ALEXANDER DE GROOTE.

Toen de Grieken de tijding vernamen, dat Philippus gestorven was,

en wisten, dat een jonge man van nauwelijks twintig jaar den troon

had bestegen, waren zij uitgelaten van vreugde. "Griekenland zal weer

vrij zijn," riepen zij juichend. Zij zouden niet zoo zeker van hun

vrijheid geweest zijn, als zij geweten hadden, wat voor een jongeling

het was, die hun meester was geworden. Wel wisten zij, dat hij twee

jaren te voren, in den slag bij Chaeronea, de phalanx had aangevoerd,

die de beste troepen der Thebanen had verslagen. "Maar," zoo zeiden

zij, "dat beteekende niets; de oudste en meest bekwame aanvoerders

waren om hem heen geschaard om toezicht te houden, dat alles goed

ging." Zij hadden kunnen hebben vermoed, dat hij geen zwakkeling

was, als zij gehoord hadden, hoe hij, nauwelijks de kinderschoenen

ontwassen, eenige Perzische afgezanten tijdens de afwezigheid van

zijn vader had ontvangen. Zij kwamen hem, zooals natuurlijk was, met

den noodigen eerbied te gemoet, maar zij verwachtten, dat hij sprak

en redeneerde evenals ieder ander kind. Maar zie, de jeugdige knaap

begon hen over hun vaderland te ondervragen. "Wat voor een man is uw

koning?" zoo vroeg hij. "Hoe behandelt hij zijn vijanden? Waarom is

Perzië krachtig? Komt het, omdat het land veel grond bezit, of een

groot leger?" De Perzen staarden hem met de grootste verbazing aan, en

zeiden tot elkander: "Philippus is niets, met dezen vergeleken." Een

ander verhaal wordt omtrent hem gedaan, hoe hij het beroemde paard

Bucephalus had getemd. Dat paard was bij zijn vader op proef gebracht,

maar het had gesnoven, gebeten en getrapt, zoodat Philippus bevolen

had, dat het weer werd weggevoerd. Toen riep de jonge Alexander:

"Wat een prachtig paard laten zij zich ontglippen bij gebrek aan

verstand en moed, het in bedwang te houden!" "Jonge man," antwoordde

zijn vader, "gij maakt aanmerkingen op uw ouderen, alsof gij zelf het

paard beter in bedwang kunt houden." "En dat zou ik ook zeker kunnen,"

antwoordde de jonge, stoutmoedige knaap. "Als gij er niet in slaagt,

welke boete wilt gij dan betalen?" "Den prijs van het paard."

Waarschijnlijk was de jongen van tien of twaalf jaar niets bekwamer in

het behandelen van paarden dan de rijknechts, maar hij had opgemerkt,

dat zij het paard van uit de richting der zon wegvoerden, en dat

het verschrikt en gehinderd werd door zijn eigen schaduw, die over

den grond heentrok. Alexander draaide den kop van het paard naar

de zon, aaide het en sprak er vriendelijk mede, en sprong toen op

zijn rug. De hovelingen en de koning hadden zich zeer vermaakt met de

stoutmoedigheid van den knaap, maar nu werden zij ongerust. Alexander

bleef echter stevig zitten, en nadat hij het paard zooveel had laten

steigeren en galoppeeren als het verkoos, reed hij naar den koning. De

vader weende van vreugde. "Zoek naar een ander rijk, mijn zoon," zoo

sprak hij, "immers het rijk, dat ik u zal nalaten, is u niet waardig."

Philippus had gezorgd voor leermeesters voor zijn zoon, maar hij zag

nu, dat hij met een knaap te doen had, die niet tevreden zou zijn

met gewone leermeesters. De beroemdste wijsgeer in die dagen was

Aristoteles. Hij was een Macedoniër, maar was gedurende een geruimen

tijd een leerling geweest in de school van Plato te Athene. Philippus

zond hem den volgenden brief:

"Laat mij u mededeelen, dat ik een zoon heb, en dat ik de goden niet

zoozeer dankbaar ben dat hij geboren is, als wel dat hij tijdens uw

leven geboren is; immers als gij u met zijn opvoeding zult willen

belasten, ben ik er zeker van, dat hij zijn vader waardig zal worden,

en ook het koninkrijk, dat hij later zal erven."

Zoo geschiedde het, dat Aristoteles de leermeester werd van den

jeugdigen Alexander en ongeveer drie jaar bij hem bleef, misschien

zelfs wel, totdat hij koning werd. Philippus gaf hem een vorstelijke

belooning, immers hij liet de geboorteplaats van den wijsgeer, de stad

Stagira, opbouwen, die hij vroeger had verwoest, en bracht de inwoners

terug, die òf gevlucht waren, òf als slaven verkocht. Aristoteles

hield er van, met zijn leerlingen te spreken, als zij samen op de

wandeling waren; daarom maakte Philippus als schoolvertrek een ruimen

en prachtigen tuin gereed, met steenen banken en koele, schaduwrijke

paden. Alexander hield niet alleen van wijsbegeerte, maar hij hield

er ook van, de oude tooneelspelen en geschiedenisboeken te lezen, en

placht ze van de verste afstanden te ontbieden. Het meest van alles

hield hij van de gedichten van Homerus. Zijn moeder had hem dikwijls

verteld, dat hij afstamde van Achilles, den held van de Ilias; en toen

hij nog een kleine jongen was, had hij er innig behagen in, dat één van

zijn leermeesters hem met den naam Achilles aansprak. Philippus zag,

dat zijn zoon kon worden vertrouwd, en daarom liet hij, toen hij naar

Byzantium ging, het rijk in handen van den zestienjarigen knaap. Bij

zijn terugkomst schepte hij er vermaak in, en was hij volstrekt niet

boos, toen hij hoorde, dat de Macedoniërs hem "den generaal" noemden,

maar van zijn zoon spraken als van "den koning".

Dit was de jonge man, die nu de heerscher was over Macedonië en geheel

Griekenland. Demosthenes noemde hem een "knaap"; maar veel moeite zou

er zijn gespaard, indien al zijn onderdanen geweten hadden, wat een

buitengewone knaap hij was. Sommigen van hen, de woeste bergbewoners,

meenden, dat dit een voortreffelijke tijd was, om het koninklijke gezag

af te werpen; maar Alexander trok, zonder een oogenblik te vertoeven,

tegen hen op. Hij merkte, dat hij een moeilijken bergweg zou moeten

opklimmen, op welks top de opstandelingen stonden met zware wagens,

gereed om op hem neer te rollen. Het vereischte heel wat meer dan

een paar wagens, om dien scherpzinnigen jeugdigen aanvoerder tegen

te houden. Hij beval zijn troepen, zich te verdeelen en een open pad

midden tegenover de wagens vrij te laten. Waar de weg te smal was,

beval hij zijn manschappen, op den grond te gaan liggen, met hun

schilden over hun hoofden. De wagens begonnen eerst langzaam te rollen,

daarna hoe langer hoe sneller, raakten de schilden met een vreeselijk

gekletter en gekraak, maar gingen over hen heen als over een goed

geplaveiden straatweg, en tuimelden zoo, zonder schade te hebben

berokkend, in de diepte. Het duurde niet lang, of de opstandelingen

vonden het maar het verstandigst zich over te geven.

Ook sommige Grieksche staten hadden gemeend, dat de dood van Philippus

hun een goede gelegenheid zou verschaffen op te staan, maar Alexander

trok met de grootste snelheid naar Thessalië op. Op zijn weg was

een berg, maar hij deed trappen hakken langs de afgronden, en trok

voorwaarts. De staten onderwierpen zich, en nu noemde Demosthenes

hem een "aankomend jongeling". Terwijl Alexander onder de

bergstammen was, daagde het gerucht op, dat hij dood was. Thebe en

de bevriende steden meenden, dat het nu een gunstige gelegenheid was,

van het Macedonische garnizoen te worden verlost. "Ik zal Demosthenes

voor de muren van Athene laten zien, dat ik een man ben," zoo sprak

Alexander, terwijl hij naar het zuiden optrok. Thebe wilde zich niet

overgeven, totdat de stad gedwongen werd zich te onderwerpen. Athene

had wapenen naar de Thebanen gezonden, maar durfde een aanvoerder

geen weerstand te bieden, die kon marcheeren met een snelheid van

meer dan dertig kilometers per dag door een woest en ruw land, en

over gekartelde bergkammen. "Wat moet de straf van Thebe zijn?" vroeg

Alexander het statencongres te Corinthe. Hetzij omdat zij bang voor

Alexander waren, hetzij omdat Thebe vele vijanden onder de Grieksche

staten had, besloten zij, dat Thebe zou worden verwoest. De muren

werden met den grond gelijk gemaakt, en alle huizen afgebroken,

behalve het huis van den vroegeren dichter Pindarus. Zelfs te midden

van den heftigsten strijd had Alexander nog de oude Grieksche poëzie

lief, en herinnerde hij zich de eer, die hij den dichter verschuldigd

was. De afstammelingen van Pindarus bleven eveneens ongedeerd, hoewel

dertigduizend Thebaansche burgers als slaven werden verkocht. De

Thebaansche landerijen werden verdeeld over de armere steden van

Boeotië.

Er is een overlevering, dat de wijsgeer Diogenes toen in Corinthe

leefde, en dat Alexander zeer verlangde, hem te leeren kennen, wat

niet te verwonderen is, als slechts de helft der verhalen, omtrent

Diogenes verteld, waarheid bevatten. Een van die verhalen is, dat men

hem eens op klaarlichten dag zag loopen met een lantaarn in de hand

en blijkbaar naar iets zoekend. "Waar zoekt gij naar?" vroeg men hem,

en hij antwoordde: "Naar een rechtschapen man." Een ander verhaal

is, dat, toen Plato een weelderig gastmaal gaf, Diogenes zich den

toegang tot het eetvertrek vrijmaakte, en over de tapijten liep met

bloote en modderige voeten. "Zoo trap ik op den trots van Plato,"

bromde hij. Waarop Plato antwoordde: "Maar met nog veel grooter

trots, o Diogenes." Toen de koning met zijn gevolg eens naderbij

kwam, lag Diogenes in de zon, en deed nauwelijks eenige moeite, om

maar één blik te werpen op den beheerscher van zijn vaderland. "Is

er iets, waarmede ik u van dienst kan zijn?" vroeg Alexander. De

onvriendelijke wijsgeer antwoordde: "Alleen dat gij voor mij de zon

niet onderschept." De hovelingen lachten, maar Alexander zeide, wat

werkelijk zijn innige overtuiging was: "Als ik Alexander niet was,

zou ik Diogenes willen zijn."

Hij was echter Alexander, en was nog veel meer begeerig, veroveringen

te behalen, en hij was daar zelfs nog veel feller op dan zijn vader

geweest was. Twee jaren waren voorbijgegaan sedert den dood van

Philippus. Macedonië was rustig, Griekenland was onderworpen. Er

was geen reden, waarom hij niet de expeditie zou ondernemen, die

ten doel had, den inval van Xerxes te wreken, het koninkrijk Perzië

te veroveren, en geheel Azië in zijn macht te krijgen. Hij maakte

niet dezelfde fout, die Xerxes gemaakt had, om een zóó groot leger

bijeen te brengen, dat het moeilijk was, dit te voeden en voort te

bewegen; hij voerde niet meer dan tusschen de vijf en dertig duizend

en acht en dertig duizend man over den Hellespont, maar zij waren zóó

gedrild en geoefend, dat zij bijna onoverwinnelijk waren. Bij al zijn

voorbereidingen voor den inval had Alexander nooit vergeten, dat hij

een afstammeling was van Achilles, en hij ging eerst naar de plaats,

waar Troje gestaan had, om zijn voorvader eer te bewijzen. Hij bracht

een offer aan Athene en hing een krans aan een zuil van de graftombe

van Achilles. "Hij was een gelukkig man," zeide de koning, "dat hij

een trouwen vriend bij zijn leven had gevonden, en een dichter als

Homerus, om zijn lof te bezingen na zijn dood."

Al had echter Alexander geen Homerus om zijn lof te verkondigen,

hij had ten minste den beroemdsten schilder uit de oude tijden, om

zijn portret te schilderen, en bovendien nam hij den schilder met

zich mede naar Azië. Het was Apelles, en men zegt, dat Alexander

met zijn werk zóózeer ingenomen was, dat hij door niemand anders

wilde geschilderd worden. Apelles trad even onafhankelijk op als de

koning zelf, en als wij geloof mogen hechten aan de oude verhalen,

was hij veel minder hoffelijk dan zijn vorst. Men vertelt, dat toen

een ander schilder pochte op de snelheid, waarmede hij werkte, Apelles

antwoordde: "Het is alleen maar te verwonderen, dat gij in denzelfden

tijd niet nog meer van zulk prulwerk afmaakt." Een ander verhaal is,

dat hij een schoenmaker zeer hartelijk dankte, omdat deze hem een fout

aanwees in een schoenriem op één van zijn schilderijen. De man was er

zóó trotsch op, dat zijn raad door den grooten Apelles was opgevolgd,

dat hij voortging, met nog andere aanmerkingen te maken. Daarop zeide

Apelles met groote minachting: "Schoenmaker, blijf bij je leest." Dit

is de oorsprong van het bekende spreekwoord.

Natuurlijk had Darius III, de Koning der Perzen, gehoord, wat Alexander

voornemens was te doen; hij had daarom een groot leger naar Klein-Azië

gebracht. De meest geschikte plaats om den vermetelen jongen man

te ontmoeten, was aan den Hellespont, die den toegang leverde naar

Azië. Toen dan ook Alexander aan de kleine rivier den Granicus kwam,

zag hij, dat de overzijde bezet was met Perzische soldaten. De rivier

was blijkbaar diep en stroomde snel, terwijl de oevers even glibberig

als steil waren. De Macedonische krijgsoversten maakten bezwaar,

zonder voorbereiding, reeds nu de rivier over te steken; zij zeiden,

dat het te laat op den dag was, en bovendien, dat het de ongunstige

maand was, zoodat zij ongetwijfeld ongelukkig zouden zijn. Maar

Alexander sprong in de rivier, en op zijn bevel volgde de ruiterij de

groote witte pluimen op zijn helm. Zij klommen tegen den glibberigen

oever op, recht in het gezicht der Perzische pijlen. Intusschen trok de

phalanx de rivier over, en daarna volgde het voetvolk. Alexander won

den slag. Van den buit, bij zijn eerste overwinning in Azië behaald,

gaf hij veel geschenken weg. Maar het allereerst beval hij, dat een

koperen standbeeld gemaakt zou worden ter eere van iedereen, die in

den slag was gesneuveld. Hij gaf rijke geschenken aan de Grieken,

en aan de Atheners, die zijn bijzondere gunstelingen schenen te zijn,

zond hij nog een afzonderlijk geschenk van driehonderd schilden. Aan

zijn moeder, die in Macedonië was achtergebleven, zond hij de purperen

gewaden en kleeden, en de gouden en zilveren schotels, die in grooten

getale in de tenten der Perzen werden gevonden.

Alexander marcheerde in zuidelijke richting, volgde een kort eind

weegs de kustlijn, en marcheerde toen in noordelijke richting naar

Phrygië, terwijl hij op zijn tocht steden veroverde. Er was niet

veel echt oorlogvoeren noodig, want de meeste steden in de nabijheid

van de kust gaven zich onmiddellijk over, zoodra zij bericht kregen,

dat hij naderde. In één der tempels van Gordium in Phrygië vond hij

een beroemden knoop, gemaakt van touwen, gesneden uit de schors van

een boom. Er was een profetie, dat de heerschappij over de wereld den

man zou te beurt vallen, die dien knoop kon losmaken. Reeds menigeen

had zijn geluk beproefd, maar hij was zóó kunstig inééngestrengeld en

vastgeknoopt, dat het nog nooit iemand was gelukt. Alexander beproefde

het eveneens een korten tijd, trok toen zijn zwaard en hakte den knoop

door. Zoo komt het, dat men, als iemand een kort, stoutmoedig middel

heeft gevonden, om een moeilijkheid uit den weg te ruimen, zegt:

"hij heeft den Gordiaanschen knoop doorgehakt."

Alexander trok weer met zijn manschappen naar zee, marcheerend door

Klein-Azië. Bij Issus ontmoette hij de legerdrommen der Perzen,

die nog altijd van meening waren, dat een leger zeker was van de

overwinning, als het slechts groot genoeg was. Maar zij zouden het bij

Issus wel anders ondervinden. Darius had zeer onverstandig Alexander

in de gelegenheid gesteld, hem in een nauwe vlakte te ontmoeten,

waar geen voldoende ruimte was voor zijn leger. De Perzen sloegen op

de vlucht, met hun koning vooraan. Darius wierp zijn schild, zijn

boog en purperen mantel weg, en sprong zelfs van den koninklijken

wagen en besteeg een paard, om sneller te ontkomen. Niemand behalve

de Koning had het recht bevelen te geven, en het geheele Perzische

leger tuimelde over elkander in hun woest opdringen om te ontsnappen.

Nadat de slag was geleverd, werd een prachtig gouden kistje naar

Alexander gebracht, afkomstig van den buit, op Darius gemaakt. "Wat

is het meest waardig, er in te leggen?" vroeg hij zijn vrienden. De

één stelde dit voor, de ander dat, maar de koning schudde het

hoofd. Eindelijk zeide hij: "Het is de Ilias, die het meest een

dergelijk kistje waard is." De moeder en het gezin van Darius waren

gevangen genomen door de Macedoniërs. Alexander zond hun een boodschap,

dat zij van hem niets hadden te vreezen, en behandelde hen met de

grootst mogelijke beleefdheid en de meeste oplettendheid. Darius

wenschte ze los te koopen en bood zijn bondgenootschap aan; maar

Alexander verzocht den Perzischen monarch hem "niet als een gelijke,

maar als heerscher over Azië" te betitelen; in dit geval zou hem

alles verleend worden, wat hij verkoos te vragen.

Het scheen voor den jeugdigen veroveraar geen verschil te maken,

waar een stad gelegen was of hoe zij werd verdedigd. Tyrus lag op

een eiland, maar hij verbond het eiland spoedig met het vasteland,

door een dijk te leggen met groote aardhoopen, ten einde van daar uit

met zijn machines de stad aan te vallen. Nadat Tyrus gevallen was,

gaven bijna alle steden ten oosten van de Middellandsche Zee zich

over, alleen om Gaza had hij strijd te leveren. Van die stad uit,

zond hij een vroegeren leermeester groote hoeveelheden wierook en

myrrhe. Men verhaalt, dat zijn leermeester hem, toen hij nog een

knaap was, gezegd had, niet zooveel wierook te verbranden, voordat hij

het land had veroverd, waar de specerijen groeiden. Nu schreef hij:

"Ik heb u ruim wierook en myrrhe gezonden, opdat gij niet langer een

vrek tegenover de goden zult zijn."

Tot nu toe had Alexander slechts met zijn inval een begin gemaakt. Hij

had zich voorgenomen, ver in oostelijke richting op te trekken;

maar hij wilde zich eerst er van vergewissen, dat hij geen vijanden

meer achter zich liet. Daarom was hij door Klein-Azië heen en weer

getrokken, totdat hij er zeker van was, dat er in dat gedeelte van

het land geen verzet meer zou zijn. Voordat hij voor goed een tocht

naar het oosten aanvaardde, wilde hij zich verzekeren van Egypte,

en trok hij daarheen. Egypte verheugde zich in de hoop, van Perzië

te worden bevrijd. De Egyptenaren wierpen hun poorten wijd open en

kwamen hem in grooten getale welkom heeten. Dicht bij de monding van

den Nijl koos hij een terrein, om er een stad te stichten, Alexandrië,

waarheen goederen uit het oosten en het westen zouden kunnen worden

gebracht. Hij beval zijn manschappen, een streep te trekken op

den zwarten grond, ten einde het plan voor de nieuwe stad aan te

duiden. Zij hadden geen krijt, en daarom wezen zij het terrein aan met

meel. Plotseling kwam op de juist uitgeteekende stad een zwerm vogels

neerdalen, die het meel oppikten. Alexander was verontrust, daar hij

vreesde, dat dit ongeluk zou beteekenen; maar de waarzeggers zeiden:

"Neen, dit is een teeken, dat de stad gezegend zal zijn met een zóó

grooten overvloed, dat zij een voorraadschuur zal zijn voor allen,

die daarheen zullen komen"; toen was de koning gerustgesteld.

Ondertusschen had Darius menschen verzameld uit het noorden, zuiden,

oosten en westen, om zich tegen den inval te verzetten. De besten

onder hen waren een aantal Grieken, die hij gehuurd had. Hij had

eveneens vijftien olifanten en twee honderd seiswagens, wagens, die er

vreeselijk angstwekkend uitzagen met degenklingen, die uitstaken uit

het juk en de naven der wielen. De twee legers stootten te Arbela op

elkander. Den avond vóór den slag stelde één der veldheeren Alexander

voor, de Perzen gedurende den nacht aan te vallen. "Perzische legers

zijn des nachts bijna hulpeloos," zeide hij. Maar Alexander was

daartoe te trotsch. "Ik wil niet op slinksche wijze een overwinning

behalen," antwoordde hij. "Ik kan Darius in het volle daglicht

verslaan, en ik zal dat doen." En hij deed het ook. Weder leidde

Darius den terugtocht. Het aantal vluchtelingen was zóó groot, en

wierp zóóveel stof op, dat hij in de verwarring ontsnapte. Voor dien

slag had Darius het grootst mogelijke aantal troepen bijeengebracht,

ze zoo goed als hij kon gedrild, en toch was hij verslagen. Hij kon

niets meer doen dan hij gedaan had, om de Grieken te verdrijven. Hoewel

er nog een aantal groote marschen moesten worden gedaan, en bovendien

niet weinig gevechten door Alexander moesten worden geleverd, kan men

dus toch wel verklaren, dat zijn overwinning bij Arbela besliste over

het lot van Perzië.

De hoofdsteden van het Perzische rijk waren Babylon en Susa. Alexander

verwachtte een krachtigen tegenstand in die plaatsen, daar zij de

schatkamers van het rijk waren. In plaats daarvan kwamen de troepen

hem te gemoet, terwijl zij de sleutels der poorten droegen. De burgers

strooiden bloemen op zijn weg en kwamen in grooten getale op, om hem

geschenken aan te bieden. Toen hij de steden binnenkwam, werden zijn

stoutste droomen nog verre overtroffen; immers alleen in Susa was er

een schat van meer dan 120 millioen gulden, en in Persepolis, de stad,

die hij toen veroverde, was er meer dan driemaal zooveel.

Voordat hij in Persepolis kwam, zag hij een vreeselijk schouwspel:

honderden Grieksche gevangenen, van wie sommigen een been, anderen

een arm of een oog hadden verloren, en anderen, die zóó zwaar hadden

geleden, dat zij volkomen hulpbehoevend waren. Dit was het werk der

Perzen. Een aantal van die gevangenen waren jaren lang in Perzië

gevangen gehouden. Tranen kwamen Alexander in de oogen, en hij drong

er op aan, dat zij naar Griekenland zouden terugkeeren. "Ik zal u

naar huis zenden," zoo sprak hij, "en ik zal er voor zorgen, dat

gij, zoolang gij leeft, goed verzorgd wordt." Maar zij zeiden hem,

dat zij in een zoodanigen toestand niet naar hun vrienden konden

terugkeeren. Daarop gaf hij hun land en slaven en veel vee. En toch

had die sympathieke monarch na het beleg van Tyrus tweeduizend man

doen ophangen; en na de overgave van Gaza had hij de voeten van den

dapperen verdediger der stad met koperen ringen doorboord, hem aan

een wagen vastgebonden, en nog levend in het gezicht van het leger

voortgesleept. Op die wijze, zeide hij, had Achilles het lijk van

zijn vijand Hector behandeld. Het was te betreuren, dat hij uit

de Ilias geen betere lessen had geleerd. Na den val van Persepolis

gaf hij de stad ter plundering aan zijn soldaten over. Hij doodde

de mannen en verkocht de vrouwen als slavinnen. De verwoesting van

Athene was gewroken.

Het eerste doel van Alexander was nu, Darius gevangen te nemen. De

Perzische koning was op de vlucht, maar was in werkelijkheid een

gevangene in de handen van zijn eigen veldheer, Bessus. Sommigen

onder de Perzen dachten er over, Bessus tot koning uit te roepen;

maar indien hij Darius niet gevangen kon houden, zouden anderen er

toe aangemoedigd worden, hem op den troon te herstellen. Zij waren

vooral beangst, dat Darius levend in de handen van Alexander zou

vallen. Toen zij derhalve hoorden, dat Alexander in hun nabijheid

was, en dat zij niet konden ontsnappen en Darius medenemen, wierpen

de verraderlijke Bessus en zijn vrienden hun werpspiesen op hem en

lieten hem voor dood liggen. Men zegt, dat een Macedonisch soldaat

hem nog juist levend vond, en dat hij zijn dankbaarheid uitdrukte

jegens Alexander, omdat deze zijn vrouw en zijn gezin zoo vriendelijk

had bejegend. "Zeg hem, dat ik hem mijn hand heb gegeven," zeide

hij. Alexander wierp zijn eigen mantel over het lijk van den koning,

en eerde hem door een koninklijke begrafenis.

Alexander was meester in het Perzische rijk, maar het scheen, dat hij

was aangetast door een onbluschbaren hartstocht naar verovering. Hij

ging met zijn onoverwinnelijk leger voorwaarts,--in noordelijke

richting naar de Caspische Zee, in zuidelijke richting naar de

Arabische zee, daarna weer noordelijk, zich kronkelend en draaiend uit

het land verre ten noorden van het Hindu-Kush gebergte naar Indië en de

monding van den Indus. Hij maakte plannen, om voort te trekken naar het

uiterste oosten; om een expeditie tegen Arabië over zee te ondernemen;

om westwaarts te gaan en Italië, Spanje en Noord-Afrika te veroveren;

in één woord, om de geheele wereld te vereenigen tot één rijk, onder

zijn bestuur, Hij keerde naar Babylon terug, om nieuwe troepen en

schepen te ontmoeten. Alle voorbereidselen waren gemaakt,....toen

hij plotseling ziek werd en stierf.

Alexander was twee en dertig jaar oud geworden. Hij had twaalf jaar

geregeerd. In dien tijd had hij Macedonië en Griekenland den vrede

geschonken; hij had steden verwoest en gesticht, achttien van deze had

hij naar zich zelf, één naar Bucephalus genoemd, hij had zóó groote

marschen gedaan en zóó groote overwinningen behaald, als geen veldheer

ooit had durven droomen; hij had de vijandschap tusschen Perzië en

Griekenland tot een einde gebracht en hij had een rijk gewonnen.

Maar wat zou van dat rijk moeten komen? Toen Alexander op zijn sterfbed

lag, werd hem gevraagd, aan wien hij de macht naliet. "Aan den meest

waardigen," antwoordde hij, en hij gaf zijn ring aan één van zijn

veldheeren, Perdiccas, genaamd. Maar niemand behalve Alexander was in

staat het ontzaglijke rijk samen te houden. Na lange jaren van strijd

en van samenzweren, van verwarring, oproer en gewelddadigheid, viel het

rijk uiteen in drie gedeelten: Azië, Egypte en Macedonië. Azië werd

bestuurd door afstammelingen van één der veldheeren van Alexander,

maar het ééne gedeelte voor, het andere na werd een afzonderlijk

koninkrijk, totdat weinig meer dan Syrië en de landen onmiddellijk ten

oosten daarvan gelegen, vereenigd bleven. Een nieuwe macht verrees

in het westen, de Romeinsche macht, en de bezittingen van Alexander

in Azië vielen in de handen van Rome.

Egypte werd bestuurd door een ander van Alexanders veldheeren,

Ptolemaeus genaamd. Hij maakte van zijn rijk een zeemogendheid. Hij

stichtte de beroemde Alexandrijnsche bibliotheek; hij noodigde een

groot aantal geleerden, kunstenaars en dichters uit, zich in Egypte

te vestigen. De dynastie der Ptolemeën regeerde drie eeuwen lang in

Egypte, maar ten slotte viel ook Egypte in de handen der Romeinen.

Macedonië werd ondersteld over Griekenland te regeeren, maar

Griekenland was volstrekt geen rustige onderdaan. Zoodra de Grieken

hoorden van den dood van Alexander, volgden zij de leiding van

Demosthenes en trachtten zich tegen de Macedonische overheersching te

verzetten. Zij waren daarbij niet gelukkig, en Demosthenes vluchtte

naar een tempel van Poseidon op een klein eiland op de kust van

Argolis. Hij werd zelfs tot in den tempel vervolgd. "Gun mij nog

slechts enkele minuten, om een brief te schrijven." De officier stond

zijn verzoek toe. Hij begon te schrijven, daarna beet hij op de punt

van zijn riet, alsof hij nadacht. Hij wierp een plooi van zijn mantel

over zijn hoofd, en sprak geen woord of bewoog zich niet. De soldaten

trokken den mantel weg en zagen, dat de groote redenaar stervende

was. Zijn riet was met vergif gevuld, en hij had dit ingenomen,

daar hij liever wilde sterven dan in handen van zijn vijanden vallen.

Na eenigen tijd vormden de Grieken twee bonden, maar zij bleven niet

eensgezind, en hadden dus geen macht, de Romeinen te weerstaan. Zoowel

Macedonië als Griekenland werden deelen van het Romeinsche Rijk. Zoo

waren vóór de geboorte van Christus de uitgebreide bezittingen van

Alexander wingewesten van Rome geworden.

Zoo eindigt de geschiedenis van het oude Griekenland, de geschiedenis

van een volk, dat, wat ook zijn fouten en ondeugden geweest zijn,

schoonheid, wetenschap en vrijheid had lief gehad. Niets heeft ooit

de kunst, de literatuur of de taal van Griekenland overtroffen. Hij,

die volmaaktheid in de kunst wil ontdekken, moet zijn met leven

bezielde standbeelden, zijn onovertroffen gebouwen aanschouwen. Hij,

die in de letterkunde wil zoeken naar wat eenvoudig, grootsch,

waar, edel en welsprekend is, moet de geschriften van zijn dichters,

redenaars, geschiedschrijvers en wijsgeeren lezen. Hij, die wil zoeken

naar een taal, waarin iedere zweem van gedachte en gevoel de meest

passende en geschikte uiting vindt, moet zijn keus doen vallen op de

Grieksche taal. En zoo komt het, dat Griekenland niettegenstaande zijn

standbeelden bijna alle zijn vernield, zijn tempels tot puinhoopen zijn

vervallen, het grootste gedeelte van zijn letterkunde is verdwenen, of

slechts bij brokstukken bekend is, en zijn taal, in een modernen vorm,

slechts wordt gesproken door een kleine natie--nog altijd de veroveraar

van zijn veroveraars is--nog steeds "het onsterfelijke Griekenland."

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 44 / 48 题