DE VAL VAN ATHENE.

De verrader Alcibiades had Athene overgehaald tot den aanval op

Sicilië, hij had haar vijanden geleerd, hoe zij haar machtige vloot

en haar duizenden manschappen kon overwinnen, en het was op zijn raad,

dat zij Decelea hadden veroverd. Al het land om Decelea heen was even

onvruchtbaar gemaakt als het zand op de kust. De schapen en de runderen

waren gedood, en meer dan twintig duizend slaven waren weggeloopen. De

Atheners konden nog evenals te voren voedsel krijgen van het eiland

Euboea, maar dit kon nu niet meer onmiddellijk over de zeeëngte naar

Decelea en van daar naar Athene gebracht worden; het moest langs een

grooten omweg over zee om Sunium heen aangevoerd worden. Dit was een

langzame manier, die bovendien kostbaar was, terwijl zij daarenboven

groot gevaar opleverde; immers de Spartaansche schepen konden op

ieder oogenblik uit den één of anderen schuilhoek te voorschijn

komen, en de Atheners zouden dan nooit iets van schip of lading te

zien krijgen. Hun eenige hoop was, dat de verovering van Sicilië hun

ongekenden rijkdom zou brengen, en dat de terugkeer van hun leger

het mogelijk zou maken, de Spartanen uit Decelea te verdrijven. Toen

bereikte hun de tijding van de Siciliaansche nederlaag. De Atheners

hadden geen schepen meer, geen geld, geen manschappen, en bijna ieder

gezin was in rouw gedompeld. In het eerst waren zij door de ontzettende

ramp verpletterd; zij waren er van overtuigd, dat de Syracusanen, de

Spartanen, de Corinthiërs, de Boeotiërs, in één woord iedere stam,

die afgunstig geweest was op hun roem, hen nu zouden aanvallen; de

volksplantingen zouden in opstand komen en zij waren hulpeloos. Daarna

raasden zij tegen iedereen, die maar één woord ten voordeele van de

expeditie had gezegd; doch daarna gingen zij met een heerlijken moed

en een krachtige zekerheid aan het werk, om nog zooveel mogelijk te

redden. Zij brachten een leger op de been, zoo groot als zij dit in

de gegeven omstandigheden konden bijeenbrengen, en riepen iedereen,

die voorheen verbannen was, terug, om zich daarbij aan te sluiten;

zij lieten uit Thracië en Macedonië timmerhout halen, waarmede zij

oorlogsschepen bouwden, en de stedelijke uitgaven beperkten zij tot het

hoogst noodige. De volksvergadering en de gedachtelooze menigte kiezers

waren door en door ontsteld. Zij waren lang niet meer zoo zeker als te

voren, dat alles, wat zij zich hadden voorgenomen, zoo verstandig was,

en zij stelden toen mannen op leeftijd aan, om als raad dienst te doen.

De Perzen hadden nauwlettend op Griekenland acht geslagen, en juist in

die dagen vaardigde Koning Darius II een proclamatie uit, waarbij hij

verkondigde, dat iedere voet land, die ooit, al was het slechts een

oogenblik, in handen van zijn voorvaderen was geweest, hem toebehoorde

en hem schatting moest betalen. Hierin zou zelfs Attica zelf met een

aantal steden en eilanden der Aegeïsche Zee zijn opgesloten, in één

woord ongeveer het geheele Atheensche gebied. De wijze, waarop hij

zich van de schatting wilde verzekeren, was eenvoudig en gemakkelijk;

hij zond slechts een bevel aan de satrapen of bewindvoerders in

Klein-Azië van de volgende strekking: "Int het geld voor mij, zoo goed

gij dit kunt." De satrapen waren in den grootsten angst. Zij konden

de schatting zonder hulp niet innen, en zij boden een groote som aan,

als Sparta hen wilde te hulp komen. Nu had de onruststoker Alcibiades

een prachtige kans. Hij hielp Chios en andere eilanden en steden, om

tegen Athene op te staan, en hij bracht een verdrag tot stand tusschen

de Spartanen en de Perzen. Tegen Athene traden dus de Spartanen op,

en hun Grieksche bondgenooten, de Syracusanen, de Perzen en een aantal

steden van den Bond van Delos. Samos bleef op hun hand.

Maar Alcibiades begon langzamerhand genoeg te krijgen van Sparta,

en in weerwil van alles wat hij voor hen gedaan had, begonnen ook zij

genoeg van hem te krijgen. Toen hij naar hun land ging, had hij zijn

zwaren baard afgeschoren, zich als een Spartaan gekleed, was hij steeds

rustig en ernstig in zijn optreden geweest, leefde hij even eenvoudig

als wie onder de Spartanen ook, en beweerde zelfs dol te zijn op hun

zwarte soep. Daardoor won hij de harten der Spartanen, maar na eenigen

tijd begon hij dingen te doen, die niet alleen in strijd waren met hun

zeden en gewoonten, maar ook met de wetten, en zelfs pleegde hij een

misdaad tegenover den koning zelf. Hij verwachtte, dat de Spartanen

evenals de Atheners zouden verdragen wat hij verkoos te doen; maar

toch lette hij nauwlettend op hen. Er kwam een tijd, dat hij grond

had voor de meening, dat zijn leven in gevaar was. Toen sloop hij weg

naar den Perzischen satraap Tissaphernes. Toen hij eenmaal op Perzisch

grondgebied was, vergat hij zijn voorliefde voor zwarte soep; hij liet

zijn baard groeien; hij droeg de rijkste en kostbaarste kleederen,

die er maar te krijgen waren; hij sliep op de zachtste rustbedden

en bedekte de vloeren van zijn vertrekken met de dikste tapijten;

hij bezat de kostbaarste paarden, zijn eigen parfumeurs, zijn eigen

bekwame koks en een langen stoet bedienden. De satraap Tissaphernes

was niet erg op de Grieken gesteld, maar hij werd volkomen verblind

door de vleierijen en de schitterende gesprekken van zijn nieuwen

vriend. Hij bezat prachtige tuinen, en den grootsten van alle, met

frissche groene weiden, heerlijke stroomen en koninklijke tuinhuizen

noemde hij den Tuin van Alcibiades,

Maar Alcibiades dacht er geen oogenblik aan, een Pers te worden. Hij

droomde van een terugkeer naar Athene, en hij maakte nu plannen,

dit te verwezenlijken. Hij begon met Tissaphernes te overreden,

de Spartanen niet zoo kwistig te helpen. "Indien gij Sparta Athene

laat vernietigen," zoo sprak hij, "moet gij later Sparta weer

beoorlogen. Waarom laat gij de twee staten elkander niet onderling

bevechten, totdat zij elkander hebben uitgeput? Dan zal het voor u

een gemakkelijke zaak zijn, beiden in uw macht te brengen." Er was

nooit sluwer man geboren dan de betooverende Alcibiades. Hij had de

Perzen een raad gegeven, waarvan zij moesten toegeven, dat deze zeer

verstandig was; hij kon de Atheners zeggen, dat hij hen bij de Perzen

een grooten dienst had bewezen; en door de Spartanen te beletten,

Athene te vernietigen, had hij zich er tegen verzekerd, dat hij ooit

in hun overwinnende handen kon vallen--en hij was doodelijk beangst,

dat hij weer in hun macht viel. Zijn volgende zet was, dat hij boden

zond naar zijn vrienden te Samos. "De Perzen hebben een afschuw van

een democratie," zeide hij, "maar als Athene slechts werd bestuurd

door een oligarchie, zou ik hun vriendschap voor u kunnen winnen,

en zouden zij u van geld willen voorzien. Ik zou gaarne naar mijn

eigen vaderland willen terugkeeren en mijn lot met het uwe willen

verbinden." De vrienden van Alcibiades zonden heimelijk mannen naar

Athene, en op zekeren dag was het leger te Samos stom verbaasd, toen

het vernam, dat het bestuur in handen was van een raad van edelen, de

Vier Honderd, zooals zij werden genoemd. Toen redeneerden de soldaten

aldus: "Alcibiades verklaart, dat hij absoluut niet heeft medegewerkt

tot dit nieuwe bewind. Hij kan vrienden en geld voor ons van de Perzen

verkrijgen; laten wij hem tot aanvoerder kiezen." Zoo geschiedde het,

dat Alcibiades, terwijl hij openlijk zeide, dat hij een vriend was

van de Spartanen en de Perzen, de aanvoerder werd van een Atheensch

leger. Nog een vreemder feit geschiedde korten tijd later. Enkele

Atheensche schepen werden door de Spartanen verslagen, en Euboea viel

in handen van Sparta. De Atheners waren ontsteld en verontwaardigd. Zij

wierpen de schuld op hun nieuwe regeering en schaften onmiddellijk

den raad van Vier Honderd af. Daarna begonnen zij er over te denken,

wien zij tot hun aanvoerder zouden kiezen. Alcibiades was reeds aan

het hoofd van het leger te Samos; hij was een voorspoedig aanvoerder,

en hij had gezegd, dat hij verlangde thuis te komen naar zijn eigen

landgenooten. In weerwil van alles wat hij had misdreven, schonken

zij hem vergiffenis en bevalen hem terug te keeren.

De Spartanen waren niet blind geweest. Spoedig hadden zij opgemerkt,

dat Tissaphernes wel schoone beloften aflegde, maar dat hij die nooit

hield. Een andere satraap, Pharnabazus, die in het noordelijk deel

van Klein-Azië regeerde, had lang hun hulp gezocht om de Grieksche

steden in zijn provincie te veroveren, en vooral die, welke in de

nabijheid van den Hellespont lagen. Zijn wenschen vielen samen met

die der Spartanen, immers als zij ook maar eenigszins de wacht aan den

Hellespont hielden, kon Athene niet langer koren krijgen uit de landen

aan de Zwarte Zee. Nu Athene geen voedsel uit Euboea kon krijgen, was

haar eenige hoop, het uit die streken te verwerven. De Spartaansche en

de Perzische troepen vereenigden zich bij den Hellespont. Daar kwam

ook de Atheensche vloot. Deze behaalde eerst één overwinning, daarna

een tweede en een derde. Alcibiades spande zich uitermate in voor het

land, dat hij in het verderf had gestort. Nog weer eens vielen goud,

zilver, wapenen, gevangenen en schepen in handen van de Atheners. Nog

weer eens smeekten de Spartanen om vrede, nog weer eens weigerden

dit de Atheners, opgeblazen door de voordeelen, die zij weder hadden

behaald. Alcibiades zette zijn overwinningen voort. Byzantium was in

de handen van den vijand, hij nam het in, en evenzoo Chalcedon, aan

de Aziatische zijde van den Bosporus. De weg naar de Zwarte Zee was

nu vrij, en als de schepen der Atheners hem niet in den steek lieten,

behoefde er geen gebrek aan koren te zijn.

In weerwil van het bevel, om naar Athene terug te keeren, had de

sluwe en voorzichtige Alcibiades het niet voor verstandig gehouden,

zich in zijn geboortestad te vertoonen, maar nu hij in de volle

glorie van zijn overwinning was, dacht hij, dat hij het er wel op

kon wagen. Zijn schepen waren alle bekleed met vlaggen en schilden,

die hij op den vijand had veroverd; maar toch durfde hij niet te

landen, voordat hij zóóveel vrienden zag op de werf aan den Piraeus,

dat hij niet alleen zeker was van een hartelijk welkom, maar ook van

bescherming, voor het geval dit noodig mocht zijn. Het zou al wreed

geweest zijn van ieder land, als het een veldheer niet welkom heette,

die zulke tropheeën van zijn overwinning medebracht; maar bovendien was

het de innemende, schitterende, welsprekende Alcibiades, en het volk

was uitgelaten van vreugde. Zij letten in het geheel niet op de overige

veldheeren, maar riepen luide: "Alcibiades! Alcibiades! Alcibiades is

gekomen!" Zij wezen hem aan hun kinderen aan. "Ziet," zoo zeiden zij,

"daar hebt gij Alcibiades"; en dan verhaalden zij van zijn roemrijke

overwinningen. Zij bekransten hem met bloemen; zij weenden van

droefenis, als zij zich alles herinnerden, wat zij hadden verloren;

maar zij weenden ook van vreugde, nu zij dachten aan alles, wat hij

voor hen zou terug winnen. "Als hij slechts het opperbevel gehad

had, zouden wij Sicilië niet hebben verloren," zoo jammerden zij;

"maar hij zal Athene wel weer machtig maken." Er werd een bijeenkomst

gehouden van den Raad, en Alcibiades hield een redevoering. Hij was

bedroefd, maar bereid vergiffenis te schenken. "Zij hadden hem wel

wat onvriendelijk bejegend," zoo sprak hij, maar dat was zijn noodlot,

en het moest door den één of anderen kwaden geest veroorzaakt zijn. Hij

sprak over hun vijanden en legde uit, hoe hij verwachtte, hen te zullen

ten onder brengen. De Raad kon nauwelijks spoedig genoeg besluiten

nemen. Zij gaven hem zijn vaste goederen terug; zij bestelden voor

hem gouden kronen en plaatsten hem aan het hoofd van al hun troepen.

Alcibiades nam die eerbewijzen goedgunstig aan, maar tevens alsof hem

niets meer werd geschonken dan hem toekwam. Hij wist, hoe gemakkelijk

de Atheners van meening veranderden, en hij was van plan, hen nog eens

onder zijn invloed te krijgen. Zijn vijanden zouden misschien nog eens

de oude beschuldiging kunnen voor den dag halen omtrent zijn gedrag

ten opzichte der Eleusinische Mysteriën, daarom stelde hij zich voor,

de schepen en het leger op hun aanvoerder te laten wachten, totdat

hij weer op goeden voet was gekomen met de priesters, door hen in

staat te stellen de Mysteriën met den geheelen vroegeren luister te

vieren. Sedert de Spartanen Decelea bezet hadden, was de reis over

land niet veilig geweest, en er was alleen maar een haastige zeereis

naar Eleusis afgelegd. Alcibiades zond nu een sterke wacht mede, en de

optocht van priesters en anderen, die het beeld van Dionysus droegen

en die de dieren voor de offers medevoerden, marcheerden langzaam den

weg naar Eleusis op. De heilige dansen werden uitgevoerd, geen enkel

onderdeel der oude ceremoniën werd verwaarloosd, en de deelnemers

aan de Mysteriën keerden veilig terug. "Onze edele Alcibiades is

niet alleen een groot veldheer, maar hij heeft heden ook de taak

van een hoogepriester vervuld," zeiden de Atheners, en toen hij weer

uit den Piraeus uitzeilde, volgden zij hem met de oogen, totdat hij

geheel uit het gezicht verdwenen was, terwijl zij spraken over de

overwinningen, die hij zou behalen en den roem, dien hij zeker over

Athene zou brengen.

Het duurde niet lang, of die zoo zeer aan hem gehechte Atheners

luisterden met ergernis naar iemand, die van het oorlogsterrein

was gekomen, en die vertelde, dat eerst kort geleden een slag was

verloren en dat het geheel de schuld was van Alcibiades. De waarheid

was, dat de aanvoerder verplicht was geweest het leger gedurende een

korten tijd te verlaten, teneinde geld te krijgen om zijn troepen

te betalen. Hij had strenge orders gegeven, dat er tijdens zijn

afwezigheid niet mocht worden gevochten, maar de plaatsvervangende

opperbevelhebber had zich aan dat bevel niet gestoord en was in een

kleine schermutseling verslagen. De Atheners deden echter niet de

minste moeite, de ware toedracht te vernemen, en misschien zelfs

waren zij, hoezeer zij hem hadden geprezen en verheerlijkt, in hun

hart niet volkomen zeker van zijn trouw. Zij riepen een zitting van

den Raad bijeen en benoemden nieuwe legeraanvoerders. Alcibiades

vreesde voor zijn leven, verliet het leger en bouwde voor zich een

kasteel in Thracië. Hij kon niet blijven stilzitten. Hij zocht hier

en daar manschappen bijeen, totdat hij voor zich zelf een klein leger

had verzameld. Daarna voerde hij oorlog tegen de Thraciërs, die geen

koning hadden. Indien hij lang genoeg had geleefd, zou hij misschien

wel aan het hoofd van een staat gekomen zijn.

De Spartanen zonden nu een hoogst bekwaam veldheer uit, Lysander

genaamd, en de koning van Perzië zond zijn even bekwamen zoon Cyrus

uit in de plaats van Tissaphernes. Hij was tot het besluit gekomen,

dat het ongetwijfeld het verstandigst was, de Spartanen flink te

helpen. Er kwam dus veel geld in het Spartaansche leger. De soldaten

kregen hooge soldij, en schepen werden gebouwd. De Spartanen en Perzen

kampeerden aan de Aziatische zijde van den Bosporus, de Atheners aan

de Europeesche zijde, bij Aegos-Potamos. Iederen morgen zeilden de

Atheners uit en daagden de vijanden uit tot een zeeslag. De Spartanen

gingen daar echter niet op in. Dan keerden de Atheners terug naar hun

kant van de landengte en brachten den dag door met rondwandelen, ten

einde den tijd te dooden, of met te gaan fourageeren in Sestos, op drie

kilometers afstand. Alcibiades was niet ver verwijderd, en wachtte de

gebeurtenissen aan den Bosporus af. Hij reed naar het kamp en zeide

de Atheensche aanvoerders, dat hij niet dacht, dat het veilig was,

de matrozen hun schepen te doen verlaten en te doen rondslenteren op

de kust; en dat het evenmin verstandig was, om te kampeeren waar geen

stad was en geen goede haven voor hun schepen, en om hun levensmiddelen

zoover verwijderd te houden. Hij raadde hen aan, zich naar Sestos terug

te trekken. Geen veldheer behoefde zich te schamen, raad te ontvangen

van een zoo voortreffelijken legerbevelhebber, maar de aanvoerders

antwoordden kortaf: "Wij geven thans bevelen, en gij niet. Ga heen."

Alcibiades ging heen, de Spartanen weigerden nog steeds te vechten,

en de Atheners werden hoe langer hoe zorgeloozer. Plotseling kwamen

de Spartaansche en Perzische schepen de zeeëngte over. Slechts

één der scheepsbevelhebbers hield wacht. Hij gaf het signaal, de

schepen te bemannen, maar het scheepsvolk was naar Sestos gegaan,

en slechts negen van de honderd tachtig schepen konden ten volle

worden bemand. Er werd nauwelijks een poging gedaan, om weerstand

te bieden. De Spartanen hadden bijna niets anders te doen, dan de

veroverde schepen over de zeeëngte heen te sleepen. Acht of tien

schepen ontsnapten; het overige gedeelte van de vloot en duizenden

manschappen werden gevangen genomen. Alle Atheners onder hen, ongeveer

vierduizend, werden ter dood gebracht.

Toen dit ontzettende nieuws Athene bereikte, begreep iedereen,

dat het rijk in duigen was gevallen en dat Athene zelf ook moest

vallen. De schepen van Lysander blokkeerden den Piraeus. De troepen

van de Spartanen en van hun bondgenooten omringden de stad. Enkele

weken gingen voorbij; toen kwam er hongersnood en moest de stad zich

onvoorwaardelijk overgeven.

Wat moest het lot der Atheners zijn? De bondgenooten bespraken

dit punt ernstig. "Maakt de stad met den grond gelijk en verkoopt

alle mannen, vrouwen en kinderen tot slaven," dit was de wensch van

de verontwaardigde Thebanen en Boeotiërs. "Nooit zullen wij er in

toestemmen, dat één der oogen van Griekenland wordt uitgestoken,"

antwoordden de Spartanen. Dit klonk barmhartig, maar er waren sommigen,

die mompelden, dat de Spartanen meer slim dan edelmoedig waren;

immers als Athene geheel verwoest was, zouden hetzij Thebe hetzij

Corinthe naar alle waarschijnlijkheid machtiger worden dan Sparta

zelf. Eindelijk werd besloten, dat de Lange Muren en de vestingwerken

van den Piraeus zouden worden geslecht, dat aan de veroverde stad

niet meer dan twaalf schepen zouden worden gelaten, en dat zij er

in zoude moeten toestemmen, de bevelen van Sparta te land en ter zee

te gehoorzamen.

In Athene heerschte een hartverscheurende droefenis. Uit iedere woning

waren beminde bloedverwanten omgekomen. Er was armoede, de grootste

ellende, uitputting en hongersdood. Aan den Piraeus daarentegen waren

vrouwen aan het fluitspelen, daar was gezang en dans en alle soorten

van vreugdeteekenen; immers de machtige muren werden neergehaald. "Is

Griekenland vrij? De Grieken hebben de vrijheid herwonnen!" riepen

zij vroolijk en uitgelaten. En hoog boven op de Acropolis stond

het Parthenon, sterk en schoon. En daarbij stond het standbeeld van

Athene, kalm en statig. En daaromheen lag een land in puinhoopen,

een rijk omvergeworpen.

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 36 / 48 题