WAARIN PENDENNIS ALSNOG HEEL GROEN VOORKOMT.

Arthur was, gelijk wij zeiden, omtrent zestien jaar oud, toen hij zijne

regeering aanving; wat zijn voorkomen betreft was hij wat zijn vrienden

„eene dikke prop” noemden, maar mama vond hem een net figuurtje. Zijn

haar was van eene mooie bruine kleur, die in den zonneschijn op goud

geleek; zijn gezicht was rond, blozend, sproetig en goedhartig; en

zijne bakkebaarden (toen de natuur hem die gezichtssieraden schonk,

waarnaar hij zoo vurig smachtte) hadden bepaald eene roode tint; maar,

zonder dat hij een mooie jongen was, had hij, alles bijeengenomen, zulk

een openhartig en goedig gezicht en stonden zijne heldere blauwe oogen

zoo opgeruimd, dat het geen wonder is, dat mevrouw Pendennis hem als

het pronkjuweel van het gansche graafschap beschouwde. Tusschen zijn

zestiende en achttiende jaar schoot hij van vijf voet zes duim tot vijf

voet acht duim op, en daar stond hij stil. Maar zijne moeder was vol

bewondering daarover. Hij was drie duim langer dan zijn vader. Hoe was

het mogelijk, dat iemand drie duim langer kon zijn dan mijnheer

Pendennis?

Men kan er gerust op wezen, dat hij niet meer naar school ging; de

tucht van die instelling was gansch niet naar zijn smaak en het beviel

hem thuis veel beter. De vraag echter, of hij weder naar school zou

gaan, werd besproken en zijn oom was er voor. De rector schreef, dat

het voor Arthur’s vooruitzichten in de toekomst hoogst noodzakelijk

was, dat hij een Grieksch treurspel grondig kende; maar Pen wist zeer

behendig zijner moeder voor te spiegelen wat eene gevaarlijke plaats

die school der Grauwebroeders was en welke kwajongens sommige der

leerlingen waren, en de bange ziel werd dadelijk ongerust en stemde toe

in zijn wensch om voortaan thuis te blijven.

Nu deed de majoor het aanbod om van zijn invloed gebruik te maken bij

zijne koninklijke hoogheid den opperbevelhebber, die zoo goed was om

hem zeer vriendelijk te behandelen, en voor Pen eene luitenantsplaats

bij de garde te voet te vragen. Pen’s hart klopte van blijdschap toen

hij dit vernam; hij had Zondags, wanneer hij met zijn oom uitging, de

militaire muziek in het St.-Jamespark gehoord. Hij had Tom Ricketts,

van de vierde klasse, die een buisje en broek placht te dragen zoo

belachelijk nauw, dat de grootere jongens hem een mijlpaal noemden –

dienzelfden Tom Ricketts, gedost in karmozijn en goud, met eene

reusachtige berenmuts op het hoofd, had hij onder het vaandel van het

regiment zien voortwaggelen. Tom had hem herkend en met een genadig

knikje vereerd, – Tom, een kleine bengel, dien hij nog het vorige

kwartaal eene striem over zijn rug met een stok geslagen had, en die

daar nu midden op het plein stond, de vlag van zijn vaderland

torschende en van bajonetten, bandelieren en scharlaken omringd,

terwijl het muziekkorps op de trompetten blies en op de bekkens sloeg!

daar stond hij familiaar te praten met vervaarlijke krijgshelden met

sikken aan hunne kin en Waterloo-medailles op de borst! Wat had Pen

niet willen geven om zulke epauletten te dragen en in een dergelijken

dienst te treden!

Doch Helena Pendennis zette, toen haar zoon haar deze zaak voorstelde,

een ijselijk verschrikt en ontdaan gezicht. Zij zeide, dat zij niet

wilde twisten, met degenen, die er anders over dachten, maar dat, naar

haar gevoelen, geen Christen gerechtigd was, den wapenhandel tot een

beroep te kiezen. Mijnheer Pendennis zou nooit – neen nooit – gedoogd

hebben, dat zijn zoon soldaat wierd. Kortom, zij zou rampzalig zijn,

indien hij er bij bleef. Pen nu zou zich liever neus en ooren

afgesneden hebben dan zijne moeder met voorbedachten rade, willens en

wetens, rampzalig te maken; en daar hij zoo mild van aard was, dat hij

in staat was alles weg te geven aan iedereen, deed hij zijn

denkbeeldigen rooden rok en epauletten en zijne begeerte naar

krijgsroem dadelijk aan zijne moeder present.

Zij hield hem voor het edelste schepsel op het wereldrond. Maar majoor

Pendennis schreef, toen zijn aanbod van eene luitenantsplaats onder

dankbetuiging van de hand gewezen werd, vrij stroef en wel wat geraakt

aan de weduwe terug en gaf te verstaan, dat hij haar zoon als een

lummel beschouwde.

Hij was echter weer tevreden toen hij, naar gewoonte met Kerstmis naar

Fairoaks overgekomen, zag hoe de knaap zich op de jacht gedroeg. Pen

had eene zeer goede merrie, die hij buitengewoon flink en bevallig

bereed. Met de meeste koelbloedigheid, en echter met overleg en zonder

gezwets, sprong hij over de heggen en greppels. Hij schreef aan de

kameraden op school over zijne rijlaarzen en zijne heldendaden in het

jachtveld. Hij begon ernstig aan een rooden rijrok te denken, en zijne

moeder moest erkennen, dat het hem zeker bijzonder goed zou staan,

ofschoon zij natuurlijk allerakeligste uren gedurende zijne afwezigheid

doorbracht en dagelijks verwachtte hem op eene draagbaar thuis te zien

brengen.

Men denke niet, dat Pen onder deze uitspanningen, waarmee het wel wat

al te druk ging, zijne studiën geheel verwaarloosde. Hij had van nature

liefhebberij in het lezen van alle mogelijke boeken, die maar niet met

zijn schoolwerk in verband stonden. Alleen wanneer men hem met het

hoofd in de wateren der kennis dompelde, weigerde hij te drinken. Thuis

verslond hij alle boeken, van Inchbald’s Tooneelwerken tot White’s

Hoefsmid; en hij brandschatte al de boekenkasten in den omtrek. Te

Clavering vond hij eene oude lading Fransche romans, die hij met vuur

las; en uren lang kon hij op de bovenste sport van dominé Portman’s

bibliotheekladder zitten met een folio boekdeel op zijne knieën,

onverschillig of het Hackluyt’s Reizen, Hobbes’ Leviathan, de werken

van Augustinus, of Chaucers Gedichten waren. Hij was zeer bevriend met

den predikant, en nam van zijn weleerwaarde dien kennerssmaak voor

portwijn over, die hem zijn leven lang gekenmerkt heeft. En wat die

goede mevrouw Portman betreft, die in het minst geen jaloezie

koesterde, ofschoon haar dominé bekende, dat hij verliefd was op

mevrouw Pendennis, die hij voor verreweg de begaafdste dame van het

gansche graafschap verklaarde, – haar eenige spijt was, als zij met

welgvallen naar Pen opzag, die boven op de ladder zat, dat hare dochter

Minny te oud voor hem was, – en waarlijk dat was wel zoo, daar jufvrouw

Myra Portman op dat oogenblik slechts twee jaar jonger was dan Pen’s

moeder en evenveel woog als Pen en mevrouw Pendennis te zamen.

Wie zou deze bijzonderheden flauw durven noemen? Zie op uwe eigen jeugd

terug, goede vriend, en vraag u eens af, hoe het er toen mee stond? Ik

denk gaarne aan een welopgevoeden, kloeken en vriendelijken,

goedhartigen en liefhebbenden knaap, die de wereld met goedige en

eerlijke oogen in het gelaat ziet. Wat was ze toen met schitterende

kleuren getooid en wat hadt gij er eene pret in! Een man beleeft niet

veel zulke jaren. Hij kent ze niet, terwijl hij ze nog in zijne macht

heeft. Eerst wanneer zij lang achter den rug zijn, herinnert hij zich

hoeveel waard en hoe gelukkig zij waren.

Ten einde mijnheer Pen te behoeden tegen die luiheid, waarvan zijn

vriend, de rector der Cisterciensers, zulke huiveringwekkende gevolgen

voorspeld had, werd mijnheer Smirke, de hulpprediker van dominé

Portman, tegen een ruim honorarium aangenomen, om van Clavering naar

Fairoaks te wandelen of te rijden en verscheidene uren daags met den

jongen heer door te brengen. Smirke was iemand, op wien men aan eene

theetafel geene de minste aanmerking zou hebben kunnen maken, die eene

gekrulde lok op zijn blank voorhoofd droeg en den knoop van zijne das

met eene weemoedige gratie strikte. Hij was tamelijk geleerd en een

wiskundige, en hij leerde Pen zooveel als die knaap genegen was te

leeren, hetgeen niet heel veel om het lijf had. Want Pen was het

spoedig met zich zelven eens wat hij van zijn onderwijzer te denken

had, die, wanneer hij op zijn hit het stalplein van Fairoaks kwam

oprijden, de teenen zoo gek naar buiten draaide en zulk eene ruimte

tusschen zijne knieën en het zadel liet, dat het voor elken knaap, die

een greintje geest bezat, onmogelijk zou zijn geweest, ontzag voor zulk

een ruiter te koesteren. Hij liet Smirke het bijna van schrik besterven

door hem op zijne merrie te zetten en met hem een ritje over een veld

te doen, waar juist de voshonden van het graafschap, op dat oogenblik

aangevoerd door dien onvermoeiden ouden jachtliefhebber, mijnheer

Hardhead, van Dumplingbeare, bijeen waren. Op Pen’s merrie Rebekka

(aldus genaamd naar Pen’s geliefkoosde heldin, de dochter van Izaak van

York, uit den Ivanhoe) verschrikte mijnheer Smirke de honden evenzeer

als hij den jager ergerde; hij maakte een der eerstgenoemde kreupel

door aanhoudend tusschen den troep te blijven rijden, en werd door den

laatstgenoemde op eene toespraak onthaald die zich door kracht van taal

onderscheidde boven eenige rede, welke hij gehoord had sedert hij de

roeiers te Oxford aan de oevers der Isis had verlaten.

Smirke maakte zijn leerling in vertrouwen bekend met zijne Latijnsche

en Engelsche verzen, en bood mevrouw Pendennis een bundeltje dezer

laatste, in zijne geboorteplaats Clapham gedrukt, ten geschenke aan.

Met kun beiden lazen zij de oude dichters en liepen die op een

pleizierig drafje door, dat veel verschilde van den bedaarden,

onderzoekenden stap, waarmede de Cisterciensers den classieken bodem

plachten te bewandelen, waarbij zij elk woord naspeurden onderweg en

elken wortel uit den grond opdolven. Pen hield volstrekt niet van

talmen, maar liet, als hij te kort schoot, zijn meester construeeren,

en galoppeerde in dier voege door de Ilias en de Odyssee, de

treurspeldichters en den zoo prettig ondeugenden Aristophanes (dien hij

voor den grootsten van alle dichters verklaarde). Doch hij vloog er met

zulk eene dolle vaart doorheen, dat, ofschoon hij inderdaad een groot

eind weegs op de velden der oudheid aflegde, hij in zijn later leven

alles glad vergat, en slechts zulke flauwe herinneringen van de

classieke studiën zijner jeugd overhield als bijv. een lid van het

Lagerhuis, die nog twee of drie aanhalingen onthouden heeft, of een

recensent, die, om zijn fatsoen te bewaren, een sprankje Grieksch ten

beste geeft. Ons volk is het meest prozaïsche, doch te gelijk het meest

getrouwe volk van de wereld; en met een merkwaardigen eerbied houden

wij van geslacht tot geslacht de bijgeloovigheid in stand, ten opzichte

van hetgeen wij de opvoeding van een „gentleman” noemen.

Wij kunnen de verzekering geven, dat Pen, buiten de oude dichters, ook

met groote ingenomenheid de Engelsche las. Smirke zuchtte en schudde

bedroefd het hoofd over Byron en Moore beide. Doch Pen was een gezworen

Vuuraanbidder en Zeeroover; hij kende ze van buiten, en nam wel eens de

kleine Laura bij het venster, om haar „Zuleika, ’k ben uw broeder

niet!” op een zoo tragischen toon toe te roepen, dat het stille meisje

er hare groote oogen nog grooter van opzette. Zij zat gansche avonden,

tot het tijd werd naar bed te gaan, aan de knieën van mevrouw Pendennis

te naaien en naar het lezen van Pen te luisteren, zonder ooit een woord

te begrijpen van hetgeen hij voordroeg.

Hij las Shakespeare aan zijne moeder voor (van wien zij verklaarde dat

zij veel hield, maar het was niet waar) en Byron en Pope, en zijne

geliefkoosde Lalla Rookh, die haar maar zóó zóó beviel. Maar bisschop

Heber en bovenal mevrouw Hemans, – als Pen haar die schrijvers met

zijne zachte jongensstem voorlas, dan smolt zij letterlijk weg en

verborg het gelaat in haar zakdoek. Het Christelijk Jaar was de titel

van een boek, dat omstreeks dezen tijd verscheen. Moeder en zoon

fluisterden het elkander met diep ontzag toe. – Flauw, zeer flauw, en

maar zelden, hoorde Pendennis in zijn later leven die plechtige

kerkmuziek; doch altijd dacht hij daaraan met liefde, gelijk aan de

tijden toen ze zijn hart trof, en hij, als de kerkklok des

Zondagsmorgens luidde, vol hoop en zonder twijfelingen door de velden

liep.

Het was omstreeks dezen tijd zijns levens, dat Pen opdook als dichter

in de kolommen der courant van het graafschap, met eenige verzen,

waarover hij volkomen tevreden was. Van hem zijn de verzen,

onderteekend Nep., en gericht Aan een traan, Op den verjaardag van den

slag van Waterloo, Aan mevrouw Caradori toen zij bij het houden der

assises zong, Op den St. Bartholomeusdag (eene vreeselijke akte van

beschuldiging tegen het pausdom en eene plechtige vermaning aan het

volk van Engeland om zich als één man tegen de emancipatie der

roomsch-katholieken te verzetten), enz. enz., – welke meesterstukken

mevrouw Pendennis ongetwijfeld alle tot den huidigen dag bewaard heeft,

met en benevens zijne eerste kousjes, het eerste knipsel van zijn haar,

zijne tuitkan en andere belangwekkende gedenkstukken uit zijne

kindsheid. Hij placht op Rebekka over de naburige Dumplingduinen of

naar de hoofdstad van het graafschap, die wij maar Chatteries zullen

noemen, te galoppeeren en onderwijl zijne eigen verzen uit te galmen,

waarbij hij eene volmaakt Byroniaansche bezieling bij zich zelven

meende waar te nemen.

Zijn genie droeg in dezen tijd bepaald een somberen stempel. Hij legde

zijne moeder een treurspel voor, dat haar, ofschoon er vóór het tweede

bedrijf reeds zestien menschen in werden omgebracht, zoodanig aan het

lachen maakte, dat hij het meesterstuk in eene vlaag van ergernis op

het vuur smeet. Hij ontwierp een heldendicht in rijmlooze verzen,

Cortez, of de verovering van Mexico, en de dochter van den Inca. Hij

schreef een gedeelte van Seneca, of het noodlottige bad en Ariadne op

Naxos, beiden classieke stukken met reien en strophen en antistrophen,

die de arme mevrouw Pendennis een raadsel waren, en begon eene

Geschiedenis der Jezuïeten, waarin hij die orde met vreeselijke

gestrengheid geeselde en zijne protestantsche landgenooten tegen hare

kuiperijen waarschuwde. Het deed zijne moeder goed als zij zag wat een

vurig, standvastig, onwrikbaar aanhanger van kerk en koning hij in die

dagen was, en bij de verkiezingen, toen Sir Giles Beanfield als

candidaat van de Blauwen optrad tegen Lord Trehawk, den zoon van Lord

Eyrie, een Whig en vriend der papisterij, reed Arthur Pendennis met een

reusachtigen strik voor hem zelven, die zijne moeder gemaakt had, en

een blauw lint voor Rebekka, naast den eerwaarden doctor Portman, die

op zijne grijze merrie Slordebel zat, aan het hoofd der kiezers van

Clavering, die de doctor aanvoerde, om als één man te stemmen voor den

kampioen van het protestantismus.

Dien dag hield Pen zijne eerste redevoering in het Blauwe Hotel en

gebruikte, naar het schijnt voor de eerste maal in zijn leven – een

glaasje te veel. Genadige goedheid! wat was dat een tooneel op

Fairoaks, toen hij, de hemel weet hoe laat in den nacht, kwam

terugrijden! Wat was er eene beweging van lantarens op het plein en in

de stallen, ofschoon de maan helder scheen; wat een oploop van

dienstboden, toen Pen kletterend de brug over- en het stalplein opreed,

met een half dozijn Claveringsche kiezers op zijne hielen, die het

Blauwe verkiezingslied uitgilden.

Hij noodigde hen allen binnen om een glas wijn met hem te drinken – van

dien besten Madera – Jan, ga wat Madera halen, – en het is niet te

gissen wat de boeren gedaan zouden hebben, zoo mevrouw Pendennis niet

verschenen was in een witten omslagdoek en met eene kaars – en de

volijverige Blauwen zoo erg verschrikt had met haar bleek aanvallig

gezichtje, dat zij de hoeden afnamen en wegreden.

Behalve deze uitspanningen en verrichtingen, waarmede mijnheer Pen zich

bezig hield, was er nog ééne, die het hoofdbedrijf en vermaak der jeugd

is, indien de dichters, die Pen altijd bestudeerde, de waarheid

spreken; en deze jonge kerel bezat een zoo vurig hart en eene zoo

levendige verbeelding, dat het niet te verwachten was, dat hij aan den

hartstocht, dien wij bedoelen en dien gij, dames, zeer juist gegist

hebt dat de Liefde was, lang ontsnappen zou. Pen zuchtte er eerst in

het geheim naar, en opende, gelijk de minzieke knaap bij Ovidius, zijne

borst en riep: Aura, veni. Wat knaap van edelen aanleg, die in zijn

tijd niet eene of andere dergelijke luchtige geliefde vereerd heeft?

Ja, Pen begon de noodzakelijkheid te gevoelen van eene eerste liefde –

van een alverterenden hartstocht – van een voorwerp, waarop hij al die

onbestemde en wisselende inbeeldingen kon vereenigen, waaronder hij zoo

zoet leed – van eene jonge dame, op wie hij in waarheid verzen kon

maken, en die hij kon aannemen en aanbidden in plaats van die

denkbeeldige Ianthe’s en Zuleika’s, aan welke hij de uitboezemingen van

zijne milde muze richtte. Hij las en herlas zijne geliefkoosde

gedichten, hij wendde zich tot de Alma Venus, de lust van goden en

menschen, hij vertaalde Anacreon’s oden, en verzamelde regelen, op

zijne kwaal toepasselijk, uit Waller, Dryden, Prior en dergelijken.

Smirke en hij werden niet moede, in hun samenzijn over de liefde te

praten. De trouwelooze onderwijzer hield hem met sentimenteele

gesprekken in plaats van vertoogen over algebra en Grieksch bezig; want

Smirke was ook verliefd. Wie had zich ook daartegen kunnen verweren

wanneer hij dagelijks omgang had met zulk eene vrouw? Smirke was dol

verliefd (voor zoover zulk eene zachte vlam als die van mijnheer Smirke

dolheid mag genoemd worden) op mevrouw Pendennis. Die eerzame dame, die

daar beneden bezig was de kleine Laura piano te leeren spelen, of

wollen rokken te maken voor de armen in de buurt, of die zich op andere

wijzen onledig hield met de kalme bedrijven van haar stil en

onberispelijk Christelijk leven, vermoedde weinig welke stormen er

broeiden in twee harten daar boven op de studeerkamer – in dat van Pen,

gelijk hij daar zat in zijn jachtbuis, met de ellebogen op de groene

schrijftafel, de handen in zijn bruin krulhaar geklemd en Homerus onder

zijn neus, – en in dat van den waardigen heer Smirke, met wien hij

studeerde. Hier spraken zij over Helena en Andromache. „Andromache is

als mijne moeder,” placht Pen te beweren; „maar, bij den hemel, Smirke,

ik zou mijn neus willen geven om Helena eens te zien!” en dan rolden

zekere geliefkoosde regels van zijne lippen, die de lezer op hunne

behoorlijke plaats in het derde boek zal vinden. Hij schetste

portretten van haar – zij zijn nog in wezen – met een rechte neus en

ontzaglijke oogen, met Arthur Pendennis delineavit et pinxit in stoute

letters er onder geschreven.

Mijnheer Smirke gaf natuurlijk de voorkeur aan Andromache, en was

bijgevolg buitengemeen welwillend voor Pen. Hij vereerde hem zijn

Horatius van Elzevier, waarop de knaap gesteld was, en zijn klein

Grieksch Testament, dat zijne eigen mama te Clapham gekocht en hem ten

geschenke gegeven had. Hij kocht hem een zilveren potloodhouder, en

liet hem, wat het leeren betrof, juist zooveel of zoo weinig verrichten

als hij zelf goedvond. Hij scheen altijd op het punt om zijn hart voor

Pen uit te storten; ja hij bekende hem, dat hij eene – genegenheid,

eene vurige liefde tot iemand koesterde. Pen brandde van

nieuwsgierigheid om alles daarvan te hooren, en zeide dus: „Kom, vertel

ons nu eens, ouwe jongen, is zij mooi? heeft zij blauwe of zwarte

oogen?” Maar dominé Portman’s hulpprediker slaakte een licht zuchtje,

sloeg de oogen naar de zoldering op, en verzocht met eene flauwe stem,

dat Pen over iets anders zou spreken. Die arme Smirke! Hij noodigde Pen

om bij hem te komen dineeren op zijne kamer te Clavering boven madame

Fribsby, de modemaakster, en eens toen het regende en mevrouw

Pendennis, die met haar hittenwagen naar Clavering was gekomen om

eenige beschikkingen te maken, waarschijnlijk over het afleggen van den

rouw, zich had laten overhalen om op de kamer van den hulpprediker te

komen, liet hij dadelijk koekjes halen. De sofa, waarop zij zat, werd

hem van dien dag af heilig, en in het glas, waaruit zij dronk, hield

hij sedert altijd bloemen.

Daar het mevrouw Pendennis nooit verveelde den lof van haar zoon te

hooren verkondigen, kunnen wij wel overtuigd zijn, dat die schelm van

een onderwijzer geene gelegenheid liet voorbijgaan om met haar over dat

onderwerp te spreken. Het was voor hem misschien wel een weinigje

vervelend al die historiën te moeten aanhooren over Pen’s goed hart,

over zijn moed toen hij tegen dien grooten kwajongen vocht, over zijne

geestigheid en zijne grappen, zijne verbazende knapheid in het Latijn,

de muziek, het rijden, enz., – maar welke prijs was hem te hoog om met

haar in gezelschap te zijn? en van haar kant vond de weduwe, na deze

gesprekken, dat mijnheer Smirke een heel onderhoudend en kundig man

was. Wat haar zoon betrof, was zij het met zich zelve nog niet eens wat

hij zou worden; de eerste te Cambridge en aartsbisschop van Canterbury

of de eerste te Oxford en lord-kanselier. Dat er in geheel Engeland

zijns gelijke niet gevonden werd, was eene zaak, waarover bij haar geen

zweem van twijfel bestaan kon.

Daar zij eene eenvoudige vrouw was, die geene de minste overhelling tot

verkwisting bezat, begon zij, ten nutte van haar zoon, dadelijk te

sparen en misschien wel wat al te zuinig te worden. Gedurende haar

rouwjaar waren er natuurlijk geene partijen op Fairoaks geweest. Maar

ook nog vele, vele jaren daarna kwamen des dokters zilveren

schoteldeksels, waarop hij zoo trotsch was geweest en die over hunne

geheele oppervlakte met het wapen en helmteeken der Pendennis’en

versierd waren, niet meer uit de zilverkisten. De huishouding werd

ingekrompen en hare kosten verminderd. Er werd een echte

kluizenaarsmaaltijd gehouden, als Pen niet thuis at, en hij zelf

ondersteunde bij zijne moeder de klachten der keukenbevolking over de

verachterde hoedanigheid van het Fairoaks-bier. Zij werd gierig om den

wille van Pen. Wie heeft ook ooit de vrouwen van rechtvaardigheid

beschuldigd? Zij offeren altijd zich zelve of iemand anders op ten

voordeele van een derden.

Toevallig was er geen enkel meisje in den kleinen kring van vrienden,

waarmee de weduwe omgang hield, dat Pendennis bij mogelijkheid ze

gelukkig kon maken met den onwaardeerbaren schat van een hart, dat hij

van verlangen brandde om weg te schenken. Sommige jonge heeren vestigen

in zijn geval hunne jeugdige genegenheid op Doortje de melkmeid, of

werpen teedere lonkjes toe aan Mietje, de dochter van den smid. Pen

beschouwde een Pendennis als een veel te hoog personage om zich zoo te

verlagen. Hij was te hooghartig voor eene alledaagsche minnarij, en

voor het denkbeeld eener intrigue of verleiding, indien zoo iets ooit

bij hem ware opgekomen, zou zijn hart hebben teruggedeinsd als voor

eene laagheid of eerloosheid. Jufvrouw Myra Portman was te oud, te dik

en te veel verzot op het lezen van Rollin’s Oude Geschiedenis. De

jufvrouwen Boardback, dochters van admiraal Boardback (van St. Vincents

of den Vierden Juni Huize, gelijk men het noemde) ergerden Pen met de

Londensche manieren, die zij van Gloucester Place, waar zij het

Londensche seizoen passeerden, naar het platteland meebrachten, en

zagen ook op Pen als een vlasbaard neer. De drie meisjes van den

gepensioneerden kapitein Glanders, van het 50ste regiment

gardedragonders, droegen nog voorschooten van ongebleekt katoen en de

tippen van hare vlechten waren nog met vuil paarsch lint afgebonden.

Daar onze jongeling de kunst van dansen nog niet meester was, ontliep

hij de gelegenheden, die hij had kunnen vinden om op de bals te

Chatteries met de schoone sekse in aanraking te komen; kortom, hij was

nog niet verliefd, daar er niemand voorhanden was om op te verlieven.

En de jonge schelm placht dag aan dag uit te rijden, om Dulcinea’s op

te sporen, en in de wagentjes, en equipages, die over de straatwegen

voortrolden, te gluren met een kloppend hart en eene heimelijke vrees

en hoop, dat zij mocht zitten in die gele reiskoets, die zwaaiende

tegen den heuvel opreed, of dat zij eene van de drie meisjes met

kastoren hoeden mocht zijn op het achterbankje van den grooten wagen,

welken die dikke oude heer in het zwart met eene vaart van vier mijlen

in het uur bestuurde. De reiskoets bevatte eene snuivende oude

douairière van zeventig, met eene kamenier van denzelfden leeftijd. De

drie meisjes met de kastoren hoeden waren niet aanvalliger dan de

knollen, die langs den weg geplant stonden. Wat hij ook deed, en

waarheen hij ook reed, de betooverde prinses, die hij moest bevrijden

en veroveren, was onzen eerzamen Pen nog niet verschenen.

Over deze punten sprak hij niet met zijne moeder. Hij leefde in eene

eigen wereld. Welke edelaardige, vurige, levendige ziel bezit niet eene

geheime plaats van uitspanning, waar zij zich verlustigt? Laten wij die

niet door eene lompe bespieding of eene onverstandige bemoeienis in

onze kinderen trachten te bederven. Acteon was een lomperd, dat hij

wilde doordringen tot de plaats waar Diana haar bad nam. Laat uw kind,

indien het eene dichterlijke ziel bezit, nu en dan ongemoeid, beste

mevrouw! Zelfs uwe heerlijke raadgevingen kunnen bij wijlen vervelend

zijn. Gij zijt feilloos, maar daaruit volgt nog niet, dat iedereen in

uw gezin volkomen hetzelfde moet denken als gij. Dat kleine kind daar

ginds kan denkbeelden hebben, te diep zelfs voor uw veelomvattend

verstand, en invallende gedachten zoo schuchter en bedeesd, dat zij

zich niet onthullen willen als gij er bij zijt.

Helena Pendennis giste alleen reeds door de kracht der liefde een groot

aantal van haar zoons geheimen. Doch zij bewaarde die dingen in haar

hart (indien wij het zoo mogen uitdrukken) en sprak er niet van.

Bovendien had zij zich voorgenomen, dat hij de kleine Laura moest

trouwen, die achttien jaar zou zijn als Pen de zes en twintig bereikt,

zijne academische studiën voltooid en zijne reis door Europa gedaan

had, en gevestigd zou zijn te Londen, waar hij zeker de gansche

hoofdstad verbazen zou door zijne geleerdheid en welsprekendheid voor

de balie, of nog liever in eene mooie dorpspastorie tusschen maluwen en

rozen, dicht bij een lief romantisch, met klimop begroeid kerkje, op

welks kansel Pen de schoonste leerreden, die ooit gepreekt waren,

uitspreken zou.

Terwijl deze natuurlijke opwellingen in de borst van den braven Pen

strijd voerden en verwarring stichtten, gebeurde het op zekeren dag,

dat hij naar Chatteries reed, ten einde aan het dagblad van het

graafschap een hoogdravend en merg en been doordringend gedicht voor

het volgende nommer te brengen; en terwijl hij zijn paard als naar

gewoonte in het hotel „George” aldaar op stal bracht, ontmoette hij een

ouden kennis. Eene fraaie zwarte chais met scharlakenroode wielen kwam

ratelend het plein van het logement op, toen Pen daar met den

stalknecht over Rebekka stond te spreken, en de persoon, die het

rijtuig bestuurde, riep op luiden, beschermenden toon: „Hé, Pendennis,

ben jij daar?” Het kostte Pen eenige moeite om onder den breedgeranden

hoed en de groote overjassen en dassen, waarin de vreemdeling gehuld

was, den persoon en de gestalte van zijn voormaligen schoolkameraad

Foker te herkennen.

Een jaar tusschenruimte had eene verbazende verandering bij dien heer

teweeggebracht. Een jongen, die nog maar weinige maanden geleden naar

verdienste met de roede gekastijd was, en al zijn zakgeld aan taartjes

en koek verspild had, verscheen daar nu voor Pen zoo uitgedost, dat men

in hem datgeen voor zich had, wat het publiek – waaraan ik in dit

opzicht evenveel gezag toeken als aan Johnson’s Woordenboek – een

„piet” noemt. Hij had een bulhond tusschen zijne beenen, en zijne roode

shawldas was versierd met eene speld, die weer uit een gouden bulhondje

bestond; hij droeg een vest van pluche met een aantal gouden kettingen

er over; een groenen rok met ronde panden en koperen knoopen, en eene

witte overjas met schotelvormige knoopen, op elk waarvan een

jachttafereel of landschap gegraveerd was; al welke sieraden dezen

jongen heer zoo goed stonden, dat men waarlijk niet kon zeggen of hij

meer op een „bokser” op reis dan een koetsier in zijn zondagspak

geleek.

„Die plaats voorgoed verlaten, Pendennis?” vroeg mijnheer Foker, uit

zijn rijtuig stappende en Pendennis een vinger reikende.

„Ja, zoo wat een jaar,” zeide Pendennis.

„Beroerde ouwe kast,” merkte mijnheer Foker aan. „Haat die; haat den

rector; haat Towzer, den ondermeester; haat iedereen daar. Geen

geschikte plaats voor een gentleman.”

„In het geheel niet,” zeide Pen met eene houding van het allergrootste

gewicht.

„Voor den drommel, mijnheer, ik droom soms nog, dat de rector op mij

losslaat,” ging Foker voort (en Pen lachte bij de herinnering, dat hij

zelf ijzingwekkende droomen van dien aard had). „Wanneer ik nog, voor

den drommel, aan het eten denk, mijnheer, dan verwonder ik mij, hoe ik

het uitgehouden heb. Schurftig schapenvleesch, taai rund vleesch,

alleen Zaterdags en Zondags podding, – om een mensch te vergiftigen!

Bekijk mijn paard eens – hebt ge ooit een mooier beest gezien? Van

Baymouth hier naar toe gereden. Legde de negen mijlen in twee en

veertig minuten af. Daar zit gang in, mijnheer.”

„Logeert gij te Baymouth, Foker?” vroeg Pendennis.

„Ik ben daar met een kruiwagen,” zeide de ander met een knikje.

„Wat!?” vroeg Pendennis op zulk een verwonderden toon, dat Foker het

uitschaterde en zeide, dat de drommel hem halen mocht als hij Pen niet

voor groen genoeg hield, om niet te weten wat een kruiwagen was.

„Ik ben met een kruiwagen van Oxford gekomen. Een repetitor, begrijpt

ge niet, ouwe jongen?! Die kruit mij en eenige anderen voort, op weg

naar het examen. Ik en Spavin houden het rijtuig samen, en zoo kwam ik

op den inval eens over te wippen, om hier naar de komedie te gaan. Hebt

ge ooit Rowkins de horlepijp zien dansen?” en dadelijk begon mijnheer

Foker op het plein voor het logement eenige passen van dien populairen

dans uit te voeren, waarbij hij den bijval van zijn knecht en van de

stalknechts inoogstte.

Pen zeide, dat hij ook wel lust had om naar de komedie te gaan; hij kon

na den afloop huiswaarts rijden, want het was maneschijn. Hij nam dus

Foker’s uitnoodiging om met hem te dineeren aan, en de beide

jongelieden stapten het logement binnen, waar mijnheer Foker naar het

buffet ging en aan de jonge jufvrouw Rincer, de schoone dochter van de

kasteleines, die daar het bestuur voerde, verzocht hem zijn „drankje”

klaar te maken.

Pen en zijne familie waren in den George bekend sedert den tijd, dat

zij zich in die streek gevestigd hadden, en de heer Pendennis stalde

daar altijd zijne rijtuigen en paarden wanneer hij naar de hoofdstad

van het graafschap ging. De kasteleines maakte voor den erfgenaam van

Fairoaks eene zeer eerbiedige buiging, complimenteerde hem over zijn

groei en zijn mannelijk voorkomen en vroeg hoe het met de familie te

Fairoaks, dominé Portman en de bekenden te Clavering ging, alle welke

vragen de jonge heer met de meeste minzaamheid beantwoordde. Doch hij

sprak tegen mijnheer en jufvrouw Rincer met die soort van

vriendelijkheid, waarmee een jonge prins het woord tot zijn vaders

onderdanen richt; het kwam niet bij hem op, dat die „goede menschen”

zijne gelijken waren.

Mijnheer Foker gedroeg zich geheel anders. Hij informeerde naar den

welstand van Rincer en hoe het met de koude in zijn hoofd ging, gaf aan

jufvrouw Rincer een raadsel op, vroeg aan de jonge jufvrouw Rincer

wanneer zij hem het jawoord zou geven, en zeide eenige vleierijen aan

jufvrouw Brett, het meisje, dat het buffet bediende, en dit alles

binnen den tijd van eene minuut en met eene levendigheid en eene

grappigheid, die al deze dames aan het giggelen bracht; en hij klokte

met zijne tong, ten bewijze van zijne groote voldoening, toen hij het

drankje naar binnen goot, dat de jonge jufvrouw Rincer klaargemaakt en

hem toegereikt had.

„Ook een slokje hebben?” vroeg hij aan Pen. „Het is mij door den dokter

aanbevolen als eene – hoe heet zoo’n ding ook? – eene maagversterking,

ouwe jongen. Geef dien jongen heer ook een glas, Rincer, en schrijf het

maar op rekening van uw toegenegen Foker.”

De arme Pen nam een glas, en ieder moest lachen over het gezicht,

waarmee hij het weer neerzette; – jenever, bitter en nog een ander

vocht waren de bestanddeelen van den drank, waarmee mijnheer Foker zoo

hoog liep, dat hij dien met den naam van Fokersbitter bestempelde. Toen

Pen zich verslikte en proestte en akelige gezichten trok, nam Foker de

gelegenheid waar om aan Rincer mee te deelen, dat de jongen nog groen,

heel groen was, maar dat hij hem wel spoedig klaar zou krijgen. Daarop

gingen zij over tot het bestellen van het diner, hetgeen Foker

bepaalde, dat uit schildpadsoep en wild moest bestaan, terwijl hij de

kasteleines bezwoer te zorgen, dat de wijn toch vooral goed geijsd zou

zijn.

Vervolgens drentelden de heeren Foker en Pen de High Street op, de

eerste met eene sigaar in den mond, die hij uit een koker, bijna zoo

dik als een valies, te voorschijn had gehaald. Hij liet dien weer

vullen in den winkel van Lewis, praatte een poosje met dien heer, en

zat onderwijl op de toonbank. Daarna wipte hij even binnen bij den

Fruitverkooper, om het mooie meisje daar te zien, waaraan hij

gelijksoortige complimentjes verkocht als hij aan het buffet in den

George had uitgedeeld. Eindelijk gingen zij voorbij het redactiebureau

van de graafschapscourant, waarvoor Pen een pakje op zak had, gericht

Aan Thirsa, doch dat de arme jongen niet in de brievenbus durfde

steken, terwijl hij met zulk een voornaam persoon als mijnheer Foker

wandelde. Zij ontmoetten officieren van het regiment zware dragonders,

dat te Chatteries in garnizoen lag, en bleven staan en praatten over de

bals te Baymouth, en wat een lief meisje die jufvrouw Brown en wat een

drommels mooi wijf die mevrouw Jones was. Tevergeefs riep Pen zich voor

den geest wat een ezel die Foker op school placht te zijn, die

nauwelijks goed kon lezen, tamelijk slordig op zijn persoon was en voor

zijne bokken en domheid bekend stond. Foker had ook thans niet méér van

een gentleman dan in zijn schooltijd, en toch gevoelde Pen een

heimelijken trots, dat hij door de High Street kuierde met een mensch,

die rijtuig hield, met officieren sprak en schildpadsoep en wild voor

zijn diner bestelde. Hij luisterde, en wel met eerbied, naar mijnheer

Foker’s verslag van hetgeen de studenten deden aan de universiteit, van

welke die zelfde heer Foker een sieraad was, en doorstond eene lange

reeks van verhalen betreffende roeitochtjes, vechtpartijen,

uitspanningen op de grasperken der academie en punch, zoodat hij begon

te wenschen ook aan de academie te zijn, om zulke manhaftige genoegens

en uitspanningen te kunnen genieten. Toen Gurnett de boer, die dient

bij Fairoaks woont, juist op dit oogenblik voorbijreed en den hoed voor

Pen afnam, hield deze hem staande en gaf hem de boodschap aan zijne

moeder mee, dat hij een oud schoolkameraad ontmoet had en dus te

Chatteries zou blijven eten.

De beide jonge heeren zetten hunne wandeling voort en gingen het

kerkplein om, waar zij de muziek der middagkerk hoorden (eene muziek,

die altijd den diepsten indruk, de innigste aandoening bij Pen

teweegbracht), doch waar mijnheer Foker alleen heenging, om een oogje

te laten weiden over de kindermeiden, die daar altijd door de olmenlaan

slenteren en te Chatteries bijzonder mooi zijn, en daar bleven zij

ronddwalen tot de kleine gemeente met eene krachtige finale naar buiten

gespeeld werd.

De oude dominé Portman behoorde onder de weinigen, die de eerwaardige

poort uittraden. Toen zijn oog op Pen viel, kwam hij naar hem toe en

schudde hem de hand, terwijl hij te gelijker tijd vol verwondering

Pen’s vriend bezag, uit wiens mond en sigaar geurige wolken opstegen,

die rondom dominé’s eerzaam gelaat en breedgeranden hoed

omhoogkronkelden.

„Een oud schoolkameraad van mij, – mijnheer Foker,” zeide Pen. Dominé

zeide: „Hm!” en keek met een zuur gezicht naar de sigaar. Tegen eene

pijp op zijne studeerkamer had de waardige man niets, maar eene sigaar

was hem een gruwel.

„Ik had hier zaken voor den bisschop te verrichten,” zeide de dominé.

„Als gij het goedvindt, Arthur, rijden wij samen naar huis.”

„Ik – ik heb mijn woord gegeven aan mijn vriend hier,” antwoordde Pen.

„Gij zoudt beter doen, met mij naar huis te gaan,” hernam de predikant.

„Zijne moeder weet, dat hij uitblijft, mijnheer,” merkte Foker aan;

„niet waar, Pendennis?”

„Maar dat is geen bewijs, dat hij niet beter zou doen, met mij naar

huis te gaan,” bromde de dominé en stapte met groote deftigheid weg.

„Die ouwe jongen heeft het land aan eene sigaar, geloof ik,” zeide

Foker. „Hé! wie komt daar? – daar hebt ge den Generaal, en Bingley, den

regisseur! Hoe gaat het, Cos? Hoe vaart ge, Bingley?

„Hoe vaart mijn geachte en dappere jonge vriend Foker?” vroeg de heer,

die Generaal genoemd werd, en een kalen militairen mantel met een

versleten kraag, en een zeer schuin opgezetten hoed droeg.

„Ik hoop, dat gij in vollen welstand zijt, mijn allerwaardste heer,

zeide de ander, „en dat gij den Koninklijken Schouwburg heden avond met

uwe tegenwoordigheid zult vereeren. Wij geven Menschenhaat en berouw,

waarin uw onderdanige dienaar....”

„In eene spanbroek en ruiterstevels kan ik u niet uitstaan, Bingley,”

zeide de jonge heer Foker, waarop de Generaal met een Iersch accent

aanmerkte: „Doch ik geloof, dat mejufvrouw Fotheringay als Mevrouw

Haller u wel bevallen zal, of ik heet niet Jack Costigan.”

Pen beschouwde deze heeren met de grootste belangstelling. Hij had

nooit van te voren een acteur gezien, en, over den schouder van den

Generaal heen, zag hij nog het roode gelaat van dominé Portman, die

blijkbaar heel misnoegd over de kennissen, in wier handen Pen gevallen

was, het kerkplein verliet.

Misschien zou het veel beter voor hem geweest zijn, indien hij den raad

van den predikant gevolgd had en met hem naar huis gekeerd ware. Doch

wie onzer kent zijn lot?

Geschiedenis van Arthur Pendennis · 第 8 / 155 题