Een roffel klinkt en maakt blijkbaar een diepen indruk op de
aanwezigen. 't Geroezemoes van stemmen houdt op, evenals 't
gescharrel met de voeten en zelfs de onhandigsten en de
onverschilligsten onder de schutters laten hun achtelooze houding
varen.
Van de ontstane stilte maakt de aanvoerder op een verstandige wijze
gebruik. Zijn bevel klinkt: "Voorwaarts, marsch!"
De tamboers roeren weer de trommen en op de maat daarvan zet zich de
heele bonte stoet in beweging. Allen, tot zelfs de meisjes die nog
de zwarte kap met veeren dragen, doen hun best om in den pas te
blijven.
Welhaast was men nu in de weide gekomen, waar de schijf stond
opgericht.
"Waar zou 't veiligst wezen om te staan, Barend?" vroeg een
spotvogel aan den boer nevens hem.
"Vlak achter de schijf," antwoordde deze lachend.
Ten einde ongelukken te voorkomen had men twee van de beste geweren
uitgekozen, om er mee naar de schijf te schieten.
De deelnemers aan den wedstrijd moesten, om te beginnen, een nummer
trekken, dat hun beurt om te schieten aanwees.
Steven de Laat, die bij geen openbare vermakelijkheid van eenige
beteekenis gemist werd, behoorde ook tot de schutters. Hij had
echter nog nooit te voren een geweer in handen gehad, zoodat zijn
kans om een prijs te winnen uiterst gering was. Er bevonden zich
namelijk onder de schutters ettelijke wildstroopers, die maar zelden
't doel misten. Bovendien had Steven nog te nauwernood den
vereischten leeftijd bereikt om aan den schietwedstrijd deel te
nemen.
Maar hij voelde behoefte aan afwisseling en verstrooiing. Hoe ouder
hij werd, hoe meer hij gekweld werd door een drukkende verveling.
Dit was onder zijn omstandigheden ook zeer natuurlijk. Het leven is
als een stroom. Het water midden in de rivier vloeit helder en
lustig voort en weerspiegelt nu eens de voorbij zwevende wolken en
dan weer den blauwen hemel met zijn miriaden van schitterende
lichten. Aan de oevers daarentegen, waar riet en biezen groeien of
waar de stroom een bocht maakt, staat het water stil of draait er in
kleine kringen rond. Het wordt troebel en door verschillende
rottende stoffen verontreinigd.
Zoo ook is er voor een mensch niets gevaarlijker dan lediggang.
Wie, als Steven, zich geen werkplaats in de samenleving wist te
veroveren, voelt zich daarin ook niet thuis.
Voor den werkzame daarentegen is iederen gelukkig volbrachten arbeid
een overwinning, die hem kracht en moed geeft tot moeilijker, meer
loonenden arbeid.
Niemand weet, waartoe hij in staat is, zoo hij 't niet ernstig
beproefd heeft en evenmin hoever hij 't door vlijt en volharding
brengen kan.
* *
*
Men staat gereed om den wedstrijd te beginnen. De nachtwacht, die
bij de schijf geplaatst is, om de geschoten punten door 't wuiven
met een vlaggetje aan de anderen kenbaar te maken, is in de diepte
neergedaald, die hem tot schuilplaats moet dienen en met dit doel in
den grond is uitgegraven.
Toen de eerste schutter 't geweer op de schijf richtte, werd het
plotseling stil onder de toeschouwers. Vooral de huwbare meisjes
wachtten met spanning op den uitslag van dezen wedstrijd. Als haar
vrijer een prijs verwierf, zouden zij immers deelen in zijn eer en
nog bovendien ook een mooien prijs bekomen.
Daar knalde het schot.
In gespannen verwachting zag men den nachtwacht uit zijn veilige
schuilplaats te voorschijn kruipen, de schijf bezien en met het
vlaggetje eenige malen op en neer wuiven, om zoo aan de anderen 't
geschoten aantal punten kenbaar te maken.
Daarop verdween hij weer in zijn onderaardsch verblijf en de
volgende schutter was aan de beurt.
Op die wijze ging het geregeld voort.
Er werd niet best geschoten.
De wildstroopers hadden waarschijnlijk reeds te veel "spraakwater"
gebruikt, om met de vereischte juistheid te kunnen richten, want
voor iemand, wiens oogen schemerden, was de schijf op een te grooten
afstand geplaatst.
Antoon van den bakker had echter 't geluk om de schijf dicht nevens
de roos te treffen.
Steven de Laat, die toevallig het hoogste nummer getrokken had, kwam
dus het laatst aan de beurt.
"Die had ook beter gedaan door maar thuis te blijven," zei boer
Verlaar. "Dat jonge mensch kan, geloof ik, niets anders dan
leegloopen en 't geld van zijn ouders verteren."
"Ja," zei boer Scholte, die naast hem stond, "ik vrees, dat zijn
vader en moeder heel wat verdriet aan hem zullen beleven. Hij is
anders een goede jongen, maar als de meeste éénige kinderen,
verwend. Zoo heeft hij een afkeer van werken gekregen en ledigheid
is des duivels oorkussen. -- Ik denk intusschen, dat de wedstrijd
hier niet vóór den middag zal afloopen en dan wordt het vervelend,"
dus ging hij voort; "in 't dorp begint de muziek van den mallemolen
al te spelen, hoor maar! En als de paar jongelui, die nog een beurt
moeten hebben, de roos niet raken, zullen de schutters dichter bij
de schijf geplaatst worden en een tweede beurt moeten hebben."
Zij, die de leiding van den wedstrijd hadden, begrepen blijkbaar
ook, dat er haast diende te worden gemaakt. Toen de voorlaatste man
aan de beurt kwam, duwde een der lieden, die met de lading der
geweren belast waren, aan Steven dit wapen in de handen, met den
raad:
"Maak je alvast ree!"
Deze voldeed aan dit verzoek. Hij voelde zich volstrekt niet op zijn
gemak, te minder omdat hij de opmerkingen der anderen omtrent zijn
persoon gehoord had. Toen de voorman zijn schot gelost had, nam hij
oogenblikkelijk diens plaats in, legde 't geweer aan en ...
"Doe den vinger voor 't huisje en niet voor den trekker!"
waarschuwde er een.
De raad was te laat gekomen. Op 't zelfde oogenblik knalde 't schot,
dat door de omgeving drievoudig herhaald werd.
Uitroepen van verbazing en schrik volgden.
Geen wonder! De nachtwacht stond nog vlak nevens de schijf de punten
van den voorman te tellen, toen het schot viel.
Daar zag men hem zoo snel mogelijk het weiveld inloopen. Maar, o
schrik! na een dozijn stappen gedaan te hebben, plofte hij languit
tegen den grond.
Een smartelijke kreet verhief zich uit de bonte schaar van
toeschouwers.
"Ach hemel!" jammerde Tonia, "hij schoot mijn vader dood!" Zij wrong
radeloos de handen en haar geklaag en droef geween sneed de anderen
door de ziel. Zij wilde hem ter hulp snellen, toen opeens: daar kwam
de doodgewaande weer overeind, zette 't opnieuw op een loopen, maar
stortte welhaast weer op het bed van gras neêr.
Wie beschrijft den toestand van den ongelukkigen Steven? Eerst
verkeerde hij in 't onzekere, of hij waakte of droomde. Bleek en
bevend stond hij daar, aan de onvriendelijke blikken der anderen en
hun toornige uitroepen blootgesteld.
Het droef geween en de jammerklachten zijner vriendin sneden hem
door de ziel en 't zien van haar vader, die daar roerloos op 't
grastapijt neêrlag, ontstelde hem dermate, dat hij geen grond onder
de voeten voelde.
"Arme stakker! 't Is met hem gedaan!" hoorde men van verschillende
kanten roepen.
Met ongeloofelijke snelheid kwam nu zijn doodelijk verschrikte
dochter op hem toesnellen, aldoor roepend: "Vader! Lieve vader! Ik
kom!"
Deze verzekering van zijn geliefd, éénig kind scheen een
wonderbaarlijke uitwerking te hebben op den armen nachtwacht.
Nogmaals zag men hem overeind komen en weer zijn vlucht voor den
Dood vervolgen en eenige minuten later had zijn dochter hem met haar
armen omvangen en aan haar liefhebbend hart gesloten.
"Dat is eerst een flink meisje!" riep men en snelde toe, om, zoo
mogelijk, te helpen.
"Waar ergens ben je geraakt?" was de algemeene vraag. En 't
antwoord, dat de doodelijk verschrikte man stotterend uitbracht,
luidde:
"Geraakt ben ik eigenlijk niet, -- de kogel floot vlak voorbij mijn
oor, maar 'k wachtte elk oogenblik een tweede schot, want 'k meende
dat het op mijn leven gemunt was."
"Maar hoe kwam het, dat je tweemaal gevallen bent?" vroeg men
nieuwsgierig.
"'k Struikelde beide keeren over een molshoop," sprak de man,
terwijl hij hijgde om weer wat op adem te komen.
Steven was geheel alleen en als versuft met het geweer in de hand
blijven staan, waar hij stond toen hij 't schot loste. Hij kwam
eerst weer tot zich zelf, toen Tonia met haar vader langs hem heen
voorbijging, zonder naar hem om te zien. Hij wilde op hen toesnellen
en hun om vergiffenis vragen voor den schrik dien hij hun onwillens
had veroorzaakt, toen hij eensklaps weer hevig onstelde door 't
geroep van een paar schutters, die naar de schijf waren gaan zien.
De anderen snelden nu ook daarheen. Ze schenen zeer verbaasd te
zijn, althans hij hoorde verschillende uitroepingen als: "Je zou
zeggen!" -- "Hoe is 't mogelijk!" en dergelijke. Maar wie schetst de
ontsteltenis van onzen Steven, toen ze allemaal over 't weiveld heen
regelrecht op hem kwamen aandraven. Hij wilde vluchten, maar kon het
niet: de schrik was hem in de beenen geslagen.
Eenige oogenblikken later stonden allen in een kring om hem heen
geschaard, zoodat er aan ontvluchten niet meer te denken viel. Hij
sidderde.
Groote droppels angszweet parelden hem op 't gezicht.
Daar zag hij den kommandant heel deftig op hem toekomen, hem een
groote ster van goudpapier op de borst spelden en hem vervolgens den
prijs, voor den schutterskoning bestemd, overhandigen.
Hij had, heel toevallig, de roos getroffen.
"Wie zal koningin zijn?" vroeg de kommandant.
In botte verbijstering zag Steven om naar zijn vriendin Tonia. Maar
ach! het goede meisje verdween juist met haar vader om den hoek. Ten
einde raad, ging hij vervolgens toe op de bonte rij van meisjes en
zag nu de knappe Mientje Laak, de vriendelijke dochter van een
behoeftig daglooner, vóór zich staan. Hij verzocht deze, hem als
koningin te vergezellen.
Het meisje bloosde zeer sterk. Ze was reeds verloofd en stond op 't
punt om 't vereerend aanzoek van de hand te wijzen. Haar vrijer, een
hupsch jong gezel, trad echter op haar toe, glimlachte en zei: "Kom,
Mientje, help Steven eens uit den brand! Gedurende den optocht naar
't dorp is hij dan gered en dan kun je in dit geval afscheid van hem
nemen."
Zoo werd onder 't zwaaien van de vlag, de trommelmuziek en 't
potsierlijk gedans van de bielemans, de terugreis aanvaard en op die
wijze de schutters-wedstrijd besloten.