DE STRIJD TUSSCHEN ATHENE EN SPARTA, OF DE PELOPONNESISCHE OORLOG.

Terwijl Athene rijk was geworden en in kracht en schoonheid was

toegenomen, had Sparta haar oude, eenvoudige en ruwe levenswijze

volgehouden. Er waren daar geen luisterrijke gebouwen, geen

standbeelden, geen prachtig snijwerk, geen kunstig borduurwerk. De

overweging, dat een volk, dat belangstelde in zulke dwaze dingen,

aanspraak zou maken op de leiding of hegemonie van Griekenland, wekte

hoe langer hoe meer de verachting en den haat van hun mededingers

op. Zij waren overeengekomen, den vrede gedurende dertig jaren

te handhaven, maar zij hadden er geen spijt van, dat een daad der

Atheners hun een voorwendsel bood, dien vrede te verbreken.

De strijd begon niet in Athene of in Sparta zelf, maar op grooten

afstand, in de Jonische Zee in de nabijheid van het eiland Corcyra. Er

waren moeilijkheden ontstaan tusschen Corcyra en de moederstad,

Corinthe, en in een zeeslag had het eiland de overwinning behaald. Toen

de bewoners van Corcyra zagen, hoeveel schepen Corinthe bouwde,

werden zij beangst en vroegen, zich aan het Atheensche Verbond te

mogen aansluiten. Het was een moeilijk punt voorde Atheners, te

beslissen, welk antwoord zij zouden geven. De bewoners van Corcyra

zeiden, dat de Vrede van Pericles iedere stad, die niet reeds tot een

bond behoorde, toestond, zich bij de Atheners of de Peloponnesiërs

te voegen. "Maar," zoo weerlegden dit de Corinthiërs, "niet met de

uitdrukkelijke bedoeling, een lid van den anderen bond schade te

berokkenen." De Atheners waren in een lastige positie. Zij waren

overtuigd, dat er vroeger of later een oorlog zou uitbreken tusschen

hen en de Spartanen. Corinthe was een bondgenoot van Sparta, en als zij

Corcyra overwon en haar vloot bij die van Corinthe voegde, zou zij te

water veel krachtiger zijn dan de Atheners aangenaam was. Daarbij kwam,

dat Corcyra een niet te verwerpen bondgenoot was, niet alleen omdat

zij een groote vloot had, maar ook omdat het eiland een uitnemend

geschikte pleisterplaats was op weg naar Italië, en bovendien ook,

omdat, als de Spartanen ooit een aanval op de kust zouden doen, het

heel wat waard zou zijn, een bondgenoot zoo dicht in de nabijheid

te hebben. De Atheners konden evenmin besluiten die schepen of de

vriendschap van het eiland te verliezen, als brutaal het verdrag

te verbreken. Zij besloten ten slotte in de zaak iets toe te geven,

en die zóó te regelen, dat zij er in toestemden tien schepen in de

Jonische Zee te zenden, "niet om te vechten met de Corinthiërs, maar om

Corcyra te beschermen," zoo noemden zij het. Toen een tweede zeeslag

geleverd werd tusschen Corinthe en Corcyra, trachtten de Atheners

in het begin alleen de Corinthische schepen te hinderen, zonder ze

feitelijk aan te vallen; maar toen de Corcyreërs begonnen het onderspit

te delven en zich begonnen terug te trekken, vergaten de Atheners alle

bepalingen van den vrede van Pericles, en vochten zij even verwoed,

alsof zij nooit iets van een dergelijken vrede hadden vernomen.

Sparta en de overige staten van den Peloponnesus waren verontwaardigd,

en spoedig hielden zij dan ook een soort van terechtszitting om over de

stad te vonnissen. Verschillende steden verhaalden, hoe onrechtvaardig

Athene haar had behandeld. Zij zeiden, dat Athene oneerlijk was en

voortdurend trachtte het oppergezag uit te oefenen over telkens meer

staten. Er waren toevallig enkele Atheensche afgevaardigden in Sparta

om andere zaken te behandelen, en zij vroegen verlof in de vergadering

het woord te mogen voeren. Zij gaven een overzicht van wat Athene in

den Perzischen oorlog had gedaan, en toonden aan, dat zij werkelijk de

redster van geheel Griekenland was geweest. "Onze bondgenooten kwamen

uit eigen beweging," zoo spraken de afgevaardigden, "en vroegen ons,

hun leidslieden en beschermers te zijn. Ons werd een rijk aangeboden;

kan het u verwonderen, dat wij het aannamen en weigerden het weer af

te geven?" Nadat de afgevaardigden en de vreemdelingen vertrokken

waren, begonnen de Spartanen de zaken te bespreken. Zij beslisten,

dat de Atheners het verdrag hadden verbroken. Daarna begonnen beide

landen zich voor den oorlog toe te rusten.

Pericles wist, dat de Spartanen Attica zouden plunderen en verwoesten;

daarom overreedde hij de Attische landbouwers, binnen de muren der

stad te komen. Er werden toen lange rijen diep bedroefde mannen,

vrouwen en kinderen gezien, die langzaam naar Athene optrokken. Hun

rug was gebogen onder zware lasten; zij wisten immers zeer goed, dat

alles wat zij achterlieten, zou worden vernield. Van de Acropolis

konden zij hun woningen zien en hun akkers met rijpend koren. Een

tijd later zagen zij den rook opstijgen uit de brandende huizen,

zij zagen de korenvelden vertrapt, afgesneden en vernield door de

Spartanen. Het is dus niet te verwonderen, dat zij uitriepen: "O

Pericles, voer ons naar buiten om te strijden; voer ons naar buiten,

zooals een veldheer betaamt." Maar Pericles zeide: "Neen". Reeds

lang te voren had hij gezegd: "De Spartanen zijn krachtig te land,

maar onze kracht ligt op zee." Daarom had hij schepen gezonden,

om rondom den Peloponnesus te kruisen en alle mogelijke schade aan

te richten, maar hij wilde niet buiten de muren van Athene gaan,

om den vijand in een veldslag te land te ontmoeten. De Spartanen

keerden naar huis terug, na de velden te hebben verwoest. Zij hadden

even gemakkelijk naar de maan kunnen vliegen als door de stevige

muren van Athene heen te breken. In een volgend jaargetijde hadden

zij echter een helper, die niet op de lijst van hun bondgenooten had

vermeld gestaan; immers de pest brak uit in de stad, waarin een zoo

groote menschenmassa was opgehoopt, en een groote menigte menschen

kwam om. De pest brak ten tweeden male uit; en nu verloor Athene den

eenigen man, die haar had kunnen redden, immers spoedig lag Pericles

op zijn sterfbed. Zijn vrienden zaten om zijn bed, treurend en samen

over zijn overwinningen sprekend. Plotseling opende de stervende zijn

oogen en zeide: "Gij legt den nadruk op die door mij verrichte daden,

hoewel heel wat andere veldheeren hetzelfde hebben gedaan; maar gij

vergeet het meest eervolle gedeelte van mijn persoonlijkheid, en wel

dit, dat nooit door mijn toedoen één Athener in rouw is gedompeld."

Nu brak de tijd aan, dat Athene wel had mogen wenschen, dat haar

bondgenooten ook haar vrienden waren geweest, want haar bereikte de

tijding, dat Mytilene, een stad op het eiland Lesbos, in opstand was

gekomen; Mytilene had een groote vloot, en daarom zou het verlies van

Mytilene van groot gewicht zijn. Atheensche troepen werden onmiddellijk

weggezonden, om de stad te belegeren, de Spartaansche troepen, die

beloofd waren, kwamen eerst zeer traag ter hulp, zoodat Mytilene

ten slotte genoodzaakt was zich over te geven. Zij was in handen

gevallen van een wreeden meester, want de Atheners waren niet alleen

verontwaardigd over den opstand, maar bovendien in groote vrees, dat

er nog andere steden in opstand zouden komen. Zonder één oogenblik van

ernstig nadenken besloten zij, dat alle volwassen mannen in Mytilene

gedood zouden worden en iedere vrouw en ieder kind als slaaf zou

worden verkocht. Als Pericles nog in leven ware geweest, zou een zoo

onmenschelijk besluit nooit zijn genomen, maar de Atheners stonden

nu sterk onder den invloed van een zekeren Cleon. "Weest toch niet

barmhartig jegens hen," zeide hij, "straft hen zooals zij u zouden

hebben gestraft, als zij hadden overwonnen." Weest vergevensgezind

en deugdzaam, als gij wilt, maar wacht totdat vergevensgezindheid

en deugd niet langer gevaarlijk zijn." Het besluit werd dus genomen,

hoewel het betere gedeelte der Atheners er zich zóózeer over schaamde,

dat zij den volgenden dag een tweede vergadering uitschreven en het

besluit vernietigden. Maar het schip met drie rijen roeibanken, dat

het besluit moest overbrengen, was den vorigen nacht uitgezeild. Zou

het mogelijk zijn, het nog in te halen? "Wij zullen wijn en gerst voor

de bemanning verschaffen," riepen de afgezanten der Mytileners uit,

"en ieder van hen zal een ruime belooning ontvangen, als zij het eerst

het eiland bereiken." De roeiers sprongen op hun zetels. De helft

van hen roeide over dag, de andere helft des nachts, en zij aten hun

gerstebrood, met wijn en olie gekneed, onder het roeien. Toch had

het eerste schip een te grooten voorsprong. Het besluit was reeds

voorgelezen, en reeds was men op het punt, het bevel te geven het

uit te voeren, toen het tweede schip landde. Een afgezant holde van

het strand naar den aanvoerder, en de Atheners werden verlost van

de schande, een zoo barbaarsche slachting aan te richten. De straf,

die zij oplegden, was nog streng genoeg, immers zij doodden duizend

der opstandelingen, die het meest op den voorgrond waren getreden,

namen de schepen der bewoners van Mytilene, en gaven hun land aan de

Atheensche burgers, om daar een volksplanting te stichten.

Dit was de wijze, waarop de Atheners hun barmhartigheid

uitoefenden. Hetzelfde jaar openbaarde zich de barmhartigheid

der Spartanen bij Plataea. Deze waren uitgetrokken om Plataea te

veroveren, daar die kleine stad een zoo trouwe vriend van Athene

was. "Maar de Spartanen, in vereeniging met de overige staten,

legden een plechtigen eed af, dat onze stad voor eeuwig onafhankelijk

zou zijn," zoo spraken de inwoners van Plataea. "Wat gij zegt, is

waar," antwoordden de Spartanen. "Geniet van uwe onafhankelijkheid,

maar helpt ons de staten te bevrijden, die nu door Athene worden

geregeerd." Plataea echter wilde de Atheners niet in den steek

laten, en het beleg begon. Thucydides schreef de geschiedenis van

den Peloponnesischen Oorlog, en daarin wordt een verhaal gegeven

van het beleg van Plataea op zijn gewone heldere, nauwkeurige,

belangwekkende wijze van schrijven. Eerst hakten de Spartanen boomen

om, en maakten een palissade rondom de stad, zoodat niemand de stad

in of uit kon gaan. Zij hadden een verschansing noodig, hoog genoeg,

om hen in staat te stellen de stad te beschieten, en zij begonnen

zulk een verschansing bij den muur op te richten, door houtblokken

dwars over elkander te stapelen, en de leege ruimten op te vullen

met steen, aarde en stukken hout. Dag en nacht werkten zij tien

weken lang door. Zij merkten echter, dat op de ééne of andere wijze

de verschansing niet zoo snel voltooid werd als zij zich hadden

voorgesteld, en eindelijk ontdekten zij, dat de Plataeërs een gat

hadden gegraven onder in den muur, en kalm de losse aarde van de

verschansing in de stad brachten. Ondertusschen maakten zij ook den

muur hooger, door dien op te bouwen met steenen en hout van hun eigen

huizen. De Spartanen zouden dit alles in brand hebben kunnen steken

met brandende pijlen, maar de Plataeërs waren verstandig genoeg, zware

gordijnen van huiden en vellen daarvoor te hangen. De belegeraars waren

besloten, dat er van hun verschansing niet meer zou worden gestolen,

en daarom gebruikten zij in plaats losse modder, groote hoeveelheden

klei en riet, aan elkander gebonden. Toch werd de verschansing niet

hooger. De belegeraars verbaasden er zich over, hoe dit mogelijk

was. Eindelijk ontdekte iemand, dat die slimme Plataeërs een tunnel

hadden gegraven van de stad naar de verschansing, en op hun gemak

de bundels klei en riet naar binnen haalden. En dit alles was nog

niet alles, immers zij bouwden ook een binnenmuur in den vorm van

een halve maan. De havens raakten den buitenmuur en de kromming was

naar de stad gericht. Indien dus de Spartanen den buitenmuur hadden

genomen, zouden zij nog altijd den binnenmuur moeten vermeesteren,

maar dit zou nog niet zoo gemakkelijk zijn met de Plataeërs tegenover

zich en aan beide vleugels. De Spartanen begrepen natuurlijk de

moeilijkheid ook, en brachten daarom ontzaglijke stormrammen aan;

doch de Plataeërs hadden twee manieren om die rammen onschadelijk te

maken. Eén manier was, om een strik daarover neer te laten en ze zoo

op te trekken. Een tweede manier was, om zware balken daarover neer

te hangen en loodrecht daarop. Als de machine goed was opgesteld en

op het punt was, een vreeselijken stoot tegen den muur te geven, ging

de balk naar beneden en werd de kop van den ram afgestooten. Daarna

besloten de Spartanen de stad te verbranden. Zij wierpen groote

hoeveelheden hout over den muur en stapelden massa's hout op tusschen

de verschansing en den muur. Zij smeerden stokken in met pik en zwavel,

staken die in brand en wierpen die het hout achterna. Thucydides zegt,

dat nooit zulk een brand door menschenhanden was aangestoken. Er zou

voor de Plataeërs geen redding mogelijk zijn geweest, indien niet een

plotselinge storm de vlammen had gedoofd. Toen bouwden de Spartanen

twee muren, op een afstand van elkander van zestien voet, en die de

geheele stad omsloten. Tusschen die muren waren de verblijfplaatsen

der soldaten; zoodat, als het werk gedaan was, het geleek op één zeer

dikken muur met aan beide zijden een gracht. Zoodra dit werk voltooid

was, ging het hoofdleger weg, met achterlating van een sterke wacht.

Toen de winter aanbrak en het voedsel schaarsch begon te worden,

trok een groot aantal Plataeërs in een donkeren, stormachtigen

nacht, de binnenste gracht over, die vol was met ijsschotsen, zetten

ladders overeind, en slaagden er in, den muur over te komen en de

buitenste gracht over te steken. "De Spartanen zullen verwachten,

dat wij zullen trachten naar Athene te ontkomen," zeiden zij, "laat

ons dus in de richting van Thebe trekken." Toen zij haastig door de

duisternis omkeken naar den weg naar Athene, konden zij de fakkels

hunner vervolgers zien. Na korten tijd slopen de vluchtelingen naar de

heuvels en daarna langs nauwe paden naar beneden, en spoedig werden

zij te Athene verwelkomd door de vrouwen en kinderen, die daarheen

waren gezonden voordat het beleg begonnen was.

Er waren nu enkele vrouwelijke bedienden en twee honderd vijf en

twintig mannen binnen de muren van Plataea; deze waren door gebrek

aan voedsel te zwak, om langer de stad te verdedigen. De Spartanen

zouden haar door bestorming hebben kunnen innemen, maar als de

oorlog ophield, zouden steden, die door bestorming waren genomen,

waarschijnlijk aan haar vroegere heerschers worden teruggegeven,

terwijl die, welke zich hadden overgegeven, door de overwinnaars

zouden gehouden worden. "Wilt gij u overgeven, als wij u een eerlijke

kans laten?" vroegen de Spartanen, en de uitgehongerde bevolking gaf

het op. De Thebanen haatten de Plataeërs, en de Spartanen wenschten

de Thebanen een genoegen te doen; daarom bestond de "eerlijke kans"

hoofdzakelijk uit de vraag: "Hebt gij den Spartanen of hun bondgenooten

in dezen oorlog diensten bewezen?" Daar ieder Plataeër ten antwoord gaf

"Neen," werd hij weggevoerd en ter dood gebracht. Iedere mannelijke

inwoner van Plataea werd gedood, en de vrouwelijke bedienden werden

als slavinnen verkocht. Dit was de barmhartigheid der Spartanen.

Een oorlog tusschen mannen van eenzelfde ras is altijd erger dan andere

oorlogen, daar iedere partij overtuigd is, dat de tegenpartij moet

begrijpen, dat zij ongelijk heeft; en deze oorlog werd hoe langer hoe

wreeder. In bijna iedere stad waren er twee partijen,--de ééne partij

was van oordeel, dat het volk als één geheel moest regeeren, zooals in

Athene; de andere meende, dat de regeering moest zijn in handen van

enkelen. Die beide partijen twistten en streden met elkander. Zonen

doodden hun vaders, vaders doodden hun zonen. Indien twee personen

elkander vijandig gezind waren, was het zeker, dat één van beiden een

moordenaar zou worden. Als iemand geld schuldig was, bevrijdde hij

zich van zijn schuld, door zijn schuldeischer te dooden. De geheele

Grieksche wereld scheen wel krankzinnig te zijn geworden, niet alleen

het vasteland van Griekenland, maar ook de eilanden en zelfs ook de

koloniën in Italië en Sicilië. De beide partijen in dezelfde stad

trachtten elkander te dooden; Atheensche schepen voeren de zee over,

om de ééne of andere stad te helpen, en men kon er zeker van zijn,

dat Spartaansche schepen met den meest mogelijken spoed de vijanden

der stad te hulp kwamen. Zes jaren lang hield de strijd te land en

ter zee onafgebroken aan.

In het zevende jaar was een Atheensche vloot, door een storm overvallen

in de haven van Pylos, op de kust van Messenië, binnengevallen. Dit

was volkomen in overeenstemming met den wensch van den aanvoerder,

Demosthenes, [1] immers hij wilde een plan voorstellen aan de overige

aanvoerders. "Laat ons deze plaats versterken. Wij zijn slechts 75

kilometers van Sparta verwijderd; de Messeniërs zullen ons helpen,

en wij kunnen van hieruit den vijand groot nadeel berokkenen." De

overige aanvoerders voelden niets voor dit plan. "Indien gij het

openbare geld wilt weggooien," zoo spraken zij, "dan zijn er een

menigte andere verlaten voorgebergten, die gij kunt versterken." De

storm raasde nog steeds voort, en de schepen konden de haven niet

verlaten. Het is mogelijk, dat de soldaten door het lange oponthoud

zich verveelden en onrustig werden; doch wat ook de reden moge zijn,

eindelijk werd hun toestemming gegeven het fort te bouwen. Zij hadden

geen gereedschappen om steenen te fatsoeneeren, daarom pasten zij

ze aan elkander, zoo goed zij dat konden. Zij hadden niets om er

de metselkalk in te dragen, daarom stapelden zij die op hun rug en

hielden hun handen daartegen aan, om te beletten, dat de kalk afviel;

en zoo werd het fort gebouwd.

Toen de Spartanen van dien zoo eigenaardigen bouw hoorden, lachten

zij. "Het zal gemakkelijk zijn, dit, zoodra wij willen, neer te

halen," zeiden zij, "zelfs als de Atheners niet wegloopen, als

zij ons zien naderen." Toch kwamen zij tot het besluit, dat het in

ieder geval het best was, zoo spoedig mogelijk zich van het fort te

bevrijden, en eveneens van de Atheensche schepen, die op wacht lagen;

daarom zonden zij een vloot en een flink aantal soldaten. De soldaten

werden aan land gezet op een lang, smal eiland, Sphacteria genaamd,

dat bijna de haven van Pylos insloot. De Spartaansche schepen zeilden

de haven binnen, en trachtten gedurende enkele dagen het ruwe, kleine

fort te veroveren. Toen kwam de Atheensche vloot op hen aanvliegen,

daar zij verzuimd hadden de haven af te sluiten. De Spartanen op

de kust waren wanhopend, daar hun vrienden op Sphacteria hulpeloos

waren. Gewapend als zij waren, sprongen zij te water en trachtten hun

ledige schepen van de Atheners weg te trekken. Thucydides drukt dit

zoo uit: "De Spartanen leverden van het land af een zeegevecht, en de

Atheners leverden van hun schepen af een gevecht te land." Er waren

een zóó groot aantal van hun voortreffelijkste mannen op het eiland,

dat de Spartanen besloten, de Atheners om vrede te vragen. De Atheners

zouden daarin waarschijnlijk hebben toegestemd, indien Cleon zich

daartegen niet had verzet. Na den dood van Pericles had Cleon alles

gedaan om het volk genoegen te doen en hen er van af te houden, den

raad van verstandiger mannen te volgen. Hij overreedde nu de Atheners,

te weigeren vrede te sluiten, tenzij op zóódanige voorwaarden, als

hij wist, dat de Spartanen niet zouden aanvaarden. Hij deed dit,

daar hij meende, dat er voor hem beter gelegenheid was, zijn macht

te doen toenemen in oorlogstijd, dan als er vrede was.

De Atheners waren altijd wispelturig en veranderlijk, en spoedig

wendden zij zich boos tegen Cleon. "Waarom hebt gij ons afgeraden vrede

te sluiten?" vroegen zij. "Onze manschappen in Pylos zullen van honger

omkomen. Wij kunnen nu reeds nauwelijks voedsel voor hen krijgen, en

als de winter aanbreekt, zullen zij zich zeker moeten overgeven. De

Spartaansche soldaten op het eiland zijn veilig en hebben het goed. De

Spartanen betalen een ruime som aan iedereen, die de blokkade verbreekt

en hun voedsel brengt. Als hij een Heloot is, maakt één korte tocht

hem onmiddellijk vrij. Honderden Heloten duiken en zwemmen naar de

overzijde, en trekken achter zich aan huiden met fijngestampt lijnzaad

en papaverzaad, met honig vermengd. Zoo dikwijls er een krachtige

zeewind is, zeilen zij 's nachts uit en komen met het aanbreken van

den dag aan de zeezijde van het eiland plotseling te voorschijn. De

Atheners op Sphacteria hebben overvloed van meel en wijn en kaas,

terwijl de Atheners in Pylos van honger omkomen. [** " verwijderd]

Het is uw schuld; waarom hebt gij geweigerd vrede te sluiten?"

Cleon kon niets anders tot zijn verdediging aanbrengen dan te morren

over de legeraanvoerders. "Zij zouden gemakkelijk naar Sphacteria

kunnen zeilen en de Spartaansche soldaten gevangen nemen," zoo luidde

zijn antwoord. "Dat zou ik ten minste doen, als ik legerbevelhebber

was." Eén der legeraanvoerders, Nicias, was tegenwoordig. "Voor zoover

de legeraanvoerders betreft, kunt gij zooveel soldaten nemen als gij

wilt en het beproeven. Hier, in tegenwoordigheid van deze vergadering,

sta ik u het opperbevel af." "Neem het, neem het," riep het volk. "Wij

stellen u tot aanvoerder aan. Zeil nu weg naar Pylos." De wispelturige

Atheners hadden alles vergeten omtrent het lijden van hun soldaten,

en hadden er groot genot in, te zien, hoe Cleon in angst zat. Hij

begreep, dat hij zich òf voor goed op den achtergrond moest plaatsen,

òf het opperbevel moest op zich nemen. Hij trachtte zich zoo moedig

mogelijk voor te doen en wendde zich tot de Atheners: "Ik ben niet

bang voor de Spartanen," antwoordde hij. "Binnen twintig dagen zal

ik ze op de plaats zelf dooden of ze levend naar u toebrengen." Het

grauw barstte in lachen uit, en de meer verstandigen onder de menigte

verheugden zich evenzeer als het grauw juichte. "Wij zullen Cleon niet

meer terugzien, als hij niet inderdaad de Spartanen gevangen neemt."

Niemand verwachtte zelfs maar één oogenblik, dat het den pocher zou

gelukken, te volbrengen, wat hij had beloofd, maar toch bracht hij

werkelijk binnen twintig dagen omstreeks driehonderd gevangenen naar

Athene. Dit was aldus in zijn werk gegaan. Toen Cleon het eiland

Sphacteria bereikte, bleek het hem, dat het bosch, dat het grootste

gedeelte van het eiland had bedekt, verbrand was. Het land was schoon

geveegd, en de opperbevelhebber was juist op het punt een aanval te

doen op de gevangenen. Cleon had geen vast plan, en sloot zich dus maar

hierbij aan. Er werd een hardnekkig gevecht geleverd, maar eindelijk

lieten de Spartanen hun schilden zakken en zwaaiden zij hun handen;

zij onderwierpen zich. Geheel Griekenland was nu in verbazing. Kon dit

hetzelfde ras zijn, dat bij de Thermopylae had gestreden totdat de

laatste man gesneuveld was? De Atheners konden nauwelijks gelooven,

dat het mogelijk was, dat de Spartanen zich hadden overgegeven. Zij

juichten over hun overwinning, en toen de Spartanen weer om vrede

smeekten, weigerden zij dit.

Zoo duurde de oorlog voort, en aan weerszijden werden de troepen hoe

langer hoe wreeder en ruwer. De aanzienlijken uit Corcyra begunstigden

Sparta en spanden samen tegen het gemeene volk, dat op de hand van

Athene was. Door een list werden de aanzienlijken gevangen genomen en

werden toen met ontzettende wreedheid ter dood gebracht. Tot nu toe

waren de Atheners in hoofdzaak de winnende partij geweest. Zij hadden

getracht Delium in Boeotië in te nemen, doch dit was hun niet gelukt;

maar zij hielden Pylos bezet, welke plaats de sleutel voor Messenië

was, en Cythera, dat een krachtige steun voor Laconië was geweest;

en honderd van de meest op den voorgrond tredende Spartanen waren

hun gevangenen. De Spartanen hadden jaarlijks een strooptocht in

Attica gedaan, en hadden ook heel wat in andere streken gevochten,

maar zij waren geen stap nader gekomen tot hun doel dan zeven jaren te

voren: het overwinnen der Atheners. Gelukkig voor hen trad een nieuwe

veldheer op het tooneel, Brasidas. Hij was zoo vastbesloten als eenig

Spartaan, en zoo helder van oordeel en zoo snel van opvatting als

eenig Athener. Hij overdacht de zaken en redeneerde aldus: "Als wij

weer een nieuwen strooptocht in Attica doen, zullen de Atheners onze

honderd burgers ter dood brengen. Het beste wat wij kunnen doen,

is ons naar Thracië te begeven, en wij kunnen er zeker van zijn,

dat meer dan één Thracische stad ons welkom zal heeten. Thracië is

rijk en heeft uitgestrekte bosschen. Met Thracië als vrienden kunnen

wij schepen bouwen, en wij behoeven dan niet bevreesd te zijn, als

wij met de Atheners op zee handgemeen worden."

Zoo sprak Brasidas. De Spartanen meenden, dat dit een onredelijk,

ondoordacht plan was; maar één zaak was sterk in het voordeel

van Brasidas: hij bezat omstreeks duizend manschappen, die hij in

verschillende plaatsen van den Peloponnesus had gehuurd, en het eenige

wat hij Sparta vroeg, was, hem zevenhonderd Heloten te geven. "Laat

het hem in ieder geval beproeven," zeiden de Spartanen. "De Heloten

staan op het punt in opstand te komen, en het is niet kwaad, dat

er onder hen een opruiming komt. Laat hem een paar steden innemen,

en als de oorlog is afgeloopen, kunnen wij die tegen Pylos inruilen."

Zoo vertrok Brasidas naar Thracië en Macedonië. Hij was niet alleen een

sluw en geslepen man, maar hij wist ook te spreken, te redeneeren en

te overtuigen. Hij bracht zelfs stammen, die met de Atheners bevriend

waren, er toe, hem verlof te geven door hun gebied te trekken; en

half door overreding, half door bedreigingen wist hij verschillende

steden in Thracië en Chalcidice er toe te brengen, zich aan hem te

onderwerpen. De Atheners hadden gehoord wat hij deed, en nu kwamen

zij op hem af. Cleon was hun aanvoerder, en hij was zóó opgeblazen

door zijn overwinning bij Pylos, dat hij het als de natuurlijkste

zaak ter wereld beschouwde, dat hij zou overwinnen. Hij had flinke

soldaten, maar zij hadden geen vertrouwen in hun aanvoerder. Bijna

de helft van de manschappen van Brasidas waren Heloten, en hoewel

zij slaven waren, wantrouwde hij hen geen oogenblik en had hij

den moed, hun zijn volle vertrouwen te schenken. Even vóór den

aanval op Amphipolis, de krachtigste Atheensche volksplanting in

Macedonië, deelde hij hun mede, hoe hij van plan was den aanval uit

te voeren. Zijn laatste woorden tot hen waren: "Laat den moed niet

zinken, denkt aan alles wat op het spel staat, en ik zal u laten

zien, dat ik niet alleen anderen kan raadgeven, maar ook zelf kan

vechten." De slag eindigde met de overwinning der Spartanen. Zoowel

Cleon als Brasidas sneuvelden. Thucydides voerde zeven schepen aan,

die in de nabijheid lagen, maar hij kwam niet spoedig genoeg aan, om de

Spartanen de overwinning te betwisten. De Atheners hadden er behoefte

aan, iemand de schuld te geven, en zoo werd hij de zondebok. Hij

werd veroordeeld tot een ballingschap van twintig jaar. In dien tijd

schreef hij zijn geschiedenis van den oorlog. Aan de Heloten, die zoo

dapper onder Brasidas hadden gevochten, werd de vrijheid geschonken.

Tien jaren achtereen had nu de oorlog geduurd. Mannen waren gesneuveld,

vrouwen en kinderen tot slaven verkocht, geld was verkwist, vloten

waren verloren gegaan, landen waren verwoest, steden met den grond

gelijk gemaakt; en wat was met dat alles gewonnen? De Spartanen waren

tot de ontdekking gekomen, dat zij heel gemakkelijk konden worden

verslagen, of, wat de mannen van de Thermopylae heel wat erger zouden

hebben gevonden, dat zij gedwongen konden worden zich over te geven;

de Atheners hadden geleerd, dat zij in weerwil van hun vloot, hun goed

beschutte haven, en hun stevige muren, slechts weinig sterker zouden

zijn dan andere volkeren, indien hun schatplichtige steden in opstand

kwamen. Zoowel Spartanen als Atheners waren ontnuchterd en verlangden

er zeer naar, over den vrede te onderhandelen. De veldheer Nicias had

heel wat werk te verrichten, om de onderhandelingen te leiden en tot

een goed einde te brengen; daarom werd de wapenstilstand van vijftig

jaar, die in het jaar 421 vóór Christus werd gesloten, de vrede van

Nicias genoemd.

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 32 / 48 题