Sparta was de voornaamste staat van den Peloponnesus, en zelfs ten
noorden van den Peloponnesus werd die beschouwd als de voornaamste
van geheel Griekenland, die dan ook de leiding gaf. Hun voornaamste
mededinger was Attica. Attica was een schiereiland, dat een lengte had
van ongeveer 140 kilometers, en dat aan de noordzijde en de westzijde
door bergen werd begrensd. Er waren enkele rivieren in dat land, maar
zelfs de grootste van deze liep in den zomer bij warm weder droog. De
grond was schraal en onvruchtbaar. De Grieken konden zich volkomen
tevreden stellen met een maaltijd, bestaande uit een stuk brood, een
beker wijn en een handvol olijven; maar zelfs deze konden in Attica
lang zoo gemakkelijk niet verkregen worden als in den naburigen staat
Boeotië; immers de bodem moest, om deze voort te brengen, met groote
zorg worden bebouwd. Daar tegenover stond echter een groot voordeel,
dat tegen die nadeelen ruimschoots opwoog, en dat was het heerlijke
klimaat. Attica was in den winter warmer, en in den zomer koeler dan
Boeotië. De lucht was zóó zuiver, dat verwijderde voorwerpen op veel
grooteren afstand konden worden onderscheiden dan ergens anders. De
hemel was zóó helder en schitterend, dat het een genot was daarin
te staren, en zelfs al waren de bergen eenigszins kaal, de lucht
gloeide zóó prachtig bij zonsondergang, dat de fijne vormen der toppen
daartegen schitterend mooi uitkwamen. De bevolking was van Jonischen
stam. Met zelfverheffing zeiden zij: "Nooit hebben vreemde veroveraars
ons overwonnen. Wij zijn uit den grond zelf ontsproten." Daarom
droegen de Atheensche vrouwen zoo gaarne sieraden in den vorm van een
krekel,--omdat men meende, dat ook de krekel uit den grond was geboren.
Van Attica was in de vroegste tijden weinig bekend; maar daar er in
dien staat geen slaven gevonden werden, was de meening waarschijnlijk
juist, dat het land nooit door vreemdelingen was veroverd, maar dat
de staat was gevormd uit een vereeniging van mannen van hetzelfde
ras. De Grieken leefden in de overtuiging, dat die vereeniging was
tot stand gebracht door den held Theseus, die eertijds hun koning
was; en er loopen omtrent diens heldendaden ontelbare verhalen. Men
verhaalde, dat hij niet alleen den Minotaurus had gedood, maar
dat hij ook op een oorlogsexpeditie was uitgetrokken met Heracles,
en dat hij met het schip Argo was uitgezeild om de Gouden Vacht te
halen. Ook verhaalt men, dat hij zich als jongmensch zóó opgesmukt
kleedde, met zijn sierlijke kleeren, zijn juweelen en zijn reukwerken
dat eenige werklieden, die hij eens voorbij liep, eerst verbaasd
bleven staan, en daarna lachten en zeiden; "Dat jonge meisje is
oud genoeg om te trouwen; hoe komt het, dat zij zoo alleen langs de
straten loopt?" Theseus hoorde dit gesprek, en om te toonen, dat hij
werkelijk iets meer was dan een modegek, hield hij een kar tegen,
die juist voorbij kwam, spande de ossen uit het juk en slingerde
die over een tempel. Toen hij koning geworden was, noodigde hij,
zoo luidt het verhaal, niet alleen menschen die in Attica woonden,
maar zelfs vreemdelingen uit, huizen voor zich te doen bouwen in
Athene. De stad was toen niets anders dan een troep kleine woningen op
een groote rots met een breeden, vlakken top; maar het was een uiterst
veilige plaats, daar het voor vijanden niet gemakkelijk zou zijn,
om de rots te beklimmen en zoo de stad binnen te trekken. Theseus
was volstrekt niet begeerig naar macht; immers toen de bewoners van
de overige gedeelten van Attica aarzelden er in toe te stemmen, te
worden geregeerd door een Atheensch vorst, zeide hij tot hen: "Als
gij dit wilt doen, zal ik van mijn rechten afstand doen. Gij zult even
goed koning zijn als ik, behalve dat ik waken zal over de handhaving
der wetten, en als er oorlog komt, zal ik het leger aanvoeren." Het
is niet te verwonderen, dat zij toegaven aan een zoo edelmoedigen
vorst. Theseus richtte een zuil op, om de plaats te bepalen, waar de
grenzen van Attica begonnen. Daarna stelde hij schitterende feesten
in ter eere van de vereeniging der Attische dorpen.
De volgende beroemde koning was volgens de legenden koning Codrus. Hij
had een tijd lang rustig geregeerd, toen hij in moeilijkheden
geraakte. De Spartanen en enkele andere Doriërs verbonden zich met
elkander, ten einde Athene aan te vallen, en sloegen hun kamp op
vóór de muren der stad. Zij waren vol vertrouwen op den uitslag,
daar het orakel gezegd had: "Indien gij het leven van Codrus spaart,
zult gij ongetwijfeld de overwinning behalen." Natuurlijk waren zij nu
van plan het leven van Codrus te sparen--dit was een geringe prijs,
dien zij voor de overwinning moesten betalen--en spoedig zou Athene
in hun macht zijn. Als zij geweten hadden, wat voor man Codrus was,
zouden zij niet zoo gerust en vol zelfvertrouwen geweest zijn. Een
vriend van den koning, die te Delphi woonde, vertelde hem, wat het
orakel gezegd had; en oogenblikkelijk had de dappere en opofferende
koning een besluit genomen, hoe hij moest handelen. Hij vermomde
zich als een houthakker, sloop de poorten der stad uit, en begaf zich
daarheen, waar hij zeker was eenige Doriërs te zullen ontmoeten. Het
duurde niet lang, of hij kwam er twee tegen. Eén van dezen sloeg hij
met zijn bijl en doodde hem. Daarop doodde de andere Codrus. Korten
tijd daarna vernamen de Atheners, dat de koning voor hen het leven had
gelaten, en zij zonden een bode, om te vragen of de Doriërs zijn lijk
wilden afstaan. De Doriërs schrikten, toen zij hoorden, wat zij gedaan
hadden. "Het helpt niet, of wij Athene aanvallen," zeiden zij, "immers
de goden zullen tegen ons zijn," en daarom gingen zij weg en trokken
over de landengte van Corinthe terug naar den Peloponnesus, zoodat
Athene gered was. De Atheners waren zóó dankbaar, dat zij besloten,
dat er nooit meer een andere koning over Athene zou heerschen, opdat
de titel ten eeuwigen dage aan den edelen vaderlander Codrus gewijd
zou zijn.
Er waren later echter wel koningen, doch deze moesten het gezag
deelen met acht andere magistraten, archonten of heerschers genaamd,
totdat op het laatst de koning-archont weinig meer te doen had dan de
openbare offers aan de goden te brengen. De negen archonten te zamen
hadden in de verste verte niet zooveel te zeggen als een beroemde
raad, de Areopagus genoemd, welke naam samenhing met het feit, dat hij
vergaderde op den Heuvel van Mars, of Ares; die Areopagus vervaardigde
alle wetten en velde vonnis over alle personen, die van een misdaad
werden beschuldigd.
Oppervlakkig zou men meenen, dat dit een goede inrichting van het
staatsbestuur was, maar er kwam één factor bij, die een zoodanige
instelling hoogst onrechtvaardig maakte; al die archonten en leden
van den Areopagus waren Eupatriden, dat wil zeggen: mannen van hooge
geboorte. Meestal waren zij zeer vermogend, en zij maakten wetten,
die zeer voordeelig en gemakkelijk waren voor de rijken, maar die
zwaar drukten op de armen. De regeeringsvorm was dus een oligarchie, of
"regeering van weinigen"; en een oligarchie is slechts zelden billijk
tegenover het gewone volk. Sommigen van de behoeftige burgers leefden
op de goederen der Eupatriden, en als zij de verschuldigde pacht
niet betaalden, hadden de eigenaars dier goederen het recht, hen en
hun gezin als slaven te verkoopen. Zelfs zij, die kleine boerderijen
in eigendom hadden, waren er niet veel beter aan toe, want een groot
aantal van hen waren genoodzaakt geweest, geld van de aanzienlijken
te leenen, terwijl zij slechts weinig hoop hadden, hun schuld af te
lossen. Daarom was op een aantal boerderijen een pilaar geplaatst,
waarin het bedrag gegrift was, dat de boer verschuldigd was, en de naam
van den man, aan wien de boerderij verpand was. Somtijds werden de arme
boeren zóó ontmoedigd, dat zij hun kinderen als slaven verkochten,
om nog slechts de rente van de schuld, die op hun goederen rustte,
te kunnen betalen. De Eupatriden hadden een genoegelijk leven, maar
het behoeft niet te verwonderen, dat de arme lieden hoe langer hoe
ellendiger werden. Enkelen gingen als kolonisten naar andere streken,
en zij, die achterbleven, werden met den dag meer ontevreden.
Ten slotte zagen zelfs de Eupatriden, die het leven luchthartig
opnamen, dat iets moest gedaan worden, om de moeilijkheden te
verminderen. Er was één feit, dat het volk ontzettend onbillijk vond,
en wel: dat de wetten nooit openlijk waren afgekondigd; indien dus
een Eupatride het eigendom van iemand uit het volk wegnam, was er
voor dezen geen middel, om te ontdekken, of in overeenstemming dan
wel in strijd met de wetten was gehandeld. "Indien wij de wetten
openlijk afkondigen, zullen zij tevreden zijn," meenden de edelen;
en zij kozen een Eupatride, Draco genaamd, om alles te verzamelen
en te herzien, wat tot nu toe naar de algemeene overtuiging wetten
genoemd werd. Langen tijd na Draco was de wetgeving zóóveel zachter
en menschelijker geworden, dat men zeide, dat de wetten van Draco
"in bloed waren geschreven," maar dat zij toch veel redelijker en
rechtvaardiger waren dan de ongeschreven wetten, die vóór dien tijd van
kracht waren geweest. Bovendien gaf zijn wetboek veel grooter macht
aan het volk, dat niet tot de aanzienlijken behoorde "de menigte,"
zooals de Eupatriden hen noemde; immers het bevatte de bepaling, dat
de overheidspersonen niet tot de Eupatriden behoefden te behooren,
maar konden gekozen worden uit de leden der Ecclesia, of de algemeene
vergadering, dat waren die lieden, die een zeker inkomen uit het land
trokken. Het wetboek stond zelfs de Ecclesia toe, de overheidspersonen
te kiezen. Dit was voor "de Menigte" een groote vooruitgang, want
iedereen die in staat was zich zelf wapenen aan te schaffen voor den
strijd, had het recht tot de Ecclesia te behooren.
Draco vormde bovendien uit het geheel der burgers een Raad, die onder
andere tot taak had, aan de Ecclesia wetten voor te stellen.
Die wetgeving van Draco was in sommige opzichten voortreffelijk; maar
hij vergat één belangrijk feit, en wel, dat die lagen der bevolking,
die arm en hongerig waren, en in voortdurend gevaar verkeerden om
als slaven te worden verkocht, zich niet veel tevredener zouden
gevoelen, omdat zij wisten, dat enkele anderen, die het iets beter
hadden dan zij, nu het recht hadden deel te nemen aan de stemming
voor overheidspersonen.
Één der Eupatriden, Cylon genaamd, meende, dat het een gunstig
oogenblik was, zich zelf tot tyran uit te roepen. Hij zelf en zijn
volgelingen bezetten den grooten burcht, de Acropolis, in de
verwachting, dat het lagere volk zich bij hen zou voegen. Dit
gebeurde echter niet, en spoedig waren zij omsingeld door den archont
Megacles en het staatsleger. Cylon ontsnapte, terwijl zijn volgelingen
zich terugtrokken in den tempel van Athene, die op de Acropolis stond.
Megacles was daardoor in een moeilijken tweestrijd. Het zou een
misdaad zijn jegens de godheid, als hij zelfs opstandelingen aanviel,
als zij in den tempel der godin gevlucht waren onder haar bescherming;
en het zou den tempel bezoedelen en onrein maken, als manschappen
daarin aan den hongerdood werden prijs gegeven. Eindelijk zond hij
een boodschap aan de opstandelingen in deze bewoordingen: "Indien gij
u overgeeft, zal ik uw leven sparen." De opstandelingen stemden daarin
toe, maar zij waren er niet volkomen zeker van, dat de archont zijn
woord zou houden; daarom bonden zij, toen zij den tempel verlieten,
een touw aan het altaar van Athene, en daalden van de Acropolis af,
met het touw in de hand. Waarschijnlijk hielden zij het touw iets te
stevig vast, immers het brak plotseling. "De godin weigert u te
beschermen," riep Megacles uit, en viel de ongelukkige slachtoffers
aan. Enkelen werden op slag gedood, anderen gesteenigd. Daarna was het
de beurt der Atheners, om beangst te worden. "De godin Athene zal
zeker de stad straffen," zoo kermden zij, en zij eischten, dat Megacles
zou worden verbannen. Sommigen der edelen waren van dezelfde meening,
doch anderen waren niet geneigd, een bondgenoot op te offeren. Ten
slotte werd, door den invloed van een wijzen Eupatride, Solon genaamd,
Megacles in staat van beschuldiging gesteld. Het eindigde er mede, dat
hij met zijn geheele geslacht, de Alcmaeoniden, verbannen werd.
Solon was volstrekt geen vreemdeling voor zijn landgenooten. Het
was door zijn toedoen, dat het eiland Salamis toen aan Attica
toebehoorde. Zoowel Athene als de stad Megara hadden er aanspraak op
gemaakt, en toen uit dien twist een oorlog ontstond, werden de Atheners
zóó vreeselijk verslagen, en waren zij zóó wanhopig, dat zij een wet
uitvaardigden, die luidde, dat iedereen, die voorstelde, den oorlog
met Megara te hernieuwen, ter dood zou worden gebracht. Solon was er
van doordrongen, dat het een schande voor zijn vaderland zou zijn,
Salamis op te geven, maar hij had er volstrekt geen lust in, ter dood
gebracht te worden. Ten slotte maakte hij een plan, zijn landgenooten
wakker te schudden. Hij sloot zich op in zijn eigen huis en liet het
gerucht verspreiden, dat hij krankzinnig was. In werkelijkheid hield
hij zich bezig met de vervaardiging van een gedicht over Salamis,
dat de gemoederen in opstand moest brengen. Op zekeren dag ijlde hij
plotseling naar de marktplaats, waar altijd een menigte gereed stond,
verlangend wat nieuws te hooren, en zeide hij zijn gedicht op. Dit
begon aldus:
"Hoor en let op: ik kwam van Salamis,
Om van uw dwaling u te overtuigen."
Een krankzinnige kon niet gestraft worden wegens de overtreding van
een wet, en de Atheners waren door dit gedicht zóózeer wakker geschud,
dat zij besloten, den oorlog te hernieuwen. Zij schijnen overtuigd
geweest te zijn, dat Solon zóó krankzinnig was, dat hij niet kon
worden gestraft, maar tevens toch genoeg bij zijn verstand, om een
goed legeraanvoerder te zijn; daarom droegen zij hem het opperbevel
over hun troepen op. Eindelijk viel Salamis in de handen der Atheners.
Om die redenen stelden zoowel de Eupatriden als de groote menigte
een groot vertrouwen in Solon, en gaven zij hem het recht alles te
doen, wat naar zijn oordeel zou kunnen bijdragen tot verbetering van
den toestand. Er was ongetwijfeld behoefte aan iemand met een groot
verstand, want geheel Attica was in beroering. Behalve de moeilijkheden
tusschen de armen en de rijken, waren er voortdurend drie partijen,
die aanhoudend met elkander twistten: de bevolking der vlakten,
die woonde in de meest vruchtbare landstreek; de menschen, die aan
de kust woonden, die dus dicht bij de zee leefden, en visschers en
handelslieden waren; en de bergbewoners of schaapherders, die woonden
aan de ruwe hellingen der heuvels, waar zij hun kudden weidden.
Die verschillende soorten van menschen hadden ook verschillende
doeleinden en begeerten; en niemand, hoe verstandig hij ook mocht
zijn, kon allen tevreden hebben gesteld. Solon schonk slechts zeer
weinig aandacht aan wat een bepaalde klasse van menschen verlangde,
maar deed, wat hij dacht, dat het meest in het belang was van den
geheelen staat. De grootste en meest dringende moeilijkheid was,
dat zoovele menschen in schulden staken. De kleine boeren, die een
eigen boerderij bezaten, verloren snel hun boerderijen en werden
daglooners, terwijl daglooners als slaven verkocht werden. Een zóó
groot aantal was als slaven verkocht, dat hun afwezigheid een groot
verlies was voor het land. De eerste besluiten van Solon waren nu
deze, dat men zijn schulden kon afdoen in een nieuwe munt, die een
vierde minder woog dan de oude, maar die toch gerekend zou worden de
vroegere waarde te hebben gehouden; dat de schulden der landbouwers,
die geld van den staat hadden geleend, zouden worden vrijgeschonken;
dat hij, die er in had toegestemd, de slaaf te worden van een ander,
als hij geleend geld niet op tijd teruggaf, niet aan zijn verplichting
gehouden zou zijn; en dat zij, die naar vreemde landen zouden zijn
verkocht, teruggebracht zouden worden op kosten van den staat of van
hen, die hen had verkocht.
Op het eerste gezicht schijnen die wetten tamelijk onbillijk geweest te
zijn tegenover de schuldeischers; maar in het algemeen was het zeker,
dat, als een rijk man geld leende aan een arme, hij zeer goed wist,
dat hij nooit zijn geld kon terugkrijgen; zijn doel was, den man zelf
in zijn macht te krijgen, dat is, vrije burgers tot slaven te maken,
en het was niet goed, dat dit door de wetten werd bekrachtigd.
Solon was zelf een Eupatride, maar hij kon niet goedkeuren, dat de
wetten uitsluitend door de Eupatriden werden gemaakt. Hij verdeelde
het volk in vier klassen, in verband met het inkomen, dat zij uit hun
landerijen trokken. De rijken bezetten meer ambten, maar moesten ook
hoogere belastingen betalen. Zij, die tot de laagste klasse behoorden,
dat waren zij, die te arm waren om wapenen en een wapenrusting voor
zich zelf te koopen, waren tot geen ambt verkiesbaar, maar zij
betaalden geen belasting; en iedereen, zoowel armen als rijken,
behoorde tot de Ecclesia en had stemrecht. Zoo maakte Solon de
instellingen in overeenstemming met zijn geliefde lijfspreuk:
"Gelijkheid veroorzaakt geen oorlogen." Met die nieuwe wetten stond
voor iedereen de gelegenheid open, om van de ééne klasse tot een
andere op te klimmen, en ten slotte de hoogste ambten in den staat
te bekleeden. Iedereen kon zelfs lid van den Areopagus worden, en
in de oogen van den Athener was dit het hoogste der staatsambten. De
meeste wetten van Draco werden afgeschaft, en Solon vervaardigde een
nieuw wetboek. Ten slotte schonk hij amnestie aan de Alcmaeoniden en
stond hen toe, naar Athene terug te keeren. Hij bepaalde niet naar
vaste regelen, hoe kinderen moesten worden opgevoed, maar blijkbaar
wenschte hij niet, dat zij hun tijd in lediggang doorbrachten, immers
hij bepaalde, dat niemand verplicht was zijn vader in diens ouderdom
te ondersteunen, tenzij de vader hem als knaap geleerd had zich zelf
door het ééne of andere bedrijf te onderhouden. Solon wijdde al zijn
gedachten aan het heil van den staat. Hij was niet, evenals Lycurgus,
van meening, dat men het geld moest minachten, maar veeleer, dat men
het zóó zorgzaam en verstandig moest gebruiken, dat er geen gebrek
aan was, als men het noodig had. Op dien grond maakte hij enkele
bepalingen, waarbij het bedrag werd beperkt, dat bij begrafenissen
mocht worden besteed, waar meestal heel wat geld voor werd uitgegeven,
en zoo maakte hij ook enkele bepalingen omtrent de kleeding der
vrouwen; indien bij voorbeeld een vrouw op reis ging, mocht zij niet
meer dan drie gewaden medenemen. De wetten werden op houten tafels
geschreven, en die werden daar geplaatst, waar iedereen ze kon lezen.
Er waren zóóveel verschillende partijen in Athene, dat niemand van
deze volkomen voldaan was. Gedurig zochten zij Solon dan ook op. "Wat
beteekent die wet?" vroegen zij dan, of "Waarom wordt die wet niet
veranderd?" Ten slotte besloot Solon weg te gaan, en het volk en de
wetten een tijd lang met rust te laten. Toen hij echter naar Athene
terugkeerde, bleek het hem, dat de burgers evenmin tevreden waren als
toen hij ze had verlaten. De aanzienlijken hadden gedacht, dat alles
rustig en kalm zou zijn, nadat de schulden waren kwijtgescholden,
terwijl het hun bleek, dat dit niets had geholpen. Een aantal
arme lieden waren van hun kant vreeselijk teleurgesteld, daar zij
verwacht hadden, dat hun vriend Solon hen allen op de ééne of andere
geheimzinnige wijze rijk zou maken. De aanzienlijken waren het ook
onderling oneens, en de drie gedeelten, de mannen uit de vlakten,
die der kusten en die der bergen, waren nog steeds oneenig.