Langzaam voortdrentelende, bereikte de majoor weldra den George en vond
daar aan de deur zijn trouwen dienaar, mijnheer Morgan, die zijn
meester tegenhield, toen deze juist eene kaars wilde nemen, om zich
naar bed te begeven, en hem, op zijne gewone eerbiedige, maar
veelbeteekenende manier toevoegde: „Ik geloof, mijnheer, dat gij in de
koffiekamer een jongen heer zult vinden, dien gij misschien wel zoudt
willen spreken.”
„Hoe? is mijnheer Arthur daar?” vroeg de majoor driftig.
„Neen, mijnheer, – maar zijn boezemvriend, mijnheer Foker, mijnheer; de
zoon van Lady Agnes Foker, mijnheer. Hij heeft na tafel in de
koffiekamer zitten slapen en heeft nu juist om koffie gescheld,
mijnheer. En ik dacht, mijnheer, dat gij hem misschien zoudt willen
spreken!” en met die woorden deed Morgan de deur der zaal open.
De majoor trad binnen en zag daar inderdaad mijnheer Foker, die de
eenige gast was. Hij wreef zijne oogen uit en zat aan eene tafel,
versierd met ledige flesschen en overblijfselen van het dessert. Ook
hij was voornemens geweest naar den schouwburg te gaan, maar na het
rijkelijke diner had de slaap hem overrompeld, zoodat hij zijne beenen
op een stoel uitgestrekt en een dutje gedaan had, in plaats van zijne
dramatische uitspanning te gaan genieten. De majoor overlegde, hoe hij
het woord tot den jonkman zou richten, maar deze bespaarde hem die
moeite.
„Het avondblad inzien, mijnheer?” vroeg mijnheer Foker, die altijd
spraakzaam en voorkomend was, en nam de Globe op, die hij den
binnentredende aanbood.
„Ik ben u zeer verplicht,” zeide de majoor met eene buiging en een
lachje van erkentelijkheid. „Als ik mij niet vergis in de
familietrekken, heb ik het genoegen, met mijnheer Henry Foker, den zoon
van Lady Agnes Foker, te spreken. Ik acht mij gelukkig, die dame onder
mijne bekenden te mogen tellen – en gij hebt, mijnheer, het gezicht van
een Rosherville.”
„Hola! vraag wel verschooning.” zeide mijnheer Foker. „Ik zag u aan” –
„voor een handelsbediende,” wilde hij zeggen, doch hield zich in en
hernam: „Wien heb ik de eer te spreken?”
„Den oom van een vriend en schoolkameraad van u – Arthur Pendennis,
mijn neef, die mij dikwijls met de grootste achting over u gesproken
heeft. Ik ben majoor Pendennis, van wien gij hem misschien ook wel hebt
hooren spreken. Mag ik mijn glaasje sodawater aan uwe tafel komen
drinken? Ik heb het genoegen gehad aan uw grootvaders tafel aan te
zitten.”
„Mijnheer, gij doet mij veel eer,” antwoordde mijnheer Foker met de
meeste wellevendheid. „En dus zijt gij de oom van Arthur Pendennis?
Zoo!”
„En zijn voogd,” liet de majoor er op volgen.
„Beter kerel dan hij loopt er niet, mijnheer,” zeide Foker.
„Het doet mij genoegen, dat gij zoo gunstig over hem denkt.”
„En knap is hij ook. Ik ben altijd een ezel geweest, dat is waar! Maar
ziet ge, mijnheer, ik kan zeer goed onderscheiden of iemand knap is, en
van zulke menschen houd ik.”
„Gij toont uw goeden smaak en uwe zedigheid beiden,” hernam de majoor.
„Ik heb Arthur meermalen over u hooren spreken, en hij zeide altijd,
dat gij een zeer goeden aanleg hadt.”
„Bij de boeken ben ik niet veel waard,” zeide mijnheer Foker en schudde
het hoofd; „daarin heb ik nooit zin gehad – Pendennis wel – hij maakte
de helft van de verzen voor de jongens – en echter,” viel de jonge heer
hier eensklaps uit, – „gij zijt zijn voogd, maar gij zult het mij niet
euvel duiden, als ik zeg, dat ik hem houd voor hetgeen wij heel groen
noemen,” zeide de rondborstige jonkman.
De majoor bevond zich plotseling midden in een hoogst belangwekkend en
vertrouwelijk gesprek, „En waarom is Arthur heel groen?” vroeg hij met
een glimlach.
„Weet je,” antwoordde Foker met een knipoogje; hij zou even
onbeschroomd den hertog van Wellington een knipoogje toegeworpen
hebben, want hij verkeerde in dien staat van halve bewustheid,
oprechtheid en onbevreesdheid, waarin men soms komt na een paar
flesschen wijn gedronken te hebben – „Weet je, Arthur is heel groen, –
ten aanzien van de vrouwen, meen ik.”
„Hij is niet de eerste van ons, dien het zoo gaat, waarde mijnheer
Harry,” merkte de majoor aan. „Ik heb er reeds iets van gehoord, maar
doe mij het genoegen er mij wat meer van te vertellen.”
„Wel, zie je, mijnheer, – het is gedeeltelijk mijne schuld. Hij ging op
zekeren avond naar den schouwburg – want, weet je, ik ben in deze
streek gekomen om mij gedurende de groote vacantie nog wat op mijne
promotie voor te bereiden, maar ik kom tamelijk druk met mijn rijtuig
van Baymouth over. Nu dan, mijnheer, wij gingen het stuk zien, en
dadelijk was Pen smoorlijk op jufvrouw Fotheringay – eigenlijk heet zij
Costigan, en het is inderdaad eene prachtige meid. Den volgenden morgen
stelde ik hem aan den Generaal voor, zooals wij haar vader noemen – een
echte ouwe schavuit, die grog met emmers drinken kan; en daar is hij nu
huisvriend geworden. Hij is op haar verliefd geraakt, en ik zou mijn
hoofd durven verwedden, dat hij haar gevraagd heeft,” zeide Foker en
sloeg met de hand zoo hard op tafel, dat het dessertservies er van
rammelde.
„Hoe? weet gij dat ook al?” vroeg de majoor.
„Of ik dat weet? Nog vrij wat meer bovendien. Wij spraken er gisteren
aan de officierstafel over en namen een loopje met Derby Oaks, totdat
hij zoo razend werd als een stier. Kent gij Sir Derby Oaks? Wij hebben
heden middag samen gedineerd en daarop ging hij naar den schouwburg; ik
herinner mij, dat wij aan de deur stonden te rooken, toen gij
binnenkwaamt om te dineeren”
„Ik heb zijn vader, Sir Thomas Oaks, gekend eer hij nog ridder en
baronet was. Hij woonde in de Cavendish Square en was lijfarts van
koningin Charlotte.”
„Ik kan u verzekeren, dat de jonge het geld weder onder de menschen
brengt,” zeide mijnheer Foker.
„En is Sir Derby Oaks ook een soupirant?” vroeg de majoor in groote
opgetogenheid en spanning.
„Een wat?” vroeg mijnheer Foker van zijn kant.
„Ook een bewonderaar van jufvrouw Fotheringay?” verduidelijkte de
majoor.
„Dat zou ik denken! Wij noemen hem Maandag. Woensdag en Vrijdag, en Pen
Dinsdag, Donderdag en Zaterdag. Maar alles in eer en deugd. Neen, neen!
jufvrouw F. houdt veel te goed de oogen open, majoor! Zij houdt den
eenen door den anderen in bedwang. Twee snaren op hare viool, zooals
men wel eens zegt.”
„Mij dunkt, dat gij de oogen ook vrij goed open hebt, mijnheer Foker,”
merkte Pendennis lachend aan.
„Ja, vrij wel, dank u, mijnheer – hoe vaart gij?” antwoordde Foker met
de meeste koelbloedigheid. „Ik ben misschien niet knap, maar ik geloof,
dat ik tamelijk slim ben, en welwillende vrienden zeggen, dat ik nog al
goed weet waar Abraham de mosterd haalt. Kan ik u ook in eenig opzicht
van dienst zijn?”
„Op mijn woord,” hernam de majoor, ten hoogste verheugd, „ik geloof,
dat gij mij een zeer grooten dienst zoudt kunnen bewijzen. Gij zijt een
jong heer, die de wereld gezien heeft, en daarmee ga ik gaarne om. Als
zoodanig behoef ik u niet te verzekeren, dat onze familie volstrekt
niet ingenomen is met die dwaze zaak, waarin Arthur zich gewikkeld
heeft.”
„Neen, dat kan ik wel denken,” zeide mijnheer Foker. „Geen
aanbevelenswaardige familie. Te veel bier in huis gedronken. Liefst
niet gediend van Ieren. Dat is waarschijnlijk uwe bedoeling?”
De majoor verklaarde, dat dit juist was wat hij meende, ofschoon hij
Foker niet in alle deelen begreep; en daarop hoorde hij zijn nieuwen
bekende uit over de lieve familie, waarin zijn neef wenschte te komen,
en vernam weldra van dien rondborstigen getuige een aantal
bijzonderheden, betreffende de familie Costigan.
Wij moeten mijnheer Foker het recht laten weervaren, dat hij zich zeer
gunstig over het zedelijk gedrag van mijnheer en jufvrouw Costigan
uitliet. „Weet je,” zeide hij, „de Generaal is verzot op een gezellig
glaasje, en als ik heel zeker van mijn geld wilde zijn, zou ik het niet
in zijn zak bergen; maar hij heeft altijd over zijne dochter gewaakt en
hij noch zij zullen iets gedoogen, dat niet fatsoenlijk is. Pen’s
beleefdheden jegens haar zijn het onderwerp der gesprekken van het
heele tooneelgezelschap, en ik hoor er alles van door eene jonge dame,
die vroeger zeer intiem met haar was en bij wier familie ik wel eens
een vriendschappelijk kopje thee ga drinken. Jufvrouw Rouncy zegt, dat
Sir Derby Oaks, sinds het eerste oogenblik dat zijn regiment hier
gekomen is, op jufvrouw Fotheringay een oogje gehad heeft; doch Pen is
gekomen en heeft hem ten slotte verdrongen, hetgeen den baronet
zoodanig geërgerd heeft, dat hij op het punt heeft gestaan haar ook te
vragen. Ik wou, dat hij het deed; dan zoudt gij eens zien naar wien van
beiden jufvrouw Fotheringay zou toevliegen.”
„Dat dacht ik ook wel,” zeide de majoor. „Gij hebt mij veel genoegen
gedaan, mijnheer Foker. Ik wenschte, dat ik u reeds vroeger gesproken
had.”
„Ik wilde er den neus niet in steken,” antwoordde de ander. „Ik spreek
niet voordat men mij vraagt, en dan, wanneer er niets is wat het
verbiedt, zeg ik tamelijk onbewimpeld mijn gevoelen. Ik vernam, dat uw
knecht den mijnen uitgehoord had, – ik wist zelf niet wat er gaande
was, totdat jufvrouw Fotheringay en jufvrouw Rouncy die ruzie over de
struisveeren kregen, en toen vertelde jufvrouw R. mij alles, van A tot
Z.”
„Jufvrouw Rouncy, komt mij voor, is de vertrouwelinge van de andere!”
„Vertrouwelinge? Het mocht wat! Zij is een vrij wat knapper meisje dan
jufvrouw Fotheringay; zij heeft verstand van letterkunde, en zoo meer,
terwijl jufvrouw Foth nauwelijks lezen kan.”
„En schrijven,” zeide de majoor, die aan Pen’s borstzak dacht.
Foker barstte het uit met een spottend: „Hi! hi!” „Rouncy schrijft hare
brieven,” zeide hij; „al hare brieven, zonder uitzondering; en nadat
zij die ruzie gehad hebben, weet zij niet hoe zij zich redden moet.
Jufvrouw Rouncy schrijft eene heel mooie hand, terwijl de andere
ellendig schrijft en spelt, als Bows er niet bij is. Rouncy heeft in
den laatsten tijd hare brieven geschreven – zij heeft eene mooie hand,
dat heeft Rouncy.”
„Ik geloof, dat gij dit best weet,” zeide de majoor schalksch, waarop
Foker van zijn kant tegen hem knipoogde.
„Ik zou heel wat willen geven om een staaltje van haar schrift te
hebben,” ging majoor Pendennis voort. „Zoudt gij mij er niet aan kunnen
helpen?”
„Neen, neen, dat zou gemeen zijn,” gaf Foker ten antwoord. „Misschien
had ik zooveel niet moeten zeggen als ik gedaan heb. Het schrift van
jufvrouw F, houd ik niet voor zoo heel slecht; maar zij had jufvrouw R.
den eersten brief laten schrijven, en daarom is zij er mee voortgegaan.
Let echter eens op, dat er geen brieven meer komen zullen, tot zij weer
goede vrienden zijn.”
„Ik hoop, dat zij het nooit weer zullen bijleggen,” zeide de majoor uit
den grond van zijn hart; „en ik kan u niet zeggen hoezeer ik mij
verheug over het geluk, dat ik kennis met u heb mogen maken. Als man
van de wereld, mijnheer, zult gij begrijpen hoe noodlottig deze stap,
dien mijn neef wil doen, voor zijne vooruitzichten moet wezen, en
hoezeer wij ons dus beijveren moeten om hem van dit dwaze engagement te
bevrijden.”
„Het schijnt hem volle ernst te zijn,” merkte mijnheer Foker op; „ik
heb zijne verzen gezien; Rouncy heeft ze gekopieerd. Toen ik ze zag,
zeide ik bij mij zelve: „Zij zullen mij niet betrappen, dat ik verzen
op eene vrouw maak” – anders niets.”
„Hij heeft zich als een dwaas aangesteld, gelijk menige goede jongen
vóór hem. Maar hoe kunnen wij hem zijne dwaasheid doen inzien en hem er
van genezen? Gij zult ons zeker wel alle hulp willen verleenen om een
jongmensch, voor wien men hart moet hebben, te redden uit de handen van
zulk een paar intriganten als die vader en dochter schijnen te zijn.
Liefde is aan den kant der dame zeker niet in het spel.”
„Liefde!” riep Foker uit. „Als Pen, zoodra hij meerderjarig wordt, geen
twee duizend pond ’s jaars had –”
„Als Pen wat niet had?” schreeuwde de majoor, buiten zich zelven van
verbazing.
„Twee duizend pond ’s jaars. Heeft hij dan geen twee duizend pond ’s
jaars? De Generaal zeide het toch.”
„Beste vriend,” riep de majoor met een vuur, dat hij zelden aan den dag
legde: „ik dank u! ik dank u! Er gaat mij een licht op! Twee duizend
pond ’s jaars! Zijne moeder bezit geen cent meer dan vijf honderd pond
’s jaars. Zij kan licht tachtig jaar oud worden, en Arthur bezit geen
stuiver buiten hetgeen zij hem geven kan.”
„Hoe? Is hij dan niet rijk?” vroeg Foker.
„Op mijn woord van eer, hij bezit niets meer dan wat ik zeg.”
„En zult gij hem niets nalaten?”
De majoor had elken shilling, dien hij kon bijeenschrapen, besteed om
eene lijfrente te koopen, zoodat hij Pen natuurlijk niets zou nalaten;
maar dit vertelde hij aan Foker niet. „Denkt gij, dat een gepensioneerd
majoor iets kan overleggen?” vroeg hij. „Indien die menschen hem als
eene goede partij hebben beschouwd, vergissen zij zich geweldig – en –
en gij hebt mij tot den gelukkigsten mensch ter wereld gemaakt.”
„Zeer tot uw dienst, mijnheer,” zeide Foker beleefd, en toen zij
scheidden, schudden zij elkander met de grootste hartelijkheid de hand,
terwijl de jonge heer aan den ouden beloofde Chatteries niet te zullen
verlaten eer zij elkander des morgens weer gesproken hadden. Toen de
majoor naar zijne kamer ging en mijnheer Foker nog eene sigaar in de
deur van den George stond te rooken, lag Pen waarschijnlijk, op tien
mijlen afstands, in bed den brief van zijne Emily te kussen.
Eer mijnheer Foker den volgenden morgen met zijn rijtuig wegreed, had
de slimme majoor werkelijk een brief van jufvrouw Rouncy in zijn eigen
zakboekje. Laat dit eene les voor vrouwen zijn, hoe zij schrijven. In
groote opgetogenheid begaf majoor Pendennis zich naar doctor Portman,
ten huize van den deken, en verhaalde hem welke verblijdende
ontdekkingen hij den vorigen avond gedaan had. Terwijl zij aldus in de
met eikenhout beschoten ontbijtkamer van den deken in vertrouwelijk
gesprek zaten, konden zij over het grasperk heen kapitein Costigan’s
venster zien, waar de arme Pen drie weken te voren maar al te zichtbaar
was geweest. De doctor was woedend over de onoprechtheid der hospita,
jufvrouw Creed, die de aanhoudende bezoeken van Sir Derby Oaks bij hare
inwoners verborgen had, en dreigde haar uit de groote kerk te bannen.
Maar de scherpzinnige majoor meende, dat alles juist naar wensch
geloopen was; en, na zich dien nacht rijpelijk beraden te hebben,
achtte hij zich sterk genoeg om naar kapitein Costigan te gaan en hem
onder de oogen te zien.
„Ik ga den draak bevechten,” zeide hij lachend tegen doctor Portman.
„Ik geef u absolutie, mijnheer, en hoop, dat het geluk uwe onderneming
zal bekronen,” antwoorde de doctor.
Het kan wel zijn, dat hij en mevrouw Portman en jufvrouw Myra, terwijl
zij bij hunne vriendin, de vrouw van den deken, in de gezelschapskamer
zaten, meer dan eens naar het venster van den vijand heenzagen, om te
ontdekken of zij ook eenig teeken van den strijd konden waarnemen.
De majoor ging, volgens de inlichtingen, die hij bekomen had, om de
kerk heen, en stond spoedig voor het deurtje van jufvrouw Creed. Hij
ging binnen en kon, toen hij de trap naar het vertrek van kapitein
Costigan opklom, duidelijk het stampen van voeten en het schreeuwen
van: „Ha! ha!” daar binnen hooren.
„Dat is Sir Derby Oaks, die schermles neemt,” zeide het kind, dat den
majoor tot gids diende. „Hij neemt les op Maandag, Woensdag en
Vrijdag.”
De majoor klopte aan en eindelijk kwam een lang heer, met een degen en
een masker in de eene en een schermhandschoen in de andere hand, te
voorschijn.
Pendennis maakte eene eerbiedige buiging tegen hem en zeide: „Ik
geloof, dat ik de eer heb kapitein Costigan te spreken – ik ben majoor
Pendennis.”
De kapitein salueerde met zijn wapen en antwoordde: „Majoor, de eer is
aan mij; het doet mij genoegen u te zien.”