DE KRIJGSTOCHT TEGEN SICILIË.

Het voornaamste voordeel van den Vrede van Nicias was, dat de strijd

gedurende twee of drie jaren gestaakt werd. Gedurende dien tijd waren

er zooveel overeenkomsten en bondgenootschappen tusschen de Grieken

gesloten, dat het te verwonderen was, dat er nog een enkele staat was,

die er zeker van was, wie tot zijn vrienden en wie tot zijn vijanden

behoorden. De bondgenooten van Sparta waren verontwaardigd, omdat de

Spartanen, zooals zij beweerden, in het verdrag wel voor zich zelf

hadden gezorgd, maar geen zorg hadden gedragen voor de belangen van

hun bondgenooten. Een aantal veroverde steden hadden er bezwaar

tegen, weer aan hun vroegere heerschers te worden teruggegeven,

zooals het verdrag had bepaald. Toen maakten Athene en Sparta

een afzonderlijke afspraak, om hun bondgenooten te dwingen aan het

verdrag te gehoorzamen. De staat Argolis had zich tijdens den oorlog

volkomen onzijdig gehouden, en had zich dien tijd ten nutte gemaakt

om rijk en sterk te worden. Argolis sloot nu een verbond met enkele

van de ontevreden bondgenooten van Sparta, en wat de kroon op alles

zette, ook Athene sloot zich bij dit verbond aan. Sparta zag, dat,

indien dit Argolisch verbond niet werd verbroken, zij haar macht in

den Peloponnesus zou verliezen, daarom viel zij de Argoliërs aan, die

door de Atheners geholpen werden. Een slag werd geleverd bij Mantinea,

en de Spartanen behaalden een zóó groote overwinning, dat Argolis alle

hoop liet varen, ooit in den Peloponnesus de leiding te zullen hebben.

Intusschen hadden de Atheners het oog gevestigd op Melos, één der

beide eilanden in de Aegeïsche Zee waarover zij de heerschappij

niet uitoefenden. Zij zonden een vloot tegen Melos uit en bevalen

de bewoners van het eiland, zich over te geven of hun stad te

verliezen. "Wij zijn Doriërs, en ongetwijfeld zullen de Spartanen ons

komen helpen," dachten de Meliërs, maar er kwam geen hulp. De stad

viel. Alle volwassen mannen werden ter dood gebracht, en de vrouwen

en kinderen werden als slaven verkocht. Een dergelijke barbaarschheid

was niets bijzonders in die dagen, maar er was geen redelijke grond

geweest, om het eiland aan te vallen, behalve dat Athene het gaarne

wilde hebben, en Griekenland was over die daad ontsteld.

De Atheners hadden maar één wensch, en wel hun rijk te vergrooten;

al het andere liet hen onverschillig. Zij schenen te voelen,

dat, indien zij een groote hoeveelheid land bezaten, of een

aantal steden konden dwingen hun schatting te betalen, zij machtig

moesten zijn. Zij heerschten over de eilanden tot aan het oosten van

Griekenland--waarom zouden zij ook niet in westelijke richting trekken

en het machtige eiland Sicilië veroveren? Wel waren zij overtuigd,

dat de Peloponnesische oorlog nog volstrekt niet geëindigd was, en

dat Pericles hun gezegd had, dat het hun ondergang zou zijn, als zij

zouden trachten hun rijk te vergrooten, zoolang de oorlog nog woedde;

maar zij waren begonnen te gelooven, dat de denkbeelden van Pericles

ouderwetsch waren. De bekwame veldheer Nicias herinnerde er zijn

landgenooten aan, hoeveel menschen zij door den oorlog en de pest

hadden verloren, en drong er bij hen op aan, geen troepen naar Sicilië

te zenden, zoolang het misschien noodig was, dat alle soldaten binnen

enkele dagen naar huis moesten worden ontboden. "Een krijgstocht naar

Sicilië is een gevaarlijke onderneming," zeide hij, "en zeker niet een

tocht, die door een nog jongen knaap kan worden op touw gezet, en zoo

maar onvoorbereid kan worden ten uitvoer gebracht." Zoo sprak Nicias,

maar de Atheners begonnen Nicias voor langzaam en al te bedachtzaam

aan te zien, en letten daarom niet op zijn woorden. De "jonge knaap"

was een jonge man, Alcibiades genaamd. Hij was rijk, schoon en van een

aanzienlijke familie. Hij was de welsprekendste redenaar van Athene,

en van een zóó schitterend vernuft, dat de verstandige en welwillende

wijsgeer Socrates hem zeer lief had en zijn best deed te zorgen, dat

hij niet bedorven werd. Dit was werkelijk geen gemakkelijke taak,

want er was iets in Alcibiades, dat de menschen verblindde en hen

deed vergeten verstandig en practisch te zijn. Hij won de gunst van

de menigte, door te betalen voor het vertoonen van schouwspelen ten

einde hen te vermaken, door renpaarden te houden, door prijzen te

winnen bij de Olympische spelen met het wagenrennen, en door een moed

en vermetelheid, die hen betooverde. Tegenover bijna iedereen behalve

Socrates was hij ruw en onbeschaamd, en toch schonk het volk hem

gewoonlijk vergiffenis. Zij zeiden dan: "O, dat is zoo de wijze van

doen van Alcibiades," en wachtten dan geduldig af, wat zijn volgende

streek zou zijn. Hij bedankte eens voor een uitnoodiging tot een feest;

doch toen de overige gasten aan tafel waren, kwam hij plotseling

aan de deur voor den dag met zijn bedienden, en veegde de helft van

de gouden schotels weg; toch bleef de gastheer zijn bewonderende

vriend. De woeste makkers van Alcibiades zetten hem voortdurend aan,

de meest onbeschaafde en brutale daden te verrichten. Een van die daden

was, dat hij op straat op één der meest waardige burgers van Athene

afging en hem een klap om de ooren gaf. Die man kon het gedrag van den

aanzienlijken jongeling niet goedkeuren, en weigerde een zoo groote

onbeschoftheid en lompheid als een uitgelaten grap te beschouwen;

maar den volgenden morgen vroeg verscheen Alcibiades aan zijn deur,

wierp zijn slepend purperen bovenkleed af, en zeide toen: "Ik ben

hier gekomen, opdat gij mij afranselt. Kastijd mij, als gij wilt";

en hem werd vergiffenis geschonken. Als al zijn grillen alleen maar

even zot en onbeschoft geweest waren als deze, zou men hem misschien

vergiffenis hebben geschonken; maar in weerwil van het onderwijs en

de opvoeding van Socrates was hij in de hoogste mate onbetrouwbaar en

oneerlijk. Het verstandige deel van Athene zag dit; maar de groote

menigte schiep behagen in iedereen, die haar aangename oogenblikken

bezorgde.

Dit was nu de leider, dien de Atheners bereid waren te volgen

op de krankzinnigste expeditie, die ooit door een volk werd

ondernomen. Nicias deed nog eens zijn waarschuwende stem hooren en

vertelde de verzamelde menigte, dat de steden van Sicilië rijk waren

en een groote troepenmacht bezaten. "Indien gij besluit, dien inval te

ondernemen," zoo sprak hij, "moet gij minstens driehonderd triremen

hebben, een groot aantal soldaten, een grooten voorraad voedsel en

een groot bedrag aan geld." Hij had gehoopt, dat zij er niet zoo

spoedig toe zouden besluiten, indien zij inzagen, welke ontzaglijke

voorbereidselen moesten worden gemaakt; maar het tegenovergestelde

had plaats, het heethoofdige, licht ontvlambare volk was half buiten

zich zelf van genoegen, omdat zij een zoo reusachtige onderneming

gingen beginnen. Zij hadden wel is waar enkele steden in Thracië

en Macedonië verloren, maar waarom zouden zij zich de moeite geven

die terug te winnen, als zij zoo spoedig reeds de meesters zouden

zijn van een schitterend nieuw rijk in het westen? Zij zouden eerst

Sicilië veroveren; maar dit was slechts een begin, maar zij zouden dan

verder gaan en Italië en Afrika trachten te vermeesteren. Er zouden

avonturen en schatten en roem voor iedereen zijn. Het was als het

ware een expeditie om de Gouden Vacht te halen, en zij twijfelden er

geen oogenblik aan, of zij zouden den draak verslaan.

In Sicilië hadden zich kolonisten uit verschillende landen

gevestigd. Slechts weinigen van hen, die uit Griekenland afkomstig

waren, waren Atheners, maar er waren een groot aantal Doriërs. Syracuse

was gesticht door Doriërs uit Corinthe, en was nu de grootste en

rijkste van alle Grieksche steden, met uitzondering van Athene. De

steden van Sicilië hadden somtijds getwist, en de Atheners hadden

eens een vloot uitgezonden, om een stad van Euboea tegen Syracuse te

helpen. Het voorwendsel, dat zij gebruikten, om weer een inval op het

eiland te doen, was, dat een nietiger stad, Egesta genaamd, Athene

om hulp had gevraagd bij haar twist met een ander nietig stadje,

dat door Syracuse werd geholpen. De inwoners van Egesta zeiden, dat

zij bereid waren alle kosten te betalen, als Athene hen slechts met

haar vloot en haar troepenmacht wilden helpen. De Atheners deden ten

minste één verstandige daad, zij zonden afgezanten om op de plaats

zelf te onderzoeken, of Egesta werkelijk zooveel schatten had, als

waarop zij pochte. Toen de afgezanten terugkeerden, brachten zij

genoeg geld mede om de bemanning van zestig triremen gedurende een

maand te onderhouden, en zij wisten de meest wonderlijke verhalen te

vertellen omtrent de prachtige zilveren kommen en flacons en andere

offergaven, die zij in de tempels hadden gezien. "Voortdurend werden

wij feestelijk onthaald," zeiden zij, "en op ieder feest werden wij

bediend uit prachtige gouden en zilveren drinkbekers." Zij waren niet

opmerkzaam genoeg geweest, om er zich over te verbazen, waarom al de

bewoners van Egesta volkomen dezelfde tafelversieringen en dezelfde

soort van tafelservies hadden, en het was absoluut niet tot hen

doorgedrongen, dat die ondernemende kolonisten dit alles zeker van

elkander en van de naburige steden geleend hadden, ten einde bij de

Atheners den indruk te wekken, dat zij bijzonder rijk waren.

De drukte bij de voorbereiding was bijzonder groot. Voedsel, wapenen,

schepen, geld, troepen, dat alles moest gereed gemaakt worden. Te

midden van die vroolijke en opgewekte drukte ontwaakten de Atheners op

zekeren morgen in de grootste ontsteltenis. Het bleek, dat iemand door

de stad was getrokken en de Hermen of de Hermesbeelden had vernield,

op de steenen palen, die aan de deuren van huizen en tempels waren

opgericht. "Dit is een vreeselijke beleediging van de goden, en

zij zullen dit op ons wreken," zoo fluisterden de Atheners, ten

zeerste bezorgd. Daarna ging hun bezorgdheid in woede over. Wie zou

een zoo groot schandaal hebben veroorzaakt? Zij herinnerden zich,

dat er slechts één man was, die ooit dergelijke dwaze streken had

uitgericht. "Het moet zeker Alcibiades geweest zijn," riepen zijn

vijanden stoutmoedig uit. "Hij hoopte op een omwenteling, die het

staatsbestuur zou brengen in de handen der aanzienlijken." "Geef mij

een eerlijke gelegenheid mij te verdedigen," vroeg Alcibiades; maar

zijn vijanden drongen er op aan, dat de expeditie niet langer zou

worden uitgesteld, en de schepen zeilden weg. De geheele bevolking

van Athene liep samen naar den Piraeus, om hen te zien vertrekken,

immers dit was de kostbaarste expeditie, ooit door eenigen staat van

Griekenland uitgezonden. Er waren mannen aan boord uit iedere stad, die

aan de Atheners onderworpen was. De schepen waren uitnemend uitgerust,

de bemanning was de beste, die ooit kon worden gevonden. De soldaten

wedijverden onderling in de voortreffelijkheid van hun wapenen en

uitrusting. Toen alles gereed was, werd door trompetgeschal stilte

gelast, en al die duizenden stonden doodstil en onbewegelijk. Daarop

zeide een heraut een gebed op voor de goden; de geheele vloot en de

menigte op het strand bad hardop mede. Op ieder schip werd wijn, met

water vermengd, geplengd als offer aan de goden, uit zilveren of gouden

kommen. De bemanning zong een lofzang ter eere van Apollo. Daarna

gingen de schepen achter elkander in één rij in zee, en zeilden en

roeiden zoo snel mogelijk naar Corcyra.

Toen zij Rhegium bereikten, de Italiaansche stad, die het dichtst

bij Sicilië gelegen was, landden zij en zonden zij afgezanten naar

Egesta. Nicias had nooit geloof gehecht aan den grooten rijkdom der

inwoners van Egesta, en toen kwamen hun pocherijen en leugens voor den

dag. De drie bevelhebbers hielden een krijgsraad. "Laat ons de inwoners

van Egesta dwingen, te betalen wat zij hebben beloofd, laat ons Selinus

dwingen tot een vergelijk te komen, en daarna naar huis terugkeeren,"

was het advies van Nicias. "Laat ons onmiddellijk een aanval doen op

Syracuse, voordat de stad zich kan voorbereiden voor den oorlog," zoo

luidde de raad van Lamachus. "Laat ons eerst een aantal bondgenooten

op Sicilië trachten te verwerven en daarna Syracuse aanvallen,"

was de meening van Alcibiades. Dit laatste plan werd goedgekeurd.

Plotseling kwam een schip uit Athene, met het bevel, dat Alcibiades

onmiddellijk zoude terugkeeren voor de verdediging, die men hem

had geweigerd, voordat de vloot uitzeilde. Zijn vijanden hadden

die verdediging weten uitgesteld te krijgen, totdat de troepen in

Sicilië waren, daar zij wisten, dat een zoo populair vlootvoogd

zeker zou worden vrijgesproken, als hij in Athene was. Hij werd nu

tevens nog van een andere misdaad beschuldigd, en wel, dat hij met

sommigen onder zijn woeste makkers de heilige Eleusinische Mysteriën

in een belachelijk daglicht had gesteld. Dit waren de heiligste en

meest geheime der godsdienstige plechtigheden bij de Grieken; deze te

openbaren of te bespotten werd als een misdaad beschouwd, die den dood

verdiende. Alcibiades dacht er niet aan, onder deze omstandigheden als

beschuldigde voor het gerecht te verschijnen. Men had hem toegestaan,

in zijn eigen schip naar huis te vertrekken, bewaakt door het schip,

dat de boodschap had overgebracht. Het was voor hem niet moeilijk

te ontsnappen; en het andere schip was gedwongen zonder hem naar

Griekenland terug te keeren.

Het duurde nog eenige maanden, voordat het plan, om het beleg voor

Syracuse te werpen, kon ten uitvoer worden gebracht, maar beide

partijen waren druk bezig met de voorbereidselen. De Atheners ontboden

geld en ruiterij van huis, en sloten bondgenootschappen met zooveel

stammen van Sicilië als slechts mogelijk was. De Syracusanen bouwden

om de stad nieuwe versterkingen en versterkten de oude. Evenzoo

zonden zij afgezanten naar Corinthe en Sparta om hulp te vragen en

Sparta te smeeken, nog eens den oorlog tegen Athene te beginnen, ten

einde de Atheners te dwingen, hun soldaten weer uit Syracuse terug

te roepen. Toen die afgezanten Sparta bereikten, ontmoetten zij daar

een welsprekenden, beminnelijken en betooverenden jongen verrader,

die gaarne bereid was, de Spartanen ter wille van de Syracusanen

toe te spreken. Het was Alcibiades zelf. "Ik ken de geheimen der

Atheners," zoo sprak hij. "Ik heb een ondankbaar vaderland verloren,

maar ik heb niet de macht verloren, u diensten te bewijzen, als gij

naar mij wilt luisteren." Het was geen oogenblik twijfelachtig, of

zijn toehoorders stonden met gespannen aandacht naar hem te luisteren;

immers hij vertelde de Spartanen en de afgezanten uit Syracuse alles

omtrent de plannen der Atheners, hoe zij eerst op Syracuse en daarna op

Carthago zouden losstormen, om ten slotte Sparta en haar bondgenooten

aan te vallen. "De veiligheid, niet alleen van Sicilië, maar van den

Peloponnesus staat op het spel," zoo zeide hij met evenveel ernst,

alsof hij een Spartaan van geboorte was. Daarna gaf hij hun eenigen

practischen raad. In de eerste plaats drong hij er bij hen op aan,

troepen naar Syracuse te zenden, en wel onder bevel van een bekwaam

Spartaansch aanvoerder; in de tweede plaats, dadelijk Athene den oorlog

te verklaren. "Gij dient Decelea onmiddellijk te versterken;" zeide

hij: "de Atheners zijn daar voortdurend bevreesd voor." Vervolgens ging

hij verder, en legde hij hun uit, dat indien de Spartanen Decelea in

hun macht hadden, de Atheners de jaarlijksche schatting, de inkomsten

van de landbouwproducten en van de zilvermijnen zouden verliezen; en

daar de plaats niet meer dan ongeveer twintig kilometers van Athene

verwijderd was, was er geen twijfel aan, of een aantal slaven zouden

van Athene naar Decelea ontsnappen. De Spartanen besloten, dien raad

op te volgen. Zij begonnen hun vloot gereed te maken en namen bezit

van Decelea.

In Sicilië zelf liep alles zóózeer ten voordeele van de Atheners

af, dat de Syracusanen op het punt waren alles voor de overgave

gereed te maken. Plotseling verscheen een Corinthisch schip in

de haven van Syracuse. "Er komen schepen uit Sparta," zeide de

bevelhebber. "Gylippus, de bekwaamste Spartaansche aanvoerder, is

op weg om u te hulp te komen." Spoedig daarna verscheen Gylippus met

schepen en manschappen. De Atheners waren met groote opgewektheid bezig

een muur om Syracuse op te bouwen, maar zij moesten plotseling dit werk

staken, daar Gylippus eveneens een muur oprichtte. De Atheners zonden

meer schepen en een nieuwen aanvoerder, Demosthenes, die het fort bij

Pylos had gebouwd. Zij deden aanvallen te land en ter zee, maar zij

konden Syracuse niet nemen. Het Atheensche kamp was op een ongezonde

plaats gelegen, en een groot aantal soldaten waren zieken. "De stad

kan onmogelijk worden ingenomen," beweerde Demosthenes. "Laat ons

terugtrekken, zoolang dit nog mogelijk is." Het was volle maan,

maar plotseling werd deze verduisterd. "Wat beteekent dit?" vroeg

Nicias angstig aan de waarzeggers. "Dat beteekent, dat het leger

gedurende driemaal negen dagen moet blijven stil liggen," antwoordden

zij. Nicias hechtte onbepaald geloof aan de waarzeggers. Het leger

wachtte en verloor dus zijn eenige kans om te ontsnappen.

De Syracusanen waren nu niet langer meer bevreesd, hun stad te

verliezen. Zij begeerden nu heftig, roem en eer te verwerven,

en daarom vatten zij het plan op, de geheele vloot der vijanden te

vermeesteren. Er volgde toen een ontzettende zeeslag. De Syracusaansche

schepen blokkeerden den ingang van de haven; de Atheensche triremen

konden niet naar de open zee ontsnappen. Tweehonderd schepen waren

opeengehoopt in de nauwe ruimte. Het ééne schip stootte tegen het

andere; somtijds stootten twee of drie schepen tegen één aan. "Breekt

er doorheen, anders zult gij Griekenland nooit terugzien!" riepen

de Atheensche aanvoerders tot hun manschappen. "Behaalt de

overwinning! Verschaft uw stad roem!" riepen de aanvoerders der

Syracusanen; maar het knarsen, het kraken, de angstkreten, het gekerm,

het rammelen der kettingen, het geluid van harde slagen en het

neersmakken van lijken op het dek--dat alles maakte een zóó helsch

geraas, dat alleen zij, die in de onmiddellijke nabijheid waren, de

woorden van hun aanvoerders konden hooren. Met uitzondering van de

troepen aan boord der beide vloten, was geheel Syracuse verzameld

op één gedeelte van het strand, en al de Grieken op het andere

deel. De Grieken drongen op tot den rand van het water; zij kermden

en schreeuwden in doodsangst, zoo dikwijls één van hun schepen buiten

gevecht was gesteld; zij juichten als één van hun schepen ontsnapt

scheen te zijn; zij zwaaiden heen en weer; zij wierpen zich op den

grond; zij strekten hun armen omhoog, om tot de goden te bidden. De

schepen der Syracusanen waren hier, daar, overal. De Atheners roeiden

als razenden naar den ingang van de haven; doch zij werden op het

strand teruggeworpen; zij sprongen uit hun schepen en waadden door

het water naar het land en hun legerkamp. "Zij leden nu hetzelfde,

wat zij anderen bij Pylos hadden aangedaan," schreef Thucydides. "Er

is zelfs nu nog kans op redding," zeiden de Atheensche veldheeren,

"wij hebben meer schepen dan de vijand. Bij het aanbreken van den

dag zullen wij ons een doortocht banen." Maar de verschrikkingen

van den zeeslag hadden de mannen met een panischen schrik bevangen;

zij weigerden aan boord te gaan.

De eenige hoop op redding bestond voor de Grieken hierin, dat zij zich

terugtrokken, en trachtten misschien een bevriende stad te bereiken;

zij begonnen dan ook hun droevigen tocht. De dooden bleven onbegraven

liggen; de gewonden en de stervenden riepen hun oude vrienden bij hun

namen aan, als zij voorbijtrokken, en smeekten hen, dat zij hen zouden

medenemen; daarna riepen zij den toorn der goden in over hun hoofden,

toen zij geen acht sloegen op hun smeekingen. Het geheele leger was

in tranen. Demosthenes en een deel van het leger werd van het overige

gedeelte afgesneden, maar Nicias rukte voorwaarts. Het voedsel geraakte

op, water kon niet worden gevonden. Eindelijk kwamen zij aan een

rivier. Zij waren zóózeer door dorst geteisterd, dat zij in het water

sprongen en op de ondiepe plaatsen bleven staan, voortdurend op nieuw

drinkend, hoewel de Syracusanen hen beschoten en pijlen en steenen

op hen wierpen. Een aantal mannen werden onder den voet getrapt;

zij werden door hoopen bagage geraakt en den stroom afgedreven. Een

ontzaglijke menigte lijken lag opgehoopt waar het water ondiep was,

en de rivier was rood van bloed. Toen gaf Nicias zich over. "Doet

met mij wat gij wilt," smeekte hij "maar spaart mijn manschappen."

Nicias en Demosthenes werden beiden ter dood gebracht. Het geheele

Grieksche leger werd gevangen genomen, behalve enkelen, wien het

gelukt was te ontvluchten. De gevangenen, zevenduizend in aantal,

werden opgehoopt in de steengroeven. De zon brandde over dag op hun

hoofden; des nachts bibberden zij van de koude. Slechts een halve kan

water en slecht voedsel was hun dagelijksch rantsoen. Bij honderden

kwamen zij om, en de lijken lagen op elkander gestapeld. Na verloop

van tien weken werden zij, die nog in het leven waren gebleven, als

slaven verkocht. Zoo eindigde de expeditie, die Athene zou hebben

moeten maken tot heerscheres over alle staten aan de Middellandsche

Zee. Zoo is de roem en de luister van den oorlog.

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 34 / 48 题