eer en deugd – een uur ver

geloopen zijn, en zoo zat dan majoor Pendennis ten zeven uur inderdaad

te dineeren in gezelschap van mijnheer Bows, een speelman van beroep,

en jufvrouw Costigan, wier vader hem slechts weinige uren geleden voor

den kop had willen schieten.

Om de kroon op het genoeglijk samenzijn te zetten, zond mijnheer Foker,

die de plaatsen kende waar Costigan zich het liefst ophield, zijn

knecht „Domkop” naar de club in de Ekster (waar de Generaal bezig was

een roerend lied te zingen), om hem ook aan het maal te noodigen. Dat

hij zijne dochter en Bows aan den disch gezeten vond, mocht waarlijk

wel eene verrassing heeten. Majoor Pendennis lachte en stak hartelijk

zijne hand uit, die de Generaal avec effusion, zooals de Franschen

zeggen, greep. Eigenlijk was hij al aardig beschonken en had hij reeds

bij zijne eigen liederen gehuild, eer hij zich bij het gezelschapje in

den George voegde. Hij barstte gedurende den maaltijd meer dan eens in

tranen los en noemde den majoor zijn dierbaarsten vriend. Domkop en

Foker brachten hem thuis, terwijl de majoor op galante wijze den arm

aan jufvrouw Costigan gaf. Hij werd met groote voorkomendheid

ontvangen, toen hij den volgenden dag een bezoek kwam afleggen, bij

welke gelegenheid de beide heeren elkander met beleefdheden

overlaadden. Bij het afscheidnemen gaf de majoor zijn vurigen wensch te

kennen om jufvrouw Costigan zoo mogelijk van dienst te zijn, terwijl

hij hartelijk en dankbaar mijnheer Foker’s hand schudde en verklaarde,

dat die heer hem den grootst mogelijken dienst had bewezen.

„Goed zoo!” antwoordde mijnheer Foker, waarop zij met een wederkeerig

gevoel van achting van elkander scheidden.

Toen majoor Pendennis den volgenden dag op Fairoaks terugkwam, vertelde

hij niet wat er den vorigen avond gebeurd was, evenmin als hij van het

gezelschap gewaagde, waarin hij dien avond had doorgebracht. Maar hij

noodigde mijnheer Smirke uit om te blijven eten; en iemand, die zijne

manieren kende, zou ongetwijfeld, als hij er bij was geweest, opgemerkt

hebben, dat er in zijne vroolijkheid en spraakzaamheid iets gedwongens

was en dat hij zich ongemeen voorkomend en oplettend gedroeg als hij

met zijn neef sprak. Hij wenschte Pen op de nadrukkelijkste wijze „eene

aangename nachtrust,” toen de knaap zich naar bed begaf: en toen hij

van mevrouw Pendennis afscheid nam, was het alsof hij iets zeggen

wilde; maar hij bedacht nog tijdig, dat hij, indien hij iets zeide,

hare nachtrust bederven kon, en dus vergunde hij haar in vrede te gaan

slapen.

Den volgenden morgen was hij vroeger dan naar gewoonte in de

ontbijtkamer, waar hij iedereen met bijzondere hartelijkheid

verwelkomde. Doorgaans kwam de post tegen het einde van het ontbijt

aan. Toen John, de oude bediende, binnentrad en de brieven en

nieuwsbladen uit den brievenzak uitstortte, keek de majoor strak naar

Pen, toen de knaap de zijne kreeg. Arthur bloosde en legde zijn brief

neer. Hij kende de hand, die van den ouden Costigan, en wilde het

geschrift niet in het bijzijn van de anderen lezen. Majoor Pendennis

kende den brief ook: hij had hem den vorigen dag zelf te Chatteries op

de post gedaan.

Hij zeide tegen de kleine Laura, dat zij moest heengaan, hetgeen het

kind dadelijk deed, want zij had een onoverwinnelijken afkeer van hem;

en zoodra de deur achter haar gesloten was, nam hij de hand van mevrouw

Pendennis en wees haar met een veelbeteekenenden blik op den brief

onder de courant, die Pen veinsde te lezen. „Gaat ge mee naar de

zitkamer?” vroeg hij. „Ik moet u spreken.” En daarop volgde zij hem vol

verwondering in de vestibule.

„Wat is er?” vroeg zij gejaagd

„De zaak is uit,” antwoordde majoor Pendennis. „Hij heeft daar een

brief, die hem zijn afscheid geeft. Ik zelf heb het schrijven

gedicteerd. Er zijn eenige regelen van de dame bij, om hem vaarwel te

zeggen. Het is alles uit.”

Helena snelde naar de eetzaal terug, door haar broeder op den voet

gevolgd. Pen had zich, zoodra zij weg waren, op zijn brief geworpen

dien met stomme verbazing gelezen. Het schrijven behelsde wat de majoor

gezegd had, namelijk, dat mijnheer Costigan gevoelig was voor de

vriendelijkheid, waarmee Arthur zijne dochter had behandeld, doch dat

hij thans eerst op de hoogte van de geldelijke omstandigheden van

mijnheer Pendennis was gekomen; en deze waren van dien aard, dat van

een huwelijk voor het oogenblik geen sprake kon zijn, terwijl het ook,

uit aanmerking van het groote verschil tusschen beider leeftijd, voor

het vervolg eene onmogelijkheid zou wezen. In dezen stand van zaken

zeide mijnheer Costigan, hoewel met het diepste leedwezen en met een

waar gevoel van hoogachting, Arthur vaarwel, waarbij hij hem een wenk

gaf, dat hij, althans een tijdlang, zijne bezoeken zou staken.

Er lagen eenige regelen van jufvrouw Costigan in. Zij berustte in het

besluit van haar papa, en herinnerde, dat zij verscheidene jaren meer

dan Arthur telde, zoodat er aan geen engagement te denken was. Zij zou

hem altijd erkentelijk blijven voor de welwillendheid, die hij haar

bewezen had, en hoopte zijne vriendschap te mogen behouden. Doch voor

het oogenblik, en tot het pijnlijke gevoel der scheiding zou

uitgewischt zijn, wenschte zij, dat zij elkander niet meer ontmoeten

zouden.

Pen las Costigan’s brief en de ingesloten letteren werktuiglijk door,

bijna onbewust van wat hij onder de oogen had. Woest keek hij op en zag

hoe zijne moeder en zijn oom hem met meewarige blikken aanstaarden. Uit

Helena’s oogen voorzeker sprak de teederste moederlijke bezorgdheid.

„Wat – wat is dat?” vroeg Pen. „Dit is eene aardigheid. Het is haar

schrift niet. Dit is het schrift van eene keukenmeid. Wie steekt aldus

den draak met mij?”

„Dit briefje was in de enveloppe van haar vader gesloten” zeide de

majoor. „De briefjes, die gij vroeger van haar ontvangen hebt, waren

niet van hare hand – dit wel.”

„Hoe weet gij dat?” vroeg Pen barsch.

„Ik heb het haar zien schrijven,” antwoordde zijn oom. Op die woorden

stoof de jongen op en zijne moeder trad vooruit en greep zijne hand,

maar hij duwde haar terug.

„Hoe zijt gij bij haar gekomen? Hoe hebt gij u tusschen mij en haar

gesteld? Waarmee heb ik dit aan u verdiend? Neen, het is niet waar, het

is niet waar!” gilde Pen uit, met een woesten vloek. „Zij kan dit niet

uit eigen beweging gedaan hebben! Zij kan het niet meenen! Zij heeft

mij haar jawoord gegeven. Wie heeft haar leugens op de mouw gespeld, om

haar met mij te doen breken?”

„Leugens zijn in onze familie niet gebruikelijk, Arthur,” gaf majoor

Pendennis ten antwoord. „Ik heb de waarheid verteld, namelijk, dat hij

geen geld bezat om haar te onderhouden; want haar dwaze vader had u als

rijk afgeschilderd. En toen zij vernam hoe arm gij waart, zag zij

dadelijk van u af, zonder dat ik haar behoefde te overreden. En zij had

volkomen gelijk. Zij is tien jaar ouder dan gij. Zij is geheel

ongeschikt om uwe vrouw te worden, en zij weet dat. Bekijk haar schrift

eens, en vraag dan u zelven, of zulk eene vrouw de gezellin van uwe

moeder kan zijn?”

„Ik wil van haar zelve vernemen of het waar is,” zeide Arthur, het

papier ineenfrommelende.

„Wilt gij mij op mijn woord van eer niet gelooven? Hare brieven werden

door eene vertrouwde vriendin geschreven, die beter schrijft dan zij –

zie maar eens! Hier is een brief van die dame aan uw vriend mijnheer

Foker. Gij hebt haar bij jufvrouw Costigan gezien, wie zij tot

secretaris diende” – en bij die woorden, welke de majoor met een bijna

onmerkbaren spot uitsprak, legde hij een briefje neder, dat Foker hem

ter hand gesteld had.

„Dat is het niet,” zeide Pen, van schaamte en ergernis gloeiend. „Ik

wil wel aannemen, mijnheer, dat het waar is wat gij zegt, maar ik wil

het uit haar eigen mond hooren.”

„Arthur!” sprak zijne moeder op smeekenden toon.

„Ik wil haar zien,” hernam Arthur. „Ik zal haar nogmaals vragen, of zij

mij trouwen wil. Dat zal ik. En niemand zal mij dat beletten.”

„Wat? eene vrouw, die genegenheid met twee ee’s en eene t schrijft?

Onzin, vriendje. Wees man, en herinner u, dat uwe moeder eene dame is.

Zij is nooit bestemd geweest om op gelijken voet met dien beschonken

ouden oplichter of zijne dochter te verkeeren. Wees man en vergeet

haar, gelijk zij u vergeet!”

„Wees man en strek uwe moeder tot steun, lieve Arthur,” zeide Helena,

terwijl zij naar hem toe ging en hem omhelsde; en daar majoor Pendennis

zag, dat beiden diep ontroerd waren, verliet hij het vertrek en sloot

de deur achter zich, daar hij met recht oordeelde, dat het best zou

zijn hen alleen te laten.

Hij had eene volkomen overwinning behaald. Hij had zelfs Pen’s brieven

in zijn valies uit Chatteries meegebracht, en, toen Costigan ze

teruggaf, dien heer verblijd met de teruggave van eene kleine

schuldbekentenis, welke hem en mijnheer Garbetts van alle verdere

bezorgdheid onthief en die de majoor van den heer Tatham gekocht had.

Pen snelde dien dag in eene woeste vlaag naar Chatteries, doch deed

vergeefsche pogingen om jufvrouw Costigan te spreken, voor wie hij dus

een brief, ingesloten in een schrijven aan haar vader, achterliet.

Mijnheer Costigan zond den ingesloten brief terug, met verzoek, dat

alle briefwisseling zou ophouden; en na nog een paar verdere pogingen

van den knaap, verklaarde de Generaal, dat er een einde aan hunne

kennismaking moest komen. Hij liep Pen op straat voorbij, alsof hij hem

niet kende. Op zekeren dag toen Arthur en Foker de Kasteellaan op en

neer wandelden, kwamen zij Emily aan den arm van haar vader tegen. Zij

ging zonder een knikje van herkenning verder, en Foker voelde, dat de

beklagenswaardige Pen aan zijn arm sidderde.

Zijn oom wenschte, dat hij eene reis zou doen en die streek voor

eenigen tijd verlaten, en zijne moeder drong er ook op aan, want hij

viel af en scheen zwaar te lijden. Maar hij weigerde en zeide ronduit,

dat hij niet wilde heengaan. In dit geval was hij niet voornemens te

gehoorzamen, en zijne moeder was te veel verteederd en zijn oom te

verstandig om hem te dwingen. Telkens als jufvrouw Fotheringay speelde,

reed hij naar Chatteries om haar te zien. Op zekeren avond waren er zoo

weinig menschen in de zaal, dat de regisseur het geld liet teruggeven.

Pen kwam thuis en ging ten acht uur met de koorts naar bed. „Als dat

zoo doorgaat,” dacht de majoor in eene wanhopige stemming, „gaat zijne

moeder het meisje nog halen.” En Pen van zijn kant dacht, dat hij zou

gaan sterven. Wij zullen zijne gevoelens niet beschrijven, noch een

vervelend dagboek van zijne wanhoop en zijn hartstocht meedeelen. Zijn

er ook niet andere heeren, buiten Pen, in hunne liefde gedwarsboomd?

Ja, waarlijk; doch zeer weinigen sterven aan die ziekte.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 28 / 155 题