PHILIPPUS VAN MACEDONIË.

Zoo kwam het, dat eerst Argos, daarna Athene, Sparta, Thebe,

beurtelings de leidende staten van Griekenland werden. Hun zelfzucht

en afgunst jegens elkander hadden hun rijkdom uitgeput, het geluk

hunner burgers verwoest en een groot gedeelte der bevolking aan den

dood prijs gegeven, en zij waren daarbij totaal uitgeput. Er kon geen

betere tijd worden uitgekozen, om zich van het geheele land meester

te maken, als er maar een vermetel, sluw man gevonden werd, die wist,

hoe met voorzichtigheid en bekwaamheid te handelen.

Een zoodanig iemand was op den troon van Macedonië, het land dat in

het noorden en noordoosten van Griekenland gelegen was. De Macedoniërs

hadden geen kunstenaars, geen talentvolle schrijvers, geen schitterende

redenaars, geen scholen voor wijsbegeerte. De Grieken uit het zuiden

gaven wel toe, dat zij Grieksch bloed in de aderen hadden, maar lachten

om hun ruwe, onbeschaafde vormen en hun grove, weinig gemanierde wijze

van spreken. De vorst, die toen op den troon gezeten was, Philippus II,

was diep overtuigd van al die verschilpunten. Hij was nog slechts een

jongen van vijftien jaar oud, toen Pelopidas in Macedonië kwam en hem

als gijzelaar mede naar Thebe nam. Daar was hij drie jaar gebleven,

waarschijnlijk in de woning van den vader van Epaminondas. Hoe dit

ook moge zijn, hij had zeker de gelegenheid gehad, na te gaan, hoe de

Grieken leefden, hoe zij oorlog voerden, en hoe somtijds de oorlog

door diplomatie kon worden vermeden. Hij leerde Grieksch spreken

en schrijven als een Thebaan; zijn taal werd niet alleen zuiver

maar ook welsprekend. Hij wist, dat het niet onmogelijk was, dat

hij mettertijd heerschen zou over Macedonië, en hij hield blijkbaar

zijn oogen en ooren open, om alles te hooren wat voor hem van waarde

kon zijn en hem kon helpen, om een verwonderlijk plan uit te voeren,

dat hem waarschijnlijk reeds toen voor den geest stond.

Toen de tijd voor hem was aangebroken, om de kroon van zijn vader te

dragen, begon hij met een staand leger te vormen, en zeer verstandig

noodigde hij zijn lastigste onderdanen uit, zich daarbij te voegen,

en wel de half-beschaafde stammen, die verder af in de heuvelachtige

terreinen woonden. Tot nu toe had Macedonië geen pogingen in het

werk gesteld, om machtig te worden. Het was nauwelijks iets anders

geweest dan een stuk land, waardoor legers konden marcheeren tusschen

Griekenland en Azië. Indien er een oorlog uitbrak, had het steeds

de zijde gekozen van die partij, die waarschijnlijk het machtigst

zou zijn. Het eerste gedeelte van het plan van Philippus was,

Macedonië zóó krachtig te maken, dat andere landen begeerig zouden

zijn vriendschap er mede te sluiten. Daartoe oefende en drilde hij

zijn soldaten zóó, dat zij het beste leger van de wereld vormden. Hij

had in Thebe geleerd, hoe de zoo beroemde Thebaansche phalanx werd

gevormd; maar hij was zelfs niet tevreden met een uitvinding, die

werkelijk als iets buitengewoon bewonderenswaardigs werd beschouwd;

hij dacht een eenigszins andere rangschikking voor het voetvolk

uit. Volgens die rangschikking werden de mannen geplaatst in zestien

rijen achter elkander, met een tusschenruimte van drie voet tusschen de

gelederen. De speren waren een-en-twintig voet lang, en iedere soldaat

hield zijn wapen vast op vijftien voet afstand van de punt. De speren

van het vijfde gelid staken dus drie voet vóór het eerste gelid uit;

die van het vierde gelid zestien voet, en zoo voort. Het was niet

gemakkelijk, de phalanx in orde te houden op een ruwen, oneffen

grond, maar op een vlak terrein konden geen troepen aan haar aanval

weerstand bieden.

Toen het leger van Philippus gereed was, begon hij met zijn

veroveringen, niet echter door Griekenland binnen te trekken,--daarvoor

was hij te verstandig. Eerst sloeg hij het oog op Thracië en

Chalcidice. Op de grens tusschen Thracië en Macedonië lag de stad

Amphipolis, en hij nam zich voor, die in te nemen. Athene en Olynthus

zouden zich hebben vereenigd om die te verdedigen, maar Philippus

dacht er geen oogenblik aan, meer te vechten dan noodig was; daarom

beloofde hij Amphipolis aan Athene te geven. Op die wijze nam hij

de stad zonder dat òf Athene òf Amphipolis tusschen beide kwam. Hij

hield Amphipolis voor zich zelf, in plaats van de stad aan Athene

af te staan, maar hij gaf een andere stad aan Olynthus. Zoo wist

hij elk verbond af te breken, dat anders tusschen Athene en Olynthus

zou kunnen worden gevormd. Philippus II van Macedonië was een zeer

sluw man. Natuurlijk hield hij niet op bij Amphipolis. Een klein

eind over de Thracische grenzen lagen enkele rijke goudmijnen. Wat

stond hem in den weg, die te nemen? Hij marcheerde op met zijn

onoverwinnelijk leger, en spoedig had hij al het geld, dat hij noodig

had. Hij kon soldaten huren, om een stad aan te vallen, of--immers er

waren minstens in iedere stad twee partijen--hij kon de ééne partij

omkoopen, om hem de stad in handen te leveren. Er is een verhaal

bekend, volgens hetwelk hij eens informeerde, of een bepaalde vesting

kon worden ingenomen. "Zij is ontoegankelijk" was het antwoord. "Is

zij zelfs zóó ontoegankelijk, dat ook niet een ezel met goud beladen,

haar kan beklimmen?" was zijn wedervraag.

Philippus nam nog andere plaatsen in het noorden, en niemand verzette

zich tegen hem. Athene was de sterkste van de Grieksche staten,

en Athene had haar handen vol met de steden van den nieuwen Bond,

die gevormd was, nadat Thebe zich van Sparta had vrijgevochten. Zij

toch verzetten zich er even sterk tegen als de steden van den ouden

Bond van Delos, om door Athene behandeld te worden, als waren zij

haar onderworpen; en Athene had, in weerwil van alles wat zij had

meegemaakt, nog niet geleerd, dat het verstandiger zou zijn, hen op

een andere wijze te behandelen. Zij waren opgestaan, en nu volgde de

oorlog, bekend als die der Bondgenooten.

En nog nadat de Oorlog der Bondgenooten geëindigd was, schenen de

Atheners blind te zijn voor wat zich in het noorden afspeelde. Er was

echter één man in de stad, die de oogen geopend hield: maar in weerwil

van al zijn welsprekendheid kon hij de Atheners er niet toe brengen,

het gevaar in te zien, dat hen bedreigde. Die man was Demosthenes,

één der grootste redenaars van de geheele wereld.

Toen Demosthenes nog een kind was, was hij wel de laatste knaap,

dien men zou hebben uitgekozen, om tot redenaar te ontwikkelen. Hij

stotterde, had een zwakke stem, was spoedig buiten adem en kon de

letter r niet behoorlijk uitspreken. Daarbij was hij verlegen, trok

voortdurend zijn linker schouder op, en als hij opgewonden werd of

zijn belangstelling was gaande gemaakt, trok hij de meest dwaze en

leelijke gezichten. Toch had hij zich vast voorgenomen, een even groot

redenaar te worden als de spreker, naar wien hij eens had geluisterd,

en even hartelijk als deze te worden toegejuicht. Toen hij ouder was

geworden, greep hij de eerste de beste gelegenheid aan, om in het

publiek te spreken. Wel werden zijne toehoorders niet overtuigd, maar

zeker werden zij aangenaam onderhouden; immers zij moesten uitbundig

lachen om den jongen man, die zulke dwaze gezichten trok, zijn lichaam

zoo gek bewoog, zijn verschillende argumenten door elkander haalde,

en telkens zóó buiten adem was, dat zij zelfs niet altijd konden

verstaan wat hij trachtte te zeggen.

Demosthenes was zóózeer ontmoedigd, dat hij de stad verliet en een

wandeling maakte naar den Piraeus, er over peinzend, of het hem

ooit zou gelukken, zijn stadgenooten te boeien en te overtuigen. Hij

herhaalde zijn eerste poging, maar ook deze mislukte. "Hoe komt het,"

zoo sprak hij tot een vriend, die van beroep tooneelspeler was,

"dat het volk, hoe hard ik ook voor mijn redevoeringen werk, nog

liever luistert naar een dronken matroos of den eersten den besten

onbeduidenden medeburger, dan naar mij"? Het eenige antwoord, dat

zijn vriend hem gaf, luidde: "Wilt gij mij een stuk uit een drama

van Euripides of Sophocles voordragen"? Demosthenes gehoorzaamde;

daarna droeg de redenaar hetzelfde stuk voor, maar met een zóó groote

waardigheid, met gebaren, zóózeer in overeenstemming met de woorden,

en met een zóó blijkbaar inzicht in iedere gedachte, dat het iets

geheel anders werd. Toen begreep Demosthenes, wat zijn vriend bedoelde,

namelijk, dat niemand, onverschillig hoe diep hij zijn onderwerp had

bestudeerd, of hoe uitmuntend zijn redevoering was in elkander gezet,

zijn hoorders kon overtuigen, als de redevoering niet tevens goed

werd voorgedragen.

Er was niet veel hoop voor Demosthenes, dat hij ooit in zijn pogingen

zou slagen, maar hij had veel te veel energie, om de zaak op te

geven. Hij bouwde een kamer onder den grond, waar hij herhaaldelijk

een tijd verblijf hield, om zijn stem te oefenen en zijn gebaren te

verbeteren. Uit vrees, dat hij in de verleiding zou komen, uit te

gaan, schoor hij somtijds de helft van zijn hoofd kaal, zoodat hij

niet in het publiek kon verschijnen. Om zijn stotteren te verbeteren,

sprak hij met steentjes in zijn mond. Om zijn stem zóó te versterken,

dat hij het leven der volksvergaderingen kon overschreeuwen, hield

hij redevoeringen voor zich zelf aan het strand der zee, waarbij hij

zijn best deed het geraas der zee te overstemmen. Hij oefende er zich

in, zijn ademhaling te beheerschen door redevoeringen op te zeggen,

terwijl hij ruwe en steile heuvels beklom. Hij hing een ontbloot

zwaard zóó op, dat de minste beweging van den niet voldoende in

bedwang gehouden linker schouder hem zou prikken. Hij oefende zich

voor den spiegel, om te leeren, niet met de oogen te knippen of dwaze

gezichten te trekken. Hij overwon zelfs de moeilijkheid, die voor

hem gelegen was in de lastige letter r. En bij dit alles verzuimde

hij toch niet, om zich meer dan ooit toe te leggen op een uitnemende

samenstelling zijner redevoeringen. Hij schreef zelfs herhaaldelijk de

redevoeringen van Thucydides over, en trachtte even goede redevoeringen

te vervaardigen. En zoo werd hij een zóó voortreffelijk redenaar,

dat hij nu reeds tweeduizend jaar lang genoemd wordt onder de beste

redenaars der wereld.

Dit was nu de man, die de Atheners vertelde, dat Philippus van

Macedonië voornemens was, Griekenland te veroveren. Zijn redevoeringen

tegen Philippus werden "Philippicae" genoemd. Zij waren zóó bitter en

heftig, dat nog in onze dagen een bijzonder heftige en onmeedoogende

redevoering tegen een persoon dikwijls een "philippica" wordt

genoemd. In die redevoeringen deed Demosthenes al het mogelijke om

zijn landgenooten tegen Philippus wakker te schudden. "Welken gunstigen

tijd van het jaar, welke betere gelegenheid dan de tegenwoordige wacht

gij af, of wanneer zult gij uw krachten beter kunnen inspannen dan nu,

mijn landgenooten? Heeft niet die man alle plaatsen in bezit genomen,

die de onze waren? Moet hij nu ook meester worden van dit land, moeten

wij dan niet afdalen tot den laagsten trap van eerloosheid? Worden

niet diegenen, die wij beloofd hebben te hulp te komen, zoo dikwijls

zij in een oorlog betrokken zijn, nu zelf aangevallen? Is hij niet

in het bezit van onze volksplantingen? Is hij geen barbaar? Is zijn

karakter niet zóó laag, dat woorden het niet kunnen uitdrukken? Als

wij voor dat alles ongevoelig zijn, als wij zelfs als het ware zijn

plannen in de hand werken--O hemel! Kunnen wij dan nog vragen, wie

de schuld draagt van de gevolgen?"

Maar de tijden waren voorbij, dat men leefde en werkte voor het belang

van den staat. Men verkoos weelderige woningen boven het slagveld;

men stelde liever staatsgeld beschikbaar voor de schouwburgen dan

voor de soldaten. Zelfs de beeldhouwkunst veranderde van aard. De

Grieken waren niet meer tevreden met standbeelden, die kracht en

stoutmoedigheid uitdrukten, maar zij moesten ook liefelijk en sierlijk

zijn. De beroemdste beeldhouwer uit die dagen was Praxiteles. Zijn

Aphrodite, vervaardigd voor een tempel te Cnidus, was het eerste beeld

van een vrouw, die niet alleen schoon was, maar er ook uitzag, alsof

zij kon denken en gevoelen. De bevolking van Cnidus was zóó trotsch

op het beeld, dat zij, toen een koning aanbood, de groote schuld,

die Cnidus had, af te betalen, als zij hem het beeld zoude afstaan,

dit aanbod afsloeg. Een aantal Grieksche standbeelden zijn alleen door

copieën bekend, maar wij hebben nog het origineel van den Hermes van

Praxiteles met den jeugdigen Dionysus, dat de aanraking gevoeld heeft

van den beitel van den meester zelf. Die werken zijn heerlijk schoon,

en dat wel in een tijd, toen de Atheners veel meer hadden moeten denken

aan den toestand van hun land dan aan standbeelden. Alle pogingen van

Demosthenes waren echter volkomen vruchteloos. Philippus ging voort met

zijn veroveringen in het noorden, en spoedig deed zich voor hem een

gelegenheid voor, om vaster voet te krijgen in Griekenland, en op te

treden niet als de heerscher van een ruw, barbaarsch volk, maar als de

beschermer van de rechten van Apollo. De Phocensers hadden niet steeds

voldaan aan hun verplichtingen tegenover Apollo. Meer dan tweehonderd

jaar te voren waren zij door de Delphische amphictyonen gestraft,

omdat zij op weg naar Delphi zich hadden ingelaten met anderen. De

afstammelingen nu van diezelfde Phocensers namen land in bezit, dat

voor Apollo afgezonderd werd gehouden, en stalen zelfs eenige van

de schatten uit zijn tempel. De amphictyonen waren niet krachtig

genoeg om hen te straffen, en deden een beroep op Philippus. Dit

kon men noemen "een kat opdragen, een geschil tusschen twee muizen

te beslechten." Philippus strafte de Phocensers, en de amphictyonen

gaven hem nu hun stemmen in den Raad der amphictyonen, en besloten,

dat hij het voorzitterschap zou waarnemen bij de spelen, die te Delphi

werden gevierd. Hij was nu de verdediger van Apollo; en als hij het kon

doen voorkomen, alsof eenige daad van een Griekschen staat een misdaad

tegen de godheid was, had hij het recht, dien staat te straffen.

De plannen van Philippus vorderden goed. Zijn volgende stap was,

dat hij trachtte Byzantium te bemachtigen. Dit deed de Atheners

uit hun onverschilligheid ontwaken, daar zij volstrekt niet wilden

afgesneden worden van de voorraadschuur der landen aan de Zwarte

Zee. Zij kwamen de bevolking van Byzantium te hulp, en Philippus

trok zijn troepen terug. Hij verzette zich niet bijzonder daartegen,

daar hij in Athene een vriend had, die voor hem den weg in een

andere richting effende. Dit was de redenaar Aeschines, die in

welsprekendheid Demosthenes het meest nabij kwam. Philippus hield er

in de verschillende staten van Griekenland goed betaalde dienaren

en spionnen op na, en men meent, dat Aeschines tot die spionnen

behoorde. Hij overtuigde de Atheners, dat de Phocensers weer straf

verdienden, daar zij eenig land gebruikten, dat aan Apollo gewijd

was. Dit had uitsluitend ten doel, ten tweeden male Philippus er in te

halen, en Philippus was dadelijk daartoe gereed. Maar toen hij eenmaal

in Phocis was, maakte hij niet de minste haast, het eigendom van Apollo

te beschermen. In plaats daarvan nam hij bezit van een stad, die zoowel

Boeotië als Athene goed te stade zou gekomen zijn, en versterkte die.

Er was toen geen schitterende welsprekendheid meer noodig, om de

Atheners te overtuigen van het groote gevaar, dat hen bedreigde. Zij

waren bereid alles te doen, iedereen te volgen. "Maakt u gereed,

een beleg te kunnen doorstaan," raadde Demosthenes aan "en ziet de

hulp van Thebe te verkrijgen." Zij gehoorzaamden zonder eenig gemor,

en Thebe werd hun bondgenoot. Bij Chaeronea in Boeotië geraakten de

legers handgemeen; het waren de beste legers der wereld. Er werd een

vreeselijke slag geleverd; en toen deze geëindigd was, had Philippus

van Macedonië de oppermacht over Griekenland verkregen.

Thebe en Athene waren in den Bond tegen Philippus de voornaamste

staten geweest; hoe zou hij hen behandelen? Hij had nu eens vooral

de gelegenheid, te laten zien, dat hij òf streng òf genadig kon zijn,

en Philippus verzuimde nooit één gelegenheid. Tegenover Thebe trad hij

zoo streng mogelijk op. Hij liet haar zelfs losgeld betalen voor de

lijken van haar soldaten; hij bevrijdde de kleine steden van Boeotië

uit haar heerschappij; en in de citadel plaatste hij een garnizoen

van Macedoniërs. Jegens Athene betoonde hij zich daarentegen zeer

genadig. Hij leverde de gevangenen uit zonder losgeld. Hij eerde haar

dooden met begrafenisplechtigheden, en zond de beenderen der dooden

naar Athene onder geleide van zijn eigen zoon Alexander. Hij behield

voor zich enkele van haar meest verwijderde bezittingen, maar liet

haar Attica en breidde het zelfs uit, door er een stadje aan toe te

voegen op de grenzen van Boeotië, dat langen tijd een punt van twist

geweest was tusschen Athene en Thebe.

Korten tijd na den slag bij Chaeronea verzocht Philippus de Grieksche

staten, afgevaardigden te zenden naar een congres, dat te Corinthe zou

worden gehouden. Eerst werd er een soort van statenverbond gevormd, met

Macedonië aan het hoofd. Toen bracht Philippus op dat congres het ware

doel der bijeenkomst ter tafel. Het was om hun hulp te vragen in een

expeditie, die geen minder doel beoogde dan de verovering van Perzië.

Philippus was een slim man. Hij had de Grieksche staten doen gevoelen,

dat hij hun meester was, maar voordat zij den tijd hadden op te

staan, ja zelfs tot het bewustzijn te komen van hun diepen val, vroeg

hij hun hulp bij een expeditie, die wel is waar moest strekken tot

vermeerdering van zijn roem, maar die tevens een wraak zou zijn voor

al wat de Grieken van den inval der Perzen hadden geleden. Natuurlijk

konden zij toch moeilijk iets weigeren, wat hun veroveraar verkoos te

vragen, maar dit was een hoogst aanlokkelijke expeditie. De schatten

van Azië lagen binnen hun bereik. Zij hadden slechts den man te

volgen, die zich bekwaam had betoond een verstandig en gelukkig

aanvoerder te zijn. Een aanbod van rijkdom, triomf en wraak was

genoeg, om iedere natie op te winden. En dit was geen hersenschimmig,

onmogelijk plan; de terugtocht der Tienduizend Grieken had doen zien,

wat een zwak lichaam het logge, uit zijn krachten gegroeide Perzische

rijk was geworden. Zij vergaten, dat zij hun onafhankelijkheid

hadden verloren, dat zij een veroverd en in onderwerping gebracht

volk waren; zij vergaten alles behalve hun tocht naar Azië. Geheel

Griekenland begon zich gereed te maken. Schepen werden gebouwd,

levensmiddelen opgehoopt en oorlogswerktuigen vervaardigd. Sommige

der troepen waren reeds weggetrokken, toen Philippus de Grieksche

staten uitnoodigde, afgevaardigden te zenden bij het huwelijk

van zijn dochter. De feestelijkheden hadden reeds een aanvang

genomen. Er was een schitterend feestmaal met al de zeldzaamheden,

die door de hulpbronnen van den grootsten koning der wereld konden

worden bijeengebracht. Daarna gingen de gasten, allen getooid met de

schoonste kleederen en schitterend van juweelen, uit de feestzaal naar

den schouwburg. Een lange processie van Macedoniërs marcheerde langs

hen heen, en vertoonde de schatten van het koninkrijk. Achteraan

kwamen de beelden der twaalf groote goden. Sommigen der gasten

beefden bij de heiligschennis, toen zij zagen, dat er een dertiende

god aan toegevoegd was, namelijk het beeld van den Koning. Achter

dat beeld liep de veroveraar. Hij droeg een krans op zijn hoofd

en kleeren van het helderste wit. Achter hem liepen zijn zoon

Alexander en de bruidegom. De menigte jubelde en juichte hem

toe. "Philippus! Philippus!" riepen zij. "Groot is Philippus van

Macedonië!" Te midden dier vreugde was er één enkele flikkering van

het zwaard van een moordenaar, en de groote koning lag dood ter neder.

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 42 / 48 题