In den loop der tijden verjoegen de meeste Grieksche staten hun
tyrannen. Dit was gelukkig, immers in de moeilijkheden, die hun te
wachten stonden, was het noodzakelijk, dat er tusschen de verschillende
burgers van een staat eensgezindheid heerschte, en dat zij bovendien
niet werden bestuurd door iemand, die zich weinig bekommerde om
hen of om het vaderland, als hij zelf maar zijn positie als tyran
kon handhaven.
De moeilijkheden kwamen van het oosten. Juist aan de andere zijde
van de Aegeïsche Zee lag de landstreek Lydië. Hier en in het
naburige grondgebied hadden de Grieken koloniën gesticht, en daar
zoovelen der kolonisten uit Athene en andere Jonische steden gekomen
waren, en daarom van Jonisch bloed waren, werd de geheele groep een
volksplanting, bekend onder den naam van Jonië. Die volksplantingen
waren voorspoedig en rijk geworden. Het was zeer gemakkelijk in Lydië
rijk te worden. Lydië was het land, waar volgens de overlevering
koning Midas had geleefd, die het vermogen had gekregen, alles wat hij
aanraakte in goud te veranderen, een vermogen, dat hij afschuwelijk
begon te vinden, toen zijn dochter bij zijn aanraking in een levenloos
gouden beeld was overgegaan. Het verhaal liep, dat de bodem van de
rivier den Pactolus in goud was veranderd, toen Midas de eigenschap,
dat alles wat hij aanraakte in goud overging, verloren had, nadat hij
in den Pactolus had gebaad. Hoe dit moge zijn, zeker was het, dat de
rivier op den bodem goudzand bevatte. In het begin hadden de Lydiërs
zich niet veel om hun zeekust bekommerd, en hadden zij zich tegen de
vestiging der Grieken niet verzet; maar naarmate de tijd voorbijging,
begon zich bij hen de overtuiging te vestigen, dat een koninkrijk
niet van de zee moest worden afgesloten door volkeren van een geheel
anderen stam. "Jonië moet ten minste toegeven, dat ik er koning over
ben," zoo sprak de beheerscher der Lydiërs, en hij viel Milete aan,
de grootste en rijkste van alle steden in de koloniën. De aanval
eindigde in goeden vrede; de stad en het koninkrijk kwamen overeen,
in vriendschap te leven.
De volgende koning van Lydië was Croesus. Hij belegerde één
kolonie,--maar dat beleg werd tamelijk zachtmoedig ten uitvoer
gebracht, zoodat het in wezenlijkheid geen schade toebracht--en
spoedig stemde niet alleen die ééne volksplanting, maar alle Jonische
koloniën er in toe, hem als hun koning te erkennen. Croesus was de
rijkste heerscher in Azië, en hij was even edelmoedig als hij rijk
was. Hij bewonderde de Grieken en hield van hen, en was steeds gereed
hun gunsten te bewijzen. De Spartanen zonden eens boden naar hem
toe, om goud te koopen, ten einde het standbeeld van een godheid
te versieren, en hij schonk hun alles wat zij noodig hadden ten
geschenke. Een Athener was vriendelijk geweest voor zijn afgezanten,
en de dankbare koning voerde hen naar de koninklijke schatkamer, en
stond hem toe, zooveel goud mede te nemen als hij kon dragen. Hij
was zóó goed voor de bewoners van Delphi, dat zij hem tot burger
der heilige plaats maakten. De volksplantingen vonden het wel niet
aangenaam, dat zij haar onafhankelijkheid verloren, maar zij hadden
van een zoo welwillenden heerscher niets te vreezen.
Spoedig kwam echter de tijd, dat zij reden hadden verontrust te
worden. Cyrus, de koning der Perzen, had Medië, het land, dat ten
oosten van zijn koninkrijk lag, onderworpen, en maakte zich gereed
Lydië aan te vallen. Hij noodigde de koloniën uit, zich met hem
te vereenigen. Milete stemde daarin toe, maar de andere koloniën
weigerden. Croesus werd verslagen, en toen moest Jonië toegeven.
Zoo kwam het, dat Griekenland de rijke koloniën aan de Lydische
kust verloor; en voordat vele jaren voorbijgegaan waren, begonnen
de Grieken voor hun eigen land te vreezen. Het Perzische rijk, hoe
groot het ook was, was niet groot genoeg, om den zoon van Cyrus,
Cambyses, te voldoen, en toen hij aan de regeering kwam, begon hij
voorbereidingen te maken, om zijn rijk uit te breiden. Hij veroverde
Phoenicië, en snelde langs de kust van Afrika, terwijl hij Egypte en
de Grieksche koloniën ten westen van Egypte verwoestte. De volgende
koning, Darius, was zelfs nog veel eerzuchtiger dan Cyrus en Cambyses
geweest waren, en zoodra hij sommige oproeren had onderdrukt, enkele
prachtige gebouwen had gesticht en sommige goede wegen had aangelegd,
trok hij eveneens uit, om zijn koninkrijk te vergrooten. Eerst trok
hij naar het oosten, en spoedig was Indië een deel van het Perzische
rijk geworden. Hij had echter het land, dat in het westen lag, niet
vergeten, en niet lang daarna besloot hij, zijn krachten op Europa
te beproeven. Hij had een oude veete tegen de Scythen, een volk, dat
leefde in het zuiden van het tegenwoordige Rusland, en daarom begon
hij met te trachten hen ten onder te brengen. Hij trok den Bosporus
over en marcheerde door Thracië in noordelijke richting. Hij wist,
dat de Donau in zijn weg zou zijn, daarom had hij reeds te voren
zijn vloot naar de monding dier rivier gezonden, met het bevel,
een schipbrug over den Donau te leggen. Daarna trok hij den Donau
over, teneinde de Scythen te vervolgen. Hij zou even goed den wind
kunnen achtervolgen, want er waren daar geen steden te verwoesten,
en de Scythen brachten bijna hun geheele leven te paard door. Zij
hadden een gewoonte, die de vijanden dol van woede maakte, en wel
dat zij altijd in het gezicht der Perzen bleven, zonder ze ooit de
gelegenheid te geven, hen te pakken.
De Scythen hadden schik in het geval, doch Darius was wanhopig en
wist niet, wat te beginnen. Daarna zonden de Scythen hem, om hem te
tergen, een geschenk--en wel een muis, een kikvorsch, een vogel en
vijf pijlen. "Indien de Perzen verstandig zijn," zeide de afgezant,
"kunnen zij de beteekenis zelf wel ontdekken." "De muis is van de
aarde afkomstig, de kikvorsch van het water, de vogel uit de lucht,
terwijl de pijlen overleg beteekenen," zoo bedacht Darius. "Het
beteekent, dat zij op het punt zijn zich over te geven." Maar één
der Perzen kon zich met die verklaring niet vereenigen. Volgens hem
was de beteekenis deze: "Zoolang gij, Perzen, u niet in vogels kunt
veranderen en door de lucht kunt vliegen, of muizen kunt worden om
onder den grond te wroeten, of u in kikvorschen kunt veranderen en u
kunt terugtrekken in de moerassen, zult gij nooit uit dit land kunnen
ontsnappen, maar zult gij omkomen, door onze pijlen doorboord." Darius
hechtte niet de minste waarde aan die verklaring; maar toen de Scythen
en Perzen eindelijk in slagorde geschaard stonden, vloog een haas op;
de Scythen renden weg om dien haas te vervolgen. Toen zeide Darius tot
den uitlegger: "Gij hadt gelijk. De Scythen hebben groote minachting
voor ons, en wij zullen naar Perzië terugkeeren."
Zij namen den terugtocht aan, maar de Scythen trokken sneller voort
dan zij, en kwamen vóór hen aan de schipbrug. Deze werd door sommige
Joniërs bewaakt, die zich aan Darius hadden overgegeven. "Breekt de
brug af," riepen de Scythen met aandrang, "gij kunt dan in vrede naar
huis gaan. Wij zullen er voor zorgen, dat Koning Darius nooit weer een
oorlog begint." De Jonische aanvoerders waren door Darius belast met
de bescherming van enkele steden, die hij veroverd had. Eén van hen,
Miltiades, zeide: "Laat ons de brug vernielen, en dan zal Griekenland
ten eeuwigen dage bevrijd zijn van de vrees voor Darius." "Neen,"
zeide van zijn kant Histiaeus, de heerscher van Milete. "Indien Darius
verslagen wordt, zullen wij niet langer in zijn steden het bevel
voeren." De brug werd niet verwoest, en Darius keerde veilig naar
huis terug. Hij had wel is waar de Scythen niet ten onder gebracht,
maar hij had een aantal steden in Thracië en Macedonië gedwongen,
zich aan hem te onderwerpen. In het noorden, oosten en zuiden van
Griekenland was in werkelijkheid alles in zijn handen; en om de zaken
voor dat kleine land zelfs nog moeilijker te maken, kwam er nog bij,
dat het koninkrijk Carthago, in Afrika, het eiland Sicilië trachtte
in bezit te krijgen.
De Grieken uit het moederland waren verontrust, en die in Jonië waren
ongelukkig. Toch zou er misschien niets gebeurd zijn, als Histiaeus,
die Darius gaarne aan zijn hof verbonden wilde houden, er niet naar
verlangd had naar Milete terug te keeren. Zijn redeneering was deze:
Indien de Jonische volksplantingen slechts wilden in opstand komen,
zou misschien Darius mij terugzenden, om die koloniën ten onder te
brengen." Het gelukte hem, een boodschap aan zijn schoonzoon te doen
toekomen, die luidde: "Zorg, dat er in Jonië een opstand wordt op touw
gezet." Zijn schoonzoon gehoorzaamde. Daarna stak hij de Aegeïsche
Zee over, om te hooren, of Griekenland de opstandelingen te hulp zou
komen. Sparta had er niet het minste belang bij en er ook volstrekt
geen lust in, Jonische kolonisten te hulp te komen en zoo Athene te
versterken, maar Athene kon moeilijk hulp weigeren, waar het haar
eigen kolonisten betrof. Bovendien hadden zij zelf nog een kleinen
wrok tegen de Perzen, omdat zij Hippias hadden opgenomen en alles
hadden gedaan, wat zij slechts konden, om hem weer tyran van Athene
te maken. De Atheners besloten daarom, twintig schepen te zenden. De
Eretriërs op Euboea, een groot eiland aan de kusten van Attica,
beloofden hun hulp, en zoo zeilden deze en de Atheners de Aegeïsche
Zee over. De kolonisten en hun bondgenooten namen Sardes, de hoofdstad
van Darius, in; doch toen kwamen een zóó groot aantal Perzen in het
veld, dat zij begonnen vrees te koesteren. Zij ijlden terug aan boord
van hun schepen en gingen weder naar huis. Zij hadden genoeg gedaan,
om zich de vijandschap van Darius op den hals te halen, maar niet
genoeg om de kolonisten van veel dienst te zijn. Vlugge ijlboden
spoedden zich naar Darius "O Koning" riepen zij, "Sardes is genomen
en verbrand door de Joniërs en de Atheners!" "De Atheners! wie zijn
dat?" vroeg Darius. Zijn raadslieden vertelden het hem. Hij schoot
een pijl in de lucht en riep: "O Zeus, sta mij toe, dat ik mij op de
Atheners wreek!" Daarna wendde hij zich tot een slaaf en gaf dezen
het volgende bevel: "Zoo dikwijls ik mij neerzet om te eten, moet
gij driemaal luide roepen: Koning, denk aan de Atheners!"
Darius was er de man niet naar, zijn toorn te vergeten, en het
duurde dan ook niet lang, of een Perzisch leger trok door Thracië en
een Perzische vloot zeilde met de grootste snelheid naar Attica en
Euboea. Mardonius, de schoonzoon van Darius, had het opperbevel. De
vloot moest een lang en rotsachtig voorgebergte voorbijzeilen, aan
het uiteinde waarvan de Berg Athos gelegen is met zijn gekartelde
rotsen en steile klippen. Toen de schepen ten noordoosten van dat
punt gekomen waren, stak uit het noordoosten een razende storm op,
die de hulpelooze schepen tegen de rotsen te pletter stootte. Er waren
zóóveel schepen verloren gegaan en zóóveel manschappen verdronken,
dat er voor de Perzen niets anders overbleef dan om te keeren en weer
naar huis te gaan.
Zoo was de eerste poging, om een inval in Griekenland te doen,
geëindigd, maar steeds riep de slaaf driemaal bij iederen maaltijd: "O
koning, denk aan de Atheners!" en Darius begon spoedig voorbereidselen
te maken, om een inval in Griekenland te doen. Het was hem niet te
doen, om strijd te leveren, maar om in Griekenland voet te krijgen;
daarom zond hij, voordat hij een aanval begon, afgezanten naar de
verschillende Grieksche staten, om te zeggen: "Darius, de groote
koning, verlangt, dat gij hem aarde en water zendt." Alle Grieksche
naties wisten, dat het geven van aarde en water een bewijs van
onderwerping was. Sommige onder de staten gaven toe, maar andere, en
in de eerste plaats Athene en Sparta, waren zóó verontwaardigd, dat
zij de plichten uit het oog verloren, die zij jegens de afgevaardigden
hadden te vervullen. De Atheners wierpen de afgevaardigden van den
koning in een afgrond, waarin dikwijls misdadigers geworpen werden;
de Spartanen wierpen de afgevaardigden in een diepen put, en riepen
hun toe, dat zij nu hun hart konden ophalen aan aarde en water.
Daarop volgde de tweede Perzische expeditie. De Perzen hadden er
volstrekt geen lust in, ten tweeden male op den berg Athos schipbreuk
te lijden; daarom zeilden zij dwars de zee over naar Euboea. "Helpt
ons" smeekten de Eretriërs de bewoners van Attica, en de Atheners
zonden hun troepen. Zij zouden waarschijnlijk nog heel wat meer
hebben gezonden, als zij niet vernomen hadden, dat de Eretriërs niet
eensgezind waren. Enkelen wilden strijden tot hun laatsten ademtocht;
anderen echter waren van plan, als de omstandigheden daartoe leidden,
de stad in handen der Perzen te helpen; daarom keerden de Atheners
naar huis terug. Nog een tijdlang hielden de Eretriërs den strijd vol;
doch ten slotte pleegde één der Eretriërs verraad, en speelde de stad
in handen der Perzen.
De Perzen dachten, dat het al heel weinig moeite zou kosten, Attica
te veroveren; daarom legden zij hun krijgsgevangenen ketenen aan,
ten einde hen als slaven te verkoopen, plaatsten hen in hun schepen
en zeilden de landengte over naar Attica. Zij hadden iemand aan boord,
die het land goed kende; dit was namelijk Hippias zelf. "De vlakte van
Marathon is," zoo had hij gezegd, "de beste plaats om te landen. Zij
is uitgestrekt en effen en biedt voldoende ruimte aan, om de ruiterij
te ontplooien." Daarom landden de Perzen te Marathon. De bergen zagen
kalm neer op de duizenden soldaten, en Hippias droomde zich reeds
weer tyran van Athene.
Maar gedurende al dien tijd waren de Atheners niet ledig gebleven. Van
ieder der phylae, die Clisthenes had gevormd, waren duizend man
gekomen, gewapend en gereed voor den strijd. Juist aan de grens van
Attica lag Plataea. Athene had Plataea verdedigd tegen Thebe, en
Plataea stelde er prijs op, dien dienst te vergelden; daarom kwamen
door één der bergpassen duizend soldaten uit Plataea aanrukken,
om hun trouwe vrienden, de Atheners, te helpen. Ook de Spartanen
wenschten er toe mede te werken, dat de Perzen verjaagd werden; doch
zij beschouwden het als een slecht voorteeken, ten oorlog te trekken
de laatste vijf of zes dagen vóór volle maan; en voordat de maan vol
was, was de slag bij Marathon reeds geleverd.
Het voornaamste dat ons van den slag is overgeleverd, is dat de
Grieken in slagorde waren opgesteld tegenover de heuvels; de Perzen
waren opgesteld tusschen hen en de zee; een eind van de kust waren
de schepen en de ketenen, waarin de Grieken als slaven zouden worden
weggevoerd, als zij den veldslag verloren. Er waren tienmaal zooveel
Perzen als Grieken; maar de Grieken waren één van geest en streden voor
hun haardsteden en hun vrijheid. Miltiades, die er op had aangedrongen,
de brug over den Donau te verwoesten, was hun aanvoerder. Hij gaf het
teeken tot den aanval. De Grieken stormden in volle vaart vooruit en
deden een aanval op de Perzische linie. Het is niet te verwonderen,
dat de Perzen in stomme verbazing bleven staren en een oogenblik bijna
vergaten te strijden. "Dat zijn krankzinnigen," riepen de Perzen uit;
"zie, hoe zij aanvallen zonder boogschutters en zonder ruiterij om hen
te dekken!" Daarna ontbrandde tusschen beide legers een strijd op leven
en dood. De Grieken waren het sterkst op de vleugels, de Perzen in het
midden. Tegen het einde van den slag joegen de Grieksche vleugels de
Perzische vleugels op de vlucht, maar het centrum der Perzen brak door
het centrum der Grieken heen. Toen keerden de vleugels der Grieken zich
om en stormden op de Perzen los, waarop deze door de vlakte renden en
de helling der kust afdaalden. Zij doorwaadden het ondiepe water en
bestegen hun schepen, alsof duivels hen achtervolgden. Zij hadden even
goed door duivels als door die woedende Grieken kunnen zijn nagezeten,
die in razende vaart door het water achter hen aan holden, zelfs tot
aan de zijboorden van de Perzische schepen. "Vuur, vuur!" riepen zij
"brengt ons vuur, om de galeien te verbranden!" En voordat de Perzen
konden uitzeilen, hadden de Grieken zeven van hun schepen genomen.
De aanvallers waren vertrokken, maar er was geen minuut tijd voor
rust of voor vreugdebetoon, daar de vloot recht naar het zuiden
stevende. "Athene, Athene, zij zullen Athene aanvallen!" was de
kreet, die van alle kanten werd gehoord. De uiterst vermoeide troepen
marcheerden recht op Athene aan en kampeerden aan de oevers van den
Ilissus; en toen de Perzen tot de overtuiging kwamen, dat de stad
niet bij verrassing kon worden genomen, wendden zij de stevens en
keerden naar huis terug.
Nu was de tijd voor feestvieren aangebroken. In één opzicht was
de slag bij Marathon slechts een kleine slag; er waren namelijk
slechts een betrekkelijk gering aantal strijders in betrokken. Aan
den anderen kant was het één der belangrijkste veldslagen, die ooit
geleverd zijn; immers indien de Grieken niet hadden overwonnen,
zouden de dappere, trotsche vrijheidlievende Grieken de slaven der
Perzen geworden zijn. Miltiades was de man van den dag, en de Atheners
wisten niet, hoe hem genoeg eer te bewijzen. De Spartanen waren in
geforceerde marschen gekomen, in de hoop, tijdig genoeg voor den
veldslag aanwezig te zijn. Nu bleef hun niets anders over dan naar
de vlakte van Marathon te gaan, de krijgsgevangenen te aanschouwen
en de tenten vol met kostbare schatten, en de dapperheid der Atheners
te prijzen. Maar hoe kon eer bewezen worden aan de dappere soldaten,
die hun vaderland hadden gered? Het was de gewoonte der Grieken,
de lijken van hen, die in den slag gevallen waren, naar huis te te
voeren, om daar begraven te worden, maar ten opzichte van de helden van
Marathon zeiden zij: "Laat hen liggen, waar zij gesneuveld zijn. Hun
lijken mogen nooit de plek verlaten, waar zij hun heldendaden hebben
verricht." En dus begroeven zij de gesneuvelde Grieken in de vlakte
van Marathon. Over hun graf werd een hooge aardheuvel opgericht, en
op dien hoop werden tien statige marmeren zuilen geplaatst, waarop
de namen gegrift waren van iederen Athener, die bij de verdediging
tegen de barbaren gesneuveld was. Een tweede groote aardheuvel werd
opgericht ter eere van de Plataeërs. Ook daarop werden zuilen gezet,
waarin de namen gegrift waren van de helden, zelfs van de slaven,
die gesneuveld waren bij de redding van Griekenland. Marmeren zuilen
gaan te gronde, zij vallen en breken, zij worden naar andere landen
gevoerd; maar een aardheuvel blijft in stand, en de aardheuvels in
de vlakte van Marathon zijn nog in onze dagen te zien. Er is echter
nog een ander gedenkteeken; immers in de kleine dorpen in den omtrek
wordt de bevolking somtijds in den nacht wakker, en verbeeldt zij
zich, dat zij in de doodsche stilte het hinneken der paarden, het
kermen der gewonde manschappen en de machtige kreten der overwinning
kan hooren; en als zij daar in de duisternis staan rond te kijken,
verbeelden zij zich, dat zij de schimmen kunnen zien van de mannen,
die bij Marathon hebben gestreden.