Een crisis.
Toen Steven eenige dagen later tegen den avond nog eens de plaats
bezocht; waar de tent gestaan had, was de daglooner Teunissen al
bezig met er den grond om te spitten en in gereedheid te brengen
voor 't poten van de staak- of snijboonen.
Mismoedig keerde hij terug naar de straat, waar de dorpsjeugd zich
vermaakte met eenige bonte lappen en kleurige linten, welke door de
kunstenaars waren achtergelaten.
Steven doolde dien avond nog laat door 't dorp en den omtrek rond.
Hij had rust noch duur. Het leven, dat hem vroeger zoo bekoorlijk
had geschenen, had nu alle aantrekkelijkheid voor hem verloren.
Toen hij voorbij de woning van den nachtwacht ging, herinnerde hij
zich zijn laatste gesprek met zijn vriendin Tonia. Evenals
gewoonlijk was ze ook nu vriendelijk jegens hem geweest, maar hij
had een droeven trek op haar lief gelaat bespeurd en ze had hem zeer
ernstig onder 't oog gebracht, dat hij den kostbaren tijd met
straatslijpen verkwistte, terwijl zijn goede vader zijn hulp zoozeer
behoefde.
Uit haar geheele gedrag jegens hem was hem duidelijk gebleken, dat
ze in de toekomst al heel weinig van hem hoopte. Dit had hem te meer
gegriefd, daar hij wist dat de zoon van den smid, een algemeen
geacht, werkzaam jongmensch, haar tot vrouw wenschte.
Beter dan ooit te voren begreep hij nu, dat zijn leven op mislukking
zou uitloopen.
Al voortgaande over de stille, donkere straat, raakte hij ten
laatste erg vermoeid. Hij huiverde en rilde en voelde zich doodziek.
Zijn hoofd gloeide en klopte.
Zoo bereikte hij weer het ouderlijk huis. Hij drukte 't hoofd tegen
de koude steenen om 't zoo te verkoelen. Toen werd hij zóó duizelig,
dat hij met de hand tastte naar eenig voorwerp om zich aan vast te
houden. Doch hij vond geen houvast en viel schavend langs den muur.
Daar lag hij, als dood.
Zijn verhit brein was intusschen werkzamer dan ooit.
In zijn koortsachtige droomen werd het _verleden_ weer _heden_. Hij
bevond zich weer in de vriendelijke, gezellige, ouderlijke woning.
Zijn moeder was er weer, vroolijk, vol hoop en goeden moed. Het
speenvarkentje en Bles, ja alles was er weer, zooals het geweest was
in vroeger, gelukkiger tijden. Zelfs de oude moeder Teunissen, die
hem achter haar rokken verborgen had, als hij niet naar school
wilde, was in 't vertrek aanwezig. Ofschoon ze al jaren geleden
gestorven en 't kleinkind, dat ze zoo vaak in slaap gewiegd en
gezongen had, nu al bezig was om een handwerk te leeren, -- ze was
er weer en wiegde ouder gewoonte datzelfde kleinkind, terwijl ze
zong, gelijk ze vroeger deed:
"Suja, suja kindjen!
Hoe ben je dan zoo stout?
Heb je pijn in 't buikjen,
Of zijn je voetjes koud?
Prikt je hier of daar een speld?
Is er een bandje, dat je knelt?
We zullen een vuurtje stoken;
We zullen een papje koken.
't Wiegjen dat gaat: tik-tak!
Voor den kleinen dikzak."
Steven gevoelde zich, ondanks zijn doodelijke matheid, gelukkig.
In zijn droomen toch genoot hij weer al de zelfopofferende liefde
van zijn vervlogen jeugd. Nachtegalen zongen hem weer in slaap, als
in zijn prille jeugd; de lucht was verkwikkend warm en bezwangerd
met den heerlijken geur van het klaverveld en de rozen, van de
vlier, den meidoorn en de kamperfoelie. Velden, weiden, boomen en
bosschen waren mooi groen; ze waren met dauwdroppels overdekt, die
schitterden in 't avondlicht als fonkelende juweelen. De boschduiven
koerden en de koekoek riep.
Hij vond zich opgenomen in den kring der schoone gelukkige kinderen
van 't kasteel Heiterloo; ze beminden hem als een broeder, speelden
met hem in den mooien tuin en genoten naar hartelust van de
heerlijke vruchten en zijn ouders stonden glimlachend, innig blij
toe te zien; ze verheugden zich in 't geluk van hun kind.
Wat later bevond hij zich in 't circus, onder de kunstrijders. Hij
deed ongeloofelijke toeren en werd door 't verbaasde publiek
uitbundig toegejuicht.
Maar een volgende maal spookten wilde droomen door zijn ontsteld
brein. In verbeelding bevond hij zich weer op 't schuttersveld en
schoot bij ongeluk den vader der arme Tonia dood. Hij hoorde haar
klagen en jammeren; hij zag hoe ze radeloos de handen wrong en hij
wenschte, dat de grond zich onder hem opende en zich weer boven hem
toesloot. Zijn vrienden stonden op eenigen afstand verrast en
verschrikt toe te zien; ze meden en schuwden hem en de veldwachter
trad op hem toe, deed hem de boeien aan en leidde hem weg om hem in
verzekerde bewaring te brengen.
Ook de avontuurlijke tochten met Dronken Hannes doorleefde hij in
verbeelding weer.
Eens verscheen hem in zijn koortsige droomen zijn goede vader,
gebogen onder een zwaar pak, waarmee hij de klanten wilde bezoeken.
Hoe vermoeid en lusteloos zag die vroeger zoo krasse, moedige man er
nu uit!
Hoe langzaam vorderde hij en wat leunde hij zwaar op zijn stok!
Steven kon het niet aanzien, dat hij zich zoo moest inspannen en
poogde op te staan, bij hem te komen en 't pak van hem over te
nemen, doch dit was hem geheel onmogelijk. Het was hem juist zoo, of
hij door sterke armen werd vastgehouden.
Hij was plotseling zwaar ziek geworden en toen hij aan den hoek der
ouderlijke woning was neergestort, hadden zijn vader en Tonia, die
er 't huiswerk verrichtte, dit gehoord; ze waren ijlings
toegeschoten en hadden hem te bed gebracht.
Dag en nacht moest er bij hem gewaakt worden. Zijn toestand was
uiterst bedenkelijk en 't stond te vreezen, dat hij er nooit weer
van zou opkomen.