Pericles hoopte nog steeds, dat de tijd zou aanbreken, waarop
Griekenland door Athene zoude worden geregeerd, hoewel hij overtuigd
was, dat de naijver van Sparta te eeniger tijd tot een oorlog zou
leiden. Intusschen zou er gedurende een reeks van jaren vrede tusschen
de beide staten zijn; van dien tijd maakte hij gebruik, om zijn stad
schoon en machtig te maken. Het staatsbestuur was hoe langer hoe meer
in handen van het volk gekomen, totdat er geen enkel ambt meer was,
waartoe zelfs de armste man niet kon worden verkozen. Ten einde er
voor te zorgen, dat iedereen in staat zou zijn, zijn werk in den steek
te laten, om den staat te dienen, wist Pericles gedaan te krijgen,
dat zij, die de verschillende ambten bekleedden, daarvoor zouden
worden bezoldigd, en evenzoo zij, die in het leger of op de vloot
of als rechters dienst deden. Er waren verscheidene duizenden van
die rechters, en zelfs de ernstigste misdaden werden bijna zonder
uitzondering door hen berecht. Somtijds zaten honderden juryleden
in één enkele zaak. Zoo kwam het, dat duizenden Atheners in de
ééne of andere betrekking geld van den staat ontvingen. De algemeene
vergadering keurde al die veranderingen goed; men zag immers duidelijk
in, dat Pericles niet werkte voor zijn eigen roem, maar voor dien van
zijn stad; en hij was zóó redelijk, en kon zijn redenen zóó duidelijk
blootleggen, dat het volk alles wat hij voorstelde goedkeurde. Hij
had meer macht, dan ooit een koning had bezeten; maar dit was niet,
omdat het volk bevreesd voor hem was, maar omdat hij zoo bekwaam in
den oorlog, zoo verstandig in vredestijd was, en bovenal zoo volkomen
onzelfzuchtig. Natuurlijk had hij ook vijanden, maar het meerendeel
der Atheners zag tegen hem op als tegen den idealen Griekschen burger.
Pericles was niet alleen een uitnemend soldaat en staatsman, maar
hij had alles lief, wat schoon was. Al de Grieken trouwens hadden
de schoonheid lief; zij hadden die lief, zooals men versche lucht
en zonneschijn lief heeft. Het bracht hen uit hun humeur, leelijke
dingen om zich heen te hebben; zij voelden zich dan onbehagelijk en
somber. Reeds langen tijd vóór dezen hadden zij prachtige gebouwen
en standbeelden, want reeds jaren lang waren er groote kunstenaars in
Griekenland geweest; maar Pericles maakte het plan, de Acropolis met
een groep tempels te overdekken, die de meesterstukken der Grieksche
bouwkunst zouden zijn. De schoonste en edelste van deze was zeker
wel het Parthenon, een prachtig gebouw van het zuiverste marmer,
welke tempel aan Athene gewijd was. Hij had marmeren zuilen rondom,
immers de Grieken konden zich geen grooten tempel voorstellen zonder
zuilen. Er waren drie soorten van zuilen, waaruit kon worden gekozen,
ten eerste de Corinthische zuil, die er uitziet, alsof het bovenste
deel van de zuil omgeven is van een aantal marmeren bladeren,
die op de meest sierlijke wijze zijn gebeeldhouwd; men verhaalt,
dat dit den kunstenaar was ingegeven door een mand, die door iemand
in een hoop bladeren van berenklauw geworpen waren. De tweede soort
was de Jonische, waarvan de top of het kapiteel in twee rollen was
gebeeldhouwd, die eenigszins op slakkenhuisjes geleken. En ten derde
was er de Dorische zuil, die een stevig, eenvoudig kapiteel heeft. De
Dorische zuil ziet er altijd stevig en eenvoudig uit; en het was deze,
die door Pericles voor het Parthenon werd gekozen. Binnen in het
gebouw was een standbeeld van Athene, negenendertig voet hoog. Dit
was van ivoor vervaardigd, de draperie was van goud, en de pupillen
der oogen waren waarschijnlijk van juweelen vervaardigd. In de ééne
hand droeg zij een beeld der Overwinning, in de andere hand een
speer en een schild. Om Athene heen kronkelde zich een slang, die
het zinnebeeld was der wijsheid. Binnen de zuilenrij was een Fries,
of een gebeeldhouwde band, die om het gebouw heenliep. Deze stelde
den beroemden optocht voor, die eens in de vier jaren werd gehouden,
en naar den tempel der godin trok, om een kostbaar kleed voor haar
beeld aan te bieden. Er werden aan den tempel ook kleuren gevonden,
blauw, rood en geel, en ook goud; maar de tinten waren uiterst fijn
en met volmaakte bedrevenheid aangebracht. Die tempel was ongeveer
vierentwintig eeuwen geleden gebouwd. Honderden prachtige bouwwerken
zijn sedert dien tijd opgericht, maar zelfs in de puinhoopen
van het Parthenon ontdekken kunstenaars nog voortdurend nieuwe
schoonheden. Zij vinden bij voorbeeld, dat in een aantal onderdeden,
waar latere bouwmeesters rechte lijnen hebben gebruikt, het Parthenon
kromme lijnen heeft. Zij vinden, dat, indien de zuilen iets dikker of
iets hooger geweest waren, zij niet een zoo volmaakten indruk zouden
gemaakt hebben. Zij vinden, dat de uiterste zuilen niet volkomen
verticaal staan, maar iets naar binnen overhellen. Niemand kon dit
zonder de meest nauwkeurige metingen ontdekken; maar die helling, hoe
gering die ook was, droeg er toe bij, dat de tempel zóó sierlijk en
harmonieus en tevens zóó stevig was, dat hij, toen hij voltooid was,
den indruk maakte, dat hij het eenige gebouw was dat daar paste.
De overige gebouwen op de Acropolis waren volkomen waardig, om naast
het Parthenon te staan. Men had daar het Erechtheum, gewijd aan Athene
en Poseidon, en binnen zijn gebied waren de heilige olijfboom en de
zoutbron nog te zien. Er waren daar breede marmeren trappen, die naar
de Acropolis leidden; er waren daar gaanderijen en zuilengangen; en
er waren daar voorhoven, waarvan de zolderingen gedragen werden door
sierlijke Caryatiden. In de buitenlucht, onder den helderen blauwen
hemel, stond een ander standbeeld van Athene, dat zelfs grooter was
dan het beeld op het Parthenon. Dit was vervaardigd van het Perzische
brons, dat bij Marathon veroverd was.
De kunstenaar, aan wien de glorie van de Acropolis te danken is,
was Phidias. Reeds vóór hem hadden kunstenaars uitnemend gelijkende
standbeelden van tijdgenooten vervaardigd, Myron, onder anderen,
had een discuswerper zóó getrouw naar het leven vervaardigd, dat men
als het ware zich er over verbaast, dat de discus niet uit zijn hand
vliegt; maar de kunstenaars hadden tot nu toe gemeend, dat de beelden
van goden niet al te zeer mochten afwijken van de stijve, vormelijke
figuren, waaronder zij in vroegere tijden waren voorgesteld. Phidias
brak met die opvatting. Hij beeldde zijn goden uit als menschelijke
wezens, maar grootscher en met meer majesteit dan de stervelingen. Eén
van zijn meest beroemde werken was de Zeus van Olympia, een zóó
prachtig beeld, dat de Grieken, als iemand stierf, die nooit te
Olympia geweest was, plachten te zeggen: "Die man was inderdaad
ongelukkig, immers hij is gestorven, zonder den Olympischen Zeus te
hebben gezien." Phidias was er zóó op gesteld, het beste voort te
brengen wat denkbaar was, dat hij als men zijn werk kwam bezichtigen,
zich zóó plaatste, dat men hem niet kon zien, ten einde ieder woord
te hooren, dat zelfs de meest gewone sterveling bij wijze van critiek
uitsprak. Zoo dikwijls hij meende, dat iemand een fout had ontdekt,
hoe gering die ook was, rustte hij niet, voordat hij die had verbeterd.
Pericles liet eveneens het Odeon bouwen, een overdekte zaal, waar
muziekwedstrijden werden gehouden, en hij verbeterde den schouwburg
van Dionysus. In Griekenland was een schouwburg geen overdekt
gebouw. Hij bestond uit rijen achter elkander van steenen zetels,
die langs de helling van een heuvel opliepen en die een kring vormden
om een vlakke ruimte, waar de tooneelstukken werden opgevoerd. Een
schouwburg was meestal groot genoeg, om de geheele bevolking der stad
op te nemen, waarin hij was opgericht. Sommige der tooneelspelen
bevatten verhalen omtrent het leven der goden of edele daden van
de oude Grieken. Deze werden tragedies genaamd. Zij waren meestal
waardig, ernstig en droevig, maar zij bevatten dikwijls teedere en
prachtige verzen. Het volk kwam van die schouwspelen terug met het
ernstige voornemen de goden nog meer dan te voren te eeren, of dapper
en vaderlandslievend te zijn als hun voorouders. Blijspelen werden
eveneens opgevoerd. Deze waren dikwijls vol grappige toespelingen
op de menschen en gebeurtenissen van den dag. De opvoering van
treurspelen was een zóó goede leerschool voor godsdienst, geschiedenis
en vaderlandsliefde, en de blijspelen hadden een zóó groote waarde,
om de menschen te doen nadenken omtrent hetgeen in hun omgeving
voorviel, dat Pericles wenschte, dat zelfs de armste burgers die
konden bijwonen. Daarom bepaalde hij, dat de toegangsprijs door den
staat moest worden betaald.
Slechts tweemaal in het jaar werden tooneelspelen opgevoerd; maar
bij ieder feest werden er genoeg opgevoerd, om de zes maanden van
stilstand goed te maken. Aan drie dichters werd toegestaan, ieder
vier tooneelspelen aan te bieden. Nadat de tooneelspelen opgevoerd
waren, werd door een commissie, door de Demen gekozen, bij stemming
uitgemaakt, aan welken dichter de officieele prijs moest worden
toegekend. Dertien maal werd deze toegekend aan een man, die zoowel
krijgsman als schrijver was, en die dapper gestreden had bij Marathon,
Salamis en Plataea. Dit was de dichter Aeschylus. Zijn treurspelen
waren bijzonder schoon, maar zóó ernstig en zwaar, dat het volk na
enkele jaren er als het ware genoeg van kreeg en den prijs toekende
aan een schoonen, jeugdigen dichter, Sophocles genaamd, omdat
zijn hoofdpersonen niet zoo ernstig en vormelijk waren, en meer
op werkelijke personen geleken. Hij kon niet alleen tooneelspelen
schrijven, maar ze ook voordragen, en die gave kwam hem op hoogen
ouderdom uitnemend te stade. Eén van zijn zoons werd bevreesd, dat
zijn vader zijn bezittingen zou wegschenken aan een boven de anderen
geliefden kleinzoon. De groote tooneelschrijver werd voor het gerecht
gedaagd, opdat de rechters uit eigen overtuiging konden nagaan,
of zijn geest zoozeer was verzwakt, dat hij zich geen rekenschap
van zijn daden kon geven. In plaats van eenig antwoord te geven,
droeg Sophocles een gedeelte voor uit één van zijn tooneelspelen;
en hij deed dit op zóó voortreffelijke wijze, dat er niemand was, die
een oogenblik kon denken, dat zijn geestvermogens verzwakt waren. De
rechters wezen den inhaligen zoon terecht en zonden hem toen weg. De
derde groote treurspeldichter was Euripides. Men verhaalt, dat hij
zijn naam ontleende aan den veldslag bij den Euripus, die kort vóór
zijn geboorte geleverd werd. Het schijnt, dat hij zelfs nog meer
kennis had van het menschelijke karakter dan Sophocles, en hij had
de natuur lief. Het was voor hem een groot genot te schrijven over
den oceaan, de rivieren, wolken, rotsen, wijngaarden en vogels. De
grootste blijspeldichter was Aristophanes, die iets later leefde dan
die drie treurspeldichters. Hij hield er van, den spot te drijven
met zijn medeburgers, en zijn spot was zóó snijdend en geestig,
dat de Atheners zich er tegen wil en dank mede vermaakten. In één
van zijn blijspelen, De vogels, vluchten twee Atheners, die genoeg
hebben van de vele processen in hun stad, van de menschen weg naar de
vogels, en halen die over, een stad in de wolken te bouwen. Dit was
een dankbaar onderwerp voor de Atheners, want niets scheen voor hen
een zóó heerlijke uitspanning te zijn dan naar het gerecht te gaan
en de behandeling van processen bij te wonen. Zij moeten hartelijk
gelachen hebben, als één der spelers zeide:
"Want sprinkhanen zitten slechts één maand lang,
Te tjilpen op een tak; maar de Athener
Zit tjilpend en in twistgesprek het gansche jaar,
En staart zich suf op wetsverklaring of bewijs."
De "Stad in de wolken" was een geestigheid ten koste der Atheners,
immers nog slechts twee jaren te voren hadden zij een veldtocht
ondernomen, die totaal mislukt was.
Er waren eveneens twee uitnemende oude geschiedschrijvers, die in de
dagen van Pericles leefden, Herodotus en Thucydides. Aan Herodotus
kunnen wij het voornaamste ontleenen van wat wij omtrent de Perzische
oorlogen weten. De wereld was in die dagen, toen de beschaafde mannen
slechts weinig daarvan gezien hadden, een niet zeer uitgestrekt gebied,
en Herodotus had over het grootste gedeelte der toen bekende wereld
rondgezworven. Waar hij ook heenging, zette hij zijn oogen wijd open
en stelde hij met de grootste hardnekkigheid vragen. Daarna schreef
hij op, wat hij gezien en gehoord had. Hij schrijft, alsof hij een
verhaal vertelt. Als hij bij voorbeeld den tocht van Xerxes over den
Hellespont beschrijft, breekt hij zijn verhaal af, om mede te deelen,
wat voor soort mutsen of helmen de verschillende volken hadden, en
wat voor soort van wapenen zij droegen, al die kleine bijzonderheden,
die er toe medewerken een boek belangwekkend en boeiend te maken. Hij
blijft bij ieder punt stilstaan, alsof hij er behagen in schept,
dit in bijzonderheden te verhalen, en alsof hij zeker is, dat ook
zijn lezers het gaarne hooren.
De overlevering--die zoo aardig is, dat men zou wenschen dat zij juist
was--zegt, dat hij zijn geschiedenis bij de Olympische spelen voorlas,
en dat onder zijn toehoorders een knaap was van vijftien jaar oud,
Thucydides genaamd; toen nu die knaap de herhaalde toejuichingen
en kreten van bewondering hoorde, zou hij tranen in de oogen hebben
gekregen en tot zich zelf gezegd hebben: "Ook ik wil geschiedschrijver
worden." Thucydides werd een geschiedschrijver, niet minder beroemd
dan Herodotus. Hij maakt bij zijn lezers niet den indruk alsof hij in
het vertellen van een verhaal evenveel genot smaakt als Herodotus;
maar hij is zóó helder en onpartijdig, en ziet zóó juist de redenen
voor de gebeurtenissen die hij verhaalt, en legt ze zóó duidelijk en
boeiend bloot, dat een aantal schrijvers van lateren tijd zijn werken
herhaaldelijk hebben overgelezen, om te trachten, daaruit te leeren,
op dezelfde wijze als hij, geschiedenis te schrijven.
Zoo heerschte er dan groote voorspoed te Athene in de dagen van
Pericles. De Atheners hadden slaven, die het zware werk deden, en
die hun meesters den tijd lieten te genieten van poëzie en kunst en
van hun schoone stad. Er was slechts weinig armoede, immers om al
die prachtige nieuwe gebouwen op te richten, moesten er werklieden
zijn, die hout, steen, koper, goud, en ivoor konden bewerken, en die
wisten, hoe zij kleurstoffen konden gebruiken. Er was overvloedig
werk tegen een goed loon voor de gewone handwerkslieden, en er was
altijd behoefte aan schilders, beeldhouwers en alle soorten van
kunstenaars. Daarenboven waren de Atheners volkomen op de hoogte
van het vervaardigen van aardewerk en lampen, en van koperwerk van
allerlei soort. Kapiteins en zeelieden waren noodig voor de schepen,
die de vervaardigde voorwerpen naar vreemde landen brachten en
scheepsladingen wijn, glas, huiden, zoutevisch, specerijen, papyrus,
tapijten, goud en slaven terugbrachten. Athene ontving ieder jaar
belangrijke geldsommen van de leden van den Bond van Delos. De andere
staten verklaarden, dat het niet eerlijk was, dat Athene dat geld voor
eigen doeleinden gebruikte, en sommigen onder de Atheners waren van
dezelfde meening; zij zeiden, dat Pericles schande over de stad had
gebracht, door bezit te nemen van den schat van Delos. Pericles en zijn
partij antwoordden, dat de overige leden van den Bond het geld hadden
gegeven ten einde tegen de Perzen en de zeeroovers beveiligd te zijn,
en dat, nu toch Athene hen beschermde, het alleszins billijk was, dat
zij het geld voor zich besteedde en de stad versierde met gebouwen en
standbeelden, die een eeuwige glorie voor den staat zouden zijn. De
tegenstanders van Pericles antwoordden, dat er nu weinig gevaar was
voor zeeroovers of voor Perzen; maar geen geld werd teruggegeven,
en de bondgenooten werden steeds nog als onderworpenen behandeld. De
Atheners hadden hun stad lief en waren er zóó trotsch op, dat zij
de mooiste stad in Griekenland was, dat misschien zelfs zij, die met
Pericles in meening verschilden, zich niet zóó tegen hem verzetten,
als anders het geval zou geweest zijn.
Hoezeer ook de Atheners hielden van prachtige tempels, zij stelden
zich tevreden, te wonen in eenvoudige huizen met ruwe, onversierde
zolderingen. Zij brachten zóóveel tijd buiten 's huis door, dat een
huis voor hen niets anders was dan een veilige plek voor hun gezin
en hun bezittingen, en een schuilplaats tegen den storm. De zijde
van het huis, die tegenover de straat gelegen was, had op de tweede
verdieping eenige vensters, maar op de eerste verdieping was er niets
dan een kleine deur. Hier klopte men aan, als men wilde binnenkomen, en
evenzeer werd geklopt, als men op het punt stond uit te gaan, daar de
deuren naar buiten opengingen en zóó zwaar waren, dat een voorbijganger
gemakkelijk door een dergelijke deur kon worden gewond. Een slaaf zat
in den nauwen voorhof, om op het eerste geklop open te doen. Aan het
andere uiteinde was een binnenplaats met een rij pilaren er om heen. De
kamers van het huis kwamen uit op die binnenplaats. Zij waren meestal
niet ruim, en bevatten geen kostbaar huisraad. De stoelen en rustbanken
en de voetbankjes waren alle goed gevormd en bijzonder schoon, maar
niet kostbaar. De bedden waren wollen matrassen, uitgespreid op riemen
of leeren reepen. Er waren verschillende soorten van kommen, kruiken
en bekers, maar alle hadden sierlijke vormen, die het oog bekoorden;
en vooral de lampen waren bijzonder sierlijk en smaakvol.
De kleeren der Grieken waren al even eenvoudig als de huizen. De Griek
van goeden huize droeg een lang hemd zonder mouwen, of chiton, van
wol of linnen vervaardigd, en daarover heen was een bijna vierkante
mantel geslagen. De mantel was meestal wit, maar somtijds werden ook
kleuren gedragen. De mantel moest volkomen naar den eisch gedrapeerd
zijn, want als iemand zijn mantel bij ongeluk van rechts naar links
had omgehangen in plaats van omgekeerd, kon hij er zeker van zijn, dat
hij werd uitgelachen. De Grieken hadden geen hoeden of mutsen noodig,
behalve als het regende, of, als zij genoodzaakt waren op reis te
gaan in de gloeiende zon. De Griek van goeden huize droeg sandalen,
of, als hij dit verkoos, liep hij barrevoets, maar hij mocht vooral
zijn wandelstok en zijn zegelring niet vergeten. De Atheensche dames
droegen een chiton met mouwen, en daarover een lang, los gewaad,
dichtgemaakt met een gordel. Zij hadden niet alleen ringen aan
haar vingers, maar dikwijls in haar ooren en om haar enkels. Kleine
meisjes droegen lange kleeren, maar kleine jongens werden niet veel
met eenigerlei kleeren lastig gevallen, tenzij het bijzonder koud was.
Als voedsel hadden de Grieken rundvleesch, lamsvleesch, varkensvleesch,
ganzen, eenden en visch. Zij hielden bijzonder veel van lijsters, en
waren steeds verontwaardigd op de vogelhandelaars, die lucht bliezen
in de lichamen der vogels, om ze vetter te doen lijken. Er waren
verschillende soorten van groenten en vruchten. Er was geen suiker,
maar in plaats van suiker werd honig gebruikt, die zóó goed voldeed,
dat de Atheensche koks beroemd waren om hun gebak. Er werd veel wijn
gedronken, maar evenals in de dagen van Homerus achtten de Grieken
uit den tijd van Pericles het gulzig en onbeschaafd, wijn, niet met
water vermengd, te drinken.
In de harten der Grieken, hoe druk zij het ook hadden, was een ruime
plaats voor de kinderen; en werd dan ook goed voor hun lichamelijke
en geestelijke opvoeding gezorgd. Zij hadden evenzeer als de jongens
en meisjes uit onze dagen ruim tijd voor spelen, en zij speelden ook
veel, en dezelfde spelen als in onzen tijd. De meisjes hadden poppen,
van was of van klei vervaardigd, en de jongens hadden tollen, ijzeren
hoepels, hobbelpaarden, wagens en vliegers. Er waren ook stelten,
schommels en wipplanken. Zij kenden verschillende balspelen, en
blindemans- en krijgertje-spelen. Totdat de kinderen omstreeks zeven
jaar oud waren, speelden de jongens en meisjes samen en werden zij
bijna op dezelfde wijze behandeld; maar na dien tijd veranderde de
toestand, daar de jongens de school moesten bezoeken. Terwijl dan het
meisje thuis bleef en van haar moeder leerde lezen en schrijven en
de huishouding besturen, werd de jongen toevertrouwd aan de zorg van
een slaaf, die hem naar school bracht, hem weer naar huis geleidde,
zijn schrijfgereedschappen droeg, en oplette, dat hij zich
op straat behoorlijk gedroeg en geen ongelukken kreeg. De jongen
leerde het alphabet en leerde daarna lezen. Geen slordig lezen werd
geduld. Ieder woord moest duidelijk en juist worden uitgesproken,
en iedere gedachte moest behoorlijk geuit worden, voordat de meester
tevreden was. De jongen leerde schrijven op een schrijftafeltje,
met was bedekt. Hij teekende de letters met een kort, gepunt
werktuig, van been of metaal, stylus genoemd; daarna werd de was
weer gladgestreken en weer voor hem gereed gemaakt, om een ander
opschrift te maken. Nadat hij had leeren schrijven, moest hij alles
opschrijven, wat de meester voorlas. Die dictees waren geen eenvoudige
kinderverhaaltjes; het was een uittreksel uit de Ilias en de Odyssee,
sommige spreuken van Hesiodus, of het een of ander sierlijk Grieksch
gedicht van Pindarus of Simonides. De jongen behoefde niet snel te
schrijven, maar wel duidelijk en nauwkeurig, want den volgenden dag
werd hij voor de klasse geroepen en moest hij voorlezen, wat hij had
geschreven. Hij kreeg tevens onderwijs in rekenen, zingen, het bespelen
der lier, en somtijds ook in teekenen. Hij leerde dansen, hardloopen,
springen, worstelen, de jachtspies en den discus werpen. Het was
niet waarschijnlijk, dat velen der jongens ooit een prijs zouden
behalen bij de Olympische spelen, maar van iedereen werd geëischt,
dat hij zijn lichaam krachtig maakte en leerde zijn spieren te
gebruiken en te oefenen. Al was een jongen niet in staat een prijs
bij het hardloopen te winnen, toch kon hij leeren, zich behoorlijk
te bewegen, en zóó sierlijk en gemakkelijk te draven, dat het een
genot was naar hem te zien. Dit was het onderwijs voor jonge knapen,
waarvan de Grieken uit den schoonsten tijd hunner geschiedenis meenden,
dat het hen zou vormen tot flinke, degelijke en brave mannen en tot
goede staatsburgers. Als de knaap achttien of negentien jaar oud was,
werd hij burger. Zijn naam werd geboekt als lid van een demos. Een
zwaard en een schild werden hem gegeven, en hij werd opgeroepen, om
een plechtigen eed af te leggen, dat hij den godsdienst zou eeren, dat
hij zou strijden voor zijn vaderland, en dat hij ernaar zou streven,
het beter achter te laten dan hij het had gevonden.
De tijd van Pericles, of dat gedeelte van dien tijd, waarop
Griekenland op het toppunt was van zijn roem, wordt gerekend geduurd
te hebben van 445 vóór Christus tot aan 431 voor Christus, omdat,
niettegenstaande bepaald was, dat het verdrag dertig jaar zou duren,
het reeds na vijftien jaar verbroken werd. Gedurende die vijftien
jaren was er vrede in het land der Grieken, in Perzië, Spanje, Italië,
Gallië, in één woord in alle landen, die toen bekend waren. De eenige
uitzondering was de opstand van twee leden van den Bond van Delos,
Byzantium en Samos; maar het gelukte Pericles, die opstanden volkomen
te onderdrukken. Die vijftien jaren waren de meest verheffende in
de geschiedenis van Athene. De stad was rijk en krachtig, schoon
en gelukkig, en toch duurde het slechts enkele jaren, of de Atheners
waren zóó ongelukkig en deerniswaardig geworden, dat zij er ter nauwer
nood aan ontkwamen, als slaven te worden verkocht.