Indien de aardrijkskundige toestand van Griekenland anders geweest
was, zou ook de geschiedenis der Grieken zich geheel anders
hebben ontwikkeld dan inderdaad het geval is geweest. Het land was
samengesteld uit rijen bergen en onzichtbare valleien. Het was niet
gemakkelijk, die bergen over te trekken, en daarom waren er bijna
evenveel nietige rijkjes als er valleien waren. De bevolking van ieder
dier valleien had haar eigen landje en haar eigen zeden en gewoonten
lief, en de Grieken zouden tevreden geweest zijn te huis te blijven,
als de zee er niet was geweest; maar deze omspoelde Griekenland aan
drie kanten, haar weg zoekend naar het binnenland in scherpe nauwe
inhammen. In welke richting zij zich ook bewogen, zij waren nooit
meer dan ongeveer zeventig kilometers van den oceaan verwijderd. De
valleien riepen hun "halt" toe, maar de oceaan lokte hen steeds aan,
verder te gaan.
Er waren niet veel goede havens op de westkust van Griekenland, maar
er waren er verscheidene op de oostkust. Bovendien, als de Grieken op
de oostkust stonden en over het water heenzagen, konden zij dichtbij
en in de verte eilanden zien, die ieder afzonderlijk haar tot een
bezoek uitlokten. Als zij het ééne eiland bereikt hadden, waren er
altijd weer andere, die iets verder verwijderd waren; het was dus
voor hen uiterst gemakkelijk, hun weg te vinden over de Aegeïsche
Zee naar Klein-Azië. Er was dus aan den éénen kant reden, waarom de
Grieken niet hun geheele land, maar iedere stam zijn eigen hoekje
moet hebben lief gehad; en aan den anderen kant, waarom zij er lust
in gehad moesten hebben, reizen te maken en koloniën in andere landen
te vestigen, en voornamelijk in oostelijke richting.
Griekenland was een bijzonder mooi land. De zee was blauw en fonkelend;
de bergen waren niet altijd bedekt met groene wouden, maar de harde
gesteenten der bergtoppen teekenden zich scherp en duidelijk in rood
en grijs tegen de lucht af. De rivieren stroomden snel, en verdwenen
dikwijls in de diepte uit het gezicht in een kloof of onderaardschen
doorgang, en kwamen weer in de ééne of andere min of meer verwijderde
plaats borrelend te voorschijn. Het is dus niet te verwonderen, dat de
Grieken die rivieren als levende wezens voorstelden, en gewoon waren
offers te plengen bij het bouwen van een brug, opdat de stroomgod
niet vertoornd mocht worden. In sommige gedeelten van het land vond
men prachtige oude bosschen met eiken-, beuken- en kastanjeboomen;
er waren olijf- en vijgeboomen; er waren verschillende soorten
van bloemen, rozen, violen, krokussen, geraniums, narcissen,
heliotropen en anemonen. Langs de rivieren groeiden oleanders;
niet kleine heestertjes, maar echte boomen, met hun rooskleurige
bloesems weerspiegelden zich in het water. Dat alles was zóó schoon,
dat het in de Grieken den zin voor schoonheid op natuurlijke wijze
ontwikkelde. In Attica hield een rij bergen de koude der noordenwinden
tegen, terwijl de zeewind uit het zuiden en het oosten het land in
den zomer koeler en in den winter warmer maakte. Een groot gedeelte
van Griekenland had evenals Attica een helderen, schitterenden hemel,
en was warm genoeg, om de bevolking in staat te stellen, het grootste
gedeelte van hun tijd buitenshuis door te brengen.
Het is dus niet te verwonderen, dat de Doriërs, die ver in het noorden
woonden, van dat prachtige land hoorden, en vurig begeerden daar
te wonen; zij trokken dan ook naar het zuiden, om het te ontrukken
aan de bevolking, die het in bezit had, namelijk de Achaeërs en de
Joniërs. Dit is de beteekenis van het verhaal omtrent den terugkeer
der Heracliden. De Achaeërs en de Joniërs waren niet sterk genoeg, om
de Doriërs te verdrijven; van daar, dat velen van hen hun vaderland
verlieten en kolonies stichtten op de kusten van Klein-Azië en de
in de nabijheid daarvan gelegen eilanden. Dit geschiedde niet in
eens; het proces duurde een reeks van jaren voort. Ten slotte kwamen
berichten uit Griekenland terug, dat de landen, waar de kolonisten
heengegaan waren, zelfs nog vruchtbaarder waren dan de Peloponnesus;
en van dien tijd af begonnen zelfs sommige Doriërs koloniën te stichten
op de kust van Klein-Azië en in Creta.
Toen de Doriërs in den Peloponnesus kwamen, bevonden zij zich in
een vrij moeilijken toestand. Zij waren krachtig, onverschrokken en
oorlogszuchtig, en zij slaagden er in, een groot aantal koloniën te
stichten; maar het aantal oorspronkelijke kolonisten was tienmaal zoo
groot als hun eigen getal. De voornaamste stad der Doriërs was Sparta
in Laconië, maar zelfs nadat zij het land hadden veroverd, waren
zij in voortdurend gevaar voor de oude bewoners. Er waren van deze
twee soorten: de Perioeki, wien wel werd toegestaan hun bezittingen
te houden, maar die niets hadden in te brengen op het gebied van
wetgeving; en de Heloten, of slaven. Men zegt, dat de Heloten behoord
hadden tot de stad, die het langst den strijd tegen de Spartanen had
volgehouden, en dat de veroveraars in hun toorn verklaard hadden,
dat de Heloten ten eeuwigen dage slaven zouden zijn. Die Heloten
haatten hun meesters zóózeer, dat de bevolking van Sparta placht te
zeggen: "Een Heloot zou met alle genoegen een Spartaan rauw willen
opeten." De Spartanen waren van hun kant blijde, dat zij slaven
voor hun werk hadden; maar zij waren altijd eenigszins bevreesd,
dat de Heloten zich tegen hen zouden vereenigen, en zij aarzelden
geen oogenblik, iedereen ter dood te brengen, van wien zij meenden,
dat hij een leider van het volk zou kunnen worden.
Laconië was een land, dat gemakkelijk kon worden verdedigd, immers
er waren bergen aan de oost- noord- en zuidzijde. Aan de oost- en de
noordzijde waren er slechts twee of drie passen, waardoor een leger
zonder groote moeilijkheid kon worden gevoerd, en aan de westzijde
lag het veroverde land Messenië. Sparta was dus een natuurlijke
vesting. Toch waren de Spartanen slechts een kleine volksstam te midden
van vijanden, en de vraag was, hoe zij er voor konden zorgen, dat zij
zeker waren, nooit door hun naburen te kunnen worden overvallen. Zij
kwamen tot de overtuiging, dat daartoe slechts één weg openstond, en
wel als zij den geheelen volksstam tot één leger maakten. Natuurlijk
hadden de Grieken, wier verbeeldingskracht zoozeer ontwikkeld was,
een verhaal, hoe dit in zijn werk was gegaan. Zij zeiden, dat in den
eersten tijd hunner geschiedenis een zekere Lycurgus benoemd was tot
voogd over hun koning, die toen nog in de kinderjaren verkeerde. Het
volk bewees hem zóó hooge eer, dat zijn vijanden ijverzuchtig werden
en het gerucht verspreidden, dat hij voornemens was de kroon te
bemachtigen. Hij was daarover verontwaardigd en zeide tot het volk:
"Ik zal het land verlaten en wegblijven totdat de koning volwassen
is." Hij had zijn vaderland echter lief, en gedurende al de jaren,
die zijn ballingschap duurde, bezocht hij verschillende rijken,
om na te gaan hoe zij hun macht hadden verkregen of waardoor zij
verzwakt waren. Telkens weder, en wel met korte tusschenpoozen, zonden
de Spartanen boden naar hem toe, die er op aandrongen, dat hij zou
terugkeeren; ten slotte gaf hij aan dien aandrang gehoor, zijn geest
vol plannen, hoe hij zijn land machtig zou kunnen maken. Onderweg
was hij ook in Delphi geweest en had hij Apollo gevraagd, of hij wel
bekwaam genoeg was om voor zijn volk verstandige wetten te maken. Het
antwoord luidde: "De wetten, die gij van plan zijt te maken, zullen de
beste zijn in de geheele wereld." Natuurlijk hield hij dit niet geheim,
en toen hij Sparta bereikte, vond hij daar een groot aantal menschen,
die bereid waren alles wat hij voorstelde goed te keuren. De koning,
die bij zijn vertrek nog een kind was, was volwassen geworden en had
den troon in bezit genomen, of liever de helft van den troon; immers
het was bij de Spartanen de gewoonte, twee koningen te hebben. Deze
instelling schijnt niet veel practisch nut te hebben gehad; de ééne
koning toch was veel te zachtzinnig en te toegevend, en kon er niet
toe komen, misdadigers te straffen; het gevolg was, dat beide koningen
het nooit met elkander eens waren, en zoo werd hun macht met den
dag geringer. Zij hoopten, dat Lycurgus die macht zou versterken,
en daarom heetten zij hem hartelijk welkom. Het geheele stadje was
daarna in gespannen verwachting, wat de wijze man zou doen.
Ten eerste liet hij een senaat, uit dertig leden bestaande,
kiezen. Zij werden genomen uit de oudere mannen en werden voor hun
leven gekozen. Vijf ephoren of opzichters (dwarskijkers) werden
eveneens gekozen, doch vervulden hun betrekking slechts gedurende
één jaar. In hun hand was in werkelijkheid het bestuur van den staat
gelegen, want zij konden zelfs de koningen tot verantwoording roepen,
zoo dikwijls zij dit noodig achtten; in belangrijke gevallen traden
zij als rechters op; en zij beslisten, of er oorlog of vrede zoude
zijn. De koningen waren leden van den senaat, en in oorlogstijden
stonden zij aan het hoofd van het leger. Zij hadden slechts weinig
minder macht dan de overige senatoren, maar zij moeten een veel
rustiger leven gehad hebben dan vóór den terugkeer van Lycurgus,
immers nu wisten zij volkomen, wat zij konden doen, en begrepen,
dat zij steun zouden krijgen, als zij dat deden.
Daarna hield Lycurgus zich bezig met een verdeeling van het land in
gelijke deelen onder de burgers. Na veel onderhandelingen stemden zij
daarin toe; maar toen hij voorstelde, het goud en zilver op dezelfde
wijze te verdeelen, verzetten de rijkere burgers zich daartegen. Zij
hadden echter een heerscher, die wist hoe hij op de ééne wijze kon
verkrijgen wat hij wilde, als hij het niet op een andere wijze
kon gedaan krijgen; en hij vaardigde eenvoudig een besluit uit,
dat goud en zilver niet langer als geld zouden gerekend worden,
maar dat daarvoor in de plaats ijzer zou worden gebruikt. Voor dat
ijzer kon slechts weinig worden gekocht, immers de heerscher met zijn
verzienden blik had er de hardheid aan ontnomen, zoodat het voor het
dagelijksch gebruik ongeschikt was; en het was evenmin een bijzonder
practische soort van schat om op te sparen, daar het zóó goedkoop was,
dat men een bijzonder ruim vertrek niet volkomen kon vullen met een
waarde van slechts enkele duizend guldens aan ijzer.
Daarna nam Lycurgus maatregelen, om te zorgen, dat de Spartanen
aan tafel geen lekkernijen gebruikten, en daarom liet hij ze allen,
zoowel koningen als gewone burgers, in het publiek eten, en werden
hun dezelfde gerechten voorgezet. Zelfs de meest hongerigen konden
nauwelijks gesmuld hebben van hun maaltijden, als zij daaraan niet
gewoon waren geraakt; immers het hoofdvoedsel was een zekere zwarte
soep, die alleen de Spartanen eetbaar achtten. Een Athener, die
eens die soep had geproefd, verklaarde, dat hij nu begreep, waarom
de Spartanen zoo onbevreesd waren in den oorlog. "Zij wilden liever
sterven," zoo zeide hij, "dan te moeten leven van zulk een ellendig
voedsel."
Ten einde te zorgen, dat de Spartanen hun huizen niet weelderig
zouden inrichten met gouden bekers, helder gekleurde dekkleeden, of
ledikanten met zilveren pooten, werd een wet uitgevaardigd, dat de
zoldering gemaakt moest worden met geen ander gereedschap dan de bijl,
en de deuren met geen ander werktuig dan de zaag. Lycurgus wist, dat
de goede smaak van zijn landgenooten hen niet zou toestaan, kostbare
meubels te brengen in een woning, waarvan de deuren niet goed zouden
passen, en de zolderingen uit niets anders dan uit ruwe houtblokken
zouden bestaan. Men verhaalt van een Spartaan, die in latere jaren
gastvriendschap genoot in een schoone woning te Corinthe, en die
naar de zoldering opkeek, welke uit zuiver glad gemaakte en schoon
gesneden planken bestond, en die met een zekere minachting vroeg:
"Groeien de boomen in uw land allemaal recht en vierkant?"
Zoo kreeg Lycurgus zijn landgenooten er toe, eenvoudig en zonder
eenige weelde te leven. Dit was nu voldoende, zoo dacht hij, voor
het tegenwoordige, maar de geheele bevolking was vroeger aan een
zekere weelde gewend geweest, en daarom was hij overtuigd, dat zij,
zoodra hij gestorven was, langzamerhand weer zouden terugvallen in hun
oude weelderige gewoonten. Hij wenschte een natie te doen opgroeien,
die het niet alleen zou kunnen stellen zonder weelde, maar die er een
heiligen afschuw van zou hebben; de eenige weg om dit te bereiken was,
om aan te vangen met de kinderen.
Dan zoude, als de jongens en meisjes volwassen geworden waren, Sparta
bevolkt zijn met mannen en vrouwen, die altijd eenvoudig hadden geleefd
en een minachting zouden hebben van een andere wijze van leven. Er
was niet de minste twijfel aan, of zelfs een paar duizend van die
mannen, voor den soldatenstand opgeleid, zouden in staat zijn, het
in den strijd uit te houden tegen een heel wat grooter aantal van een
vijandelijk leger. Om die reden vestigde hij veel meer zijn aandacht op
de kinderen dan op de volwassenen. "Kinderen behooren aan den staat,"
zoo zeide hij, "en de staat heeft behoefte aan mannen en vrouwen,
die gezond en krachtig zijn." Als dus een kind geboren was, deed een
commissie van verstandige mannen een onderzoek, of het kind gezond
was. Als het zwak of ziekelijk leek, werd het eenvoudig in een grot
in de bergen geworpen, om daar te sterven. Als de commissie besliste,
dat het kind naar alle waarschijnlijkheid tot een krachtig man zou
opgroeien, werd het aan zijn vader en moeder teruggegeven. De knaap
mocht slechts zeven jaar lang bij zijn ouders verblijf houden; na dien
tijd moest iedere jonge knaap worden opgenomen in een groep jongens,
die onder militaire tucht stond. De jongen, die het dapperst leek,
werd tot aanvoerder aangesteld, en de anderen hadden te gehoorzamen
aan al zijn bevelen. Totdat de knapen twaalf jaar oud waren, liepen
zij bijna naakt rond, opdat zij zouden gehard worden tegen elke
weersverandering. Zelfs mochten zij na dien tijd niet meer dan één
kleedingstuk dragen. Zij werden naar den oever der rivier gezonden
om riet af te breken voor hun bedden. Als de winter aanbrak, werd
het hun, als een groote weelde, toegestaan om wat dons over het riet
te spreiden.
Op den leeftijd van twaalf jaar werden de jongens gesteld onder
toezicht van een jong man van twintig jaar, aan wiens bevelen zij
moesten gehoorzamen. Dikwijls zond hij ze uit om voedsel of brandhout
te halen; de bedoeling was, dat zij dit even listig zouden stelen,
alsof zij waren in het land van den vijand. Als het hun gelukte,
werden zij geprezen; maar als zij op heeterdaad werden betrapt,
werden zij flink afgeranseld om hun onhandigheid. Na hun avondmaal
riep hun leidsman hen dikwijls bijeen en legde hun verschillende
proeven voor. Den éénen jongen beval hij dan "Zing een lied". Tot
een anderen jongen zeide hij: "Vertel mij, wie de beste staatsburger
in de stad is"; of "hoe denkt gij over die daad?" De jongens moesten
niet alleen op die vragen een antwoord geven, maar zij moesten ook
voor hun antwoorden goede redenen opgeven; en indien zij dit niet
naar behooren deden, hadden zij elke straf te ondergaan, die hun
leidsman meenen mocht, dat zij verdiend hadden. Natuurlijk hielden
de ouderen en magistraten streng toezicht op den jongen leidsman, en
indien hij niet rechtvaardig en verstandig was opgetreden, werd hij,
nadat de jongere knapen weggezonden waren, flink afgerost.
De meisjes waren verplicht te rennen en te worstelen en schijven
te werpen, maar werden niet half zoo streng behandeld als de
knapen. Immers wat ook de knapen deden en waarheen zij gingen, steeds
stond er iemand op wacht, om ze te straffen, als zij niet zoo goed
oppasten, als men van hen mocht verwachten. Eén der redenen, waarom
zij zoo dikwijls werden afgeranseld, was, dat zij zouden leeren,
pijn licht te tellen. Minstens eenmaal werden de oudere knapen voor
één der altaren gebracht en gegeeseld, en die knaap, die de pijn het
langst uithield zonder te schreeuwen, ontving een prijs. Zij werden
er zóó trotsch op, pijn te kunnen verdragen, dat somtijds een jongen
dood viel onder die geeseling, zonder eens te hebben geschreeuwd of
zelfs maar gekreund.
Wat de studie betreft, de jongens werden onderwezen in muziek en poëzie
en een weinig lezen, schrijven en rekenen; maar veel tijd werd besteed
aan het onderwijs in het spreken. Men verwachtte van hen, dat zij
zouden zwijgen, als zij niets te zeggen hadden; en als zij spraken,
werd van hen geëischt, dat zij zoo weinig mogelijk woorden gebruikten
en dat zij hun antwoorden scherp en puntig zouden formuleeren. Lycurgus
zelf handelde in volkomen overeenstemming met zijn voorschriften. Toen
een Athener bij een zekere gelegenheid schertste over de korte zwaarden
der Spartanen, antwoordde hij: "En toch kunnen wij daarmede de harten
onzer vijanden bereiken." Toen men hem vroeg, of hij voornemens was een
muur om Sparta te bouwen, antwoordde hij: "Die stad is goed versterkt,
die een muur van mannen in plaats van een van steenen bezit." Iemand
vroeg een Spartaan, om naar iemand te komen hooren, die den slag van
een nachtegaal kon nabootsen. "Ik heb den nachtegaal zelf gehoord,"
was het antwoord. Die korte, puntige wijze van spreken ontleende
daarom zijn naam aan dien van het land, en is van die dagen af tot
op onzen tijd "lakoniek" genoemd.
Na twintig jaren op die wijze te zijn geoefend, was de Spartaan gereed
voor de taak van krijgsman; en hij meende, dat ieder ander beroep of
iedere andere bezigheid beneden zijn waardigheid was. Zelfs op de
taak van het bebouwen van zijn eigen akker zag hij met de grootste
minachting neer. "Dat was het werk van Heloten," beweerde hij.
Op zekeren dag, nadat Lycurgus een oud man was geworden, riep hij het
volk te zamen en zeide: "Er is nog één zaak, die noodig is voor het
geluk van den staat. Die zaak is nog van veel meer gewicht dan alles
wat geschied is; maar wat het is, kan ik niet vertellen, voordat ik
uit Delphi ben teruggekeerd. Wilt gij plechtig zweren, dat gij aan
de wetten zult gehoorzamen tot na mijn terugkomst?" Allen legden een
plechtigen eed af, dat zij gehoorzaam zouden zijn, en daarna vertrok
hij met zijn zoon en enkelen van zijn dierbaarste vrienden. Daar
offerde hij aan Apollo en vroeg: "Zijn de wetten, die ik heb gemaakt
en uitgevaardigd, voldoende om de deugd te bevorderen en het geluk
van den staat te verzekeren?" "Zij zijn uitstekend, en de staat,
die zich aan die wetten houdt, zal de meest roemrijke staat van de
wereld zijn," zoo luidde het antwoord. Lycurgus schreef dit orakel op
en zond het naar Sparta; maar zelf keerde hij niet terug, daar hij
het plan beraamd had te zorgen, dat de Spartanen zijn wetten eeuwig
zouden in acht nemen. Hij bracht Apollo nog een laatste offer en nam
afscheid van zijn zoon en zijn vrienden. Daarna weigerde hij alle
voedsel en wachtte rustig en kalm den dood af. Nog één laatste verzoek
deed hij. Het was dit, dat, nadat zijn lichaam zou zijn verbrand,
de asch niet naar Sparta zou worden gebracht, maar in zee zou worden
geworpen. "Dan" zoo sprak hij, "kan zeker niemand verklaren, dat ik
ben teruggekeerd, en de Spartanen kunnen dan nooit beweren, dat zij
van hun eed, om mijn wetten in stand te houden, zijn ontslagen."
Het lijkt veel waarschijnlijker, dat deze vreemde gewoonten eerst
geleidelijk zich ontwikkelden, dan dat één enkel man de macht
had, zijn landgenooten te dwingen, hun geheele manier van leven te
veranderen. Hoe dat ook moge zijn, en hetzij een man als Lycurgus ooit
heeft geleefd, hetzij niet, dit waren toch de zeden en gewoonten der
Spartanen, en zij werden werkelijk een natie van krijgslieden. In
Boeotië, een land, dat iets ten noorden van Sparta gelegen was,
schreef een dichter, Hesiodus, zijn "Werken en Dagen", een gedicht,
waarin het kalme buitenleven werd beschreven, en de wijze, waarop op
den juisten tijd het werk verricht werd, dat door het jaargetijde
werd vereischt; maar de Spartanen zouden op dergelijke lessen met
de grootste minachting hebben neergezien. Zij waren krijgslieden, en
krijgsbedrijven waren voor hen een uitspanning. Als de vijand nabij
was, offerde de koning een geit, de mannen deden bloemkransen om hun
hoofd, de muzikanten speelden een marsch en het leger trok opgewekt
en vroolijk op. Zij wisten, hoever zij de andere stammen als soldaten
overtroffen, en liepen weinig gevaar verslagen te worden.
Zij beschouwden oorlogen als een genot, maar het wil ons voorkomen, dat
zij daarvan wel zooveel genoten hebben als zij konden verlangen. Hun
eerste bezigheid was, zich in Laconië zóózeer te versterken, dat zij
zich konden vrijmaken, om andere landen te veroveren. Dit gelukte
hun, en daarna begonnen zij te denken aan de verovering van Messenië,
het land, dat ten westen van Laconië lag. Het is niet te verwonderen,
dat zij dat land begeerden, want het was het vruchtbaarste gedeelte
in den Peloponnesus met heuvelen en grasland, overvloed van water en
uitstekende weiden voor het vee. Na een langdurigen tijd van strijden
namen de Spartanen Messenië in bezit. Dit staat ongetwijfeld vast,
hoewel slechts weinig omtrent den oorlog zelf bekend is. Er is ons een
verhaal overgeleverd, waarvan de waarheid niet meer is na te gaan,dat
de zaken ten slotte zóó slecht stonden voor de Messeniërs, dat zij zich
in Ithome opsloten en het orakel van Delphi raadpleegden, om te vragen,
wat zij moesten doen. "Die stam, die het eerst honderd drievoeten
plaatst op het altaar van Zeus te Ithome, zal de overwinning behalen,"
zoo sprak het orakel. De Messeniërs juichten daarom uitgelaten van
vreugde, en gingen aan het werk, ten einde honderd houten drievoeten
te vervaardigen. Ongelukkig voor hen, hadden ook de Spartanen bericht
gekregen van het antwoord. "Wij zullen niet wachten met het maken van
drievoeten van hout," zoo spraken zij, "maar wij zullen ze van klei
vervaardigen." Het gevolg hiervan was, dat, terwijl de Messeniërs
nog druk bezig waren met de vervaardiging van houten drievoeten, het
een Spartaan gelukte op zekeren achtermiddag met een grooten zak op
zijn rug in Ithome binnen te sluipen. Den volgenden morgen verloren
de Messeniërs alle hoop, toen zij de Spartaansche drievoeten rondom
het altaar geschaard zagen. Het duurde niet lang, of Ithome viel; de
Spartanen hadden overwonnen. De Messeniërs mochten hun land behouden,
maar moesten de helft van de opbrengst aan de veroveraars afstaan. Zij
waren de slaven der Spartanen geworden.
Het verhaal luidt verder, dat de kleinzonen van de verdedigers
van Ithome heel wat jaren later besloten, zich niet langer de
overheersching der Spartanen te laten welgevallen. Zij streden zóó
dapper en woest, dat het spoedig de beurt van hun vijanden was,
Apollo om raad te vragen. "Gij moet Athene vragen, om een aanvoerder
te zenden," zoo luidde het antwoord. Dit beviel de Spartanen wel niet,
maar toch deden zij het verzoek. De Atheners, van hun kant, vonden het
niet bijzonder aangenaam, Sparta te helpen, machtiger te worden, maar
zij durfden Apollo niet ongehoorzaam te zijn. Eindelijk beraamden zij
een plan, dat zij bijzonder listig uitgedacht vonden. Als aanvoerder
zonden zij een man, Tyrtaeus genaamd, een schoolmeester van beroep,
die totaal niets van krijgszaken afwist. Zij vergaten echter, dat
Tyrtaeus tevens een dichter was; en terwijl zij zich verhieven op hun
slimheid, maakte hij zóó uitstekende en luidklinkende oorlogszangen
voor de Spartanen, dat zij hun mismoedigheid totaal vergaten, maar
opgewekt ten strijde trokken, onder het zingen van het volgende lied:
"Komt, voeren wij den strijd voor kroost en vaderland,
En sparen 't leven niet, en vreezen niet den dood.
Schept jongelingen moed, en houdt in 't strijdperk stand,
En treff' u nooit de blaam, dat gij uit lafheid vloodt."
Ten slotte behaalden de Spartanen de overwinning; en zoo heerschten
zij nu over het geheele zuidelijke gedeelte van den Peloponnesus van
zee tot zee.
De Spartanen haastten zich in het minst niet, het oorlogvoeren
te staken, en voordat vele jaren voorbij waren, vonden zij een
voorwendsel, Arcadië binnen te vallen, de landstreek, die ten noorden
van Laconië gelegen is. Er is een verhaal, dat de Messeniërs tijdens
den oorlog eenige afdeelingen Arcadische soldaten hadden gehuurd,
en dat de Arcadiërs, nadat de oorlog geëindigd was, enkelen der
Messeniërs hadden toegestaan, zich in Arcadië te vestigen. Dit was voor
de Spartanen een voldoende voorwendsel; daarom trokken zij uit met
hun wapenen, kransen en oorlogszangen, en tevens met enkele ketenen,
om daarmede de gevangenen te boeien, die zij zeker verwachtten te
zullen maken.
Arcadië was een rustige, liefelijke landstreek, met ruwe bergen en
snel stroomende beken in het noorden, en frissche groene weilanden
in het zuiden. De bevolking, die daar huisde, hield kudden groot en
klein vee. Zij hielden van het fluitspel en leefden naar de oude,
eenvoudige gebruiken. Zij hadden tevens de vrijheid lief, en zij waren
krachtige bergbewoners; en zoo gebeurde het tot groote verbazing
van de Spartanen, dat enkelen van hen met hun eigen ketenen werden
geboeid. Wel wonnen de invallende troepen verschillende overwinningen,
maar nooit konden zij het kleine bergachtige land werkelijk ten onder
brengen. Beide legers ondervonden, dat ook aan de andere zijde dappere
mannen streden, en daarom sloten ten slotte beide volken een verdrag,
waarbij zij afspraken, elkander in den oorlog bij te staan. Sparta
zou de leiding nemen op het slagveld, maar de Arcadiërs zouden steeds
den linkervleugel, de eereplaats, bezetten.
De grootste eer echter, die eenigen Griekschen volksstam kon te beurt
vallen, was voor te zitten bij de Olympische spelen. Olympia lag in
Pisatis, en in de eerste tijden waren de Pisatiërs de machtigsten. Doch
na verloop van tijd overwonnen de bewoners van Elis de Pisatiërs in den
oorlog, en met trots namen toen de bewoners van Elis den eersten rang
in. Herhaaldelijk stonden de bewoners van Pisatis op, en zij vonden
ten slotte een machtigen vriend in Pheidon, den heerscher van Argos;
deze toch wenschte gaarne zijn macht in het westen uit te breiden. De
Spartanen hadden er evenmin bezwaar in, hun macht uit te breiden;
zij verdedigden de belangen van de bewoners van Elis, en behaalden
de overwinning.
Zoo werd Sparta een machtige staat. Tegen het midden der zesde eeuw
vóór Christus, beheerschten de Spartanen het zuidelijke gedeelte van
den Peloponnesus; zij hadden een verbond gesloten met Arcadië en waren
zeer bevriend met de bewoners van Elis. Tevens hadden zij de macht
van Argos gefnuikt, den staat, die eertijds de machtigste van het
schiereiland was geweest. De laatste slag werd geleverd bij Thyrea,
welke stad door de Spartanen werd ingenomen; maar de bewoners van Argos
leden eenige jaren later een nog veel ernstiger verlies. Zij waren voor
de Spartanen gevlucht naar een gewijd boschje, en daar werden zij door
hun vijanden omsingeld, die het boschje in brand staken. Twee derde
gedeelten van hun geheele leger kwam om. Nog altijd beweerden zij, dat
Argos een vrije stad was; maar de Spartanen trokken zich dit volstrekt
niet aan, daar Argos te zwak was geworden, om zich met hen te bemoeien.
Dit is de geschiedenis van Sparta van de vroegste tijden af tot
aan het midden van de zesde eeuw vóór Christus--de geschiedenis van
een kleinen, zwervenden stam, die zijn weg vond in het gebied van
zijn vijanden en wien het gelukte, het machtigste volk van het land
te worden.