DE GROOTE PERZISCHE INVAL.

Terwijl de Atheners zich nog steeds verheugden over de overwinning

bij Marathon, en tot elkander zeiden: "Eindelijk zijn wij voor goed

bevrijd van de Perzen," waren er sommigen onder hen, die er niet

zoo zeker van waren, dat hun vijanden niet zouden terugkeeren. De

leider van die partij was een zekere Themistocles. Zijn vader was

een Griek, maar zijn moeder was een vreemdelinge, en daarom zagen,

toen hij nog een knaap was, de andere knapen, die van zuiver Grieksch

bloed waren, op hem neer. Hij maakte den toestand voor zich nog wat

moeilijker, daar hij zich niet naar hun gewoonten en handelingen

wilde schikken. Hij was bij voorbeeld van meening, dat het dwaas

was, die talenten tot ontwikkeling te brengen, waaraan in Griekenland

gewicht werd gehecht. Het verhaal is overgeleverd, dat op zekeren dag,

toen iemand een gezelschap door zijn gezang had vermaakt, eenigszins

schamper de opmerking tegen Themistocles gemaakt werd: "Van u schijnen

wij geen liederen te zullen hooren"; waarop hij antwoordde: "Neen, ik

heb in het geheel geen verstand van muziek en van zang, maar wel weet

ik, hoe een kleine stad groot gemaakt kan worden." Themistocles had

deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij geloofde niet alleen, dat

de Perzen zouden terugkeeren, en dat wel met nog grootere legermacht,

maar tevens, dat, als de Atheners zichzelf moesten verdedigen, zij

evenzeer te water als te land moesten leeren strijden. "Bouwt schepen,

bouwt schepen," zeide hij voortdurend.

De aanvoerder van hen, die een andere meening hadden dan Themistocles,

was Aristides, een man van een zóó oprecht en eerlijk karakter, dat hij

dikwijls "de Rechtvaardige" werd genoemd. Hij had evenals Themistocles

deelgenomen aan den slag bij Marathon, en hij was eerlijk overtuigd,

dat Themistocles ongelijk had. "Het zijn onze overwinningen te land,

die ons zoo krachtig hebben gemaakt," zoo dacht hij, "en zullen wij

nu onze veiligheid toevertrouwen aan de gevaren van den Oceaan?" Hij

en zijn partijgenooten bestreden Themistocles zóó krachtig, dat er

misschien geen enkel nieuw schip zou zijn gebouwd, indien er geen

oorlog ware uitgebroken tusschen Athene en Aegina. Aegina was zóóveel

beter voorzien van schepen dan Athene, en Athene gevoelde zóózeer de

noodzakelijkheid, dat er schepen in den oorlog werden aangeschaft,

dat de Atheners langzamerhand tot de meening begonnen over te

hellen, dat Themistocles wel eens gelijk kon hebben. Ten slotte

werd de strijd tusschen beide partijen zóó heftig, dat de zaak door

het schervengerecht moest worden beslist. Men verhaalt dat, terwijl

Aristides toezag, toen de stemmers hun scherven in de urnen wierpen,

een vreemdeling hem zeide: "Ik kan niet schrijven. Wilt gij den naam

van Aristides op mijn scherf zetten?" "Wat voor kwaad heeft hij u ooit

gedaan?" vroeg Aristides. De man antwoordde: "Niets, maar het verveelt

mij, hem altijd "de Rechtvaardige" te hooren noemen?" Aristides zeide

niets meer, maar schreef rustig zijn eigen naam op de scherf. De

stemming viel ten zijnen nadeele uit, en zoo ging hij in ballingschap.

Zelfs toen werden de schepen niet dadelijk gebouwd, want het bouwen van

schepen is altijd een kostbare geschiedenis, en het was zeer de vraag,

waar het geld vandaan moest komen. Gelukkig kwam juist in die dagen

een aanzienlijke som in de Atheensche schatkist uit sommige rijke

zilvermijnen. "Geeft dit geld om een vloot te bouwen," zoo pleitte

Themistocles, en eindelijk werden de schepen gebouwd. De Piraeus,

de haven van Athene--de stad toch was ongeveer zes kilometers van

de zee verwijderd--werd versterkt, of liever gedeeltelijk versterkt;

immers voordat het werk voltooid was, waren de Perzen op weg, om hun

derden inval in Griekenland te doen.

Toen de schepen van Darius te huis gekomen waren zonder den buit en de

menigte gevangenen, die de koning had verwacht, en toen hij de tijding

ontving van den slag bij Marathon, was hij heftig vertoornd. Tweemaal

waren de Perzische troepen naar Europa overgestoken, tweemaal waren

zij teruggedreven. Zij zouden nu ten derden male oversteken, en

hij zelf zou nu medetrekken. Die verwaande Atheners zouden nu eens

leeren, hoe Perzische koningen de vermetele volksstammen behandelden,

die zich tegen hen durfden verzetten. Hij begon alle noodzakelijke

toebereidselen te maken. Hij zond boden naar de steden, die hij

had veroverd, en beval hun manschappen, paarden en schepen bijeen

te brengen, en groote hoeveelheden koren te verschaffen. Gedurende

drie jaar werden de voorbereidselen voortgezet; doch toen stierf

Darius plotseling.

Xerxes, de zoon van Darius, werd nu koning. Hij was tevreden met

de uitgestrektheid van zijn rijk, en zou veel liever thuis gebleven

zijn. Zijn raadgevers waren echter van een andere meening. Mardonius in

het bijzonder, die de eerste expeditie tegen de Grieken had aangevoerd,

brandde van verlangen, te laten zien, dat hij, al had hij eens het

onderspit gedolven, toch een bekwaam legeraanvoerder was.

Xerxes besloot, den tocht te ondernemen, en stelde alles in het werk,

te zorgen dat die tocht gelukte. Er moest geen schipbreuk geleden

worden op den berg Athos, daarom liet hij dwars door het schiereiland

een kanaal graven. De landmacht moest den Hellespont oversteken, en

daar liet hij twee schipbruggen bouwen. Korten tijd daarna ontstak

de koning in groote woede, daar een storm zijn schipbruggen had

vernield. Hij beval zijn manschappen, den Hellespont driehonderd

zweepslagen te geven, omdat deze zoo vermetel geweest was, het

werk van den koning te vernietigen, en hij liet de bouwmeesters der

schipbruggen onthoofden. Daarna deed hij iets, wat ongetwijfeld heel

wat verstandiger en practischer was--hij zette zich aan het werk,

om steviger bruggen te bouwen. Eerst werden schepen naast elkander

geankerd, totdat de ruimte tusschen de beide kusten met schepen was

bezet. Daarna werden van de ééne naar de andere kust, zes ontzaglijke

kabels gespannen die op de dekken der schepen rustten. Daarop werden

groote blokken hout gelegd, daarop weder planken, en vervolgens

aarde. Alles werd stevig bevestigd; en ten slotte werd nog een

palissade aan weerszijden gebouwd, die zóó hoog was, dat paarden

en vee niet konden schrikken, als zij zagen, dat er water onder hen

was. De tweede brug werd op dezelfde wijze vervaardigd.

Toen de bruggen voltooid waren, het kanaal was gegraven, en groote

hoeveelheden levensmiddelen waren opgestapeld op verschillende plaatsen

langs den weg, dien Xerxes voornemens was te volgen, verliet hij de

hoofdstad van zijn rijk. Een tijdlang was hij doodelijk ontsteld, daar

de zon verduisterd werd. "Wat beteekent dit?" vroeg hij in vreeselijken

angst aan de wijzen, die hem vergezelden. "Vrees niet, o groote Koning"

was hun antwoord; "de zon waarschuwt de Grieken, de maan echter de

Perzen. De zon is van den hemel verdwenen, en dus zullen de steden der

Grieken van de aarde verdwijnen." Daarop marcheerde de koning verder.

Toen het leger aan den Hellespont kwam, stond op den top van

den heuvel een witte marmeren troon, dien Xerxes voor zich had

laten gereed zetten. Daarop zette hij zich neder. Onder hem zag

hij honderden schepen en ontelbare duizenden manschappen, de

grootste land- en zeemacht, die ooit was bijeengebracht. Xerxes

had altijd groot genot in een schoon schouwspel. Hij staarde naar

alle richtingen, naar de zee, de kust en weer naar de zee; en de

gedachte, die toen in de eerste plaats opkwam in den geest van dien

koninklijken aanvoerder was, dat hier een uitstekende gelegenheid was

voor een roeiwedstrijd! De roeiwedstrijd werd werkelijk gehouden,

en de koning genoot er ontzaglijk van. Hij was nog meer verheugd,

toen hij weer op zijn troepen neerzag. Maar plotseling begon hij te

weenen. "Mij beving," zoo sprak hij, "een groot medelijden, toen ik

dacht aan de kortheid van 's menschen leven, en daarbij overwoog,

dat van die geheele troepenmacht, hoe talrijk zij ook moge zijn,

niemand meer over zal zijn, als er honderd jaar verstreken zijn." Dit

was volkomen juist opgemerkt, maar geen deugdelijk legeraanvoerder

zou zich op zulk een tijdstip den tijd genomen hebben hetzij voor

roeiwedstrijden, hetzij voor philofische beschouwingen.

Den volgenden dag moesten de invallende troepen den Hellespont

oversteken. Reeds lang vóór het aanbreken van den dag brandden de

Perzen reeds specerijen op de schipbrug en bestrooiden zij den weg met

mirtekransen. Zij letten met de grootste aandacht op den oostelijken

hemel, daar de zon hun god was, en zij, als deze helder en schitterend

opkwam, op de overwinning mochten hopen. Toen de eerste zonnestralen

hun oogen verblindden, juichten zij luide van vreugde, en Xerxes

plengde een offer van wijn uit een gouden beker. "O Ormuzd," riep hij,

"ik bid u, dat geen ramp mij tegenhoude bij mijn veroveringstocht,

totdat ik de uiterste grenzen van Europa heb bereikt." Hij wierp

den gouden beker, een gouden schaal en een zwaard in den Hellespont;

en daarna begon het leger den Hellespont over te trekken.

Het was de schitterendste optocht, die ooit is gezien. Daar waren

de Tien Duizend Onsterfelijken, de uitsluitend voor den koning

bestemde lijfwacht, die ernstig en statig voorttrok, met kronen op

hun hoofd. Duizend van hen droegen speren met gouden granaatappels

aan het benedeneinde, en negenduizend droegen speren, beslagen met

zilveren granaatappels. En dan waren er de tien gewijde paarden, alle

met rijke schabrakken getooid. Dan was er de heilige wagen van Ormuzd,

den zonnegod, getrokken door acht melkwitte hengsten. Die wagen van

Ormuzd werd als zóó heilig beschouwd, dat zelfs de wagenmenner dien

niet mocht bestijgen, maar dien zoo goed mogelijk moest besturen door

er achter te loopen. Achter den wagen van Ormuzd kwam die van Xerxes,

door groote paarden getrokken. Er waren daar Perzen en Meden met

ijzeren maliënkolders, met bogen en pijlen, korte speren en dolken,

en groote teenen schilden. Er waren daar Assyriërs met bronzen helmen

en linnen borststukken, en stokken met ijzeren knoppen. Er waren

daar Saciërs met hooge, puntige mutsen, Sarangiërs in de meest bont

gekleurde kleederen; soldaten uit West-Ethiopië, die hun lichamen

half rood en half wit verfden; soldaten uit Oost-Ethiopië, die op

hun hoofden de huiden droegen van paardekoppen, met de ooren gespitst

en de manen als kuif. Er waren daar Colchiërs met houten helmen, en

kleine met leer bedekte schilden; Thraciërs met hun lange mantels en

met hun vossenhuiden op het hoofd; Chalybiërs, wier bronzen helmen den

vorm hadden van ossekoppen. Er waren wagens en paarden en kameelen en

bedienden en een lange trein met levensmiddelen. Al wat van metaal

was, was gepolitoerd en glinsterend; en vooral de Perzen droegen

zóóveel gouden versierselen, dat hun gelederen in de zon flikkerden

en glinsterden. Zij trokken over de bruggen, en gedurende zeven dagen

en nachten hoorden zij, die aan de kust van den Hellespont woonden,

het getrappel en gestamp van marcheerende voeten. Nadat zij de bruggen

waren overgetrokken, trok het landvolk verder naar Doriscus in Thracië,

waar ook de schepen zich moesten verzamelen. Hier monsterde Xerxes zijn

geheele legermacht. Hij deed dit op de volgende wijze. Tienduizend man

werden in een cirkel opgehoopt. Daarna werd een omheining gemaakt,

die de grootte had van dien cirkel, en met manschappen gevuld. Er

waren genoeg voetknechten, om dien honderdzeventig maal te vullen,

zoodat het aantal voetknechten 1700000 bedroeg. De ruiterij was 80000

man sterk. Xerxes reed in zijn wagen over de vlakte van den éénen

stam naar den anderen. Daarna besteeg hij een galei, en, gezeten

onder een gouden troonhemel, volgde hij met het oog de schepen,

die hem achter elkander voorbij voeren. De vlootrevue moet hem na

eenigen tijd wel hebben verveeld, immers er waren 1207 oorlogsschepen,

behalve omstreeks 3000 kleine schepen en vrachtbooten.

Het scheen, dat er genoeg troepen waren, om het kleine Griekenland

van de oppervlakte der aarde weg te vegen. Xerxes ontbood een Griek,

die door zijn landgenooten van den troon van Sparta was verdreven,

en zeide: "Demaratus, ik ben van meening, dat, zelfs indien alle

Grieken waren samengebracht, zij mijn aanval niet zouden kunnen

weerstaan, maar wat denkt gij er over?" Demaratus vroeg: "O koning,

zal ik u een juist antwoord geven, of verlangt gij van mij alleen een

antwoord, dat u welgevallig is?" "Spreek de zuivere waarheid," zeide

de koning, "en ik zal er u niet minder dankbaar om zijn." Toen zeide

hem Demaratus, dat, hoe het ook met de andere stammen gesteld mocht

zijn, de Spartanen zeker nooit zijn slaven zouden worden. "Indien er

slechts duizend van hen waren," zoo verklaarde hij, "zouden zij niet

vluchten, maar zouden zij moedig te velde trekken en tegen uw geheele

leger slag leveren." Koning Xerxes lachte en zond hem vriendelijk weg.

Het leger werd onder het marcheeren nog voortdurend grooter, immers de

stammen, die door de Perzen overwonnen waren tijdens vroegere invallen,

werden gedwongen, soldaten te leveren. Reeds lang te voren was het

bevel gezonden naar de steden langs den weg, dat zij levensmiddelen

voor het leger moesten verschaffen. Zij durfden dit niet te weigeren,

en gedurende een aantal maanden hadden zij druk werk gehad, om alles

gereed te maken. Tarwe en gerst moest gemalen worden; vee en gevogelte

moest worden gekocht en vet gemest. Deze dienden voor het leger;

maar de bewoners der steden wisten zeer goed, dat zij bovendien een

schitterend feestmaal voor den koning en zijn vrienden moesten gereed

maken, indien zij diens gunst wilden winnen. Een enkele stad legde

aan een dergelijk feestmaal meer dan een millioen gulden ten koste,

en andere steden niet zooveel minder. Het leger verslond den geheelen

voorraad, die op de akkers en het land aanwezig was, en dronk als

het ware de rivieren droog, zoodat zij niets achter zich lieten dan

kleine modderbeekjes, die zich langs de ledige beddingen voortsleepten.

Het was de vraag, of zij door de bergengte van Tempe in Thessalië

zouden trekken, of door een andere, die verder van de kust verwijderd

was. Xerxes ging aan boord van één van zijn schepen, en deed een

korten tocht, ten einde van uit het water Tempe te kunnen zien. Hij

liet het anker vallen aan de kust van Thessalië, en staarde naar

het strand. Vóór hem verrezen hooge klippen. Tusschen die klippen

was een nauwe kloof, waardoor een rivier in zee stroomde. "Is er

geen andere uitweg voor de rivier?" vroeg hij. "Neen, o Koning"

luidde het antwoord, "want Thessalië is geheel omgord door een kring

van bergen." "De Thessaliërs waren dan verstandige mannen," zeide

de koning, "dat zij zich tijdig aan mij onderworpen hebben. Ik zou

gemakkelijk die engte kunnen vullen en het geheele land in een meer

kunnen veranderen." Xerxes zeilde naar zijn leger terug, maar voordat

hij verder ging, zond hij afgezanten naar de verschillende staten,

om aarde en water te vragen. Maar naar Athene en Sparta werden geen

herauten gezonden, omdat daar de afgezanten, die vroeger gezonden

waren, zoo schandelijk waren behandeld.

De Grieken hadden de beweging van Xerxes gevolgd, zooals een muis die

van een kat volgt. "Hij maakt groote toebereidselen; hij is in Sardes

in Lydië, hij is aan den Hellespont: hij is dien overgetrokken";

dit waren de berichten, die hen bereikten. Er waren enkele staten,

die besloten, zich maar dadelijk over te geven aan de genade van den

Perzischen Koning, en die hun aarde en water zonden. De Atheners

wisten zeer goed, dat hun geen genade zou worden geschonken. Zij

wisten eveneens, dat er geen kans op de overwinning bestond, als zij op

zichzelf moesten staan. Daarom noodigden zij de verschillende staten

uit, afgevaardigden te zenden naar een bijeenkomst, die te Corinthe

zou worden gehouden. Sommige staten zonden afgevaardigden; andere

deden dit niet. De Spartanen werden beschouwd als de beste soldaten

van Griekenland; en zij zouden natuurlijk het geheele leger aanvoeren;

maar Argos wilde niets weten van een bondgenootschap, indien niet de

koning van Argos zijn deel kreeg in het opperbevel. Thebe wilde van

niets weten, wat door Athene werd voorgesteld. Ook waren boodschappers

gezonden naar de grootere koloniën, om hulp te vragen, ten einde het

moederland te bevrijden van de barbaren. "Als Griekenland veroverd

is," zoo spraken zij, "zullen de Perzen op u losrukken. Redt u zelf,

door Griekenland te redden." Gelo, de tyran van Syracuse in Sicilië,

luisterde met aandacht naar de boodschap. Hij antwoordde: "Ja, ik zal

u tweehonderd oorlogsschepen en acht-en-twintig duizend manschappen

zenden, en ik zal voedsel voor het geheele leger verschaffen, zoolang

de oorlog duurt; maar ik, Gelo van Syracuse, moet dan leider en

opperbevelhebber zijn." "Het opperbevel komt Sparta toe," verklaarden

de afgezanten. "Als gij u niet onder onze leiding wilt stellen, moet

gij ons geen troepen zenden." "Ik heb veel meer manschappen dan de

Spartanen," zeide Gelo, "maar ik zal toegeven en tevreden zijn met

het opperbevel, òf te land òf ter zee."

Doch ook de Atheensche afgezanten wilden van hun rechten geen afstand

doen. "Wij zijn de oudste natie van Griekenland," zoo zeiden zij,

"wij bezitten de grootste vloot; zelfs te Troje was onze aanvoerder

beroemd om zijn geschiktheid; en als de Spartanen het opperbevel ter

zee afstaan, dan komt het ons toe." Gelo antwoordde: "Gij hebt naar

alle waarschijnlijkheid meer aanvoerders dan manschappen. Hoe sneller

gij terugkeert, des te beter."

Athene, Sparta, Plataea en andere staten, die waren overeengekomen,

gemeene zaak te maken, zagen nu, dat zij op niemands hulp konden

rekenen, maar aan eigen kracht waren overgelaten. De Atheners zonden

boden naar Delphi. Het orakel was even onduidelijk als de orakels

gewoonlijk waren, en de eenige mededeeling, die zeker scheen te zijn,

was, dat de vijand Athene zou innemen. Eén zinsnede in het bijzonder

werd door de Atheners herhaaldelijk besproken en van alle kanten

bekeken. Zij luidde: "De houten muren zullen veilig blijven voor u

en uw kinderen." Sommigen brachten het feit in herinnering, dat in

de oudste tijden de Acropolis door een houten palissade versterkt

was. "Wat er ook geschiede," zoo zeiden zij "wij kunnen ons op de

Acropolis terugtrekken." Themistocles echter zeide, dat naar zijn

meening "de houten muren" hun schepen beteekenden; en ten slotte

waren het de meeste Atheners met hem eens.

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 24 / 48 题