DE REGEERING VAN PISISTRATUS EN DE ALCMAEONIDEN.

De Atheners waren, zooals in het vorige hoofdstuk is gezegd,

onrustig en ontevreden, zoodat zij met ongeduld naar eenige

verandering uitzagen. Het was dus juist de geschikte tijd voor een

listig man, plannen te smeden, om de volksgunst te winnen en tyran

te worden. Er was toen juist iemand, geschikt om dit te doen. Hij

heette Pisistratus. Hij was bij het volk in groot aanzien wegens zijn

vrijgevigheid en omdat hij overwinningen behaald had bij de Olympische

wagenrennen. Hij deed het voorkomen, alsof hij volkomen tevreden

was met de wetten van Solon, en dat hem niets anders ter harte ging

dan het heil van zijn vaderland. Het volk geloofde hem volkomen, en

toen hij eens op het marktplein kwam aanrijden, met bloed besmeerd,

namen zij in volle vertrouwen de waarheid aan van zijn verhaal, dat

zijn vijanden hem haast hadden vermoord, omdat hij zich zoozeer wijdde

aan het heil van het volk. Het marktplein was vol van het armste volk,

welks bijzondere vriend Pisistratus beweerde te zijn. Solon was daar

eveneens en riep uit: "Pisistratus, gij hebt dit zelf gedaan, om uw

landgenooten te bedriegen." Toch schonk het volk den bedrieger geloof

en nam onmiddellijk een voorstel aan,--dat gedaan werd door iemand,

dien hij vooruit daarvoor had aangenomen--dat hun miskende vriend een

lijfwacht zou hebben van vijftig man, met stokken gewapend. Geleidelijk

nam dit aantal toe. "Het volk" wilde dit, en de aanzienlijken durfden

zich niet te krachtig tegen hen te verzetten. Na korten tijd bestond

de lijfwacht reeds uit vierhonderd krachtige mannen. Daarna bezette

Pisistratus de Acropolis. Hij werd tyran van Athene en Athene was

niet langer vrij. Herhaaldelijk had Solon de Atheners gewaarschuwd,

maar zij hadden zijne waarschuwingen in den wind geslagen. Ten laatste

legde hij zijn schild en zijn zwaard buiten zijn deur op den grond en

sloot de deur, terwijl hij zeide: "Ik heb alles gedaan wat ik vermocht,

om mijn vaderland en de wetten des lands te verdedigen."

Pisistratus gevoelde zich nu meester van Athene. "Hoe zal hij

Solon behandelen?" vroeg het volk zich af. Spoedig werd het hun

duidelijk, dat hij er niet aan dacht, Solon eenig leed aan te

doen. Integendeel, dikwijls won hij zijn raad in, waar het openbare

aangelegenheden betrof; en Solon was edelmoedig genoeg en bezat genoeg

vaderlandsliefde, om nooit zijn raad te weigeren, als hij dacht,

dat het den staat ten goede zou komen.

Pisistratus verbande de Alcmaeoniden, maar na korten tijd werd hij

zelf uit de stad verjaagd. Het gelukte hem terug te keeren, en het

was een eigenaardige terugkeer. Deze had plaats op een feestdag,

toen de straten vol volk waren, dat de optochten gadesloeg, die ter

eere van de goden werden gehouden. De ééne optocht na den anderen

was voorbij gekomen, toen plotseling de luide stemmen van herauten

gehoord werden, die riepen: "Mannen van Athene, ontvangt en verwelkomt

Pisistratus! Athene eert hem boven alle andere mannen, en brengt hem

nu terug naar haar eigen Acropolis!" Een prachtig militair geleide

volgde, en toen kwam een prachtige wagen aanrollen, waarin een

lange, schoone vrouw zat, gekleed in volle wapenrusting met schild

en speer, en zooveel mogelijk gelijkend op Athene, zooals de Grieken

haar zich voorstelden. Naast den wagen reed de tyran. Het volk keek

met de grootste verbazing toe. "Het is de godin zelf," fluisterden

enkelen met ontzag; anderen zagen, dat het niets dan een list was;

maar het einde was, dat de poort van de Acropolis werd opengeworpen

en dat Pisistratus ten tweeden male tyran van Athene was. Ten tweeden

male werd hij uit de stad verdreven, doch daarna keerde hij door

wapengeweld terug. Eindelijk was hij meester van den toestand, en

wist hij zich achttien jaren lang tot aan zijn dood te handhaven.

Natuurlijk kwam de regeering niet van rechtswege aan Pisistratus toe,

maar niemand kon ontkennen, dat hij er een goed gebruik van maakte. Wel

is waar hield hij de hoogste ambten voor leden van zijn eigen geslacht

beschikbaar, maar hij was welwillend voor de arme landbouwers en

gaf hun vee en zaden en landbouwgereedschappen. Hij verfraaide de

stad met prachtige tempels; hij bouwde een stevige waterleiding

om het water van de bergen naar beneden te voeren, en hij deed een

prachtigen tuin aanleggen aan den oever eener rivier in de nabijheid

der stad. Hierin waren statige gebouwen, fonteinen en heerlijke

wandelingen in schaduwrijke boschjes. Hier plachten de Atheensche

jongelingen samen te komen voor militaire oefeningen. Hij legde wegen

aan naar verschillende gedeelten van het land. Deze gingen alle uit

van een altaar in Athene, en daar waren tafels geplaatst, waarop de

afstanden naar de verschillende plaatsen waren aangeteekend. De wegen

zelf werden veel geriefelijker en aangenamer voor reizigers gemaakt,

immers daarop werden mijlpalen geplaatst, niet maar gewone steenen,

maar houten palen, waarvan de top eindigde in een Hermeskop, den god,

tot wien zij, die op het punt waren op reis te gaan, om bescherming

baden. Dikwijls werd het ééne of andere grappige gezegde in den

paal gesneden.

Natuurlijk vergat Pisistratus de godin Athene niet. Er is een oud

verhaal, dat zij en Poseidon eens met elkander wedijverden, om te

zien, wie de nuttigste gave aan de stad kon schenken. Poseidon gaf een

fontein van zout water, en Athene een olijfboom. Het werd uitgemaakt,

dat het geschenk der godin het meest waard was. Haar naam werd aan de

stad gegeven, en steeds werd zij bijzonder vereerd. Pisistratus bouwde

voor haar dienst een tempel, en jaarlijks vierde hij een prachtig feest

ter harer eer. De oudste Grieken meenden, dat het beeld eener godin

in zeker opzicht de godin zelf was, en zij waren er van overtuigd,

dat Athene zich ten zeerste verblijdde, als zij een indrukwekkenden

optocht hielden op dit feest, en naar den tempel een schitterend nieuw

gewaad brachten om daarmede het beeld der godin te bekleeden. Al die

dingen zijn reeds lang voorbijgegaan, en hoezeer deze de Atheners

hebben mogen behaagd, voor ons maken zij weinig verschil meer. Doch

men verhaalt van Pisistratus één daad, waarvoor ook wij nog, zelfs

na vier en twintig eeuwen, hem dankbaar mogen zijn; men zegt toch,

dat hij alle menschen, die de werken van Homerus en Hesiodus kenden,

naar Athene heeft samengeroepen, om de gedichten te vergelijken, zooals

zij gewoon waren die op te zeggen. Die lezing, waarvan uitgemaakt

werd, dat zij de beste was, werd zorgvuldig op schrift gebracht; en

dit is de oorzaak, dat wij thans nog de gedachten van die twee groote

schrijvers kunnen lezen in ongeveer dezelfde woorden, waarin de oude

Grieken die lazen. Pisistratus stelde er zich niet mede tevreden,

de doode dichters eer te bewijzen; hij noodigde ook de besten der

toenmaals levende dichters uit, Athene tot hun woonplaats te kiezen,

en hij zorgde er voor, dat zij daar behagelijk konden leven.

Toen Pisistratus in het jaar 527 vóór Christus stierf, was er niemand,

die zijn zoon Hippias verhinderde, hem op te volgen. In het begin was

Hippias welwillend voor het volk, maar na eenigen tijd werden hij en

zijn jongere broeder Hipparchus zóó hoovaardig en aanmatigend, dat

een samenzwering werd gesmeed, om hen te vermoorden. Hippias ontkwam,

maar zijn broeder werd gedood. Daarna trad Hippias zóó tyranniek

op, dat zij, die vroeger zeer met hem waren ingenomen, er naar

begonnen te verlangen, dat hij van de regeering werd gestooten. Er

waren bovendien enkelen, die buiten Athene verblijf hielden, en die

hetzelfde wenschten. Dit waren de Alcmaeoniden, die gedurende al

dien tijd in ballingschap hadden geleefd. Steeds hadden zij gehoopt

terug te kunnen keeren, en zij waren verstandig genoeg te weten,

dat de eerste stap daartoe was, de gunst te winnen van de priesters

te Delphi. Zij wachtten verlangend naar een gelegenheid; eindelijk

kwam deze. De tempel van Apollo te Delphi vloog in brand en brandde

tot den grond af. "Wij willen hem voor driehonderd talenten opbouwen,"

zeiden de Alcmaeoniden; en de overeenkomst werd gesloten. Nu was voor

hen het geschikte oogenblik gekomen. Niet alleen dat zij zich aan de

overeenkomst hielden, maar zij deden veel meer dan hun plicht was,

daar zij niet alleen de standbeelden en het beeldhouwwerk, maar ook

het geheele gebouw in ieder opzicht veel schooner maakten dan zij

hadden afgesproken. Zij hadden bij voorbeeld beloofd, dat zij het

voorportaal van den tempel van kalksteen zouden vervaardigen; maar

in plaats van gewoon kalksteen, maakten zij gebruik van het zuiverste

en witste Parisch marmer.

De Grieken waren hiermede ten hoogste ingenomen, en de priesters van

Apollo waren bereid alles voor de edelmoedige Alcmaeoniden te doen. Het

was voor hen een gemakkelijke zaak, gunsten te bewijzen, zoolang zij

de beschikking hadden over het orakel, en zij begonnen dus pogingen

in het werk te stellen om de Alcmaeoniden weder naar Athene terug

te brengen. De Spartanen waren flinke krijgslieden en hadden reeds

lang er naar gehaakt, Athene aan zich te onderwerpen; zoo dikwijls

zij nu het orakel raadpleegden over de ééne of andere onderneming,

was het antwoord steeds: "Bevrijdt eerst Athene." Eindelijk trok de

Spartaansche koning Cleomenes met zijn leger uit, en het duurde toen

niet lang meer, of de Alcmaeoniden kwamen terug te Athene, en Hippias

werd gedwongen in ballingschap te gaan.

De aanvoerder der Alcmaeoniden was Clisthenes, en spoedig werd hij de

heerscher van Athene. Het gelukte hem, twee veranderingen tot stand te

brengen, die bijzonder voordeelig waren voor zijn land: hij wist te

bewerken, dat er meer eenheid kwam onder de burgers, en hij gaf het

gewone volk een ruimer aandeel in het stadsbestuur. De eenheid onder

de bevolking bracht hij tot stand door hen op een geheel andere wijze

te verdeelen dan voorheen het geval was geweest. Er waren vroeger vier

"Jonische phylae", zooals zij genoemd werden, en iedereen zag op tegen

de aanzienlijke mannen van zijn eigen phyle en behoorde tot de ééne of

andere partij. Clisthenes besloot die partijen uit elkander te rukken,

en dit deed hij op de volgende wijze: Hij verdeelde het geheele land

in tien districten of demen. Daarna vormde hij een phyle, bestaande

uit de bevolking van één deme in het noorden van Attica, een andere

in het zuiden en zoo vervolgens. Er waren tien van die phylae, maar de

bevolking van de verschillende demen waren voor elkander vreemdelingen;

en zoo was het voor een ontevreden edele nu lang zoo gemakkelijk niet

als te voren, om een partij samen te stellen, die hem hielp. Sedert

den tijd van Draco was er steeds een Raad geweest, die wetten aan het

volk voorstelde, en Clisthenes gaf nu iedere phyle het recht vijftig

leden voor den Raad te kiezen. Iedere phyle echter koos een bestuurder

over zich zelf, en eveneens een legeraanvoerder, die aan het hoofd

van het leger stond gedurende één dag, om de beurten met de negen

andere legeraanvoerders. Er werd echter geen verandering gebracht in

de verdeeling der burgers in vier klassen, naar hun inkomen uit land,

en het was nog altijd onmogelijk voor iemand uit de vierde klasse,

om een staatsbetrekking te vervullen.

De regeeringsvorm van Attica was nu een democratische, dat wil zeggen,

een volksregeering. In vroegere dagen kon niemand overheidspersoon

zijn, tenzij hij tot de Eupatriden behoorde. Draco stond de Ecclesia

toe, de overheidspersonen te kiezen uit hen, die een zeker inkomen

uit land trokken. Tot de Ecclesia liet hij alleen toe, die wapenen en

een wapenrusting uit eigen middelen konden bekostigen. Solon wilde

niet, dat iemand tot overheidspersoon gekozen werd, als hij niet,

zooals in de dagen van Draco, een bepaald inkomen uit land trok; maar

hij liet een ieder tot de Ecclesia toe, zoowel hen, die uit eigen

middelen hun wapenen konden bekostigen, als hen, die daartoe niet

in staat waren. Clisthenes wilde niet, dat de mannen uit de vierde

klasse ambten bekleedden, maar het volk in zijn geheel gaf hij veel

meer macht dan zij vroeger gehad hadden. Er waren een groot aantal

nieuwe burgers, immers Clisthenes gaf hun, die uit andere landen in

Attica waren gekomen, zelfs hun die eertijds slaaf geweest waren,

het recht, burgers te worden.

Ten einde nog meer macht aan het volk te geven, en het onmogelijk,

voor wien ook, te maken, tyran te worden, voerde Clisthenes twee

merkwaardige gebruiken in. Het ééne was het ostracismus. Indien de

Raad en de algemeene vergadering dachten, dat de ééne of andere burger

zooveel macht kreeg, dat er vrees bestond, dat hij tyran werd, riepen

zij de burgers zamen. Dan werd een ieder verzocht op een aarden scherf

(ostrakon) den naam te schrijven van iedereen, van wien zij meenden,

dat hij gevaarlijk zou worden voor de vrijheid van den staat. Indien

iemand zesduizend stemmen kreeg, moest hij voor den tijd van tien jaar

Athene verlaten. Die verbanning was natuurlijk verre van aangenaam,

maar toch werd zij als een soort van onderscheiding beschouwd, want

inderdaad beteekende het: "Gij zijt grooter of meer populair dan wie

ook in den staat."

Het tweede gebruik diende, om rijke of machtige personen te beletten

partijen te vormen, die hen tot ambten konden verkiezen. Indien

iemand eenig staatsambt wilde verkrijgen, was alles wat hij nu kon

doen, zijn naam als candidaat voor dat ambt op te geven. Dan werd

er om geloot, om uit te maken, wie de gelukkige zou zijn, die het

ambt zou verkrijgen. Natuurlijk waren de Grieken niet zoo dwaas, hun

legeraanvoerders op die wijze te kiezen; en wat ook de gebreken der

twee gebruiken waren, zij hielden Athene ten minste vrij van tyrannen.

Het gemeene volk was met die veranderingen zeer ingenomen; de

aanzienlijken echter hadden daar ernstig bezwaar tegen; daarom begonnen

zij plannen te beramen, de democratie omver te werpen. Zij deden een

beroep om hulp bij den Spartaanschen vorst. Koning Cleomenes begreep,

dat, indien Athene een democratie was, en de groote massa van het volk

tevreden was met den toestand, er weinig hoop was, dat hij in Attica

macht zou verkrijgen. Bovendien was hij tot het inzicht gekomen, dat

hij eenvoudig door de Alcmaeoniden gebruikt was geworden, om hen naar

Athene terug te brengen, zonder dat hij er voor Sparta eenig voordeel

door had verkregen. Daarom was hij niet alleen bereid te helpen,

maar wist hij enkele bondgenooten der Spartanen er toe te brengen,

zich met hem te vereenigen. De bondgenooten trokken zich echter terug,

de Spartaansche aanvoerders kregen onderling oneenigheid en het geheele

Spartaansche leger spatte uit elkander. Het waren de Thebanen en de

bewoners van Chalcis, die dit oogenblik hadden gekozen, om tegen de

Atheners op te trekken. Maar de Atheners trokken evenzeer ten strijde,

en versloegen eerst de Thebanen en daarna de Chalcidiërs. Later deden

de Spartanen een poging, Hippias weder naar Athene terug te brengen,

maar de Atheners waren van hen niet gediend; en zij waren verplicht,

op dat oogenblik hun poging om Attica te beheerschen, op te geven.

Athene had standbeelden, gebouwen, uitstekende wetten en een beter

staatsbestuur verkregen; maar, wat het meest waard was, het had het

zóóver gebracht, dat de groote meerderheid harer burgers één waren

in hun liefde voor hun vaderland.

De Geschiedenis van het Grieksche Volk · 第 16 / 48 题