Op de Dorpskermis.
"Het gras was gehooid en het koren was binnen.
De najaarszon gloorde met feestlijken glans.
't Was kermis in 't dorp en de blonde boerinnen
Verzelden de juichende boeren ten dans."
J. VAN BEERS.
Een half dozijn jaren is er verloopen, sinds de voorvallen, in de
voorgaande bladzijden beschreven, plaats hadden.
't Is 's morgens tegen tien uur en een mooie, zonnige dag in den
na-zomer.
Het dorpje, anders zoo stil, is nu vol leven en beweging. Een bonte
menigte van boeren en boerinnen, knapen en meisjes, verdringt zich
op straat voor de kramen en spellen.
Uit de herbergen klinkt ons een opwekkende dansmuziek tegen.
't Is kermis.
Die kramen en spellen staan op 't kerkplein, een grasveld, waarop
men overal platte paaltjes vindt met letters er van boven
ingesneden. 't Zijn de voorletters der namen van wie daar begraven
liggen.
Evenals op de meeste andere plaatsen toch, was vroeger ook hier het
_kerkplein_ tevens _kerkhof_. Rijke menschen werden zelfs in de kerk
begraven en in veel kerken bestaat de vloer nog in onzen tijd,
gedeeltelijk uit grafsteenen, terwijl men in niet weinige mooie
praalgraven aantreft. Het sierlijk monument op 't graf van M. A. de
Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam is van algemeene bekendheid.
't Is erg druk op de kermis, dat moet gezegd worden. Geen wonder
ook!
De buitenmenschen hebben weinig afwisseling in hun leven. 't Is
daarom wel te begrijpen, dat ze van deze gelegenheid tot
ontspanning, zoo mogelijk, gebruik maken.
Steven de Laat bevindt zich ook onder de feestgenooten. Men ziet hem
gewoonlijk op plaatsen, waar drukte heerscht en 't vroolijk toegaat.
Hij is, om een bekende spreekwijze te gebruiken, op alle markten en
kermissen thuis.
Zorgen en verdriet zijn hem zoo goed als onbekend. Alleen vindt hij
't erg onpleizierig, dat zijn goede moeder in den laatsten tijd niet
meer zoo gezond is als vroeger. 't Gebeurt soms dat hij, als hij van
een uitstapje in de buurt thuis komt, haar vindt te bed liggen. Doch
als hij dan voorstelt om den dokter te halen, zegt ze
geruststellend: "Welneen, 'k heb alleen maar een beetje pijn in de
borst en moet erg hoesten: 't is een zware verkoudheid. Morgen ben
ik allicht weer heelemaal beter. 'k Heb me misschien wat
overspannen."
Ja, zij overspant zich wel eens met werken en zorgen: ze begint zich
steeds ernstiger bezorgd te maken over de toekomst van haar éénigen
zoon, van wien ze zulke groote verwachtingen koesterde.
Geen wonder ook: zijn vroegere speelmakkers zijn allen reeds op de
eene of andere wijze nuttig werkzaam: de een is dag op dag druk in
de weer om een handwerk te leeren, de ander helpt zijn ouders in den
landbouw en de veeteelt; bakker Antoon is 's morgens voor dag en
dauw al in de bakkerij bezig en Jan van den ontvanger bereidt zich
voor op 't examen van veearts.
Doch als men hem, Steven, vraagt wat _hij_ worden wil, is gewoonlijk
't bescheid: "Vraag me iets, dat ik weet en niet iets, dat ik niet
weet!" De buren, die 't goed met hem meenen, schudden wel eens
ernstig het hoofd, terwijl ze de opmerking maken, dat het dan toch
hoog tijd wordt, om daarover te denken.
Steven schijnt echter te meenen, dat hij nog tijd genoeg heeft om
met geregelde werkzaamheden te beginnen. "Er gaat niets boven de
vrijheid," dus redeneert hij en staat, als er niets bijzonders te
zien is, nu eens bij de timmerlui, dan bij de metselaars, een
anderen keer bij de schilders naar hun werk te kijken. Zoo brengt
hij vaak heele dagen zoek. 's Avonds, als 't overal en ook op straat
donker is, omdat de straatverlichting hier nog altijd op zich laat
wachten, neemt hij gewoonlijk zijn toevlucht tot de smederij van 't
dorp. Hij vindt er genoegen in om den smid den zwaren hamer te zien
zwaaien, zoodat de vonken om hem rond spatten. Maar om zelf den
hamer eens ter hand te nemen, den bezigen man het werk te verlichten
en te zien of ook hij geen lust in dit vak krijgen kan, dat komt
niet in hem op.
Alleen 's Zaterdagsavonds helpt hij zijn vader bij 't houden van 't
boek en ziet dan gewoonlijk, dat deze een voordeeligen handel
gedreven heeft. Hij begrijpt zeer goed, dat dit ook voor hem van
groot belang is en de vader, die hem dan zoo ijverig bezig ziet om
zich met alles op de hoogte te stellen, zegt dan wel eens tot zijn
bezorgde vrouw:
"Wees maar gerust! Met onze jongen zal alles wel op zijn best
uitloopen: hij heeft een uitmuntend verstand, is goedaardig, vlug en
vriendelijk jegens iedereen."
En intusschen gaat De Laat zelf geregeld voort zijn zaadhandel te
drijven, die hem, al reizend, een gewenschte afwisseling verschaft
en bovendien een goed bestaan verzekert.
Dat de gezondheid zijner goede vrouw er in den laatsten tijd niet
beter op geworden is, schijnt hij niet te merken. Wel is hij een
belangstellend huisvader, maar toch in de eerste plaats een man van
zaken. Daardoor is 't hem juist mogelijk geweest om hier in dit
afgelegen hoekje van de wereld een zaak te stichten, die in de heele
Graafschap en Twente gunstig bekend is en hem en zijn klein gezin
een onbezorgd bestaan verzekert.
Maar 't was ons voornemen om een dorpskermis bij te wonen in een
tijd, die ongeveer veertig jaar achter ons ligt.
Daar staan we dan in gedachten op 't kerkplein en komen er juist op
tijd om de schutters te zien uittrekken naar 't grasveld in de
buurt, waar ze een schietwedstrijd willen houden. De beste schutter
zal straks _schutterskoning_ zijn en op één na de beste
_koningsknecht_. De eerste kiest zich dan uit de aanwezige meisjes
een koningin en de ander een _koningsmeid_. Ook de gekozen meisjes
bekomen ieder een prijs. Ze achten 't bovendien een groote eer, uit
zoovelen gekozen te worden tot koninginnen van 't feest.
De schutters staan reeds in rijen van vieren aangetreden, ieder met
zijn eigen of wel met een geleend geweer op schouder, niet zooals
dat bij de militairen 't gebruik is, met de kolven omlaag en de
trompen omhoog, neen, ieder draagt ze, zooals hem dat het best
uitkomt.
Jan Vreeman, een timmerman van zijn ambacht, die soldaat is geweest
en bij de infanterie was ingedeeld, is kommandant van den troep.
Zijn vrouw heeft hem een paar breede strooken, -- korporaalsstrepen,
-- op de mouwen van zijn kapotjas genaaid. Zijn houding is zoo
heldhaftig als die van den kranigsten officier; zijn kommandostem is
welluidend en krachtig. Jammer genoeg mist zijn troep de noodige
vaardigheid in 't uitvoeren der handgrepen en hij zelf mist het
noodig gezag over de jongelui, in wier huizen hij onder gewone
omstandigheden op daghuur gaat werken.
De meesten toch, zich hun onbedrevenheid bewust en bang om voor de
toeschouwers, onder wie zich ook hun tegenwoordige of toekomstige
vrijsters bevinden, een mal figuur te maken en uitgelachen te
worden, nemen bij voorbaat reeds een houding aan die den anderen
toonen moet dat hun dit oorlogszuchtig gedoe niemendal schelen kan
en ze 't als een laffe komedie beschouwen. Anderen daarentegen
wekken den lachlust der toeschouwers op door hun overdreven
krijgshaftige houding.
De troep wordt voorafgegaan door een paar allerverschrikkelijkste
_bielemans_. Ze hebben zich 't gezicht zoo zwart gemaakt, als een
echte neger zich zijn huid maar kan wenschen en springen als
bezetenen nu naar rechts, dan naar links, terwijl ze in alles
hakken, wat hun in den weg komt, zelfs in de keien aan den hoek van
't smalle kerkstraatje. Ze zwaaien zoo woest met hun botte bijlen,
als moest de heele burger- en boerenbevolking op echt-ouderwetsche
wijze in de pan gehakt worden.
Vooral op de jeugdige schoonen hadden ze 't gemunt. Deze springen
dan ook bij hun onverhoedsche aanvallen verschrikt, onder allerlei
uitroepen van verbazing en schrik, uit den weg.
Maar wie van de schutters zich ook al plomp en onbeholpen moge
aanstellen, of 't belang dezer openbare vertooning schijne te
minachten, niet alzoo de vaandrig. Hij toch zwaait de vaderlandsche
driekleur in sierlijke kringen om zijn hoofd, om zijn middel, onder
't één en 't ander been door met een hoogernstig gezicht en een
gezwindheid, die van ernstige vooroefeningen getuigt.
En de trommen der beide tamboers mogen ook al erg oude instrumenten
zijn, -- ze zijn zoo netjes opgepoetst, dat ze blinken in de zon.