Het moet voor de knapen en meisjes, die voor drieduizend jaar in
Griekenland leefden, een bijzonder genot geweest zijn, dat zoovele
van de vragen, door hen gedaan omtrent natuurverschijnselen of omtrent
aardrijkskundige benamingen, met een boeiend verhaal of een pakkende
mededeeling konden worden beantwoord. Indien bij voorbeeld een jongen
vroeg naar den naam van een berg, welks top ver in het noorden werd
gezien, zou zijn moeder kunnen antwoorden: "Dit is de berg Olympus. Op
zijn top is het schoonste paleis, dat men zich kan voorstellen. Het
is gebouwd van witte, rooskleurige en gouden wolken, en het is de
woonplaats van Zeus, den Koning der Goden. Dikwijls ontbiedt hij de
andere goden naar zijn paleis; en dan gaan zij op reis van de aarde,
het water en de onderwereld, en komen samen in de groote zaal van het
paleis. Daar worden zij gespijzigd met ambrosia en drinken zij nectar,
de Muzen zingen en Apollo tokkelt de lier. Als de zon ondergaat,
verlaten zij weder het paleis door de uit wolken bestaande poorten
en keeren zij naar hun woningen terug. De zon is een schitterende
gouden wagen. Apollo ment dien wagen iederen morgen hoog in de lucht
naar boven, en iederen avond weer naar beneden. Hij schittert in het
schelste licht door de fonkelende diamanten, waarmede hij bezet is,
en het is daardoor, dat de zon uw oogen verblindt, wanneer gij er in
wilt zien."
"Ik zou den wagen wel willen mennen" zou misschien de jeugdige
Grieksche knaap hebben geantwoord; en dan zou zijn moeder hem kunnen
vertellen van den tijd, toen eens een jeugdige knaap den zonnewagen
wilde mennen, en van het lot, dat hij toen onderging.
"Hij werd geacht de zoon van Apollo te zijn," zoo luidde het verhaal,
"en hij heette Phaëthon. Op zekeren dag werd een speelmakker boos
op hem en riep uit "Gij zijt van lage afkomst! Het is niet waar,
dat gij de zoon van Apollo zijt!" Phaëthon antwoordde met geen enkel
woord, maar vertrok onmiddellijk naar het uiteinde van Indië, en liep
stoutmoedig naar het paleis van Apollo. De zoldering was van ivoor en
de deuren waren van zilver. Aan het andere uiteinde der lange zaal
stond een troon, die schitterde en glinsterde en licht verspreidde
als de zonnestralen, die fonkelden in het water. Op dien troon zat
de Zonnegod zelf. Deze droeg een karmozijnkleurig kleed, en op zijn
hoofd droeg hij een kroon, gemaakt van lange stralen van gouden licht,
die nog veel schitterender flikkerde en lichtte dan de zon op het
midden van den dag. Phaëthon doorschreed de geheele lengte der zaal en
stond voor den troon. Apollo zag vriendelijk op hem neder en zeide:
"Zeg mij wie gij zijt, en waarom gij mij hebt opgezocht." Daarop
vertelde hem de knaap, hoe zijn speelmakker hem had gehoond, door
te zeggen, dat hij geen kind van Apollo was. "En ik ben gekomen"
zeide hij "om u te smeeken, dat gij, als ik werkelijk uw zoon ben,
mij eenig bewijs daarvan zult willen geven."
Apollo had schik in den moed van den knaap. Hij sloeg zijn armen om den
nek van Phaëthon en sprak: "Gij zijt werkelijk mijn zoon, en om u dit
te bewijzen, zal ik u alles schenken, wat gij maar vraagt." De jonge
knaap vroeg nu in zijn onverstand, dat het hem zou worden toegestaan,
één enkelen dag den vurigen wagen te mogen mennen. Apollo keek zeer
ernstig. "Zelfs de andere goden kunnen dat niet doen," zoo sprak
hij. "Zeus zelf zou het niet durven beproeven. Ik bid u, vraag een
ander geschenk." Maar Phaëthon had nu eenmaal zijn zinnen gezet op
de vervulling van dien éénen wensch; en daar Apollo zijn woord had
gegeven, moest hij toegeven. De stijfhoofdige knaap sprong in den
wagen en greep de teugels. Aurora wierp de oostelijke poort open,
die glinsterde van purper, karmozijnrood en goud, en de paarden
galoppeerden het pad op door de lucht. Iedereen kon gissen, wat moest
gebeuren. De vermetele knaap zou even gemakkelijk een storm hebben
kunnen in bedwang houden als die vurige paarden. Hij kon ze niet langs
den voortgeschreven weg leiden, en daardoor renden zij wild door de
lucht, nu eens in de ééne, dan weer in de andere richting. De lichte
vracht van den wagenmenner beteekende voor hen niets, en de wagen
werd heen en weer geslingerd als een schip in den storm. Phaëthon
durfde niet naar beneden te zien, want hij vreesde duizelig te worden,
daar de aarde zoo diep onder hem lag. Hij durfde niet naar boven te
zien, daar de hemel zoo vol monsters was, zooals de Groote Beer, de
Kleine Beer, de Slang en de Schorpioen. Hij liet de teugels glippen,
en de paarden vlogen nog woester vooruit dan te voren. De vurige
wagen bewoog zich slingerend hoe langer hoe dichter naar de aarde
toe. De bergen begonnen te rooken, de rivieren trachtten zich in het
zand te verbergen, de Oceaan slonk tot een meer, steden verbrandden
tot asch. "Help mij, help mij, vader Zeus!" riep de Aarde. Daarna
slingerde Zeus zijn bliksemflitsen naar Phaëthon, en hij viel van
den wagen neer in den Eridanus-Vloed. Zijn zusters stonden aan den
oever en weenden om hem, en langzamerhand werden zij veranderd in
populieren; en zelfs nog heden ten dage, kunt gij, als gij naar de
populieren luistert, ze zacht en droevig samen hooren fluisteren over
het lot van haar verongelukten broeder Phaëthon."
Zoo ontwikkelde zich het ééne verhaal uit het andere, zoodat men
zich er over moet verbazen, dat de vertellers ooit tot een einde
kwamen. Als de Grieksche jongens en meisjes vroegen, wie de dikke
muren gemaakt hadden, die reeds in die tijden eeuwen oud waren en
uit reusachtige steenen waren samengesteld, luidde het antwoord:
"de Cyclopen"; en dan volgde er een onafgebroken reeks van verhalen
over die wonderlijke éénoogige reuzen. "Maar waar komen wij zelf
van daan?" vroeg een kind wel eens, en dan werd ook daarover een
merkwaardig verhaal medegedeeld. "In vroegere dagen was het volk op
aarde zeer misdadig," zoo luidde het verhaal, "en daarom zond Zeus een
ontzaglijken vloed, om hen te verdelgen. Alleen Deucalion en zijn vrouw
Pyrrha waren deugdzaam, en daarom beloofde Zeus, dat zij gered zouden
worden. Nadat de vloed verdwenen was en alle andere stervelingen waren
verdronken, waren Deucalion en Pyrrha eenzaam achtergebleven. "Laat
ons de goden bidden, om menschen op aarde te zenden," zoo spraken
zij; en zij gingen op weg naar een tempel, die nog was blijven
staan. Er was geen priester meer, geen vuur brandde meer op het
altaar, en de grond was bedekt met modder en steenen en met afval,
dat door den vloed was binnengespoeld. Door die hindernissen heen
drongen Deucalion en Pyrrha voort naar het altaar en baden, dat de
aarde weder mocht worden bevolkt. Zij kregen het volgende antwoord:
"Vertrekt van den tempel en werpt de beenderen uwer moeder achter u
weg." "De overblijfselen van onze ouders ontheiligen!" riep Pyrrha
vol ontzetting uit: "laten wij liever eeuwig alleen blijven dan dat te
doen." Deucalion bewaarde het stilzwijgen, maar ten slotte zeide hij,
in nadenken verzonken: "De aarde is ons aller moeder, en de steenen
zouden de beenderen der aarde kunnen worden genoemd. Ik geloof, dat
het bevel beteekent, dat wij steenen moeten oprapen en achter onze
hoofden moeten werpen. In ieder geval kunnen wij het beproeven en
zien wat er zal gebeuren." Zoo deden zij, en spoedig waren zij niet
langer alleen, immers uit iederen steen, die door Deucalion geworpen
werd, ontstond een man, en uit iederen steen, door Pyrrha geworpen,
ontstond een vrouw. Een der zonen van het echtpaar heette Hellen,
en wij, Hellenen, stammen allen van hem af. Hellen had twee zonen en
twee kleinzonen. De namen der zonen waren Aeolus en Dorus, die der
kleinzonen waren Ion en Achaeus. Dit is de reden, dat wij Hellenen
uit vier verschillende volksstammen bestaan--de Aeoliërs, Doriërs,
Joniërs en Achaeërs. De andere volkeren zijn barbaren; hun geheele
taal is "baba", en niemand kan hen verstaan."
Er waren bijna evenveel verhalen omtrent helden als omtrent goden. De
helden waren mannen, die de ééne of andere daad van groote dapperheid
hadden verricht. Gewoonlijk waren zij de zonen van een god of godin
en van een sterfelijk wezen. Bijna iedere stad van Griekenland, hoe
klein ook, had haar held. De lievelingsheld van Athene bij voorbeeld
was Theseus; en ieder Athener, hoe jong ook, kende de geschiedenis
van zijn bewonderenswaardige heldendaden en kon verhalen van de oude
tijden, toen Athene jaarlijks zeven dappere jongelingen en zeven
schoone maagden naar het eiland Creta moest zenden om verslonden te
worden door den Minotaurus, een afschuwlijk monster met het lichaam van
een man en den kop van een stier. Ten slotte drong Theseus, de zoon van
Koning Aegeus, er op aan, dat hij zou gekozen worden als één der zeven
jongelingen; en hij verliet Athene in het schip met zwarte zeilen,
dat de met schrik vervulde jongelingen en meisjes hun afschuwlijk
noodlot zou tegemoet voeren. Theseus had niet het minste plan zich
door den Minotaurus of eenig ander monster te laten verslinden,
als hij dat door hardnekkig vechten kon verhinderen. Hij was vast
besloten het monster te dooden en zijn vrienden te redden of zelf te
bezwijken; zoodra dus het schip Creta bereikte en de jongelingen en
meisjes voor den koning werden gebracht, ging hij aan het hoofd van de
slachtoffers staan en zeide: "Koning Minos, ik verzoek het voorrecht
te mogen hebben, het eerst den Minotaurus tegemoet te gaan. Ik ben
een vorst, en het is mijn recht de leidsman en aanvoerder van mijn
volk te zijn." Koning Minos lachte onaangenaam en op smadelijke wijze,
en zeide: "Ga, als gij wilt, gerust het eerst, en ik zal er op letten,
dat de deelgenooten van uw lot u volgen; gij kunt daarop rekenen."
Theseus was een dapper strijder, en zou ongetwijfeld nooit het monster
uit den weg zijn gegaan; maar het is een andere vraag, of hij ooit in
staat zou geweest zijn, het monster te dooden, als hij niet onverwachts
hulp had gekregen. Op ééne of andere wijze was hij in kennis gekomen
met Ariadne, de schoone dochter van den koning, en zij waren in
liefde voor elkander ontstoken. Gelukkig voor hem wist Ariadne, waar
zij een zwaard kon vinden, dat in de handen van een dapper man den
monsterachtigen kop van den Minotaurus kon afslaan; maar er was nog
een tweede gevaar te overwinnen, dat zelfs nog verschrikkelijker en
verontrustender was dan een ontmoeting met het monster, en dat was
de doolhof, waarin de Minotaurus huisde. Die doolhof was vervaardigd
door een hoogst bekwaam bouwmeester, Daedalus genaamd, en was zóó
vernuftig aangelegd met zijn dwaalwegen en krommingen en wendingen
en kronkelingen, dat niemand, die er eenmaal was binnengedrongen,
den weg naar buiten kon terugvinden. Zelfs geen tooverwapen kon daar
van eenigen dienst zijn; maar het heldere vernuft van Ariadne zelf
was heel wat beter dan eenig zwaard. "Pak het ééne uiteinde van dit
zijden touw stevig vast," zoo sprak zij tot Theseus, "en ik zal het
kluwen vasthouden, terwijl het wordt afgewikkeld. Wanneer gij daarna
den terugtocht aanvaardt, moet gij het koord weer opwinden, en het
zal u recht naar mij terugvoeren." Het geschiedde volkomen, zooals zij
hadden afgesproken. Theseus doodde het monster, daarna volgde hij het
zijden kluwen, totdat het hem naar Ariadne terugleidde. Daarna zeilde
hij met de prinses en de Atheensche jongelingen en meisjes snel naar
Athene terug; en nooit meer behoefden de Atheners de vreeselijke
schatting te betalen.
Minos zelf was één van de helden der Grieken, hoewel hij een zoo
ijselijk monster hield als den Minotaurus, dat zich voedde met de
lichamen van ongelukkige jongelingen en maagden; en er zijn een aantal
legenden, die getuigenis aflegden van de verstandige wetten, die hij
uitvaardigde. Ook vertelden de Grieken veel van de groote gevaren,
waaraan zeelieden blootstonden van de zijde van zeeroovers, en van de
wijze, hoe koning Minos die zeeroovers volkomen had uitgeroeid. "Hij
was een machtig koning," zoo zeiden zij, "en daarbij was hij zóó
rechtvaardig, dat het niet te verwonderen is, dat hij na zijn dood
werd aangesteld tot één der rechters van de onderwereld."
Koning Minos was de zoon van Zeus en Europa. Er is een verhaal, dat
Europa, toen zij nog een klein meisje was, eens aan het spelen was
op een weide, die rijk voorzien was van bloemen. Een prachtige witte
stier verscheen, en het eerste oogenblik was zij daardoor verschrikt;
maar de stier was zóó vriendelijk speelsch, dat zij al haar angst
vergat. Zij hing bloemkransen om zijn nek en sprong eindelijk op
zijn rug. Plotseling draaide de stier om, holde in vliegende vaart
naar het strand en sprong in het water. Hij zwom ver weg tot aan het
eiland Creta. Daarna hernam hij zijn vroegeren vorm, en de jeugdige
Europa ontdekte toen, dat zij gespeeld had met den Koning der Goden,
en dat hij haar had geschaakt en haar naar dat eiland had gevoerd,
dat ver over de zee gelegen was, omdat hij haar zoo innig lief had.
Een andere held, die volstrekt niet minder beroemd was dan Theseus,
heette Oedipus. Hij woonde in Thebe, en juist buiten Thebe was een
monster, dat niet minder ontzagwekkend en afgrijselijk was dan de
Minotaurus. Het heette de Sphinx. Het had het hoofd van een vrouw
en het lichaam van een leeuw. Het lag op een hoogte ter zijde van
den weg, en zoodra het een reiziger in het gezicht kreeg, kwam het
niet voor den dag om een eerlijken strijd te leveren, maar gaf het
den reiziger een raadsel op, en als deze het antwoord niet kon raden,
sprong het monster op hem af en verslond het hem. Het raadsel luidde:
"Welk dier loopt des morgens op vier voeten, des middags op twee,
en des avonds op drie"? Niemand had het ooit opgelost; maar toen
Oedipus het hoorde, zeide hij kalm: "Het is de mensch, die in zijn
kindertijd op handen en voeten kruipt, op den mannelijken leeftijd
rechtop loopt, en in den ouderdom met behulp van een stok loopt." De
Sphinx was zóó vertoornd dat het raadsel was opgelost, dat hij zich
van de rots neerwierp en op die wijze omkwam.
Misschien de allerberoemdste van alle Grieksche helden was Heracles,
die reeds een held begon te zijn, toen hij nog een zuigeling was van
acht maanden. Twee vurige slangen waren door één der godinnen op hem
afgezonden om hem te dooden; maar het kind stak zijn kleine armpjes
uit over den rand van zijn wieg, greep in iedere hand een slang en
drukte ze dood. Dit was voldoende, om zijn roem te vestigen, maar het
was slechts de geringste van de heldendaden van Heracles. Op zekeren
dag kwam een bevel van Zeus tot hem: "Ga naar koning Eurystheus
en gehoorzaam gedurende twaalf jaar aan ieder bevel, dat hij u
geeft." Eurystheus nu was een vijand van Heracles, en zelfs een zoo
stoutmoedige held als Heracles mocht wel angstig zijn, nu hij twaalf
lange jaren in zijn macht moest staan. Heracles echter trok moedig
naar het rijk van Eurystheus. Hij was goed gewapend, immers hij
was een gunsteling der goden, en verscheidenen van hen hadden hem
geschenken gegeven. Apollo had hem een boog en Hermes een zwaard
gegeven. Hephaestus, de manke god, die alle mogelijke voorwerpen
van metaal kon vervaardigen, had een gouden borstharnas voor hem
vervaardigd. Poseidon, de beheerscher van het gebied van den oceaan,
had hem een span paarden geschonken; en Athene, de godin der wijsheid
en de meest bekwame weefster op de geheele wereld, had een kleed voor
hem geweven. Spoedig bereikte hij Mycene, en vertelde hij aan koning
Eurystheus, dat hij bereid was zijn wil te gehoorzamen. Eurystheus
wist, dat zijn rijk van rechtswege aan Heracles toekwam, en daarom zond
hij hem telkens weg, om hem aan de meest gevaarlijke avonturen bloot
te stellen, waarvan hij kennis kon krijgen, in de hoop dat Heracles
bij één van die avonturen gedood zou worden. Het allereerst zeide hij:
"Ga naar het Nemeïsche woud, en dood den monsterachtigen leeuw, die
mijn rijk verwoest." Heracles begaf zich naar het bosch, en keerde
spoedig terug met de huid van den leeuw over zijn schouders. De
koning was zóó verbaasd, toen hij ontdekte, hoe sterk Heracles was,
en zóó bevreesd, dat deze zijn kracht tegen hem zou gebruiken, dat
hij een klein vertrek onder den grond als schuilplaats liet graven
en de muren bedekte met zware koperen platen.
Hij zond Heracles op andere avonturen uit, en dacht iederen keer, dat
het nu wel de laatste maal zou zijn, dat hij hem te zien kreeg, en zoo
dikwijls dan ook het volk begon te schreeuwen: "De held komt daar aan,
Koning Eurystheus! Heracles is bijna hier!" sloop de teleurgestelde
koning weg, om zich in zijn onderaardsche kamer te verbergen. Hij
eischte twaalf heldendaden of werken van Heracles; maar ten slotte
waren zij alle volbracht. De held had een hert met gouden horens,
een woest wild zwijn en een woedenden wilden stier gevangen, en
die medegesleept naar de poorten van Mycene. Hij had alle mogelijke
soorten van monsters gedood, één met zes pooten en een ander met negen
koppen, zóó geschapen, dat indien één der koppen was afgesneden,
er twee voor in de plaats groeiden; en hij had uit de onderwereld
een driekoppigen hond gehaald met den staart van een draak, om niet
te spreken van andere ondernemingen, als het dooden van een zwerm
wilde vogels, die mannen en dieren verslonden, en het dragen van de
zuilen des hemels in den tijd dat Atlas, wiens taak dit was, eenige
gouden appels voor hem haalde uit den tuin der Hesperiden. Waarlijk,
hij verdiende wel de belooning, hem door Zeus gegeven, om naar den
hemel te worden overgebracht en onder de goden te worden geplaatst.
Eurystheus vervolgde de kinderen van Heracles en verjoeg ze uit het
rijk. Hij voerde zelfs oorlog tegen Athene, omdat die stad ze had
opgenomen. In dien oorlog werd hij gedood; en toen viel het koninkrijk
ten deel aan Hyllus, den oudsten zoon van Heracles; dat wil zeggen,
het zou hem toebehooren, als hij er bezit van kon nemen. Het scheen,
alsof er heel wat bloedig moest worden gestreden, voordat de zaak
geregeld kon worden; maar ten slotte kwamen beide partijen overeen,
dat Hyllus en de kampioen onder zijn vijanden in een tweegevecht
elkander zouden ontmoeten.
Indien Hyllus de overwinning behaalde, moest hij het koninkrijk
verkrijgen; maar indien de kampioen den strijd won, moesten Hyllus
en zijn vrienden honderd jaar lang wachten, voordat zij weer zouden
mogen trachten zich meester te maken van de kroon. Al de manschappen
van beide partijen wachtten verlangend den uitslag af; maar spoedig
waren de zonen van Hyllus van groote droefheid vervuld, daar Hyllus
gedood werd. Zij hielden getrouw hun belofte, immers noch zij,
noch hun kinderen of kleinkinderen, deden een enkele poging om het
koninkrijk te bemachtigen. Eindelijk echter was er aan het tijdperk
van honderd jaar een einde gekomen, en de drie achterkleinzoons van
Hyllus, of, zooals zij genoemd werden, de Heracliden, trokken er met
hun vrienden op uit, om de landen te herwinnen, die oorspronkelijk
aan hun geslacht hadden toebehoord. Toen was de fortuin hun gunstig,
en hun tocht wordt genoemd de terugkeer der Heracliden.