Zooals wij hebben opgemerkt, weten wij niet veel van hetgeen in
Griekenland in de oudste tijden gebeurde, welke oorlogen de Grieken
voerden of welke volksstammen zij overwonnen. Wij weten wel echter,
hoe zij leefden, hoe zij zich vermaakten, en wat zij over verschillende
onderwerpen dachten; en dit is toch veel merkwaardiger en belangrijker
dan het overige.
Indien gij het huis van één der Grieksche vorsten uit de oudste
tijden waart binnengetreden, dan zoudt gij eerst gekomen zijn aan een
hoogen, dikken steenen muur met een stevige, openslaande deur. Als
de deur was opengeslagen, en gij in den hof waart binnengestapt, zou
een groote hond uit zijn hok zijn gesprongen, om te zien, of hij,
even goed als zijn meester, van oordeel was, dat gij mocht worden
toegelaten. Als de meester een vermogende vorst was, kon het zijn,
dat hij geen werkelijken hond had, maar het beeld van een hond,
van goud of zilver vervaardigd.
Dicht bij de poort stonden steenen banken, gebeeldhouwd en gepolijst,
waarop men kon gaan zitten praten. Verder op in den hof waren stallen
voor de paarden en de ossen, en voor de wagens, en evenzoo plaatsen
voor zwijnen, ganzen en schapen. De hof was groot genoeg voor
een tuin en zelfs voor een boomgaard met peren- appel- vijgen- en
olijfboomen. In werkelijkheid was het huis met zijn hof en stevigen
muur als het ware een versterkt dorp. Er was natuurlijk ook een
fontein; en door den overvloed aan water, de kudden kleinvee en
runderen, en het graan, dat in voorraadschuren was opgehoopt, kon
zulk een plaats een langdurig beleg uithouden, zonder dat er sprake
was van uithongeren.
De woning zelf bevatte gaanderijen en pilaren en een aantal
vertrekken. Er was nog een tweede verdieping, en daar was een
voorraadkamer, waar de schatten van den vorst werden bewaard. Daar
was geen geld in; immers de oude Grieken hadden geen gemunt geld;
zij telden de waarde hunner bezittingen in ossen. Een slaaf was bij
voorbeeld van vier tot twintig ossen waard. Er was echter overvloed
aan edele metalen in andere vormen dan geld; immers er waren vazen,
kommen, bekers en schotels van stevig goud en zilver. Zij hadden
sierlijke en schoone vormen, immers de Grieken schepten er zóózeer
behagen in, om alles om zich heen liefelijk voor het oog te hebben,
dat zelfs het meest gewone aarden vat dikwijls een rand had, die schoon
genoeg was voor een zilveren vaas; somtijds was er een dans van faunen
op geschilderd of een wedloop, of Jason met zijn vijftig metgezellen,
op het punt de Gouden Vacht te gaan halen. In die voorraadkamer waren
eveneens groote houten kisten, versierd met goud, zilver en ivoor, en
in die kisten werden kostbare kleederen en mantels en vloerkleeden en
fijn linnen en geweven dekkleeden voor de banken en bedden bewaard. Er
waren verschillende soorten van armbanden en halskettingen; en,
wat nog meer waard was dan al die kostbaarheden, er werden daarin de
zwaarden en speren en messen en bogen en pijlen bewaard, waarmede de
vorst en zijn manschappen hun schatten beschermden, indien de woning
door vijanden werd aangevallen. Het metaal, waarvan de wapenen gemaakt
waren, was somtijds brons en somtijds koper; maar het koper was op
de ééne of andere wijze, die wij niet kennen, hard gemaakt.
De vorsten, die in zoodanige huizen woonden, hadden slaven, van wie
sommige in den oorlog waren gevangen genomen en andere uit hun huizen
waren geroofd; maar de meesters ontzagen zich evenmin met eigen handen
te werken als de arme lieden, die in hun hutten leefden. Homerus
verhaalt ons, dat de koninklijke Odysseus zijn eigen legerstede
vervaardigde; en één van de aardigste verhalen van den dichter is
dat van de schoone jonge prinses Nausicaä, die uittrekt met hare
vriendinnen en een mand met voedsel naar den oever der rivier, om
hare kleederen te wasschen, en om daarna met hare vriendinnen met den
bal te spelen, even vroolijk en uitgelaten als ieder ander meisje,
dat niet van vorstelijken bloede was, dat zoude doen. Het is jammer,
dat wij onmogelijk kunnen nagaan, wat was medegenomen in die mand,
die, zooals Homerus het uitdrukte, "alle soorten van voedsel bevatte,
die het hart begeert." Er moeten lekkernijen in zijn geweest, die
uitsluitend bereid waren, om de jonge meisjes te bekoren, immers zelfs
op de groote feesten schenen er niets dan de eenvoudigste spijzen te
worden opgedischt, nauwelijks iets anders dan brood en vleesch. De
Grieken begeerden evenmin als eenig ander volk honger te lijden; maar
als zij naar een feest gingen, dachten zij minder aan de spijzen,
die hun zouden worden voorgelegd, dan aan de medegasten, met wie zij
onderhoudende gesprekken konden voeren.
Indien het ons mogelijk was, een blik te slaan op één van hun
feestmalen, zouden wij een vertrek zien, vol met gasten, en met
bedienden, die daar kleine tafeltjes zouden plaatsen, die niet meer
ruimte aanboden dan voor één persoon. Voor ieder dier tafeltjes werd
een stoel geplaatst, en de gasten namen hun zitplaatsen in. Daarna
werden groote stukken vleesch binnengebracht, en vóór den voorsnijder
geplaatst, die het vleesch in heel kleine hapjes sneed, wat inderdaad
een hoogst noodzakelijk iets was, immers in die dagen had men nog
geen vorken, zoodat men de spijzen in de handen moest nemen en zoo
aan den mond moest brengen. Voor ieder der gasten werd een schotel met
vleesch geplaatst, en daarna werden manden met brood rondgegeven. De
dranken bestonden uit wijn, maar dikwijls werd in den beker driemaal
zooveel water als wijn geschonken. De wijn werd eerst geboden aan
de oudsten der gasten, zelfs al was hij slechts een gewoon burger,
en al waren er jonge prinsen onder de gasten. Het werd als iets
onbehoorlijks beschouwd te veel te drinken; immers de Grieken
hadden een grooten afschuw van een dronken man, en niets werd als
een grooter beleediging beschouwd dan iemand te verwijten, dat hij
te veel wijn had gedronken. Natuurlijk was ook de zanger aanwezig,
en hij was steeds een hoogst welkome gast. Homerus beschrijft zijn
ontvangst in de volgende bewoordingen:
"De dienaar kwam nader en leidde den gevierden zanger binnen. De
muze had hem zeer lief gehad en had hem goed en kwaad geschonken:
zij had hem het gezicht benomen, maar had hem den heerlijken zang
geschonken. Pontonöus plaatste voor hem onder de feestgenooten
een zetel met zilveren knoppen beslagen, die steunde tegen een
hoogen pilaar, en hing de schoon gestemde lier aan een pen boven
zijn hoofd, en de dienaar wees hem, hoe hij er met zijn handen bij
kon komen. Naast hem plaatste hij een mandje en een schoone tafel,
en daarop zette hij een beker wijn om te drinken, zoo dikwijls zijn
gemoed hem daartoe aandreef."
Indien een vreemdeling verscheen en om voedsel vroeg, werd hij als een
vriend behandeld, en niemand vroeg er naar, wie hij was of waarheen
hij ging, voordat hij gegeten had van alles wat hij begeerde. Zelfs
als iemands ergste vijand aan zijn deur kwam met een olijftak in
zijn hand, of het huis binnentrad en aan den haard nederknielde,
moest hem voedsel en een beschutting worden verleend, en niemand
mocht hem eenig nadeel berokkenen.
De kinderen uit den ouden Griekschen tijd gingen niet naar
school. Waarom zouden zij naar school gaan, als de voornaamste plicht
van een meisje was, te leeren de huishouding te besturen zooals haar
moeder dat deed; en van een jongen, te leeren, hoe hij later het werk
zou kunnen doen, dat nu zijn vader deed? Daarom ging het meisje met de
moeder het huis rond, en leerde zij, hoe dit moest worden bestuurd en
hoe zij de slaven en slavinnen kon leeren, op welke wijze zij hun werk
moesten verrichten. Zij moest natuurlijk leeren spinnen en weven, en
ook zingen en dansen. Ook de jongens moesten leeren zingen en dansen;
maar zij moesten ook leeren zorgen voor de kudden groot en klein vee,
zij moesten het land leeren bebouwen en de wapenen hanteeren. Het
was volstrekt niet noodig, lezen of schrijven te leeren, want er
was weinig of niets te studeeren. De geheele rekenkunde bestond
uit het tellen van het aantal dieren, die men te verzorgen had. De
geschiedenis bestond alleen uit mythen en legenden, die niet moeilijker
te onthouden waren dan de meeste sprookjes. Ook de aardrijkskunde
moet op de Grieksche jeugd uit die dagen den indruk hebben gemaakt van
een sprookje; immers de oude Grieken waren van meening, dat de aarde
een vlakte was, waar omheen de Oceaan, een breede rivier, voortdurend
stroomde. Aan gene zijde van dien stroomenden oceaan was duisternis,
en ook een ongehoord aantal vreeselijke monsters. De hemel boven
hen bestond uit twee reusachtige koepels; de ééne, die helder was,
was over dag boven het hoofd; de donkere sloot des nachts het licht
uit. De Grieksche kinderen kenden natuurlijk ook verschillende spelen,
en sommige kwamen overeen met die, welke tegenwoordig nog gespeeld
worden. Eén dier spelen heette het "vijfsteentjesspel". Daarbij wierp
het kind vijf steentjes in de hoogte en trachtte zooveel mogelijk
daarvan op de buitenzijde van zijn hand op te vangen. De steentjes,
die op den grond vielen, mocht hij oprapen, maar dan mocht hij de
andere niet weer laten vallen.
De Grieken genoten van het leven, en beschouwden den dood als het
einde van al hun genoegens. Zij geloofden in de onsterfelijkheid van
den mensch, maar zij verwachtten niet, in het leven hier namaals
gelukkig te zijn. Groote helden werden wel is waar overgebracht
naar een prachtige plaats, de Elyseesche velden genaamd, die ver in
het westen gelegen waren, dicht bij den stroomenden oceaan. Homerus
zeide er van: "Daar is geen sneeuw, geen lange winter, geen regen;
maar de stroomende oceaan zendt den luidklinkenden en hardblazenden
westenwind, om de menschen koelte te brengen." Daar bleven de helden
zich bezighouden met alles, waarmede zij op aarde zich het liefst
hadden beziggehouden, en daar genoten zij alle mogelijke genoegens;
maar een zoodanig geluk was de gewone menschen niet beschoren. Zij
verwachtten, dat zij gezonden werden naar een droevige en sombere
plaats, de Hades genaamd. Daar zouden zij zich het licht der zon
blijven herinneren, en er naar verlangen, dat licht terug te zien;
zij zouden zich hun vrienden en woonplaatsen voor den geest halen,
maar als het ware slechts in een droom. Niets zou wezenlijk schijnen,
en alles zou zich somber en vreugdeloos voordoen. Zij zouden daar
eeuwig ronddwalen als schimmen in de sombere schemering, en daar
niets te hopen, niets te genieten hebben.
Daar dus de Grieken geen geluk na den dood verwachtten, verlangden
zij er des te meer naar, zooveel mogelijk te genieten tijdens
hun leven. Zij meenden, dat de goden de macht hadden, hun alles te
schenken wat zij wenschten, als ten minste de schikgodinnen het niet
verboden; daarom aanbaden zij haar, ten einde gunsten voor zich zelf
te verwerven. Niet dikwijls dachten zij zich de goden als wezens beter
dan de menschen, maar alleen als wezens, die machtiger waren dan de
stervelingen. Ouders zeiden niet tot hun kinderen: "Zeus is goed, en
daarom moet gij uw best doen hem te evenaren"; maar wel zeiden zij:
"Zeus kan u alles schenken wat gij wenscht, en daarom moet gij hem
offers brengen." Zij waren overtuigd, dat de ééne godheid de macht
had, te zorgen, dat men veilig van een lange reis terugkeerde; dat
een andere godheid herstel van een ernstige ziekte kon schenken; een
andere de overwinning over vijanden; en daarom baden zij tot dien god,
van wien zij het 't waarschijnlijkst achtten, dat hij juist die gunst
zou verleenen, die zij begeerden.
Het was een hoogst gewichtige vraag, hoe zij de goden konden behagen
en aldus hun wenschen vervuld konden zien. De Grieken, die leefden
in de dagen, waarin Homerus geacht werd zijn heldendichten te hebben
gezongen, plachten samen te spreken van de gouden tijden, toen de goden
onder hen wandelden, en hun wel is waar somtijds leed berokkenden,
maar hen dikwijls van goeden raad dienden en hen hielpen. Zij wisten,
dat zij niet meer konden verwachten goden en godinnen te ontmoeten,
als zij in de bosschen rondwandelden, en dus waren zij verplicht,
om de bevelen en gedachten der goden te leeren kennen, te letten op
teekenen en wenken der goden. Als een offer aan Zeus gebracht werd,
dan beteekende het neerdalen van een bliksemflits, dat hij zich
in het offer verheugde en het gebed zou verhooren. Een plotselinge
storm was een teeken, dat Zeus vertoornd was. Vogels, die hoog in de
lucht opvlogen, zouden naar hun meening de geheimen der goden hebben
geleerd; van daar dan ook, dat de vlucht der vogels met groote zorg
werd nagegaan.
Er was echter een zekerder middel om den wil der goden te leeren
kennen, en dat was, door een orakel te gaan raadplegen, of een plaats
door de goden uitgekozen om hun wil bekend te maken. Er waren in
Griekenland een aantal orakels, die meestal gelegen waren in woeste,
onherbergzame en sombere streken, in de diepten van een bosch
of te midden der moeilijkst te beklimmen rotsen of in de diepste
afgronden. Het oudste orakel was dat van Zeus, in de nauwe vallei
van Dodona in Epirus. Ieder die dat orakel wenschte te raadplegen,
begon met giften te schenken aan de priesters. Zij droegen offers
op, en luisterden dan toe, om te hooren, welk antwoord zou gegeven
worden. De eenige geluiden, die werden gehoord, waren het gekir der
duiven, het ruischen van den wind tusschen de takken der heilige eiken,
of het gemurmel der beken aan hun voet; maar de priesters beweerden,
dat zij die geluiden konden verstaan en verklaren. Er was geen vraag
zóó gewichtig, of zij kon in Dodona worden beantwoord, en evenmin was
eenige vraag daartoe te onbeduidend. Men verhaalt zelfs, dat Heracles
naar Dodona is gegaan, om te vragen, wanneer zijn moeilijkheden tot een
einde zouden komen; maar aan den anderen kant is het verhaal bekend
van dien bezorgden huisvader, die ging vragen, of zijn verdwenen
dekens en kussens verloren waren gegaan of gestolen waren.
Het beroemdste orakel was dat van Apollo, te Delphi in Phocis. Hier was
een diepe kloof in de rotsen van den Parnassus, en uit een spleet kwam
een bedwelmende damp naar boven. De priesteres was op een drievoet
gezeten, die over die spleet was geplaatst, en spoedig maakte het
ontwijkende gas haar half bewusteloos. Zoodra dit het geval was,
letten de priesters op al haar geprevel, en verklaarden dit aan hem,
die gekomen was, om het orakel te raadplegen.
Die priesters moesten heel wat geleerd hebben van alles wat er in de
wereld omging; hun antwoorden toch waren buitengewoon spitsvondig en
geslepen. Zij waren bijzonder bekwaam in het geven van hun antwoorden
in zóódanige bewoordingen, dat die antwoorden zeer verschillend
konden worden opgevat; en als de uitkomst niet overeenkwam met de
verwachting van hem, die het orakel had geraadpleegd, konden zij
altijd zeggen, dat het zijn eigen schuld was, daar hij het antwoord
niet goed had opgevat. Zoo, bij voorbeeld, vroeg Croesus, de koning
van Lydië: "Als ik een inval doe in Perzië, zal ik dan slagen in mijn
onderneming?" Het antwoord luidde : "Als gij een inval doet in Perzië,
zult gij een machtig rijk te gronde richten"; en dit was inderdaad het
geval, maar het was zijn eigen rijk, en niet, zooals hij verwacht had,
het Perzische rijk. Zoo was ook eens de vraag aan het orakel gesteld:
"Is er iemand in de wereld, wijzer dan Socrates?" en het antwoord
luidde: "Neen." Toen de wijsgeer daarover een tijd lang had nagedacht,
zeide hij: "Het orakel heeft gelijk. Niemand onzer weet, wat werkelijk
goed en fatsoenlijk is, maar ik zie mijn onkunde in, terwijl dit bij
anderen niet het geval is; daarom ben ik verstandiger dan deze."
Overal waar een orakel was, was ook een tempel gebouwd. Smeekelingen
waren gewoon rijke geschenken aan die tempels te brengen, en daardoor
waren deze zeer rijk; dit was vooral het geval te Delphi. Alle Grieken
beschouwden die orakels als heilig, en ten einde te vermijden, dat
die tempels, met hun grooten rijkdom aan schatten, schade zouden
lijden, begonnen groepen van steden zich te vereenigen, om in
staat te zijn, die tempels te beschermen, als de noodzakelijkheid
daartoe zich voordeed. Die genootschappen werden "Amphictyonen" of
"groepen naburen" genoemd. De Delphische amphictyone was, zooals
ook te verwachten was, de sterkste van alle. Deze was samengesteld
uit twaalf stammen, die alle woonden ten noorden van de landengte
van Corinthe. Zij waren overeengekomen den tempel van Apollo te
Delphi te beschermen, en iedereen te bestraffen, die zou trachten de
schatten uit dien tempel te stelen. Zij droegen eveneens zorg voor
de wegen, die naar den tempel leidden; en als iemand het waagde de
smeekelingen te hinderen, die op weg daarheen waren, had hij met de
geheele Delphische amphictyone rekening te houden. In weerwil van die
verbintenis behielden de stammen toch het recht, elkander, zoo zij
dit verkozen, te beoorlogen, maar zij verbonden zich onderling, om,
als zij met elkander in oorlog waren, elkanders steden niet te zullen
verwoesten, of niet te zullen trachten, die steden van stroomend
water af te snijden; dit was trouwens een belangrijke vooruitgang
in vergelijking met de gewone wijze van oorlog voeren in die dagen,
toen men meende, dat ieder middel, om een vijand te overwinnen,
gewettigd en gewenscht was.
De Amphictyonen droegen er veel toe bij, dat de Grieken het gevoel
hadden, van één en hetzelfde ras te zijn, en dat zij, zelfs wanneer
zij twistten, toch tot dezelfde familie behoorden. Dit gevoel werd
nog hierdoor versterkt, dat zij dezelfde taal spraken. Een andere
band, die hen veel steviger onderling verbond dan met de "barbaren",
waren de "spelen", waarin alleen Grieken mochten mededingen. Zelfs
in de dagen van Homerus, en niemand weet hoeveel vroeger reeds,
geloofden de Grieken, dat de goden met genoegen toeschouwers waren bij
athletische spelen; en daarom waren bij alle eenigszins uitgebreide
feesten ter eere van een godheid, de kampspelen even belangrijk als
de offers. Vier van die feestelijke spelen werden beroemd, en de
spelen, te Olympia gehouden ter eere van Zeus, waren het beroemdst
van alle. In latere tijden werden, zooals wij in een volgend hoofdstuk
zullen uiteenzetten, verschillende soorten van wedstrijden gehouden,
maar de wedloopen waren altijd de gewichtigste gebeurtenis; in de
vroegste tijden waren zij zelfs de eenige wedstrijden. In het jaar
776 vóór Christus begonnen de Grieken de namen der overwinnaars op
te teekenen. Met dien datum eindigen de mythische tijden, en van die
periode af dagteekent de werkelijke geschiedenis van Griekenland.