Op zekeren fraaien morgen in het hartje van het Londensche seizoen kwam
majoor Arthur Pendennis van zijn kamers, om naar gewoonte te gaan
ontbijten in zekere club in Pall Mall, waarvan hij een der grootste
sieraden was. Daar hij onder de beste wijnkenners in Engeland behoorde,
en een man was van een werkzamen, gebiedenden en onderzoekenden geest,
was hij zeer te recht tot lid der commissie van beheer der club
verkozen, ja men kon bijna zeggen, dat hij de bestuurder dier
inrichting was; en de hofmeesters en knechts bogen voor hem even
onderdanig als voor een hertog of een veldmaarschalk.
De majoor verscheen altijd zonder feil kwart over tienen, met de best
gepoetste laarzen uit gansch Londen, eene geruite morgendas, waarin tot
op het uur van het diner geen kreukje kwam, een geel vest, welks
knoopen de koninklijke kroon droegen, en linnen zoo smetteloos, dat
Brummel [1] zelf hem den naam zijner waschvrouw gevraagd had en haar
zeker met zijne klandizie zou begunstigd hebben, zoo de tegenspoed dien
grooten man niet genoodzaakt had uit zijn land te vluchten. De rok, de
witte handschoenen, de bakkebaarden, ja tot zelfs de rotting van
Pendennis waren in hun soort volmaakte toonbeelden van de uitrusting
van een gepensioneerd militair. Zag men hem op een afstand, of enkel op
den rug, men zou hem niet meer dan dertig jaren gegeven hebben; alleen
van naderbij ontdekte men, dat zijn weelderig bruin haar niet echt was,
en dat zich eenige rimpels vertoonden rondom de eenigszins verflauwde
oogen in zijn niet onbevallig en blozend gelaat. Zijn neus was van het
Wellington model. Zijne handen en manchetten waren sierlijk lang en
blank. Aan de laatstgenoemde had hij fraaie gouden knoopen, een
geschenk van zijne koninklijke hoogheid den hertog van York, en aan de
eerste meer dan één eleganten ring, waarvan de voornaamste en grootste
met het vermaarde wapen der familie Pendennis versierd was.
Hij nam altijd dezelfde tafel in hetzelfde hoekje van het vertrek in
bezit, waaruit nu nooit iemand meer op de gedachte kwam om hem te
verjagen. Een paar dolle snaken en wilde knapen hadden in vroeger tijd
voor de grap, of uit plaagzucht, hem een paar malen van zijne plaats
trachten te berooven; doch er was, toen de majoor zich aan het volgende
tafeltje zette en zijn blik op de indringers liet rusten, zulk eene
kalme waardigheid in zijne houding, dat geen mensch bij mogelijkheid
rustig onder zijn oog kon zitten ontbijten, en die tafel – bij het
vuur, en toch dicht bij het venster – werd zijn eigendom. De voor hem
aangekomen brieven werden daar in afwachting van zijne komst
neergelegd, en menig jong lid der club staarde met verbazing op dat
aantal missives met de verschillende poststempels en lakken. Wanneer
men weten wilde wat de etiquette voorschreef, wat er in de voorname
kringen gebeurde, wie getrouwd was met dezen of genen, of hoe oud die
of die hertog wel was, dan was Pendennis de man, tot wien iedereen zich
wendde. Markiezinnen hielden dikwijls met haar rijtuig aan de club stil
en gaven briefjes voor hem over, of kwamen hem afhalen. Hij was de
minzaamheid zelf. De jongelieden wandelden gaarne met hem in het park
of door Pall Mall, want hij groette iedereen, en om den anderen was het
een „lord,” dien hij ontmoette.
De majoor zette zich dus aan zijn gewoon tafeltje, en terwijl de
bedienden liepen om zijn geroosterd brood en zijne courant te halen,
bekeek hij zijne brieven door zijn gouden dubbel lorgnet. Hij hanteerde
dit zoo luchtig, dat men weinig vermoed zou hebben dat het een vermomde
bril was, en onderzocht het eene elegante briefje na het andere en
rangschikte ze in zekere orde. Er waren groote en deftige
uitnoodigingskaarten voor diners, die aan drie entrées en eene
vervelende conversatie deden denken; er waren sierlijke, kleine,
vertrouwelijke briefjes, die verzoeken van dames inhielden; er was een
brief op dik officieel papier van den markies van Steyne, die hem
verzocht te Richmond te komen deelnemen aan een partijtje in het
beroemde logement The Star and Garter, en daar Fransch te spreken, eene
taal, die de majoor meester was; en een andere brief, waarbij de
hoogeerwaarde heer Trail, bisschop van Ealing, en zijne vrouw
verzochten de eer te mogen smaken van majoor Pendennis’ gezelschap op
Ealing House, al welke geschriften de majoor met genoegen las, en dat
te meer, daar Glowry, de Schotsche chirurgijn, die tegenover hem zat te
ontbijten, het aanzag en een hekel aan hem had, omdat hij zooveel
uitnoodigingen kreeg, terwijl nooit iemand er een aan Glowry zond.
Toen de majoor dat alles had doorgezien, haalde hij zijn zakboekje uit,
om na te gaan op welke dagen hij vrij was, en welke van die vele
gastvrije uitnoodigingen hij bij machte was aan te nemen en welke hij
van de hand moest wijzen.
Hij liet Cutler, den Mededirecteur der Oost-Indische Compagnie, in
Baker Street, in den steek, ten einde met Lord Steyne en het kleine
Fransche gezelschap in den Star and Garter te kunnen dineeren; des
bisschops uitnoodiging nam hij aan, omdat hij, ofschoon de maaltijd
vervelend was, gaarne met bisschoppen aanzat; en zoo liep hij de lijst
door en besliste naarmate van zijn lust of belang. Daarop ontbeet hij,
liet de oogen over het nieuwsblad gaan, las de benoemingen, geboorten
en sterfgevallen, de nieuwtjes uit de voorname wereld, onderzocht of
zijn naam niet vergeten was in de lijst der gasten, die de partij bij
Lord Die-en-die bezocht hadden, en onderhield zich, in de oogenblikken
van verpoozing tusschen al die verschillende bezigheden, op opgeruimden
toon met zijne aanwezige bekenden.
Van de brieven, die heden morgen majoor Pendennis ontvangen had, was er
slechts één ongelezen gebleven; die lag eenzaam en verre van al die
aanzienlijke Londensche brieven en droeg een plattelandspostmerk en een
eenvoudig lak. Het adres was in eene fijne en fraaie vrouwenhand
geschreven, en hoewel de schoone schrijfster er cito had bijgezet en
dit woord met eene streep, die van zenuwachtigheid getuigde, onderhaald
was, had de majoor echter, om bijzondere redenen, tot nog toe die
nederige verzoekster van het platteland laten liggen, die dan ook onder
zooveel groote lui, die hunne opwachting bij hem kwamen maken,
bezwaarlijk op een gehoor kon hopen. Het was, om de waarheid te zeggen,
een brief van eene schoonzuster van Pendennis, en terwijl de voorname
bekenden van haar broeder ontvangen werden en een onderhoud kregen en
als het ware weder wegreden, bleef de geduldige plattelandsbrief een
geruimen tijd in de voorzaal, onder de spoelkom, op audiëntie wachten.
Maar eindelijk kwam ook deze brief met zijn postmerk „Clavering St.
Mary’s” aan de beurt, en verbrak de majoor het lak, waarop „Fairoaks”
gegraveerd stond. Er was een andere brief bij ingesloten, en de majoor
begon den omslag te lezen eer hij op het binnenste aanviel.
„Was dat ook een brief van een hertog,” gromde Glowry inwendig, „dan
ben ik zeker, dat Pendennis hem niet tot het laatst zou hebben
gelaten.”
„Waarde majoor Pendennis,” begon de brief, „ik verzoek en smeek u,
dadelijk tot mij te komen,” – dat kunt gij begrijpen, dacht Pendennis;
en dan Steyne’s diner vandaag? – „ik verkeer in de grootste smart en
verlegenheid. Mijn beste jongen, die tot nog toe alles geweest is wat
de teerhartigste moeder kon wenschen, grieft mij vreeselijk. Hij heeft
– ik kan het haast niet neerschrijven – eene genegenheid, een
verblinden hartstocht opgevat,” – hier grijnsde de majoor – „voor eene
actrice, die hier gespeeld heeft. Zij is minstens twaalf jaar ouder dan
Arthur – die in Februari aanstaande pas achttien zal worden – en die
kwajongen wil haar met geweld trouwen.”
„Hé! waarom vloekt Pendennis zoo?” vroeg Glowry in zich zelven, want
woede en verwondering waren te lezen in den open mond van den majoor,
toen hij die verbazende tijding las.
„Kom toch, beste vriend,” ging de van smart verslagene dame voort, „kom
dadelijk tot mij als gij dezen ontvangt, en verzoek en beveel gij, als
Arthur’s voogd, dat mijn rampzalig kind dit allernoodlottigst besluit
opgeve.” En na nog verscheidene aansporingen van dien aard, eindigde de
schrijfster met zich te teekenen, „des majoors ongelukkige, maar
toegenegene zuster, Helena Pendennis.”
„Fairoaks, Dinsdag,” eindigde de majoor, de laatste woorden van den
brief lezende. „Een verd..... mooi geval op Fairoaks, Dinsdag! – laten
wij nu eens zien wat de jongen zelf te zeggen heeft;” en bij die
woorden nam hij den anderen brief op, geschreven in eene groote
ongeregelde jongenshand, verzegeld met het groote zegel der
Pendennis’en, nog grooter dan dat van den majoor, en met veel noodeloos
lak rondom het cachet, een bewijs van het beven en van de
zenuwachtigheid van den schrijver.
De brief was van dezen inhoud:
„Fairoaks, Maandag, middernacht.
„Waarde Oom,
„Als ik u kennis geef van mijn engagement met mejufvrouw Costigan,
dochter van den heer J. Chesterfield Costigan, van Costiganstown, u
echter misschien beter bekend onder den naam, dien zij in de
kunstwereld heeft aangenomen, als mejufvrouw Fotheringay van de
koninklijke schouwburgen in Drury Lane en Crow Street, geëngageerd voor
de kunstreizen naar Norwich en door Wallis, dan weet ik, dat ik u eene
kennisgeving doe, die, althans naar de tegenwoordige vooroordeelen der
maatschappij, aan mijne familie niet aangenaam kan zijn. Mijne lieve
moeder, wie ik – God is mijn getuige – nooit eenige noodelooze smart
zou willen berokkenen, is, het spijt mij dat ik het zeggen moet, diep
ontroerd en getroffen door de mededeeling, die ik haar heden avond
gedaan heb. Ik bezweer u, oom-lief, hier te komen, om haar tot rede te
brengen en te troosten. Ofschoon mejufvrouw Costigan wegens gebrek aan
fortuin genoodzaakt is een eervol onderhoud te verdienen door partij te
trekken van hare schitterende talenten, is hare familie zoo oud en edel
als de onze. Toen onze voorvader Rolf Pendennis met Richard II in
Ierland aankwam, waren de voorvaderen mijner Emily koningen van dat
gewest. Ik weet dit van mijnheer Costigan, die evenals gij een militair
is.
„Ik heb tevergeefs getracht met mijne lieve moeder te redeneeren, en
haar te bewijzen, dat eene jonge dame, op wier naam en afkomst niets
aan te merken is, die de schitterendste gaven van schoonheid en genie
bezit, die zich wijdt aan de uitoefening van een der edelste vakken,
met het loffelijke doel om hare betrekkingen te onderhouden, iemand is,
die wij allen eerder zouden moeten liefhebben en vereeren, dan schuwen.
Mijne arme moeder is met vooroordeelen behebt, die mijne redeneeringen
niet uit den weg kunnen ruimen, en weigert een meisje in hare armen te
sluiten, dat levenslang hare liefhebbende dochter zou willen zijn.
„Ofschoon mejufvrouw Costigan eenige jaren ouder is dan ik, behoeft dit
geen hinderpaal tegen mijne genegenheid te zijn, en ik weet, dat het
een invloed op de duurzaamheid er van zal hebben. Eene liefde als de
mijne, waarde oom, weet ik, dat voor het leven is. Gelijk ik nooit van
liefde gedroomd had voordat ik haar zag, gevoel ik nu, dat ik sterven
zal zonder ooit een anderen hartstocht te kennen: Ik heb mijne
bestemming gevonden. Mejufvrouw Costigan was het zelve, die in hare
kieschheid mij indachtig maakte, dat het verschil van leeftijd, waarop
ik nimmer zou gelet hebben, een hinderpaal tegen onze vereeniging kon
zijn. Doch na eenmaal liefde opgevat te hebben, zou ik mij zelven
verachten en den naam van gentleman onwaardig zijn, indien ik aarzelde
gestand te blijven aan mijne genegenheid; indien ik niet alles gaf waar
ik alles gevoelde, en niet mijn gansche hart en mijn gansche fortuin
schonk aan de vrouw, die mij zoo teer bemint.
„Ik dring op een spoedig huwelijk met mijne Emily aan – want waarom het
toch uit te stellen? Uitstel geeft een twijfel te kennen, dien ik, als
mijner onwaardig, verre van mij werp. Mijne gevoelens ten opzichte van
Emily kunnen onmogelijk veranderen; op geen leeftijd kan zij iets
anders zijn dan het eenige voorwerp mijner liefde. Waarom dan te
wachten? Ik smeek u, waarde oom, hier te komen en mijne lieve moeder
vrede te doen hebben met onze vereeniging, en ik wend mij tot u als een
man van de wereld qui mores hominum multorum vidit et urbes, die geen
zier van die zwakke bezorgdheid en vrees zal gevoelen, welke eene vrouw
beklemt, die den voet bijna niet buiten haar dorp heeft gezet.
„Ik bid u, dadelijk tot ons te komen. Ik houd mij overtuigd, dat gij –
beschouwingen van geheel wereldlijken aard, wat het geld betreft,
daarbuiten gelaten – mijne Emily zult bewonderen en mijne keus
goedkeuren.
„Uw toegenegen neef,
Arthur Pendennis Jr.”
Toen de majoor dezen brief uitgelezen had, stond er zooveel toorn en
afgrijzen op zijn gelaat geschilderd, dat Glowry, de chirurgijn, in
zijn zak naar zijn lancet zocht, dat hij altijd in zijn etui met
visitekaartjes had, daar hij verwachtte, dat zijn geachte vriend eene
beroerte zou krijgen. Het bericht was dan ook toereikend, om Pendennis
van zijn stuk te brengen: het hoofd der Pendennis’en op het punt om
eene actrice te trouwen, die tien jaar ouder was dan hij! een onberaden
knaap van zins om blindelings in den strik te loopen! „De moeder heeft
dien jongen schavuit door hare verwenschte sentimentaliteit en
romantischen onzin bedorven,” bromde de majoor. „Mijn neef eene
tooneelprinses trouwen! Genadige hemel, men zal mij zóó uitlachen, dat
ik mijn gezicht niet meer zal durven vertoonen.” En daarbij bedacht hij
met onuitsprekelijke zielesmart, dat hij er het diner met Lord Steyne
te Richmond aan moest geven, en dat hij zijne rust moest opofferen en
den nacht in eene verfoeielijke, bedompte diligence doorbrengen, in
plaats van, gelijk hij had voorgenomen, zich te ontspannen in het
gezelschap van het onderhoudendste en meest uitgezochte gezelschap in
geheel Engeland.
En hij moest niet alleen van deze, maar een tijdlang van alle andere
partijen afstand doen. Wie toch kon zeggen, hoelang die zaak hem
ophouden zou! Hij ging van zijne ontbijttafel naar de aangrenzende
zaal, en schreef daar, met diepe smart, weigerende antwoorden aan den
markies, den graaf, den bisschop en allen, die hem genoodigd hadden.
Daarop liet hij zijn knecht plaatsen bespreken in de diligence van dien
avond, waarbij hij natuurlijk de reiskosten op rekening stelde van de
weduwe en van den jongen guit, waarover hij voogd was.