MEVROUW HALLER THUIS.

Zonder haar gang te vertragen was de merrie Rebekka tot Baymouth

voortgegaloppeerd, waar Pen haar in den stal van het logement bracht,

en vervolgens recht naar Foker’s kamers ging, die hij kende uit de

inlichtingen, welke die heer hem den vorigen dag had verstrekt. Toen

Pen op die kamers kwam, boven den winkel van een drogist, wiens

voorraad van sigaren en sodawater snel van de hand ging door de

klandizie van zijne jonge inwoners, vond hij alleen mijnheer Spavin,

Foker’s vriend en medeëigenaar van het rijtuig, waarmede laatstgenoemde

Chatteries was binnengereden, die zat te rooken en een kleinen hond,

die bij hem in de gunst stond, kunstjes leerde met een stukje beschuit.

Pen’s gezond gelaat, verhit door den rit, stak zonderling af bij de

waskleurige, ziekelijke kleine gelaatstrekken van Foker’s kameraad.

Dezen viel dit in het oog. „Wie is die kerel?” dacht hij. „Hij ziet er

uit als melk en bloed. ’k Wed vijf tegen één, dat zijne hand ’s morgens

niet beeft.”

Foker was in het geheel niet thuis gekomen. Dat was eene

teleurstelling! Spavin kon niet zeggen, wanneer zijn vriend zou

terugkomen. Soms bleef hij een dag, soms eene week weg. Tot welke

academie behoorde Pen? Zou hij iets gebruiken? Daar stond een goed glas

ale. Spavin leerde Pendennis’ naam kennen, door het kaartje, dat Pen

uithaalde en neerlegde (het kan wel zijn, dat Pen in die dagen nog al

trotsch was, dat hij een kaartje had) – en aldus namen de jonge lieden

afscheid van elkander.

Daarop ging Pen langs de rotsen, drentelde rond op het zand, en beet op

zijne nagels aan het strand der luid ruischende zee, die zich helder en

onmetelijk voor hem uitstrekte. De blauwe wateren kwamen schuimend en

met een heesch gebrul de baai inrollen; Pen beschouwde ze met een

afgetrokken blik en zag ze nauwelijks. Welk een getij overstroomde op

dat oogenblik het gemoed van den jonkman zelven, en hoe weinig kracht

bezat hij om het te stuiten! Pen wierp steenen in de zee, maar nog

altijd rolde zij aan. Hij was verwoed dat hij Foker niet zag. Hij had

behoefte om Foker te spreken; hij moest hem spreken. „Mij dunkt ik

moest den weg van Chatteries opgaan, om te zien of ik hem ontmoeten

kan,” dacht Pen. Een half uur later was Rebekka gezadeld en galoppeerde

zij over het gras den weg naar Chatteries op. Omtrent vier mijlen van

Baymouth begint, gelijk ieder weet, de weg paar Clavering, en de merrie

was natuurlijk voornemens dien in te slaan, maar Pen gaf haar een slag

met de karwats over de schouder, liet dien weg links en reed tot aan

den slagboom door, zonder een zweem van de zwarte chais met de roode

wielen te zien.

Nu hij toch aan den slagboom was, kon hij evengoed doorijden; dat was

duidelijk. Dus reed Pen naar den George en vernam van den stalknecht,

dat Foker werkelijk daar was en den vorigen avond een schrikkelijk

„standje” gemaakt had met drinken en zingen, en dat hij met Tom den

postiljon had willen vechten, „waarvan hij, geloof ik,” zeide de man

met een grijns, „slecht zou afgekomen zijn.” – „Hebt gij uw meesters

scheerwater al boven gebracht?” liet hij er op zeer satirieken toon

tegen Foker’s knecht op volgen, die op dit oogenblik met de kleederen

van zijn meester, heerlijk geborsteld en in orde gebracht, op het plein

kwam. „Wijs mijnheer Pendennis den weg eens,” en Pen volgde den knecht

ten slotte naar de kamer, waar mijnheer Harry Foker midden in een

onmetelijk bed lag te rusten.

Het veeren bed en de kussens zwollen geheel rondom mijnheer Foker op,

zoodat men zijn klein bleek gezicht en zijne rood zijden nachtmuts

ternauwernood zien kon.

„Hola!” zeide Pen.

„Wie daar, broeder? spreek op!” klonk de stem uit het bed. „Hoe!

Pendennis terug? Weet uwe mama, dat gij uit zijt? Hebt gij

gisterenavond met ons gesoupeerd? Neen – wacht – wie soupeerde

gisterenavond met ons, Domkop?”

„Daar waren de drie officieren, mijnheer, en mijnheer Bingley,

mijnheer, en mijnheer Costigan, mijnheer,” antwoordde de man, die

mijnheer Foker’s toespraak met de grootste deftigheid aanhoorde.

„O ja: de beker ging rond, met scherts gekruid. Wij zongen, en ik

herinner mij, dat ik met een postiljon heb willen vechten. Heb ik hem

afgeranseld, Domkop?”

„Neen, mijnheer; het is tot geen vechten gekomen,” antwoordde Domkop,

altijd met onverstoorbaren ernst. Hij bracht mijnheer Foker’s

toiletdoos in orde, – zoo groot als een reiskoffer, een geschenk van

eene liefhebbende moeder, zonder hetwelk de jonge kerel nooit reisde.

De doos bevatte een verbazend talrijk stel in zilver: een zilveren

zeepschotel, eene zilveren kan, zilveren doozen en flesschen voor

allerlei soort van reukwerken, en eene keur van scheermessen tegen den

tijd dat mijnheer Foker’s baard zou uitbotten.

„Ik zal het maar een andere keer doen,” zeide de jonkman geeuwend, en

sloeg de magere armpjes boven zijn hoofd. „Neen, het is tot geen

vechten gekomen; maar er is gezongen. Bingley zong, ik zong, de

Generaal zong – Costigan, bedoel ik. Hebt gij hem ooit het Biggetje

onder het bed hooren zingen, Pen?

„De man, dien wij gisteren ontmoetten?” vroeg Pen, geheel ontroerd, „de

vader van – ”

„Van Fotheringay? – dezelfde. Is dat niet eene Venus, Pen?”

„Mijnheer, mijnheer Costigan is in de zitkamer, mijnheer, en zegt,

mijnheer, dat gij hem op het ontbijt gevraagd hebt, mijnheer. Hij is er

al vijfmaal geweest, mijnheer, maar wilde volstrekt niet, dat ik roepen

zou, en is al hier sedert elf uur, mijnheer –”

„Hoe laat is het nu?”

„Eén uur Mijnheer.”

„Wat zou de beste der moeders zeggen,” riep de kleine luiaard uit,

„indien zij mij op dit uur te bed zag? Zij heeft mij hierheen gezonden

met een repetitor. Zij wenscht, dat ik mijn verwaarloosd genie zal

beschaven. Hè, Pen, dat is wat anders dan de school ’s morgens om zeven

uur, – niet waar, ouwe jongen?” en de jonge heer begon zoo uitgelaten

als een schooljongen te lachen. Toen liet hij er op volgen: „Ga zoolang

den Generaal gezelschap houden, terwijl ik mij kleed, Pendennis, en

vraag hem het Biggetje onder het bed voor u te zingen, dat is iets

prachtigs.” Pen ging in groote ontroering heen om mijnheer Costigan op

te zoeken, en mijnheer Foker begon zijn toilet.

Van mijnheer Foker’s beide grootvaders was de een, van wien hij een

fortuin erfde, een bierbrouwer; de andere was een graaf, die hem

begiftigde met de inschikkelijkste moeder ter wereld. De Foker’s waren

van vader tot zoon op de school gegaan, alwaar onze vriend (wiens naam

men, over den muur der speelplaats heen, op het uithangbord eener

herberg kon zien, waar „Fokersbier” geschilderd stond) vreeselijk

geplaagd werd wegens zijn vaders beroep, zijn lomp voorkomen, zijn

geringen aanleg voor geleerdheid of zindelijkheid, zijne gulzigheid en

andere zwakke zijden. Doch als men weet hoe een gevoelige knaap onder

de dwingelandij zijner schoolkameraden afgetrokken en gluiperig wordt,

zal men begrijpen hoe hij zich binnen weinige maanden na zijne

bevrijding uit de knechtschap zoodanig had ontwikkeld als nu het geval

was, en hoe hij de luimige, sarcastische, schitterende Foker was

geworden, met wien wij kennis hebben gemaakt. Wel is waar, bleef hij

altijd een domkop, want men verwerft geene kennis door de school te

verlaten en zich als student bij eene academie te laten inschrijven;

maar hij was nu (op zijne wijze) een evengroot dandy als hij vroeger

een sloddervos was geweest, en toen hij de zitkamer binnentrad, om

zijne beide gasten op te zoeken, verscheen hij geparfumeerd en in fijn

linnen gedost en oogverblindend van toilet.

Generaal of kapitein Costigan – want dezen laatsten titel scheen hij

het liefst te voeren – zat in het venster, het nieuwsblad op armslengte

van zich afhoudende. De oogen van den kapitein waren wat dof, en hij

spelde de woorden met behulp van zijne lippen zoowel als van zijne

roode oogen, zooals men dat wel meer ziet van heeren, voor wie het

lezen eene zeldzame en moeielijke bezigheid is. Zijn hoed stond schuins

op één oor, en daar hij één zijner voeten op de vensterbank gelegd had,

kon iemand, die op zulke dingen lette, uit de gedaante en den versleten

toestand der laarzen van den kapitein opmaken, dat het hem niet

bijzonder voor den wind ging. De armoede schijnt eene bijzondere

neiging te bezitten, om, alvorens zij zich geheel van iemand meester

maakt, in de eerste plaats zijne uiterste ledematen aan te tasten;

zijne hoofd-, hand- en voetbekleeding wordt hare eerste prooi. Al deze

gedeelten van des kapiteins kleeding waren buitengemeen slordig en

kaal. Zoodra hij Pen zag, verliet hij zijne zitplaats in de vensterbank

en groette den binnengekomene, eerst op militaire wijze, door een paar

vingers (bedekt met een gescheurden zwarten handschoen) aan zijn hoed

te brengen en daarna dit sieraad geheel af te nemen. De kapitein had

aanleg om kaal te worden, doch vlijde eene hoeveelheid lang ijzergrauw

haar over zijne kruin, terwijl een paar lokken daarvan langs elke zijde

van zijn gelaat neerhingen. Veel whisky had het teint bedorven, dat

mijnheer Costigan in zijne jeugd misschien bezeten had. Zijn voormaals

knap gelaat was nu koperkleurig. Hij droeg eene zeer hooge stropdas,

met scheurtjes en vlekken op vele plaatsen, en een gekleeden rok,

geheel toegeknoopt, behalve op de plaatsen waar de knoopen afscheid van

het laken hadden genomen.

„De jonge heer, aan wien ik de eer had gisteren op het kerkplein

voorgesteld te worden,” zeide de kapitein met eene allersierlijkste

buiging en een zwaai van zijn hoed. „Ik hoop, dat gij wel zijt,

mijnheer. Ik zag u gisterenavond in den schouwburg onder het spel van

mijne dochter; maar toen ik terugkwam, vond ik u niet meer. Ik had haar

maar even thuis gebracht, mijnheer, want Jack Costigan, ofschoon arm,

is een gentleman; en toen ik weer in den schouwburg kwam om mijn

compliment te maken aan mijn vroolijken jongen vriend, mijnheer Foker,

waart gij reeds heengegaan. Wij hebben nog een genoeglijken avond

doorgebracht, mijnheer; – mijnheer Foker, de drie jonge en dappere

dragonders en uw onderdanige dienaar. Waarachtig, mijnheer, het deed

mij weer denken aan sedert lang verloopen avonden, toen ik officier was

bij het beroemde honderd en derde regiment.” En bij die woorden haalde

hij eene oude snuifdoos uit den zak, en bood die met eene deftige

houding zijn nieuwen bekende aan.

Arthur was verreweg te veel ontroerd om te spreken. Die kale en

verloopen kwast was – was haar vader. De kapitein was geparfumeerd met

den geur der sigaren van den vorigen avond, en krulde en trok het bosje

haar aan zijne kin zoo kranig als een eerste jonge dandy.

„Ik hoop, dat mejufvrouw F–, mejufvrouw Costigan welvarend is,

mijnheer,” zeide Pen, beginnende te blozen. „Zij – zij verschafte mij

grooter genoegen, dan – dan ik – ik – ik ooit in de komedie genoten

heb. Ik geloof, mijnheer – ik geloof, dat zij de knapste actrice ter

wereld is,” bracht hij met stokkenden adem uit.

„Uwe hand, jonkman! want gij spreekt uit het hart,” riep de kapitein

uit. „Ik dank u, mijnheer; een oud soldaat en een liefhebbend vader

dankt u. Zij is de eerste actrice ter wereld. Ik heb mevrouw Siddons

gezien, mijnheer, en mejufvrouw O’Nale – die waren groot, maar wat

waren zij in vergelijking van jufvrouw Fotheringay? Ik wil niet, dat

zij haar eigen naam drage, zoolang zij op het tooneel is. Mijne

familie, mijnheer, draagt het hart hoog, en de Costigan’s van

Costiganstown zouden denken, dat een eerlijk man, die officier geweest

is bij het honderd en derde, zich vernederde door zijne dochter te

veroorloven, het brood voor haar ouden vader te verdienen.”

„Er kan voorwaar geen eervoller plicht bestaan,” zeide Pen.

„Eervol! Voor den drommel, mijnheer, ik zou den man wel eens willen

zien, die durfde zeggen, dat Jack Costigan zou bewilligen in iets, dat

niet eervol was. Ik heb een hart, mijnheer, ofschoon ik arm ben; ik

houd van menschen, die hart hebben. En daaronder behoort gij; dat lees

ik in uw open gelaat en uw vasten blik. En zoudt gij wel willen

gelooven,” liet hij er na een poosje op volgen, terwijl hij vol

aandoening fluisterde, „dat die Bingley, die door mijn kind fortuin

gemaakt heeft, haar slechts twee guinjes in de week geeft, waaruit zij

hare kleeding bekostigt, en dit, met mijne eigene geringe middelen, ons

geheele inkomen uitmaakt?”

Nu moet het gezegd worden, dat de middelen van den kapitein zoo uiterst

gering waren, dat zij inderdaad onzichtbaar mochten heeten. Doch

niemand weet hoe de wind verzacht wordt voor de geschoren Iersche

lammeren, en op welke wonderlijke plaatsen zij weide vinden. Zoo

kapitein Costigan, dien ik de eer had te kennen, zijne historie maar

had willen vertellen, zou het een belangrijk verhaal, vol zedelessen

geweest zijn. Maar hij zou die geschiedenis niet verteld hebben, indien

hij het had kunnen doen, noch het hebben kunnen doen, indien hij gewild

had; want de kapitein was niet alleen buiten machte om de waarheid te

spreken, maar zelfs onbekwaam om de waarheid te denken, en waarheid en

verdichting golfden in zijn droomerig en dronken brein door elkander

heen.

Hij begon zijn leven onder schitterende vooruitzichten als vaandrig,

met eene fraaie gestalte en fraaie beenen, en eene der schoonste

stemmen ter wereld. Tot zijn laatsten dag zong hij met

bewonderenswaardig gevoel en luim die merkwaardige Iersche balladen,

die zoo opgeruimd en zoo weemoedig maken, en hij was altijd de eerste,

die van aandoening daarover begon te schreien. Arme Cos! hij was te

gelijk opgewekt en neerslachtig, geestig en dwaas, maar altijd

goedhartig, en soms kon men hem bijna vertrouwen. Tot het laatste

oogenblik zijns levens was hij bereid met iedereen te drinken en voor

iedereen borg te blijven; en zijn einde was in de gijzeling, waar de

deurwaarder, die hem had opgepakt, hart voor hem had gekregen.

In den korten morgenstond zijns levens, was Cos de ziel der

officierstafels, en had de eer zijne drink- of sentimenteele liederen

aan den disch der beroemdste generaals en opperbevelhebbers te zingen,

gedurende welk tijdperk hij driemaal meer wijn dronk dan goed voor hem

was en hij zijn gering erfdeel doorbracht. Wat er van hem werd nadat

hij het leger verlaten had, gaat ons niet aan. Ik wil wedden, dat geen

oningewijde weet hoe een Iersch gentleman zonder geld leeft, hoe hij

het hoofd boven water weet te houden, welke ondernemingen hij, om wat

te verdienen, met helden, die even ongelukkig zijn als hij zelf, op

touw zet, door welke middelen hij de meeste dagen van de week zijne

portie whisky met water weet te krijgen: dit zijn alle onoplosbare

geheimen voor ons, doch genoeg, wanneer wij zeggen, dat Jack, onder

alle stormen des levens, op de eene of andere wijze was blijven

bovendrijven en zijn roode neus nooit bleek had behoeven te worden.

Eer hij en Pen een half uur met elkander gesproken hadden, was het hem

gelukt den jongen heer een paar goudstukken af te persen voor

biljetten, voor de benefice zijner dochter, die eerlang zou plaats

hebben. Het was geene onderneming voor eigen rekening, gelijk verleden

jaar, toen de arme jufvrouw Fotheringay er nog vijftien shillings bij

had toegelegd, maar eene overeenkomst met den regisseur, volgens welke

de dame een zeker aantal plaatsbriefjes verkoopen en een aanzienlijk

gedeelte van den prijs voor zich zelve behouden kon.

Pen had slechts twee pond in zijne beurs en stelde die aan den kapitein

ter hand voor de biljetten; hij zou niet meer hebben durven aanbieden,

uit vrees van de kieschheid van den krijgsman te kwetsen. Costigan

krabbelde spoedig een biljet voor eene loge neer, liet het geld luchtig

in zijn vestzak glijden en sloeg met de hand op de plaats waar het nu

lag. Het scheen zijne oude ribben te verwarmen.

„In vertrouwen, mijnheer,” sprak hij, „het duimkruid is tegenwoordig

schaarscher bij mij dan het placht te zijn. Ik won er zeshonderd op een

enkelen avond, mijnheer, toen mijn toegenegen vriend, zijne koninklijke

hoogheid de hertog van Kent, te Gibraltar was.” En dadelijk begon hij

Pen eene reeks van verhalen op te disschen hoeveel wijn er gedronken

was, welke weddenschappen er waren aangegaan, welke wedrennen de

officieren van het garnizoen gehouden hadden, en daarmede hield hij den

jongen heer aangenaam bezig tot hun gastheer en het ontbijt

binnenkwamen.

Het was aardig te zien, hoe de kapitein zich tegenover den gevulden

kalkoen en de lamscôteletten hield! Aan zijne vertellingen was geen

einde, en hij werd onder het spreken met de jongelieden aanhoudend

opgewekter. Wanneer de oude lazzarone een zonnestraaltje opving,

bakerde hij zich daarin; hij praatte over zijne eigen zaken en zijne

vroegere heerlijkheid en over al de lords, generaals en

lord-stadhouders, die hij ooit gekend had. Hij beschreef den dood van

zijne teerbeminde Bessie, wijlen mevrouw Costigan, en de uitdaging, die

hij gezonden had aan kapitein Shanty Clancy van de Doodhakkers, die

mejufvrouw Fotheringay onbeschaamd aangekeken had toen zij in het park

te Dublin reed; en vervolgens zette hij uiteen hoe de kapitein

verschooning had gevraagd, een diner had gegeven in Kildare Street,

waar zes van hen een en twintig flesschen wijn hadden gedronken, enz.

Hij verklaarde, dat het een geluk en iets roemrijks in het leven van

een oud soldaat was, met twee zulke edelaardige en milde jongelui aan

te zitten, en toen hij een tweede glas curaçao had gekregen, gevoelde

hij zich zoo gelukkig, dat hij begon te schreien. Alles te zamen

genomen, zouden wij kunnen zeggen, dat de kapitein geen man van een

krachtigen geest of een wenschelijk gezelschap was voor de jeugd; doch

er zijn slechter menschen, die veel betere betrekkingen in het leven

bekleeden en oneerlijker zijn, en die nooit half zooveel slechte

streken gedaan hebben als hij. Zij gingen uit, waarbij de kapitein, in

een suffen staat van tevredenheid, zijne beide dierbare jonge vrienden

onder den arm hield. Hij keek schuins naar een paar winkels, waar hij

misschien geld schuldig was, alsof hij zeggen wilde: „Zie maar eens in

welk gezelschap ik ben – gij behoeft niet ongerust te zijn over uw

geld,” en eindelijk namen zij afscheid van mijnheer Foker bij eene

biljartzaal, waar deze afspraak had met eenige heeren van het regiment

van kolonel Swallowtail.

Pen en de schrale kapitein bleven op straat rondslenteren, waarbij de

kapitein, op zijne sluwe wijze, hem uithoorde omtrent mijnheer Foker’s

fortuin en stand in de maatschappij. Pen verhaalde hem, dat Foker’s

vader een voornaam bierbrouwer en zijne moeder Lady Agnes Milton,

dochter van Lord Rosherville was. De kapitein barstte los in

overdrevene complimenten en loftuitingen ten aanzien van mijnheer

Foker, „wiens aangeboren aristocratie men,” zeide hij, „met een

oogopslag zien kon, ofschoon ze slechts strekte om de andere

hoedanigheden die hij bezat, een doordringend verstand en een

edelmoedig hart, te verhoogen,” – van welke redevoering de kapitein

zelf geen enkel woord volkomen geloofde.

Verwonderd, vermaakt en verbijsterd naar het gepraat van zijn metgezel

luisterende, wandelde Pen voort. Het was den knaap nog niet in de

gedachte gekomen, iets te betwijfelen, dat men hem verhaalde, en daar

hij zelf oprecht was, nam hij natuurlijk ook hetgeen hem door anderen

werd medegedeeld voor gave munt aan. Costigan had nooit een beter

toehoorder gehad, en was ten hoogste gevleid door de oplettendheid en

het bescheiden gedrag van den jonkman.

Zoozeer was hij met den jongen gentleman ingenomen en zoo argeloos,

eerlijk en aangenaam scheen Pen hem toe, dat de kapitein hem ten slotte

eene uitnoodiging deed, die hij zeer zelden tot jongelieden richtte, en

aan Pen vroeg, of deze hem de eer wilde doen zijne nederige hut binnen

te treden, die zeer dichtbij was en waar de kapitein de eer zou hebben

zijn jongen vriend aan zijne dochter, mejufvrouw Fotheringay, voor te

stellen?

Pen was door deze uitnoodiging zoo heerlijk verrast, hij was zoo

getroffen door het geluk, hem dus onverwacht aangeboden, dat hij eerst

dacht, dat hij van des kapiteins arm zou gevallen zijn, en toen beefde,

dat de ander zijne ontroering zou bemerken. Hij stamelde eenige

onsamenhangende woorden, die beteekenen moesten, dat het hem hoogst

aangenaam zou zijn aan eene dame te worden voorgesteld, wier – wier

talenten hij zoo bewonderde – zoo hoogelijk bewonderde; en hij volgde

den kapitein, bijna zonder te weten waar deze hem heenvoerde. Hij zou

haar zien! Hij zou haar zien! Bij haar was het middelpunt van het

heelal. Zij was het hart der wereld voor Pen. De dag van gisteren, toen

hij haar nog niet kende, scheen onnoemelijk lang geleden; er lag eene

geheele omkeering tusschen hem en dien tijd, en eene nieuwe wereld

stond op het punt van voor hem geopend te worden.

De kapitein voerde zijn jongen vriend naar dat stille straatje in

Chatteries, Prior’s Lane geheeten, dat in het kerkelijk gedeelte der

stad ligt, nabij de huizen van den deken Green en de kanunniken, en

waarop de torens der hoofdkerk neerzien. Daar woonde de kapitein heel

bescheiden op de eerste verdieping van een huis met een lagen gevel en

met eene koperen plaat aan de deur, waarop: Creed, heeren- en dames

kleermaker te lezen stond. Creed was evenwel dood. Zijne weduwe was

stovenzetster in de kerk dichtbij; zijn oudste zoon was een kleine guit

van een koorknaap, die kruis en munt speelde, zijne broertjes tot

allerlei kattekwaad aanzette en eene stem had als een engel. Een paar

van die broertjes zaten op het stoepje, dat men moest opgaan om in den

gang van het huis te komen, sprongen driftig hun huisgenoot te gemoet

en vlogen als bezetenen, tot Pen’s verbazing, op de rokspanden van den

kapitein los, want doorgaans bracht die goedhartige heer, als hij bij

kas was, een appel of een stuk koek voor deze kinderen mee, „zoodat de

weduwe mij nooit lastig viel om de huur, wanneer het mij niet schikte,”

bekende hij later met een veelbeteekenenden blik aan Pen, terwijl hij

den vinger tegen zijn neus plantte.

Pen tuimelde het stoepje op naar binnen, en terwijl hij zijn geleider

op de oude krakende trap volgde, knikten zijne knieën. Hij kon bijna

niet zien, toen hij dicht achter den kapitein binnentrad en in de kamer

stond – in hare kamer. Hij zag iets zwarts, dat zich bewoog alsof het

eene nijging maakte, en hoorde, ofschoon zeer onduidelijk, dat Costigan

eene rede hield, waarbij de kapitein, met zijne gewone hoogdravendheid,

aan „zijn kind” zijn wensch betuigde om haar in kennis te brengen met

„zijn dierbaren en achtenswaardigen jongen vriend, mijnheer Arthur

Pendennis, een gegoed jong gentleman uit den omtrek, iemand van een

beschaafden geest en innemende manieren, een oprecht beminnaar van de

dichtkunst en een man, begaafd: met een gevoelig en welwillend hart.”

„Mooi weertje,” zeide mejufvrouw Fotheringay met een Iersch accent en

eene diepe, volle, melancholische stem.

„Heel mooi,” antwoordde mijnheer Pendennis. Op deze min romantische

wijze begon hun gesprek, en spoedig vond hij zich gezeten op een stoel

en had hij gelegenheid de jonge dame aan te zien.

Zij zag er buiten het tooneel nog bekoorlijker uit dan bij het

lamplicht. In elken stand, dien zij aannam, had zij iets indrukwekkends

en koninklijks. Toen zij opstond en tegen den schoorsteenmantel leunde,

drapeerde haar kleed zich in klassieke plooien rondom hare gestalte;

hare kin rustte op hare hand en de overige lijnen harer figuur

vertoonden zich in harmonische golving; zij geleek eene peinzende muze.

Toen zij zich op een matten stoel zette, vlijde haar arm zich bevallig

over den rug, hare hand zag er uit alsof die een schepter behoorde te

zwaaien, de plooien van haar gewaad vielen van zelve regelmatig rondom

haar neder, gelijk staatsdames een troon omringen: men zou haar voor

eene keizerin hebben aangezien. Elke beweging was bevallig en

vorstelijk. Bij den dag zag men, dat zij blauwzwart haar en eene

oogverblindend blanke tint bezat, terwijl een bewijsje van een blosje

hare wangen kleurde. Zij had grijze oogen met ongeloofelijk lange

wimpers, en wat haar mond betreft, heeft mijnheer Pendennis mij later

verklaard, dat die zoo blinkend rood was, dat de schitterendste

geranium, evenmin als lak, of de uniform der garde, er mee kon

wedijveren.

„En heel warm,” ging deze keizerin en koningin van Scheba voort.

Mijnheer Pen stemde dit weer toe en in dier voege ging het gesprek

voort. Zij vroeg aan Costigan of hij een genoeglijken avond in den

George had doorgebracht, waarop hij verslag deed van het souper en

opsomde hoeveel glazen punch er gedronken waren. Haar vader vroeg van

zijn kant, hoe zij haar morgen had besteed.

„Bows is tegen tien uur gekomen,” gaf zij ten antwoord, „en toen hebben

wij Ophelia bestudeerd. Dat is voor den vier en twintigsten, wanneer ik

hoop, mijnheer, dat wij de eer zullen hebben u te zien.”

„Zeker, zeker!” riep mijnheer Pendennis uit, terwijl hij zich heimelijk

verwonderde, dat zij „Ophelia” met een Iersch accent had uitgesproken,

hetgeen ook in het algemeen met hare andere woorden het geval was,

ofschoon men op het tooneel niet den minsten Hibernischen tongval bij

haar waarnam.

„Ik heb hem voor uwe benefice geworven, schatje,” zeide de kapitein, op

zijn vestzak kloppende, die Pen’s souvereinen bevatte, en met een

knipoogje tegen Pen, dat den jongen een blos naar het gezicht joeg.

„Mijnheer – mijnheer is heel vriendelijk,” zeide mevrouw Haller.

„Ik heet Pendennis,” zeide Pen, weer blozende. „Ik – ik – hoop, dat gij

het – het zult kunnen onthouden.” Zijn hart bonsde zoo hevig toen hij

deze vermetele woorden sprak, dat hij er bijna in stikte.

„Pendennis,” herhaalde zij langzaam en keek hem zoo vast, zoo

duidelijk, zoo helder, zoo betooverend in de oogen, zij sprak dien naam

met zulk eene zoete, volle, diepe stem uit, dat die blik en die stem

Pen door merg en been drongen en hem met verrukking bezielden.

„Ik heb nooit vroeger geweten, dat het zoo’n lieve naam was,” zeide

Pen.

„Het is een heel lieve naam,” hernam Ophelia. „Pentweazle’s naam klinkt

in het geheel niet lief. Gij herinnert u toch nog wel, papa, toen wij

te Norwich waren, dien jongen Pentweazle, die tweede père noble was, en

met jufvrouw Rancy, de Colombine, getrouwd is? zij zijn nu te Londen

bij den Schouwburg der Koningin geëngageerd tegen vijf pond ’s weeks.

Pentweazle was zijn ware naam niet; Judkin had hem dien gegeven, ik

weet niet waarom. Hij heette Harrington, dat wil zeggen zijn eigenlijke

naam was Potts. Hij was de zoon van een dominé, een heel deftig man.

Harrington kwam te Londen en stak zich in schulden. Het staat u zeker

nog wel voor, dat hij als Falkland optrad met mevrouw Bunce als Julia.”

„Dat was eene mooie Julia!” viel de kapitein hier in: „eene vrouw van

vijftig jaar en moeder van tien kinderen! Gij hadt voor Julia moeten

spelen, of ik heet niet Jack Costigan.”

„Ik speelde toen nog geen hoofdrollen,” sprak jufvrouw Fotheringay

zedig: „ik was er niet geschikt voor, tot Bows het mij leerde.”

„Dat is waar, schatje,” zeide de kapitein, boog zich tot Pendennis over

en liet er op volgen: „Wij zijn wat afgetakeld, mijnheer; ik ben

eenigen tijd schermmeester te Dublin geweest (er waren maar drie mannen

in het heele rijk, die mij in der tijd met de floret aan het lijf

konden komen, maar Jack Costigan wordt tegenwoordig oud en stijf,

mijnheer) en mijne dochter kreeg een engagement aan het tooneel; mijn

vriend mijnheer Bows, die haar aanleg zag en buitengewoon scherpzinnig

is, gaf haar onderwijs in de kunst en maakte haar tot hetgeen zij thans

is. Wat hebt gij gedaan nadat Bows vertrokken was, Emily?”

„Wel, ik heb eene pastei gemaakt!” antwoordde Emily met de grootste

eenvoudigheid.

„Als gij die ten vier uur mee wilt proeven, mijnheer, zeg het dan

maar,” zeide Costigan op de voorkomendste wijze. „Dat meisje, mijnheer,

maakt de beste kalfsvleesch- en hampastei in geheel Engeland, en ik

geloof, dat ik u wel een glas punch van het ware gehalte ook beloven

kan.”

Pen had beloofd ten zes uur thuis te zullen zijn om te eten, maar de

guit meende, dat hij in dit opzicht zijn genoegen met zijn plicht kon

vereenigen, en nam in verrukking de uitnoodiging aan. Opgetogen en

verwonderd zag hij, hoe Ophelia door de kamer trippelde om de

toebereidselen voor den maaltijd te maken. Zij zette de glazen gereed,

spreidde het kleine tafellaken en streek het glad, al welke plichten

zij met eene bedaardheid, eene bevalligheid en eene opgeruimdheid

volbracht, die haar gast meer en meer betooverden. Een der broertjes

van den kleinen koorknaap bracht op het bepaalde uur de pastei van den

bakker; en ten vier uur zat Pen te dineeren – waarachtig te dineeren –

met de grootste tragedienne ter wereld en met haar vader, – met de

lieftalligste vrouw uit de gansche schepping, – met zijne verste en

eenige geliefde, die hij aanbad – sinds wanneer? – sinds gisteren, maar

nu voor eeuwig! Hij at gebak van haar maaksel, hij schonk haar een glas

bier, hij zag haar een glaasje punch drinken – niet meer dan een

wijnglas vol – uit het bierglas, dat zij voor haar papa had

gereedgemaakt. Zij was heel welwillend en vroeg of zij voor Pen ook een

glas mocht maken. Het was verbazend sterk; Pen had nog nooit in zijn

leven zooveel sterken drank met water verzwolgen. Was het de punch of

de punchmaakster, die hem bedwelmde?

Zoodra de kapitein, die door zijne dochter met het meeste ontzag

behandeld werd, onder het diner ophield over zich zelven en zijne

lotgevallen te praten, trachtte Pen jufvrouw Fotheringay in een gesprek

over de dichtkunst en haar eigen beroep te wikkelen. Hij vroeg wat zij

dacht van Ophelia’s waanzin, en of zij het er al dan niet voor hield,

dat Ophelia op Hamlet verliefd was? „Verliefd op zulk een akelig

kereltje als die domme regisseur van een Bingley?” Zij kookte van

verontwaardiging bij de bloote gedachte. Pen bracht haar aan het

verstand, dat hij haar niet bedoelde, maar de Ophelia uit het

treurspel. „O zoo! Nu, als er niets kwaads bedoeld was, zou zij het er

óók bij laten. Maar anders, die Bingley – zij gaf geen zier om hem –

kijk, dat glas punch niet.” Vervolgens stelde Pen haar op de proef met

Kotzebue. „Kotzebue? wie was dat?” – „De schrijver van het stuk, waarin

zij zoo heerlijk speelde.” – „Dat wist zij niet – de naam van den man

op het titelblad van het boek was Thompson,” gaf zij ten antwoord. Pen

lachte over haar aanbiddelijken eenvoud. Hij verhaalde haar, dat de

schrijver van dat stuk zulk een noodlottig einde had gehad en door Sand

vermoord was. Het was voor het eerst van haar leven, dat jufvrouw

Costigan hoorde, dat er een Kotzebue bestaan had, doch zij zette een

gezicht alsof zij er veel belang in stelde, en die schijn van

deelneming was voldoende voor den eerzamen Pen.

Onder diergelijke gesprekken vloden de vijf kwartieren, die Pen zich

veroorloven kon, maar al te snel voorbij, zoodat hij afscheid nam en

verdween, en den snellen rit naar huis op den rug van Rebekka aanving.

Het paard had bij de drie tochten, welke het gedaan had, gelegenheid om

te toonen waartoe het in staat was.

„Wat sprak hij daar over de krankzinnigheid van Hamlet en de theorie

van dien grooten Duitschen schrijver?” vroeg Emily aan haar vader.

„Ik weet het zoo waar niet, beste Milly,” gaf de kapitein ten antwoord.

„Wij zullen het Bows eens vragen als hij komt.”

„In ieder geval is het een aardig en beleefd jonkman,” zeide de dame;

„hoeveel plaatsen heeft hij van u genomen?”

„Wel, hij heeft er zes genomen en mij twee guinjes gegeven, Milly,”

zeide de kapitein. „Ik geloof, dat die jonge heeren niet al te ruim bij

kas zijn.”

„Hij vloeit over van geleerdheid,” ging jufvrouw Fotheringay voort.

„Kotzebue! hi, hi! – wat is dat een rare naam! en heeft die arme man

zijn dood gevonden door zand? Hebt ge ooit zoo iets raars gehoord? Daar

zal ik Bows eens naar vragen, papa!”

„Het is zeker een zonderlinge dood geweest,” merkte de kapitein op en

liet daarop dit pijnlijke onderwerp varen. „Het is een mooi paard dat

de jonge heer berijdt,” vervolgde Costigan, „en op het ontbijt, dat de

jonge heer Foker ons gaf, viel niets aan te merken.”

„lk zou wel denken, dat hij twee particuliere loges en ten minste

twintig biljetten zal nemen.” zeide de dochter, een voorzichtig meisje,

dat altijd de mooie oogen op Nommer Eén gevestigd hield.

„Daar geef ik u mijn woord op.” antwoordde papa; en op dien voet werd

het gesprek nog eenigen tijd voortgezet, totdat het bierglas met punch

leeg was. Spoedig sloeg ook het uur van vertrek, want jufvrouw

Fotheringay moest ten half zeven weer in den schouwburg zijn, waarheen

haar vader haar altijd vergezelde; gelijk wij gezien hebben, hield hij

haar uit de coulisses in het oog, of dronk hij in de kleedkamer grog

met het daar vergaderde gezelschap.

„Wat is zij schoon!” dacht Pen terwijl hij naar huis draafde. „Hoe

eenvoudig en zacht! Wat is het verrukkelijk, eene vrouw van haar

weergaloos genie zich met de lieve, maar nederige huishouding te zien

bezig houden, haar gerechten te zien gereedmaken om haar ouden vader

genoegen te doen, of met hare teedere vingeren haar drank voor hem te

zien bereiden! Wat was het lomp van mij, dat ik over haar beroep begon

te spreken, en wat wist zij er behendig eene andere wending aan te

geven! Zij sprak wel is waar zelve over zaken van haar beroep, maar hoe

geestig en luimig verhaalde zij dan ook die geschiedenis van haar

kennis Pentweazle, zooals zij hem noemde! Er gaat maar niets boven

Iersche geestigheid. Haar vader is wel wat langdradig, maar toch heel

vriendelijk; en hoe loffelijk van hem, dat hij, na den dienst verlaten

te hebben, waar hij de lieveling van den hertog van Kent was, les in

het schermen gaf. Schermen! Ik zou mijn schermen wel willen

onderhouden, of ik zal alles vergeten wat Angelo mij geleerd heeft. Oom

Arthur had altijd gaarne, dat ik schermde, en zegt, dat het onmisbaar

voor een gentleman is. Kom aan, ik zal eenige lessen bij kapitein

Costigan nemen. Voort, Rebekka! tegen den heuvel op, oude Jufvrouw.

Pendennis, Pendennis – wat sprak zij dien naam liefelijk uit! Emily,

Emily! Wat is zij goed, edel, schoon, volmaakt!”

De lezer nu, die het geluk heeft gehad het heele gesprek van Pen met

jufvrouw Fotheringay bij te wonen, kan zelf over de mate van hare

geestvermogens oordeelen, en zal misschien meenen, dat zij bij dat

onderhoud niets bijzonder geestigs of verstandigs gezegd had. Zij is

sedert gehuwd en heeft hare plaats in de maatschappij als eene

smettelooze en onbesprokene dame ingenomen; en ik ben verplicht te

verklaren, in strijd met het oordeel van mijn vriend Pen, dat zijne

aangebeden Emily geen snuggere vrouw is. Zij had werkelijk niet alleen

van Kotzebue nooit gehoord, maar evenmin van Farquhar, Congreve of

eenig ander tooneelschrijver, in wiens stukken zij niet optrad, en van

de stukken, waarin zij eene rol vervulde, kende zij alleen het

gedeelte, dat haar zelve aanging. Een grappenmaker maakte haar eens

diets, dat Dante te Algiers geboren was, en vroeg haar wat Dr. Johnson

het eerst geschreven had: „Irene” of „Iedereen naar zijn aard.” Maar

zij kwam er het best af, want zij had nooit van „Irene” of „Iedereen

naar zijn aard” of Dante of misschien zelfs, van Algiers gehoord. Het

was haar allemaal hetzelfde. Zij speelde zooals Bows het haar

voorschreef. – Zij snikte waar hij zeide, dat zij snikken moest, – zij

lachte waar hij wilde dat zij zou lachen. Zij sprak een treffend

gezegde of een snedig antwoord uit zonder het minste begrip van de

beteekenis. Zij ging en gaat met een volkomen onbevlekten naam elken

Zondag trouw ter kerk, en was en is zoo vrij van gezond verstand als

van eenige andere misdaad.

Maar wat wist onze Pen van die dingen? Hij zag een paar schitterende

oogen en geloofde daaraan; hij zag een heerlijk beeld en wierp zich op

de knieën om het te aanbidden. Hij vulde den zin aan, die aan hare

woorden ontbrak, en schiep zelf de godheid, die hij vereerde. Was

Titania de eerste, die op een ezel verliefde, of Pygmalion de eenige

kunstenaar, die waanzinnig werd om een steen? Hij had haar gevonden, –

datgeen gevonden, waarnaar zijne ziel dorstte. Hij wierp zich in den

stroom en dronk met alle macht. Laten degenen, die eenmaal ook dorstig

zijn geweest, ons eens verhalen hoe heerlijk die eerste teug smaakt!

Toen Pen de laan, die naar zijn huis leidde, opreed, schaterde hij het

van lachen uit bij het zien van den eerwaarden heer Smirke, die weer

bedaard op zijn hit van Fairoaks aankwam. Smirke had gepraat en zich

opgehouden in de hutten langs den weg en daarna weer met Laura bij hare

lessen getalmd, en was vervolgens een kijkje gaan nemen naar den tuin

en de daar ingevoerde verbeteringen, tot hij mevrouw Pendennis

eindelijk doodelijk verveelde, en eerst op het laatste oogenblik, toen

de uitnoodiging om te blijven dineeren, waarnaar hij snakte, uitbleef,

afscheid had genomen.

Pen was vervuld met een gevoel van welwillendheid en zegepraal. „Wat,

weer opgestaan en zonder gebroken ribben?” vroeg hij lachend. „Kom weer

mee, ouwe jongen, en eet mijn diner maar op – ik heb het mijne reeds

binnen; maar wij zullen eene flesch van den ouden wijn laten aanrukken

en op hare gezondheid drinken, Smirke.”

De arme Smirke keerde weer terug en hotste naast Arthur voort. Zijne

moeder was opgetogen hem zoo opgeruimd te zien en heette om zijnentwil

mijnheer Smirke welkom, toen Arthur zeide, dat hij den hulpprediker

gedwongen had weer terug te komen om met hen te dineeren. Hij gaf

daarop een allerpotsierlijkst verslag, zoo van het stuk van den vorigen

avond, als van het spel van den regisseur Bingley in zijne krakende

ruiterstevels en van de zwaarlijvige mevrouw Bingley als de Gravin in

verkreukt groen satijn en eene Poolsche muts. Hij bootste hen zoo

getrouw mogelijk na, tot groot vermaak van zijne moeder en van de

kleine Laura, die van genoegen in de handen klapte.

„En mevrouw Haller?” vroeg mevrouw Pendennis.

„Die is een dooddoener, moeder,” antwoordde Pen, lachende, met de eigen

woorden van zijn geachten vriend den heer Foker.

„Een wat, Arthur?” vroeg de dame.

„Wat is een dooddoener, Arthur?” riep Laura op denzelfden toon uit.

Hij gaf dus eene luchtige beschrijving van mijnheer Foker, en voegde er

bij, dat hij op school Biervat en Graankorrel werd genoemd en nog

andere schimpnamen moest hooren, maar dat hij nu verbazend rijk was en

als een voornaam student bij het Bonifacius-Collegie ingeschreven

stond. Doch hoe vroolijk en spraakzaam mijnheer Pen ook was, repte hij

geen lettergreep van zijn rit naar Chatteries dien dag, noch van de

nieuwe kennissen, die hij daar gemaakt had.

Toen de beide vrouwen zich verwijderd hadden, vulde Pen met

schitterende oogen twee groote glazen met madera, zag Smirke vlak in de

oogen en zeide toen: „Dat gaat op hare gezondheid!”

„En dit gaat op de hare!” antwoordde de hulpprediker met een zucht,

terwijl hij zijn glas oplichtte en het geheel leegdronk, zoodat zijn

gezicht een klein blosje vertoonde, toen hij het weer neerzette.

Pen kreeg dien nacht nog minder slaap dan den vorigen. Des morgens ging

hij bijna vóór het krieken van den dag het huis uit, zadelde zelf de

ongelukkige Rebekka en reed als een razende de duinen met haar over.

Andermaal had de Liefde hem gewekt, en gezegd: „Word wakker, Pendennis!

hier ben ik.” Hij koesterde die bekoorlijke koortsigheid, dat

verrukkelijke smachten, dat vuur en die onzekerheid, als

troetelkinderen, die hij voor alle schatten der wereld niet had willen

verliezen.

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 12 / 155 题