De majoor en de kapitein waren oude krijgers en gewoon den vijand onder
de oogen te zien, zoodat wij mogen aannemen, dat beiden hunne
tegenwoordigheid van geest volkomen behielden; doch het overige
gezelschap in de zitkamer van Cos was wel een beetje ontsteld over de
verschijning van Pendennis. Het koele hart van jufvrouw Fotheringay
begon voorzeker sneller te kloppen, want er kwam een sterke en gezonde
blos op hare wang, terwijl luitenant Sir Derby Oaks haar met een zuur
gezicht aankeek. Het kromme, oude mannetje in de vensterbank, die het
schermen der beide heeren aangezien had (wier stampen en springen zoo
geweldig was geweest, dat hij alle pogingen had moeten staken om de
tooneelmuziek te blijven kopieeren, waaraan hij bezig was geweest), zag
nieuwsgierig naar den nieuw aangekomene op, toen de majoor met de mooi
gepoetste laarzen de kamer binnentrad en rechts en links de bevalligste
buigingen tegen de aanwezigen maakte.
„Mijne dochter – mijn vriend mijnheer Bows – mijn dappere jonge
leerling en vriend, mag ik wel zeggen, Sir Derby Oaks,” zeide Costigan
met vorstelijke beleefdheid, terwijl hij de aandacht van den majoor op
elk van die personen vestigde. „Binnen een oogenblik, majoor, ben ik
geheel tot uw dienst;” en met die woorden een belendend vertrekje, waar
zijne slaapplaats was, binnen te vliegen, om met zijn haarborstel (een
antiek en verwonderlijk voorwerp) zijn sluik haar op te strijken, zijne
oude stropdas af te rukken en eene nieuwe om te doen, die Emily voor
hem gemaakt had, een schoon boordje op te zetten en den nieuwen rok aan
te trekken, dien hij bij gelegenheid van jufvrouw Fotheringay’s
benefice had besteld, was voor den nog altijd vluggen Costigan het werk
van een oogenblik.
Sir Derby volgde hem en kwam ook spoedig uit dat kamertje te
voorschijn, waar hij zich in zijn uniformrokje gedost had, dat om zijne
zware ledematen zeer eng sloot, en hetgeen hij en jufvrouw Fotheringay,
en misschien ook de arme Pen, ten hoogste bewonderden.
Intusschen was er een gesprek tusschen de actrice en den bezoeker
begonnen en waren de gebruikelijke opmerkingen over het weer gewisseld,
toen Costigan in zijn nieuw pak binnentrad.
„Ik behoef mij tegen u niet te verontschuldigen, majoor,” zeide hij op
zijne deftigste maar beleefdste manier, „dat ik u in mijne hemdsmouwen
ontving.”
„Een oud soldaat kan zich niet nuttiger bezig houden dan met een jong
krijgsman het gebruik van zijn zwaard te leeren,” antwoordde de majoor
met wellevendheid, „Ik herinner mij wel in den ouden tijd gehoord te
hebben, kapitein Costigan, dat gij het uwe zeer goed kondt hanteeren.”
„Hoe! hebt gij ooit van Jack Costigan gehoord, majoor?” vroeg de ander
opgetogen.
Dat had de majoor inderdaad gedaan. Hij had zijn neef aangaande alles
wat betrof zijn nieuwen vriend, den Ierschen officier, uitgehoord. Of
hij niets anders van den kapitein wist dan hetgeen hij op die wijze had
vernomen, dan wel of hij zich in waarheid zijner herinnerde, kunnen wij
niet zeggen. Maar majoor Pendennis was een man van eer en onkreukbare
waarheidsliefde en beweerde zich zeer goed te herinneren, dat hij
mijnheer Costigan ontmoet had aan de tafel van Sir Richard Strachan, op
Walcheren, waar hij hem had hooren zingen.
Bij den kalmen en hartelijken toon, waarop dit verkondigd werd, zag
Bows geheel verbijsterd op. „Maar wij zullen daar later nog wel eens
over spreken,” zeide de majoor, die zich misschien niet vast wilde
praten; „aan jufvrouw Fotheringay is het, dat ik heden mijne opwachting
kom maken, en daarbij vereerde hij haar met eene zoo hoffelijke en
bevallige buiging, dat hij zich jegens eene hertogin niet eerbiediger
had kunnen gedragen.
„Ik hoorde van uw spel door mijn neef, mejufvrouw,” zeide de majoor;
„die dweept met u, zooals ik geloof, dat gij best weet. Doch Arthur is
maar een knaap, een opgewonden jonge kerel, wiens gezegden men niet
letterlijk moet opnemen, en dus beken ik, dat ik gaarne zelf wilde
oordeelen. Vergun mij u thans te zeggen, dat uw spel mij verrukte en
verbaasde. Ik heb onze beste actrices gezien en geloof, op mijn woord,
dat gij die alle overtreft. Ge zijt zoo vorstelijk als mevrouw
Siddons.”
„Waarachtig, dat heb ik ook altijd gezegd,” riep Costigan uit, met een
knipoogje tegen zijne dochter. „Ga zitten, majoor.” Milly stond bij
dien wenk op, nam een losgetornd satijnen kleedje van den eenigen
ledigen stoel en bracht dien met eene van hare bevalligste nijgingen
aan majoor Pendennis.
„Gij zijt zoo roerend als jufvrouw O’Neill,” ging hij voort na eene
buiging en nam plaats. „Uw gezang herinnerde mij aan mevrouw Jordan in
haar besten tijd, toen wij nog jonge heeren waren, kapitein Costigan,
en uwe manieren brachten mij Mars voor den geest. Hebt gij Mars ooit
gezien, jufvrouw Fotheringay?”
„Er waren twee Maher’s in den schouwburg van Crow Street,” antwoordde
jufvrouw Emily; „met Fanny ging het nog al, maar Biddy was niet veel
bijzonders.”
„De majoor meent zeker den god des oorlogs, beste Milly,” kwam de vader
tusschen beiden.
„Dien Mars meende ik eigenlijk niet, ofschoon het Venus zeker niet
euvel te duiden is, dat zij aan hem denkt,” antwoordde de majoor met
een lachje rechtstreeks aan het adres van Sir Derby Oaks, die nu in
zijne uniform weer binnenkwam; doch de dame begreep de woorden niet,
die de majoor bezigde, en het compliment bracht Sir Derby niet in goed
humeur, die het waarschijnlijk evenmin vatte en het in ieder geval zeer
stuursch en stijf opnam, terwijl hij ongerust naar jufvrouw Fotheringay
gluurde, met een gezicht alsof hij vragen wilde: „wat drommel doet die
vent hier?”
Majoor Pendennis liet zich door de kwade luim van dien heer volstrekt
niet van zijn stuk brengen. Hij vermaakte er zich integendeel mede.
„Zoo,” dacht hij, „er is een mededinger in het veld,” en heimelijk
uitte hij den wensch, dat Sir Derby niet alleen de mededinger, maar de
overwinnaar mocht zijn in den kampstrijd tusschen hem en Pen.
„Ik vrees, dat ik uwe schermles gestoord heb, maar ik kan slechts kort
te Chatteries vertoeven, en ik brandde van verlangen om met mijn ouden
wapenbroeder kapitein Costigan kennis te maken en om eene dame, die mij
op het tooneel zoozeer geboeid had, meer van nabij te zien. Ik was
gisterenavond niet de eenige, die opgetogen was, jufvrouw Fotheringay
(indien ik u zoo moet noemen, ofschoon uw eigen familienaam zeer oud en
edel is). Een geestelijk heer van mijne kennis ging verrukt over
Ophelia naar huis, en ik zag Sir Derby Oaks een ruiker werpen, die
nooit door eenige actrice beter verdiend werd. Ik zou er zelfs een
meegebracht hebben, indien ik had kunnen vermoeden wat ik zien zou.
Zijn dat niet dezelfde bloemen, die ik ginds op den schoorsteenmantel
in een glas water zie staan?”
„Ik houd dol veel van bloemen,” zeide jufvrouw Fotheringay, met een
smachtend lonkje naar Sir Derby Oaks, – maar de baronet bleef nog
altijd een zuur gezicht zetten.
„Schoon bij schoon – luidt het zoo niet in het stuk?” vroeg mijnheer
Pendennis, die zoo innemend mogelijk wilde zijn.
„Waarlijk, dat weet ik niet. Waarschijnlijk wel. Ik doe niet veel aan
de letterkunde,” antwoordde Sir Derby.
„Is dat mogelijk?” hernam de majoor, met voorgewende verwondering.
„Hebt gij dus uw vaders liefde voor de letteren niet geërfd, Sir Derby?
Het was een degelijk geleerde, en ik had de eer hem zeer goed te
kennen.”
„Zoo!” zeide de ander en schudde gemelijk het hoofd.
„Hij redde mij het leven,” vervolgde Pendennis.
„Wezenlijk?” riep jufvrouw Fotheringay uit en liet hare oogen eerst
verwonderd op den majoor en vervolgens met erkentelijkheid op Sir Derby
rusten. Maar deze laatste was tegen die lonken bestand, en wel verre
van verheugd te schijnen, dat zijn vader, de apotheker, het leven van
majoor Pendennis had gered, zag de jonkman er veeleer uit, alsof hij
wenschte, dat de zaak een geheel anderen loop had genomen.
„Mijn vader was een zeer bekwaam dokter, geloof ik,” zeide de baronet
bij wijze van antwoord. „Ik zelf behoor niet tot dat vak. Ik wensch u
goedenmorgen, mijnheer. Ik heb eene afspraak – adieu, Cos – jufvrouw
Fotheringay, goedenmorgen.” En ondanks de smeekende blikken en
verlokkende lachjes der jonge dame, verliet de dragonder de kamer met
eene stroeve buiging. Men hoorde het kletteren van zijne sabel terwijl
hij de krakende trap afdaalde, en de toornige stem, waarmee hij tegen
den kleinen Tom Creed vloekte, die in den gang speelde en wiens tol Sir
Derby met eene verwensching de straat op schopte.
Op het gelaat van den majoor kwam geen zweem van een glimlach, ofschoon
hij alle reden had om te lachen. „Een verbazend knap jonkman – zoo’n
fiksch soldaat als ik ooit gezien heb,” zeide hij tegen Costigan.
„Een sieraad van het leger en van het gansche menschelijke geslacht,”
antwoordde Costigan. „Een jongmensch van beschaafde manieren, wellevend
en minzaam in den omgang en met een vorstelijk vermogen. Hij houdt eene
rijke tafel; bij het regiment draagt men hem op de handen, en hij weegt
meer dan honderd kilo’s.”
„Het is volmaakt een ridder uit den ouden tijd,” zeide de majoor
lachend. „Ik houd mij overtuigd, dat al de jonge dames hem bewonderen.”
„In weerwil van zijne zwaarte, is hij niet onbevallig nu hij nog jong
is,” merkte Milly aan, „maar er zit niets bij.”
„Hij is het best te paard,” zeide Bows, waarop Milly meedeelde, dat hij
bij den wedren de derde was geweest met zijn Brard Tearaway, en de
majoor begon te begrijpen, dat er bij de jonge dame zelve niet heel
veel zat, en zich te verwonderen hoe zij zoo onbeduidend kon zijn en
toch zoo goed kon spelen.
Met Iersche gastvrijheid drong Costigan natuurlijk er op aan, dat zijn
gast iets gebruiken zou; en de majoor, die even weinig honger had als
gij zoudt hebben na een diner bij den lord-mayor, verklaarde, dat hij
aan een beschuitje en een glas wijn de voorkeur gaf boven iets anders,
daar hij flauw was van het lange vasten – want hij wist, dat de gevers
zich zeer gestreeld vinden wanneer men kleine bewijzen van
welwillendheid van hen aanneemt en dat de menschen u onvermijdelijk
genegen moeten worden wanneer zij u gastvrijheid mogen betoonen.
„Wat van dien ouden madera, Milly, mijn liefje,” zeide Costigan met een
wenk tegen zijne dochter, waarop die dame, zich met een blik van
verstandhouding tot haar vader keerende, de kamer verliet en naar
beneden ging, waar zij haar kleinen boodschaplooper, den jongen heer
Tommy Creed, stilletjes riep, en hem een stuk geld gaf met last om in
den Druiventros een half fleschje madera en bij den bakker een zakje
beschuitjes te gaan halen, waarvoor hij, als hij in een ommezien terug
was, twee beschuitjes tot belooning zou hebben.
Terwijl Tommy Creed daarop uit was, zat jufvrouw Costigan beneden bij
jufvrouw Creed en vertelde aan hare hospita, dat de oom van mijnheer
Arthur Pendennis, de majoor, boven was, een aardig, beleefd oud heer,
de zachtzinnigheid zelf, en dat Sir Derby razend jaloersch weggeloopen
was, zoodat zij niet wist hoe zij den vrede tusschen beiden moest
herstellen.
„Zij heeft de sleutels van den kelder onder hare bewaring, majoor,”
zeide mijnheer Costigan, toen het meisje de kamer verliet.
„Op mijn woord van eer, gij houdt er een juweel van een keldermeester
op na,” antwoordde Pendennis galant, „en het verwondert mij niet, dat
de jongelui dol op haar zijn. Toen wij in hunne jaren waren, kapitein
Costigan, geloof ik, dat wij ons met minder mooie vrouwen zouden
tevreden gesteld hebben.”
„Dat moogt gij wel zeggen, mijnheer – en gelukkig de man, die haar
krijgt. Vraag hier mijn vriend, Bob Bows, maar eens, of jufvrouw
Fotheringay niet nog schooner van ziel dan van lichaam is, en of zij
niet een beschaafden geest, een fijn verstand en een lief humeur
bezit?”
„O, natuurlijk,” zeide mijnheer Bows, vrij droogjes. „Daar komt Hebe
blozende uit den kelder. Zoudt gij niet denken, dat het tijd wordt voor
de repetitie, jufvrouw Hebe? Gij valt in de boete als gij te laat
komt,” en daarbij wierp hij een blik op de jonge dame, die zeggen
wilde, dat het beter was, dat zij heenging en de beide oude heeren
alleen liet.
Op deze aanmaning nam jufvrouw Hebe hoed en doek, en zag er
buitengemeen bekoorlijk, opgeruimd en lachend uit; en Bows rolde zijne
papieren op en strompelde de kamer door om zijn hoed en stok te halen.
„Moet gij al gaan?” vroeg de majoor. „Kunt gij ons niet nog eenige
minuten schenken, jufvrouw Fotheringay? Vergun een oud man, eer gij ons
verlaat, u de hand te drukken, en geloof mij, dat ik trotsch ben op de
eer uwer kennismaking en dat ik oprecht zou wenschen uw vriend te
zijn.”
Op deze galante toespraak maakte jufvrouw Fotheringay eene diepe
nijging en de majoor volgde haar tot aan de deur, waar hij hare hand op
de vriendelijkste en vaderlijkste wijze drukte. Bows stond verbaasd
over dit vertoon van hartelijkheid. „De familie van den knaap kan toch
zeker niet wenschen, dat hij haar trouwt,” dacht hij – en aldus
vertrokken zij.
„Nu gaat het er op los,” dacht majoor Pendennis. Costigan maakte
dadelijk van de afwezigheid zijner dochter gebruik om het overschot van
den wijn uit te drinken en zond het eene glas na het andere van den
madera uit den Druiventros met eene haastige en bevende hand naar
binnen. De majoor kwam aan de tafel terug, nam het glas op en dronk
het, joviaal met de lippen smakkende, uit. Indien het madera uit den
bijzonderen kelder van Lord Steyne en geen Kaapwijn uit eene herberg
ware geweest, had hij geene grootere tevredenheid kunnen toonen.
„Lekkere madera, kapitein Costigan,” zeide hij. „Waar krijgt gij dien
vandaan? Ik drink met dit glas op de gezondheid van dat betooverende
meisje. Nu, kapitein, het verwondert mij niet, dat de hoofden der
mannen door haar op hol geraken. Ik houd mij overtuigd, dat zij even
geestig als schoon is, en ik twijfel er niet aan, of zij is even goedig
als talentvol.”
„Een goed meisje, mijnheer, een goed meisje,” zeide de verrukte vader,
„en ik drink van ganschen harte op hare gezondheid. Zal ik nog een
fleschje uit den kelder laten halen? Het is dicht bij de hand. Niet? Ja
waarlijk, mijnheer, gij moogt wèl zeggen, dat het een goed meisje is,
de trots en de roem van haar vader, den eerlijken, ouden Jack Costigan!
De man, die haar krijgt, zal een juweel aan haar hebben, mijnheer. Ik
drink zijne gezondheid, en gij weet wel wien ik bedoel, majoor.”
„Het verbaast mij volstrekt niet, dat oud en jong op haar verlieven,”
antwoordde deze, „en ik moet u ronduit verklaren, dat, ofschoon ik op
mijn armen neef Arthur zeer boos was toen ik van de verliefdheid van
den jongen hoorde, ik het hem, nu ik de dame zelf gezien heb, volmondig
vergeven kan. Bij den hemel, ik zou zelf nog wel eene kans willen
wagen, indien ik niet te oud en te arm was.”
„En een beter man zou zij niet kunnen krijgen, majoor, daar ben ik
zeker van,” riep Jack verrukt uit. „Uwe vriendschap, mijnheer, verheugt
mij. Uwe bewondering voor mijne dochter brengt mij de tranen in oogen.
– tranen, mijnheer – manhaftige tranen, en wanneer zij mijn nederig
verblijf met uwe eigen prachtige woning verwisselt, hoop ik, dat zij er
een plaatsje voor haar armen, ouden vader, den armen ouden Jack
Costigan, zal openhouden.” De kapitein voegde de daad bij het woord, en
terwijl hij tegen den majoor sprak werden zijne met bloed beloopen
oogen vochtig.
„Uwe gevoelens doen u eer aan,” zeide de ander. „Maar, kapitein
Costigan, ik kan mijn lachlust niet bedwingen over één ding, dat gij
daar gezegd hebt.”
„En dat is, mijnheer?” vroeg Jack, die op een te hoog heroïsch en
sentimenteel standpunt stond, om er van af te dalen.
„Gij hebt van onze „prachtige woning” gesproken – mijn zusters huis,
vooronderstel ik.”
„Ik meen het park en de woning van den weledelgeboren heer Arthur
Pendennis van Fairoaks Park, dien ik nog eens lid van het parlement
voor zijne geboorteplaats Clavering hoop te zien, als hij oud genoeg is
om die gewichtige betrekking op zich te nemen,” riep de kapitein met
groote deftigheid uit.
De majoor glimlachte, toen hij een pijl uit zijn eigen koker herkende.
Hij was het, die bij Pen het denkbeeld opgewekt had, om zitting in het
parlement te krijgen voor het naburige vlek, en de arme jongen had er
blijkbaar over gezwetst tegen Costigan en de dame van zijn hart.
„Fairoaks Park, waarde heer?” zeide de majoor. „Kent gij onze
geschiedenis? Wij zijn voorzeker van eene overoude familie, maar ik
trad de wereld in met nauwelijks geld genoeg om mijn luitenantsrang te
koopen, en mijn oudste broeder was een plattelandsapotheker, die elken
stuiver van zijn geld met zijn mortier en zijn stamper verdiend heeft.”
„Ik heb besloten dit over het hoofd te zien, mijnheer, uit aanmerking
van de erkende oudheid uwer familie,” zeide Costigan majestueus.
„Loop naar den duivel!” dacht de majoor, doch hij boog en glimlachte.
„Ook de Costigan’s hebben tegenspoed gehad, en ons Huis het kasteel
Costigan is in geenen deel meer wat het was. Ik heb zeer deftige lui
gekend, die apothekers waren, mijnheer, en er zijn er wel in Dublin,
die de eer hebben gehad aan de tafel van den lord-stadhouder te
dineeren.”
„Gij zijt zeer vriendelijk, dat gij het niet zoo nauw met ons wilt
nemen,” hervatte de majoor; „doch veroorloof mij u te doen opmerken,
dat dit de vraag niet is. Gij hebt zoo even van mijn neefje gesproken
als erfgenaam van Fairoaks Park en ik weet niet wat meer.”
„Ongetwijfeld nog inschrijvingen op het grootboek, majoor, en zeker op
zijn tijd een aardig legaatje van u zelven.”
„Waarde heer, ik zeg u, dat de jongen de zoon van een
plattelandsapotheker is,” schreeuwde majoor Pendennis uit, „en dat hij,
als hij meerderjarig wordt, geen stuiver te wachten heeft.”
„Kom, kom, majoor, gij steekt den draak met mij,” hernam mijnheer
Costigan; „ik twijfel niet of mijn jonge vriend heeft twee duizend pond
’s jaars te wachten.”
„Twee duizend takkebossen! Ik vraag verschooning, beste heer; maar
heeft de jongen u misleid? dat ligt anders niet in zijn aard. Op mijn
woord van eer, als gentleman en bovendien als executeur van mijn
broeders testament, verzeker ik u, dat hij niet veel meer dan
vijfhonderd pond ’s jaars naliet.”
„En met overleg is dat ook nog een aardig sommetje, mijnheer,”
antwoordde de kapitein. „Wel, ik heb menschen dagelijks hunne flesch
zien drinken en hunne koets met vier paarden houden in Ierland van
vijfhonderd pond ’s jaars, – met stipt overleg. Wij zullen er wel mee
rondkomen, mijnheer – laat dat maar aan Jack Costigan over.”
„Waarde kapitein Costigan – ik geef u mijn woord, dat mijn broeder geen
duit aan zijn zoon Arthur heeft vermaakt.”
„Houdt gij mij voor den gek, majoor Pendennis?” riep Jack Costigan uit.
„Spot gij met de gevoelens van een vader en een gentleman?”
„Ik vertel u de zuivere waarheid,” hernam majoor Pendennis. „Al wat
mijn broeder bezat, heeft hij aan zijne weduwe vermaakt, ofschoon, dat
is waar, met gedeeltelijken overgang op den knaap. Maar zij is nog eene
jonge vrouw en kan hertrouwen als hij haar boos maakt, – of zij kan hem
overleven, want zij stamt af uit een geslacht, waarvan allen stokoud
worden. En ik vraag u, als gentleman en man van de wereld, wat mijne
zuster, mevrouw Pendennis, uit een inkomen van vijf honderd pond ’s
jaars, hetwelk haar gansche fortuin uitmaakt, aan haar zoon kan
afstaan, om hem in staat te stellen zich zelven en uwe dochter in den
rang, die zulk eene voortreffelijke jonge dame toekomt, te handhaven?”
„Moet ik dus tot het besluit komen, mijnheer, dat de jonge heer, uw
neef, dien ik als mijn eigen vleesch en bloed heb getroeteld en
liefgehad, een bedrieger is, die met de genegenheid van mijn geliefd
kind gespeeld heeft?” riep de Generaal, ziedend van toorn, uit. „Hebt
gij zelf op het ontvankelijke hart van den jonkman gewerkt, om hem te
bewegen zijn engagement en daarmede het hart van mijne aangebeden Emily
te breken? Pas op, mijnheer, dat gij met de eer van Jack Costigan niet
spot! Als ik dat van iemand ter wereld kon vooronderstellen, dan zou,
bij den hemel, zijn bloed moeten stroomen, mijnheer, onverschillig of
hij oud of jong ware.”
„Mijnheer Costigan!” riep de majoor uit.
„Mijnheer Costigan kan en zal zijne eigene eer en die zijner dochter
weten te beschermen,” hernam de ander. „Ziet ge die latafel? Daarin
liggen stapels brieven, door die slang aan mijn onschuldig kind
geschreven; daarin staan beloften, mijnheer, genoeg om er eene
hoededoos mee te vullen; en wanneer ik den schurk voor den rechter
gesleept en in zijne meineedigheid en schande ten toon gesteld heb,
bezit ik nog een ander middel van herstel in die mahoniekouten kist,
mijnheer, dat mij recht zal verschaffen, mijnheer, tegen iedereen –
geef maar goed acht op mijne woorden, majoor Pendennis – tegen
iedereen, die uw neef heeft aangeraden om een krijgsman en gentleman te
beleedigen. Hoe? Zou mijne dochter verstooten, mijn grijze haar
geschandvlekt worden door den zoon van een apotheker? Bij den hemel,
mijnheer, ik wou den man wel eens zien, die dat zou durven doen!”
„Moet ik daaruit afleiden, dat gij in de eerste plaats dreigt de
brieven van een knaap van achttien jaar aan eene vrouw van acht en
twintig openbaar te maken, en in de tweede plaats mij de eer te
bewijzen om mij uit te dagen?” vroeg de majoor, nog altijd volmaakt
kalm.
„Gij hebt mijne bedoeling zeer juist gevat, majoor Pendennis,”
antwoordde de kapitein, terwijl hij zijne verwarde bakkebaarden over
zijne kin trok.
„Nu, nu, dat zal het onderwerp van latere schikkingen uitmaken. Maar
wees zoo goed, waarde heer, eer wij tot kruit en kogels komen, bij u
zelven eens na te gaan, waarmee ter wereld ik u kan benadeeld hebben?
Ik heb u verteld, dat mijn neef afhankelijk is van zijne moeder, die
weinig meer dan vijfhonderd pond ’s jaars hezit.”
„Ik heb mijne eigen gedachten over de juistheid van die opgave,” zeide
de kapitein.
„Wilt gij er u van overtuigen bij de heeren Tatham alhier, de
zaakwaarnemers van mijne zuster?”
„Ik wil met die heeren niets te maken hebben,” antwoordde de kapitein,
zichtbaar ontsteld. „Als het waar is wat gij zegt, dan ben ik door
iemand schandelijk bedrogen, en op dien persoon zal ik mij wreken.”
„Is het mijn neef?” riep de majoor, terwijl hij opsprong en den hoed
opzette. „Heeft hij u ooit verteld, dat hij twee duizend pond ’s jaars
bezat? Heeft hij dat gedaan, dan heb ik mij in den knaap vergist.
Leugens te vertellen is in onze familie nooit gebruikelijk geweest,
kapitein Costigan, en ik geloof, dat mijn broeders zoon dit tot nu toe
ook niet geleerd heeft. Onderzoek liever eens of gij u zelven niet
misleid, of dwaze overdrijvingen op hooren zeggen aangenomen hebt. Wat
mij betreft, mijnheer, verzeker ik u, dat ik niet bang ben voor al de
Costigan’s in Ierland en zeer goed weet hoe ik mij tegen bedreigingen
van dien kant moet waarborgen. Ik kom hier als de voogd van den knaap
om te protesteeren tegen een allerdwaast en allerongerijmdst huwelijk,
dat niet anders dan armoede en ellende ten gevolge kan hebben; en
wanneer ik het belet, geloof ik, dat ik evenzeer de vriend ben van uwe
dochter (die zonder twijfel eene hoogst fatsoenlijke jonge dame is) als
van mijne eigen familie; en beletten zal ik dat huwelijk, mijnheer, met
al de middelen, die in mijne macht staan. Daar, dat is het wat ik te
zeggen heb, mijnheer.”
„Maar niet wat ik te zeggen heb, majoor Pendennis, en gij zult nog
nader van mij hooren,” zeide mijnheer Costigan, met een vervaarlijken
blik.
„Voor den –, mijnheer, wat bedoelt gij?” vroeg de majoor, zich op den
drempel der deur omkeerende en den onversaagden Costigan in de oogen
ziende.
„Ik meen in den loop van het gesprek vernomen te hebben, dat gij in het
George-Hotel logeert?” zeide mijnheer Costigan plechtstatig. „Een
vriend van mij zal daar zijne opwachting bij u komen maken eer gij
vertrekt, mijnheer.”
„Laat hij zich dan haasten, mijnheer Costigan,” riep de majoor, schier
buiten zich zelven van woede. „Ik wensch u goedenmorgen, mijnheer.” En
terwijl majoor Pendennis de trap afging maakte kapitein Costigan over,
de leuning van het portaal eene prachtig uitdagende buiging tegen hem.