Met honderden dergelijke verhalen hadden de jeugdige Grieken
geen boeken met sproken noodig, zelfs al waren dergelijke boeken
in die dagen voorhanden geweest. Maar, indien wij letten op onze
tegenwoordige jongens, dan komt het ons voor, dat de verhalen, die
zij het liefst lazen, die waren van de wonderlijke reizen, die waren
afgelegd vóór de tijden, die hun grootouders of overgrootouders zich
konden herinneren. Eén van die reisverhalen was bekend als de tocht
om de Gouden Vacht. Die gouden vacht had gehangen in een boschje in
Colchis, een landstreek, die heel ver van Griekenland was verwijderd;
en meer dan één jonge held had bij zich zelf gedacht: "Hoe gaarne zou
ik die vacht bemachtigen!" De moeilijkheid was hierin gelegen, dat
zij bewaakt werd door een vuurspuwenden draak, die nooit een enkel
oogenblik in slaap viel; en menig dapper man, die ieder oogenblik
gereed stond, om den strijd te aanvaarden tegen twee of drie, ja zelfs
tegen vier of vijf dappere krijgslieden, deinsde terug voor het gevaar,
in sintels te veranderen.
Er was echter een jonge held, Jason genaamd, die de erfgenaam was
van een koning in Thessalië. Zijn oom Pelias was tot regent van het
koninkrijk aangesteld gedurende de jeugd van den vorst, en toen Jason,
die nu was opgegroeid tot een dapper, forsch en gespierd jongmensch,
aan het hof verscheen en zeide, dat hij gekomen was om bezit te nemen
van zijn troon, verzon zijn oom alle mogelijke listen, om een middel
te vinden, waardoor hij de regeering zou kunnen behouden. Hij deed
het voorkomen, alsof hij gaarne bereid was, van het gezag afstand te
doen. "Maar" zoo sprak hij, "gij zijt nog jong, en zoudt gij dus niet,
voordat gij de zorgen der regeering op u neemt, eerst nog eenigen
roem willen verwerven? Hoe zoudt gij het vinden, als gij u eerst
wikkeldet in de ééne of andere schitterende onderneming, zoodat uw
onderdanen nog honderden jaren na uw dood over uw grootsche daden
zouden kunnen spreken?"
Pelias zag, hoe de oogen van Jason schitterden, en de sluwe koning
sprak toen van den tocht om de Gouden Vacht te halen, als van het
roemrijkste avontuur, waaraan een held zich kon wijden. Jason verheugde
zich in die gedachte, en begon onmiddellijk de voorbereidselen te
treffen, en een schip uit te rusten, dat vijftig man kon bevatten. Dit
was op zich zelf reeds een bewonderenswaardige onderneming, immers de
schepen uit dien tijd waren niets dan kleine kano's, die vervaardigd
werden, door boomstammen uit te hollen. Het schip werd de Argo genaamd,
naar den bouwmeester Argus, en de vijftig jongelieden, die daarin
wegzeilden, werden de Argonauten genoemd. Aan de sneb van het schip
was een stuk van een sprekenden eik bevestigd, dat Jason antwoord
zou geven, als hij in tijden van moeilijkheden om raad vroeg.
Toen zij gereed waren, was het strand overal bezet met menschen,
die het schip wilden zien wegvaren. Natuurlijk was onder dezen ook
koning Pelias. Hij deed het voorkomen, alsof hij zeer ongerust was,
omdat zijn neef een zoo gevaarlijken tocht ging ondernemen; maar
voortdurend dacht hij bij zich zelf: "Nooit, nooit keert hij terug
en het koninkrijk zal mij toebehooren."
De vijftig jonge mannen waren spoedig uit het gezicht, en groot
was het aantal van hun avonturen, voordat zij het Colchische rijk
hadden bereikt. Toen zij eenmaal daar waren aangekomen, ging Jason
onmiddellijk naar koning Aeëtes en vertelde hem, dat hij daar was
gekomen, om de Gouden Vacht te halen. Men moet echter weten, dat
Aeëtes, ten einde in het bezit van dien schat te komen, den vroegeren
eigenaar daarvan had doen dooden; hij was dan ook absoluut niet van
plan, de vacht af te staan. Hij was echter een even sluw heerscher
als koning Pelias; van daar dan ook, dat hij niet kortaf weigerde,
haar af te staan. "Het is billijk," zoo sprak hij tot Jason, "dat
gij mij eerst twee kleine gunsten bewijst. Indien gij daartoe bereid
zijt, hebt gij mijn toestemming, om tegen den draak te strijden en
de vacht weg te voeren." De twee kleine diensten waren, ten eerste
om twee vuurademende stieren voor het juk te spannen, en ten tweede
om de tanden te zaaien van een draak, die door Cadmus, een held,
die lang vóór dien tijd had geleefd, was verslagen.
Evenals het geval geweest was met den Minotaurus, was hier wederom een
prinses in het spel, en wel Medea, die in liefde ontstoken was voor
den held van het avontuur; zij gaf daarom Jason een toovermiddel,
waardoor de stieren zoo zacht als lammeren werden. Zij waren dan
ook spoedig voor het juk gespannen, zoodat Jason gereed was voor de
tweede proef, het zaaien van de drakentanden. Hij wist zeer goed,
wat geschieden zou, maar toch ging hij even rustig voort, als wanneer
hij graankorrels moest zaaien. In minder tijd dan noodig was om deze
geschiedenis te verhalen, was uit iederen tand niet koren, maar een
gewapende man te voorschijn gekomen, die een oogenblik woest bleef
staan brommen en rondzag, of hij iemand kon vinden, dien hij kon
dooden. Zoodra de mannen Jason in het gezicht kregen, trokken zij
hun zwaarden en stormden woest op hem los. De prinses had hem echter
daarop voorbereid, en hem gezegd, hoe hij zich zou kunnen redden;
hij raapte dus volgens haar raad een steen op en wierp dien onder de
woedende strijders. Ieder van hen meende, dat zijn buurman hem door
den steen had geraakt, en in een ondeelbaar tijdsoogenblik waren zij
op elkander losgestormd. Binnen een minuut tijds waren allen gedood.
Nadat Jason de vuursnuivende stieren had weten te bedwingen, zou
hij wel in staat geweest zijn, ook den draak te overwinnen, die de
Gouden Vacht bewaakte, maar hij dacht, dat het beter was dien te
besprenkelen met den tooverdrank, dien Medea had gereed gemaakt. In
een oogenblik tijds was de draak in een diepen slaap gevallen, zoodat
niets gemakkelijker was dan de vacht van den boom te halen, waaraan zij
gehangen was. Hij was te verstandig, om naar koning Aeëtes te gaan,
om afscheid te nemen; daarom haastte hij zich naar zijn eigen rijk,
zoo snel zijn roeiriemen en zeilen hem konden wegvoeren.
Een ander oud verhaal, het meest bekende van alle, is dat van den
Trojaanschen oorlog. Die oorlog had zijn ontstaan te danken aan
Helena, de schoonste vrouw uit Griekenland. Deze had een groot aantal
aanbidders; haar vader liet deze allen een duren eed zweren, dat
alle overige aanbidders hem, dien zij zou kiezen, zouden beschermen
en in alle moeilijkheden des levens zouden bijstaan. Zij vestigde
haar keuze op Menelaüs, den koning van Sparta, en verscheidene jaren
ging alles voortreffelijk. Maar eindelijk kwam Paris, de zoon van den
koning van Troje, op Sparta, doch toen hij vertrok, nam hij Helena met
zich mede. Nu was het oogenblik voor de andere vorsten aangebroken,
om Menelaüs te helpen, maar er waren er enkelen onder, die liever
hadden willen thuisblijven. Odysseus bij voorbeeld wenschte niet
mede te gaan, en meende, dat hij zich aan den tocht kon onttrekken,
door zich als krankzinnig voor te doen. Hij spande een os en een ezel
samen voor den ploeg en begon zout te zaaien. Spoedig echter kwam zijn
bedrog aan het licht; immers toen zijn jeugdig zoontje op den grond
gelegd werd vóór den ploeg, ging hij veel te voorzichtig op zijde,
om nog langer zijn geveinsde krankzinnigheid te kunnen volhouden.
Het duurde twee jaar, eer de schepen gebouwd en uitgerust waren; maar
eindelijk waren de schepen de zee overgestoken en hadden zij hun kamp
vóór de wallen van Troje opgeslagen. Hun aanvoerder was Agamemnon,
de broeder van Menelaüs. Negen jaren duurde de oorlog, en nog steeds
konden de Grieken Troje niet veroveren, en de Trojanen konden evenmin
de Grieken verdrijven. Aan beide zijden streden de dappersten van
alle helden, en ook de goden namen deel aan den strijd. Aphrodite
begunstigde de Trojanen, en dat wel op goede gronden, daar haar
zoon Aeneas één der dapperste verdedigers van Troje was. Bovendien
overreedde zij Ares den oorlogsgod, hen te helpen. Apollo was eerst op
de hand der ééne partij en daarna op die der andere. Athene, de godin
der wijsheid, en Hera, de echtgenoote van Zeus, haatten de Trojanen,
en in de eerste plaats Paris; immers deze had indertijd den prijs
der schoonheid toegekend aan Aphrodite, in plaats van aan één van
haar beiden. De arme Zeus had een ellendigen tijd in zijn schitterend
paleis op den Olympus, immers Aphrodite kwam telkens weenend bij hem
en smeekte hem, haar geliefden Aeneas te beschermen; doch nauwelijks
had hij haar met vriendelijke beloften getroost, of zijn vrouw Hera
wist op de ééne of andere slinksche wijze zijn oogen af te leiden van
Troje; en dan wonnen de Grieken telkens een overwinning of doodden
zij den een of anderen beroemden Trojaanschen strijder.
Gedurende al die jaren van strijd hadden de Trojanen er nooit een
oogenblik aan gedacht, dat het mogelijk zou kunnen zijn, dat Troje
werd ingenomen, immers de stad werd beschermd door een beeld van
Athene, waarvan verhaald werd, dat het uit den hemel was gevallen. De
Grieken waren niet onkundig van het bestaan van dat beeld. Zij waren
overtuigd, dat, indien zij dat konden bemachtigen, Troje zou vallen;
en eindelijk gelukte het den listigen Odysseus en zijn vriend Diomedes,
het te stelen. Maar toch bezweek Troje nog niet en nog steeds duurde
de strijd voort.
Na eenigen tijd begonnen de Grieken een ontzaglijk groot houten paard
te bouwen op de vlakte, die juist buiten de wallen der stad gelegen
was. Zij slaagden er in, het bericht uit te strooien, dat zij het beleg
hadden opgegeven en op het punt stonden naar huis terug te keeren;
daarna zeilden zij weg, doch lieten het groote houten paard achter.
De Trojanen konden niet ontdekken, met welk doel de Grieken dat
reusachtige gedierte hadden gebouwd; terwijl zij daarover druk aan het
redeneeren waren, en het stonden aan te gapen, brachten eenige herders
een jongen Griek, Sinon genaamd, dien zij hadden gevangen genomen,
in de stad. Hij vertelde een droevig verhaal. Hij zeide namelijk, dat
Odysseus hem haatte, en den Griekschen waarzegger had overgehaald te
verkondigen, dat hij moest worden ter dood gebracht als een offer voor
hun veiligen terugkeer naar Griekenland. Hij was ontsnapt en had zich
in een moeras verborgen gehouden totdat de Grieken vertrokken waren.
De Trojanen waren van nature vriendelijk voor iedereen, die door
Odysseus werd gehaat. Koning Priamus beval, dat hij onmiddellijk
van zijn boeien zou worden bevrijd, en overreedde hem de Grieken
te vergeten en een Trojaan te worden. "Maar vertel ons, waarom dat
reusachtige paard gebouwd is," zoo sprak hij; en Sinon deelde mede, dat
het een offer aan Athene was, omdat zij vertoornd was op de Grieken,
daar zij met bloedige handen haar beeld hadden aangeraakt. "Het is
zóó groot gemaakt, dat het onmogelijk door de poorten uwer stad kan
worden getrokken," legde hij den koning uit, "immers de Grieken weten,
dat het, indien het eenmaal binnen de muren der stad zou zijn gekomen,
u zou beschermen, en dat de overwinning door de Trojanen zou worden
behaald, in plaats van door de Grieken.
De Trojanen geloofden ieder woord, dat door Sinon werd gesproken. Zij
bonden touwen vast aan het reusachtige gevaarte en begonnen het naar
de stad te trekken. Zelfs haalden zij een deel der stadsmuren neer,
om het paard een doorgang te verschaffen. In dien nacht opende de
verraderlijke Sinon een deur in het lichaam van het paard, en een
aantal gewapende Grieken, die daar binnen verborgen waren, lieten
een touw neer en lieten zich onder doodsche stilte op den grond
afzakken. De Trojanen waren in slaap, en het was een zeer gemakkelijk
werk, de wachten te dooden en de poorten voor de overige Grieken
open te werpen; immers zij waren niet naar Griekenland weggezeild,
maar hadden zich alleen verborgen gehouden achter een klein eiland,
dat op enkele mijlen van Troje verwijderd was.
Dit is het beroemde verhaal van den val van Troje of Ilium. Het
is ons overgeleverd in een groot episch gedicht, de Ilias, en wij
kunnen het lezen in dezelfde bewoordingen, waarin het bij de Grieken
bekend was. De Ilias verhaalt ons die geschiedenis tot aan den dood
van Hector, een dapper Trojaansch krijgsman, die door Achilles werd
gedood; maar het verhaal van het reusachtige houten paard is tot
ons gekomen uit een ander heldendicht, de Aeneïs, dat vervaardigd
is door den Latijnschen dichter Virgilius. De Grieken meenden, dat
de Ilias vervaardigd was door een blinden dichter, Homerus genaamd,
die geboren was op het eiland Chios, en die het land doortrok, zijn
gedichten voordragend of zingend. Hij was een bedelaar, maar toch was
hij een welkome gast in het huis van iederen aanzienlijken Griek,
immers op de feesten kon hij spelen op zijn harp met vier snaren
en zingen van de bewonderenswaardige daden uit den ouden tijd. Hij
vervaardigde ook een tweede heldendicht, de Odyssee, dat verhaalt van
de zwerftochten van Odysseus; immers het jonge kind, dat vóór den ploeg
was gelegd, was opgegroeid tot een stevigen en rijzigen jongeling,
voordat de goden den held hadden toegestaan, naar zijn huis terug
te keeren. Odysseus had de meest wonderlijke avonturen. Hij bezocht
het land der Lotos-eters of Lotophagen. Zij die van de Lotosplant
aten, vergaten alles van hun huis en hun vrienden, en Odysseus moest
enkelen van zijn manschappen, die er van gegeten hadden, met geweld
wegsleepen. Hij werd in een hol opgesloten door één der Cyclopen;
hij vertoefde een tijdlang op het eiland der toovenares Circe,
die menschen in dieren veranderde; met de grootste voorzichtigheid
zeilde hij door tusschen de twee monsters, Scylla en Charybdis. Eén
der zeenimfen beloofde hem de onsterfelijkheid, als hij slechts zijn
woonplaats wilde vergeten en op haar eiland wilde achterblijven, maar
hij verlangde vurig naar zijn vrouw en zijn zoon op het eiland Ithaca,
en eindelijk gelukte het hem, zijn weg daarheen te vinden. Hij maakte
zich aan zijn zoon bekend, en samen straften zij de vrijers, die zijn
bezittingen hadden verkwist en zijn echtgenoote waren lastig gevallen.
Die oude verhalen zijn de moeite wel waard, gekend te worden, omdat
het zeer schoone en dichterlijke verhalen zijn; maar bovendien ligt
aan ieder dier verhalen een spoor van waarheid ten grondslag. De
geest der Grieken was rijk aan een dichterlijke fantaisie; het
was, bij voorbeeld, gemakkelijk, de herinnering aan een warmen,
drogen zomer, die in een donderbui eindigde, om te werken tot het
verhaal van Phaëthon; of het verhaal van den een of anderen tocht van
zeeroovers om te werken tot het poëtische verhaal van den tocht der
Argonauten. De geschiedenis van Theseus beteekent waarschijnlijk,
dat op zekeren tijd door de Atheners aan Creta een schatting moest
worden betaald. De terugkeer der Heracliden moet slaan op de tijden,
toen de Doriërs tot in den Peloponnesus doordrongen en een groot
gedeelte van dat schiereiland in hun bezit kregen.
Zelfs met behulp van deze verhalen, weten wij op verre na niet zooveel
van de oude geschiedenis van Griekenland als wij wel zouden willen. Wij
kunnen echter bijna zeker zijn van enkele feiten en wel:
Dat de Grieken behoorden tot het Arische ras, dat toen leefde
in Centraal-Azië; dat zij in kleine troepen van landverhuizers
in Griekenland kwamen; dat zij in vier stammen verdeeld waren,
de Aeoliërs, Doriërs, Joniërs en Achaeërs; dat de Doriërs in den
Peloponnesus binnendrongen en een groot aantal Achaeërs verjoegen;
dat die Achaeërs hun weg richtten naar het noorden en de Aeoliërs
verdreven, die daarna de Aegeïsche Zee overstaken en koloniën stichtten
op de kusten van Klein-Azië; dat zij gevolgd werden door de Joniërs,
en eindelijk door enkele Doriërs, die geen voldoende plaats vonden
in den Peloponnesus; dat er gedurende honderden jaren voortdurend
met enkele tusschenpoozen gestreden werd tusschen Griekenland en
Klein-Azië, totdat Griekenland ten slotte veroverd werd door Philippus,
den koning van Macedonië. De verovering geschiedde echter eerst drie
eeuwen vóór Christus.