Sparta was nu de leidende staat, of, zooals men het noemde, oefende
de hegemonie in Griekenland uit, en alle steden, die aan haar genade
waren overgeleverd, waren in angstige verwachting, wat zij zoude
doen. Gedurende zeven en twintig jaar, van het begin van den oorlog tot
aan het einde, had zij haar gezegd: "Athene is een tyran, en Sparta
streeft er naar, u vrij te maken." Zij zagen nu in, dat Sparta met
"vrijheid" bedoelde, te doen wat zij verkoos, en de overige staten
te dwingen zich aan haar te onderwerpen. Het eerst wat zij in iedere
stad deed, was daar een Spartaanschen stedehouder aan te stellen,
met tien mannen, die zijn plannen goedgezind waren, als magistraten,
en genoeg Spartaansche soldaten, om de burgers tot gehoorzaamheid te
dwingen. De Aegeïsche staten waren in de eerste plaats hulpeloos. Zij
hadden het reeds hard gevonden, verplicht te zijn aan Athene schatting
te betalen, maar nu hadden zij niet alleen schatting te betalen, maar
moesten zij zelfs bijdragen voor het onderhoud van den stedehouder
en zijn soldaten.
Sparta vergat plotseling, "dat Athene één der beide oogen van
Griekenland was," en behandelde haar heel wat strenger dan eenige
andere stad. Tien magistraten waren niet genoeg voor de Atheners--zij
moesten er dertig tellen behalven den Spartaanschen stedehouder en een
groote troepenmacht van Spartaansche soldaten. De Dertig Tyrannen,
zooals zij werden genoemd, kozen drieduizend man, op wie zij vast
konden rekenen, en namen bovendien van de overige burgers alle wapenen
mede. Zij schenen noch goden, noch menschen te vreezen. Zij brachten
allen ter dood, die tijdens den oorlog tegen hen waren opgetreden,
allen, tegen wie zij een wrok hadden, en zóóvelen van de meer
vermogende menschen, dat zij zich ruimschoots met hun geld konden
verrijken. De ongelukkige Atheners zeiden in wanhoop tot elkander:
"Alcibiades zal dit niet dulden: hij zal zeker wel een middel
vinden om ons te helpen;" maar het duurde niet lang, of zij hoorden,
dat Alcibiades was vermoord. Toen waren zij werkelijk wanhopend, en
honderden vluchtten uit de stad. De andere staten waren verontwaardigd
over de zelfzucht van Sparta en waren bereid, de vluchtelingen een
woonplaats te verschaffen. Zelfs de Thebanen, die zulke verbitterde
vijanden der Atheners geweest waren, heetten hen welkom. Zoodra het
kleine troepje ballingen groot genoeg was geworden, om een poging
daartoe te wagen, trokken zij de grenzen van Attica over en kwamen
zij in verzet tegen de Dertig. Xenophon, een leerling van Socrates,
schreef: "De Dertig zaten samen in den Raad, volkomen eenzaam en
terneergeslagen." Wel mochten zij "volkomen terneergeslagen" zijn,
daar dit het begin was van het omverwerpen hunner regeering.
Er is geen enkel volk, dat op het einde van een langdurigen oorlog
volkomen hetzelfde is als in het begin. Gedurende den Peloponnesischen
oorlog waren de leden van iedere partij in Athene zóózeer overtuigd,
dat zij het recht op hun zijde hadden, dat zij de andere politieke
partijen bitter haatten, en dat zij meenden, dat, wat er ook
mocht gebeuren, hun eigen wijze van handelen, de juiste was en dat
daaraan dus moest worden vastgehouden. De wijsgeer Socrates had
onbevreesd voor Athene gestreden en hij had zijn woonplaats lief;
maar hij was van meening, dat het voor iedere partij beter was te
doen wat recht was, dan te doen, wat leiden kon tot het verkrijgen
van wat zij noodig achtte; en dat eerlijkheid en deugd beter was,
dan de goden offers te brengen. Dergelijke leerstellingen vielen niet
in den smaak van het volk, dat liever zijn eigen zin wilde volgen,
wat ook mocht gebeuren. Het einde was, dat Socrates voor het gerecht
werd gedaagd en beschuldigd werd, dat hij de goden niet eerde en de
jeugd door zijn onderwijs op den verkeerden weg leidde. Hij werd
ter dood veroordeeld, of, zooals hij het uitdrukte "te vertrekken
naar een gelukkigen staat der gelukzaligen." Verscheidene van zijn
volgelingen waren gedurende de laatste dagen van zijn leven bij hem,
en één van hen, Plato genaamd, schreef een verhaal van de woorden en
handelingen van den meester. Toen hem de giftbeker gebracht werd,
dronk hij dien even kalm leeg, als ware hij met wijn gevuld. Zijn
leerlingen barstten in tranen uit. Plato zegt: "Ik weende niet om
hem, maar om mijn eigen lot, nu ik van zulk een vriend zou worden
beroofd." Toen op het laatst allen meenden, dat het vergif zijn werking
had gedaan, riep Socrates tot één der jongelieden: "Crito, wij zijn
een haan verschuldigd aan Aesculapius; betaal dien dus en verzuim het
niet." Aesculapius was de godheid, wien men een offer bracht, als
men dankbaar was voor zijn herstel uit een ziekte; en Socrates was
zóó heilig overtuigd, dat hem een edeler, gelukkiger leven wachtte,
dat hij het gevoel had, alsof hij, als zijn aardsche leven eindigde,
alleen maar van ziekte tot gezondheid overging.
Het volgende is een voorbeeld van de wijsheid van Socrates. Een
zekere Antiphon trachtte de volgelingen van den wijsgeer van
hem af te trekken. Daartoe kwam hij bij Socrates op zekeren dag,
toen zij aanwezig waren, en zeide: "Ik dacht altijd, dat zij, die
de wijsbegeerte beoefenden, gelukkiger moesten worden dan anderen;
maar gij schijnt van de wijsbegeerte vruchten van geheel anderen aard
te hebben geplukt; ten minste gij leeft op een wijze, waarop geen
slaaf onder zijn meester ooit zou wenschen te leven; gij eet spijzen
en drinkt drank van de slechtste soort; gij draagt een bovenkleed,
dat niet alleen slecht is, maar dat zoowel in den zomer als in den
winter hetzelfde is, en gij blijft steeds rondloopen zonder schoenen
en zonder behoorlijk gewaad. Geld, dat de menschen verheugt, als zij
het ontvangen, en dat hen die het bezitten, in staat stelt, aangenamer
te leven en zich ruimer te bewegen, neemt gij niet aan, en als gij
dus, daar leermeesters in andere beroepen er naar streven, dat hun
leerlingen hen volgen, een dergelijke uitwerking op uw volgelingen
hebt, moet gij u beschouwen als iemand, die onderwijst, hoe men een
ellendig leven kan leiden." Socrates antwoordde kalm: "Gij gelijkt,
o Antiphon, op iemand, die meent, dat geluk bestaat in weelde en in
buitensporigheid, maar het is mijn overtuiging, dat hij die niets
verlangt, op de goden gelijkt, en dat hij die zoo weinig mogelijk
verlangt, zoo veel mogelijk de goden nabijkomt; dat de goddelijke
natuur de volmaaktheid is, en dat dus de goddelijke natuur nabij te
komen, is, de volmaking zoo dicht mogelijk te naderen."
De vijanden van Socrates vergaten niet, er de rechters aan te
herinneren, dat Alcibiades en ook Critias, het hoofd der Dertig
Tyrannen, tot zijn leerlingen hadden behoord; maar er was meer
dan één van zijn verknochte volgelingen, die een eer werden voor
Socrates en zijn vaderland. Plato leefde nog een halve eeuw na den
dood van zijn beminden leermeester, en werd als wijsgeer zelfs nog veel
beroemder. Hij schreef over de meest diepzinnige onderwerpen, maar met
zóóveel humor, fantasie en frischheid, dat men hem ging beschouwen als
een afstammeling van Apollo, den god der welsprekendheid. Leerlingen
verzamelden zich in grooten getale om hem heen, zooals vroeger om
Socrates, en hij placht met hen te spreken en hen te onderwijzen in
zijn huis vlak bij de academie. Het verhaal is tot ons overgeleverd,
dat sommige vreemdelingen, die hem bij de Olympische spelen ontmoetten,
zóózeer met hem waren ingenomen, dat zij met vreugde zijn uitnoodiging
aannamen, om hem te Athene te bezoeken. Toen het oogenblik ongeveer
genaderd was, dat hun bezoek een einde zou nemen, zeiden zij: "Maar
wilt gij ons niet in kennis brengen met uw beroemden naamgenoot, den
wijsgeer Plato?" Zij waren ten hoogste verbaasd, toen hun gastheer
eenvoudig antwoordde: "Ik ben de persoon, dien gij wenscht te zien."
Een ander volgeling van Socrates was Xenophon, die niet alleen
wijsgeer, maar ook geschiedschrijver en legeraanvoerder was. Toen
Socrates gevangen zat, was Xenophon juist teruggekeerd van een
merkwaardige expeditie, die door den Perzischen Cyrus was op touw
gezet. Nadat de Peloponnesische oorlog geëindigd was, zond Cyrus
afgezanten naar Sparta, om de Spartanen te vragen, dat zij zich
jegens hem niet anders zouden gedragen dan hij zich jegens hen had
gedragen. Daarmede bedoelde hij, dat hij wat Grieksche soldaten wilde
leenen. Zijn broeder, Artaxerxes II, was nu op den troon van Perzië,
maar er waren velen, die van oordeel waren, dat die van rechtswege aan
Cyrus toekwam, en deze had een leger van 100000 man bijeengebracht,
om dien te vermeesteren. Hij wist, hoe goed de Grieken vochten,
en het is niet te verwonderen, dat hij zeer begeerde, Grieksche
troepen te huren. Er waren in Griekenland duizenden mannen, die ten
gevolge van den langen oorlog slechts weinig afwisten van een ander
beroep dan dat van soldaat, en zij waren bereid voor iedereen te
strijden, die hun soldij wilde betalen. Zij zouden er echter niet
in hebben toegestemd, tot in het binnenste van Azië door te dringen;
daarom werden zij bedriegelijk verlokt den tocht te ondernemen door
de mededeeling, dat Cyrus hen noodig had, om enkele opstandelingen
in Pisidië te onderwerpen, welk land gelegen was aan de zuidelijke
kust van Klein-Azië. Zij trokken de Aegeïsche Zee over, landden
in de nabijheid van Samos, en gingen met de grootste opgewektheid
op weg naar Pisidië. Maar Pisidië scheen heel ver af te liggen,
en ten slotte begonnen zij te vermoeden, dat er bedrog in het spel
was. Na verloop van tijd kwam Cyrus hen met zijn troepen te gemoet,
en ten slotte erkende hij, dat zij op weg waren naar Babylonië,
en niet tegen enkele opstandelingen hadden te strijden, maar tegen
den koning van het Perzische rijk. Zij waren reeds in Perzië en het
was bijna even gevaarlijk te trachten den terugtocht te aanvaarden
als vooruit te trekken. Cyrus beloofde hun een hooge soldij en zij
stemden er in toe, verder te trekken.
Op zekeren dag, juist vóór het aanbreken van den middag, kwam een man
in volle vaart naar het leger galoppeeren, die eerst in het Perzisch,
en daarna in het Grieksch uitriep: "De Koning komt, de Koning komt,
met een groot leger, volkomen ten strijde toegerust." Vroeg in den
namiddag zag men over de vlakte een lage, witte wolk liggen. Dit
was het stof, dat door het leger van den koning werd opgejaagd. De
stofwolk werd hoe langer hoe donkerder; daarna kon de flikkering van
een speer of van een metalen wapenrusting gezien worden. Ruiterij, met
een sneeuw-witte wapenrusting, kwam te voorschijn; Egyptische troepen
met lange houten schilden; boogschutters; wagens met zeisen, die van de
wagenassen afhingen; volken na volken, ieder een samengedrongen en op
zich zelf staande troep. De gelederen van Cyrus werden gevormd, en hij
zelf inspecteerde die, toen hij een zacht gemompel door de gelederen
hoorde gaan van rechts naar links en van links naar rechts. "Wat is
dat?" vroeg hij. Xenophon was juist komen aanrijden, om te vragen,
of hij ook eenige bevelen had gegeven, en hij antwoordde, dat dit het
wachtwoord beteekende: "Jupiter de Redder, en overwinning." "Ik neem
dit aan als een goed voorteeken," zeide Cyrus, "en moge het zoo zijn."
Het voorteeken bleek echter valsch te zijn. Wel is waar wonnen de
dappere Grieken den strijd, maar Cyrus werd verslagen. "Levert al
uw wapenen in," beval de koning. "Overwinnaars leveren hun wapenen
niet in," antwoordden de Grieken. De koning was er niet op gesteld,
het gevecht te hervatten. Hij wilde veel liever van die lastige
vreemdelingen bevrijd worden, en hij dacht, dat het verstandig zou
zijn hen te laten vertrekken, om rond te zwerven in het land en van
honger om te komen. Hun aanvoerders werden door bedrog en list gedood;
en de Grieken werden achtergelaten in het land van een vijand, op
minstens zestienhonderd kilometers van huis. Zij hadden geen gidsen,
geen aanvoerders en weinig kennis van het land, behalve dat zij wisten,
dat er veel rivieren en bergen waren. Zij waren wanhopig. De nacht
brak aan, en zij lagen op den grond, verlangend naar hun gezin en hun
eigen vaderland. Xenophon was met het leger naar Perzië getrokken, niet
als soldaat en volstrekt niet van plan tegen den koning te strijden,
maar alleen om onder Cyrus een hooge betrekking te krijgen. Toen hij
op den grond lag, kwam hij tot het besluit, dat, nu niemand anders
de leiding nam, het op zijn weg lag iets te doen. Hij aarzelde
eenigen tijd, omdat er zoovelen waren, die ouder waren dan hij;
daarna zeide hij tot zichzelf, "Ik zal zeker nooit ouder worden,
als ik mij heden aan den vijand overgeef." Dit geschiedde kort na
middernacht. In de duisternis riep hij de kapiteins bijeen en zij
maakten zoo goed mogelijk plannen. "Vertel gij het zelf aan het
leger," zeiden zij; en bij het eerste aanbreken van den morgen trok
Xenophon zijn beste wapenrusting aan en zijn schoonste kleederen,
en ging voor de tienduizend man staan. Hij verhaalde hun, hoe dapper
hun voorouders geweest waren, en dat zij ongetwijfeld hun weg konden
terugvinden. Zij moesten hun bagage verbranden, behalve wat er noodig
was van vleesch, drinkwaren en wapenen. "Als wij overwinnaars zijn,
moeten wij den vijand als onze bagagedragers beschouwen," zeide hij.
De soldaten vergaten hun moedeloosheid. Zij verbrandden al de
bagage, die zij konden missen, kozen nieuwe aanvoerders, waaronder
natuurlijk Xenophon behoorde, en begonnen één der meest merkwaardige
terugtochten. Zij zwoegden voort over brandende vlakten, doorwaadden
snelstroomende rivieren, klommen over ruwe rotsen, trokken door
bergpassen, waar de jachtsneeuw een vadem diep was opgestapeld en
de felste winterstormen hun gezicht teisterden. Somtijds hadden
zij voedsel, somtijds niet. Somtijds mochten zij in vrede door een
provincie trekken, somtijds werden zij van alle kanten aangevallen. Als
zij slechts de zee konden bereiken! dachten zij, want dan zou de weg
naar huis en naar hun vrienden gemakkelijk zijn. Eindelijk hoorde
Xenophon luide kreten van zijn voorhoede. Die kreten herhaalden
zich en werden hoe langer hoe luider. Het geleek volstrekt niet op
een oorlogskreet, en toch kon het zijn, dat er een vijand vóór hen
stond--niemand wist hoe of wat. Hij sprong op zijn paard en vloog den
heuvel op. En zie, aan den horizon, ver in het noorden, lag een streep
helder schitterend water, de Pontus Euxinus. "Thalatta, thalatta,"
(de zee) riepen de soldaten. Die ruwe krijgers barstten in tranen los,
zij wierpen hun armen om elkanders hals, zij omhelsden hun aanvoerders
en kapiteins. De inboorling, die hen naar den top van den heuvel had
gevoerd, stond er naast. Zij gaven hem een paard, een zilveren beker,
een Perzisch kleed, en tien gouden munten. Zij richtten een heuvel op,
zooals dit bij Marathon was geschied, en legden daarop ossenhuiden
en stokken en schilden, op den vijand veroverd. In drie dagen tijds
waren de Tienduizend Grieken bij de Grieksche stad Trapezos, (thans
Trebizonde). De burgerij verwelkomde hen en gaf hun ossen en wijn en
gerstemeel, en vierde feesten uit dankbaarheid voor de welwillende
gezindheid der goden. Xenophon schreef zelf het verhaal van dien
terugtocht der Tienduizend, die zich onder de grootste moeilijkheden
een weg hadden gebaand naar zee, over een uitgestrektheid van
zestienhonderd kilometers.
Xenophon had, evenals Plato, Socrates lief, en schreef alles op, wat
hij zich kon herinneren omtrent het onderwijs van zijn meester. Nadat
hij hem zoo op de warmste wijze had geprezen, eindigde hij met de
volgende woorden: "Indien iemand het niet met mij eens is, laat
hem dan het gedrag van anderen met dat van Socrates vergelijken,
en daarna, in overeenstemming daarmede, zijn gevolgtrekkingen maken."
De tocht der Tienduizend maakte het voor de Grieken duidelijk, dat
het ontzaglijke Perzische rijk een groot, lomp en log rijk was,
zonder leven of energie; en Sparta was er niet rouwig om, dat de
Grieksche kuststeden om hulp tegen Tissaphernes vroegen, die zich
gereed maakte iedere stad te straffen, welke jegens Cyrus welwillend
gezind was geweest. Na eenige kleine gevechten tusschen de Spartanen
en Tissaphernes, vormde de Spartaansche koning Agesilaus het plan, zich
door Perzië een weg te banen, en het uit zijn kracht gegroeide rijk te
veroveren. Hij slaagde in het begin zóó goed, dat het er werkelijk op
begon te gelijken, dat hij in staat zou zijn, zijn plan ten uitvoer
te brengen; doch de sluwe Perzen konden goed intrigeeren, al konden
zij niet vechten. Zij wisten, dat de overige Grieken Sparta haatten
wegens haar tyrannie en haar egoïsme, en daarom boden zij schepen en
manschappen aan, en slaagden er in, Corinthe, Athene, Thebe en Argos
er toe te brengen, zich tegen haar te verbinden. Dit was het begin van
den Corinthischen Oorlog, die acht jaren duurde. Een groot gedeelte
van den oorlog werd in Corinthe gevoerd, maar eindelijk was er een
groote zeeslag bij Cnidus in Klein-Azië. Toen kwam er een treurige
dag voor Sparta, want haar geheele vloot werd vernield. Eenigen tijd
later was er meer vreugde in Athene dan er in langen tijd geweest was,
immers met behulp van Perzisch geld werden de eerste steenen gelegd
voor het opbouwen der muren en der versterkingen van den Piraeus.
De Atheners waren gelukkig, maar hun bondgenooten waren
afgunstig. "Waarom zouden wij vechten, als uitsluitend Athene er
voordeel van zal hebben?" zoo vroegen zij. Sparta begon eveneens
ongerust te worden. "Waarom zouden wij trachten de Grieksche
koloniën te beschermen, als al ons werk er op neerkomt, Athene te
helpen?" morden zij. Er was geen andere uitweg dan vrede te sluiten,
en met hun gewone zelfzucht sloten de Spartanen een verdrag, naar
den afgezant, de vrede van Antalcidas genoemd, volgens welk verdrag
de Grieksche steden in Azië aan de Perzen werden gegeven. Bijna nog
ongunstiger was een bepaling, dat de koning der Perzen en de Spartanen
iederen staat den oorlog zouden verklaren, die weigerde het verdrag
te gehoorzamen. Dit beteekende, dat Sparta bereid was zich met Perzië
te vereenigen tegen ieder deel van haar eigen land.
Sparta sloot niet alleen een schandelijk verdrag, maar de stad gedroeg
zich nog schandelijker bij de uitvoering. Nog steeds deed zij het
voorkomen, alsof zij de Grieken vrijheid schonk, en zij maakte er niet
alleen haar werk van, iedere stad, die over een andere heerschte,
te dwingen, die heerschappij op te geven, maar zij zorgde tevens,
dat iedere vriendschappelijke verbintenis van steden, waarvan zij
meende, dat deze ter eeniger tijd haar vijandig kon worden, verbroken
werd. Zij geloofde, dat de bevolking van Mantinea in Arcadië zich
niet met haar wijze van optreden kon vereenigen, en daarom sloopte
zij de muren dier stad, en dwong zij de burgers uit elkander te gaan
en zich in vijf dorpen te vestigen. De regeering van Griekenland
was een soort tyrannie en Sparta was de tyran. Een Spartaansch
veldheer marcheerde door de bevriende stad Thebe, toen een Thebaan
hem heimelijk zeide: "De andere partij haat de Spartanen, maar onze
partij is u gunstig gezind. Ik zal u naar de citadel voeren; dan zal
Thebe in uw macht zijn, en gij zult ons niet vergeten." Het was het
middaguur van een heeten zomerdag, en er waren in de straten slechts
weinig menschen die weerstand konden bieden, zoodat de Spartaansche
veldheer spoedig meester was van Thebe. Toen het bericht hiervan
de Spartanen bereikte, waren zij verontwaardigd, niet, omdat hun
bevelhebber een zoo laaghartige daad had verricht, maar, omdat hij
het had gedaan zonder het bevel daartoe van de Spartaansche overheid
te hebben gekregen. Doch koning Agesilaus zeide: "Het hangt er van
af, of hij Sparta voordeel of nadeel heeft berokkend. In het laatste
geval dient hij gestraft te worden; maar anders mag hij zelfstandig
optreden. Zij kwamen tot de gevolgtrekking, dat het in het voordeel
van Sparta was, en daarom behielden zij de citadel in hun macht.
Een aantal Thebanen van de tegenpartij vluchtten uit de stad uit vrees
voor hun leven. Onder dezen was ook een zekere Pelopidas. Hij placht
tot de weinige ballingen te zeggen: "Het is oneervol er mede tevreden
te zijn, dat wij ons eigen leven hebben gered; wij moeten ons best
doen, de stad te bevrijden. Eindelijk wist hij hen met nieuwen moed te
bezielen, en er werd een plan beraamd om Thebe te bevrijden. Pelopidas
en eenige andere jongelingen vermomden zich als boeren, en drongen
heimelijk langs verschillende wegen de stad binnen. Het sneeuwde
zóó hard, dat de meeste menschen binnen 's-huis waren, maar enkele
vrienden der ballingen stonden op den uitkijk, om hen naar de plaats
van samenkomst te voeren. Toen de avond was aangebroken, trokken zij
kleeren over hun wapenrusting en zware kransen van bladeren over hun
voorhoofd, om hun gebaard gelaat te bedekken. Aldus vermomd trokken
zij naar de plaats, waar de aanvoerders der partij, die de stad
hadden verraden, een feestmaal hielden, en doodden de voornaamsten
onder hen. Pelopidas wierp de deuren der gevangenissen open, om hen te
bevrijden, die trouw aan Thebe waren geweest. Nu begonnen de lichten
te schijnen aan de vensters der huizen; de straten waren vol menschen;
er was overal verwarring en geschreeuw, want niemand wist nauwkeurig,
wat er was geschied. Toen de morgen was aangebroken, riepen de trouw
gebleven Thebanen het volk samen. Toen stonden Pelopidas en de overige
ballingen, zijn vriend Epaminondas en de priesters der tempels voor
de vergadering. "Staat op," riepen de priesters, "voor de goden van uw
vaderland." De geheele vergadering sprong als één man op en schreeuwde
van vreugde. Zij marcheerden recht op de citadel aan. De Spartanen,
die de citadel bezetten, gaven zich onmiddellijk over. De ééne plaats
na de andere volgde het voorbeeld van Thebe. De Spartanen straften
wel de stedehouders, die zich overgaven, maar zonder resultaat.
Toen begon Athene te droomen van een herstel van haar vroegere
grootheid. Zij stichtte een nieuw bondgenootschap van staten,
dat veel beter was dan de Bond van Delos; immers de staten zouden
onderling in rang gelijk zijn en het bijeengebrachte geld zou dienen
ten nutte van allen. Dit was een zóó eerlijk bondgenootschap, dat het
een onbeperkten tijd zou hebben kunnen voortduren, ware niet weer
de ééne staat afgunstig op den anderen. Het waren nu de Atheners,
die besloten met Sparta vrede te sluiten.
Sparta hield nog steeds vol, dat zij de Boeotische steden bevrijdde,
maar op zekeren dag was het Spartaansche leger ten hoogste verbaasd,
toen het een Thebaansch leger zag uittrekken, om tegen hen slag te
leveren. De Spartanen schaarden hun manschappen op de gewone wijze,
die zij reeds gedurende verschillende geslachten hadden toegepast,
en trokken den vijand te gemoet in een lang gelid, twaalf rijen
diep. Epaminondas, die de Thebanen aanvoerde, redeneerde aldus: "De
beste soldaten zullen rondom den koning geschaard zijn, en indien
wij deze kunnen verslaan, zal het overige een gemakkelijke zaak
zijn." Daarom maakte hij de gelederen tegenover den koning vijftig
rijen diep. Het kon niet verwacht worden, dat een gelid van twaalf
man diep, een aanval van een gelid van vijftig man zou kunnen
weerstaan, en hoewel het leger van Sparta veel talrijker was, leed het
de ernstigste nederlaag, die in de geschiedenis van Sparta bekend was,
daar het door een veel kleinere troepenmacht in een eerlijken strijd
werd verslagen. Dit was de beroemde slag bij Leuctra, in het jaar
371 vóór Christus.
Toen het bericht Sparta bereikte, dat haar leger door een veel kleiner
aantal was verslagen, begrepen de ephoren zeer goed, dat nu de Grieken
de Spartanen nooit meer zouden vreezen; zij hadden de hegemonie van
hun land verloren. Als de Spartanen Atheners geweest waren, zouden
zij geweend en geweeklaagd hebben, maar daar zij Spartanen waren,
droegen zij hun lot op de oude echt Spartaansche wijze. "Laat de
spelen voortgang hebben," bevalen de ephoren; zij waren namelijk
midden in een feest. Al de gebruikelijke ceremoniën werden in acht
genomen, en de ephoren zelf bleven daarbij tegenwoordig, totdat
de laatste wedstrijd en de laatste dans geëindigd waren. Het was
bij de Spartanen het gebruik, dat iedere soldaat, die uit een slag
gevlucht was, op alle mogelijke wijze te schande werd gemaakt. Hij
werd genoodzaakt de helft van zijn baard af te scheren en de andere
helft niet te knippen. Hij moest havelooze kleeren dragen, bedekt
met verschillende gekleurde lappen. Hij mocht nooit eenig staatsambt
bekleeden; en een Spartaansch meisje, dat met hem huwde, maakte zich
onmogelijk Er waren zóóvelen uit den slag gevlucht, dat de Spartanen
die gewoonte niet durfden handhaven; maar de bloedverwanten van hen,
die gestorven waren, liepen over de straat met een trotsche houding,
en traden de tempels binnen om dank te zeggen aan de goden voor den
moed, door hun vrienden betoond. De bloedverwanten van hen, die waren
gevlucht, hadden een treurige gelaatsuitdrukking, en liepen met gebogen
hoofd of sloten zich zelfs samen op, zooals in Sparta in tijden van
de diepste smart gebruikelijk was. Zoo droeg Sparta de nederlaag, die
haar droom, de heerscheres van Griekenland te worden, verstoord had.