X.

Op de Dorpskermis.

"Het gras was gehooid en het koren was binnen.

De najaarszon gloorde met feestlijken glans.

't Was kermis in 't dorp en de blonde boerinnen

Verzelden de juichende boeren ten dans."

J. VAN BEERS.

Een half dozijn jaren is er verloopen, sinds de voorvallen, in de

voorgaande bladzijden beschreven, plaats hadden.

't Is 's morgens tegen tien uur en een mooie, zonnige dag in den

na-zomer.

Het dorpje, anders zoo stil, is nu vol leven en beweging. Een bonte

menigte van boeren en boerinnen, knapen en meisjes, verdringt zich

op straat voor de kramen en spellen.

Uit de herbergen klinkt ons een opwekkende dansmuziek tegen.

't Is kermis.

Die kramen en spellen staan op 't kerkplein, een grasveld, waarop

men overal platte paaltjes vindt met letters er van boven

ingesneden. 't Zijn de voorletters der namen van wie daar begraven

liggen.

Evenals op de meeste andere plaatsen toch, was vroeger ook hier het

_kerkplein_ tevens _kerkhof_. Rijke menschen werden zelfs in de kerk

begraven en in veel kerken bestaat de vloer nog in onzen tijd,

gedeeltelijk uit grafsteenen, terwijl men in niet weinige mooie

praalgraven aantreft. Het sierlijk monument op 't graf van M. A. de

Ruyter in de Nieuwe Kerk te Amsterdam is van algemeene bekendheid.

't Is erg druk op de kermis, dat moet gezegd worden. Geen wonder

ook!

De buitenmenschen hebben weinig afwisseling in hun leven. 't Is

daarom wel te begrijpen, dat ze van deze gelegenheid tot

ontspanning, zoo mogelijk, gebruik maken.

Steven de Laat bevindt zich ook onder de feestgenooten. Men ziet hem

gewoonlijk op plaatsen, waar drukte heerscht en 't vroolijk toegaat.

Hij is, om een bekende spreekwijze te gebruiken, op alle markten en

kermissen thuis.

Zorgen en verdriet zijn hem zoo goed als onbekend. Alleen vindt hij

't erg onpleizierig, dat zijn goede moeder in den laatsten tijd niet

meer zoo gezond is als vroeger. 't Gebeurt soms dat hij, als hij van

een uitstapje in de buurt thuis komt, haar vindt te bed liggen. Doch

als hij dan voorstelt om den dokter te halen, zegt ze

geruststellend: "Welneen, 'k heb alleen maar een beetje pijn in de

borst en moet erg hoesten: 't is een zware verkoudheid. Morgen ben

ik allicht weer heelemaal beter. 'k Heb me misschien wat

overspannen."

Ja, zij overspant zich wel eens met werken en zorgen: ze begint zich

steeds ernstiger bezorgd te maken over de toekomst van haar éénigen

zoon, van wien ze zulke groote verwachtingen koesterde.

Geen wonder ook: zijn vroegere speelmakkers zijn allen reeds op de

eene of andere wijze nuttig werkzaam: de een is dag op dag druk in

de weer om een handwerk te leeren, de ander helpt zijn ouders in den

landbouw en de veeteelt; bakker Antoon is 's morgens voor dag en

dauw al in de bakkerij bezig en Jan van den ontvanger bereidt zich

voor op 't examen van veearts.

Doch als men hem, Steven, vraagt wat _hij_ worden wil, is gewoonlijk

't bescheid: "Vraag me iets, dat ik weet en niet iets, dat ik niet

weet!" De buren, die 't goed met hem meenen, schudden wel eens

ernstig het hoofd, terwijl ze de opmerking maken, dat het dan toch

hoog tijd wordt, om daarover te denken.

Steven schijnt echter te meenen, dat hij nog tijd genoeg heeft om

met geregelde werkzaamheden te beginnen. "Er gaat niets boven de

vrijheid," dus redeneert hij en staat, als er niets bijzonders te

zien is, nu eens bij de timmerlui, dan bij de metselaars, een

anderen keer bij de schilders naar hun werk te kijken. Zoo brengt

hij vaak heele dagen zoek. 's Avonds, als 't overal en ook op straat

donker is, omdat de straatverlichting hier nog altijd op zich laat

wachten, neemt hij gewoonlijk zijn toevlucht tot de smederij van 't

dorp. Hij vindt er genoegen in om den smid den zwaren hamer te zien

zwaaien, zoodat de vonken om hem rond spatten. Maar om zelf den

hamer eens ter hand te nemen, den bezigen man het werk te verlichten

en te zien of ook hij geen lust in dit vak krijgen kan, dat komt

niet in hem op.

Alleen 's Zaterdagsavonds helpt hij zijn vader bij 't houden van 't

boek en ziet dan gewoonlijk, dat deze een voordeeligen handel

gedreven heeft. Hij begrijpt zeer goed, dat dit ook voor hem van

groot belang is en de vader, die hem dan zoo ijverig bezig ziet om

zich met alles op de hoogte te stellen, zegt dan wel eens tot zijn

bezorgde vrouw:

"Wees maar gerust! Met onze jongen zal alles wel op zijn best

uitloopen: hij heeft een uitmuntend verstand, is goedaardig, vlug en

vriendelijk jegens iedereen."

En intusschen gaat De Laat zelf geregeld voort zijn zaadhandel te

drijven, die hem, al reizend, een gewenschte afwisseling verschaft

en bovendien een goed bestaan verzekert.

Dat de gezondheid zijner goede vrouw er in den laatsten tijd niet

beter op geworden is, schijnt hij niet te merken. Wel is hij een

belangstellend huisvader, maar toch in de eerste plaats een man van

zaken. Daardoor is 't hem juist mogelijk geweest om hier in dit

afgelegen hoekje van de wereld een zaak te stichten, die in de heele

Graafschap en Twente gunstig bekend is en hem en zijn klein gezin

een onbezorgd bestaan verzekert.

Maar 't was ons voornemen om een dorpskermis bij te wonen in een

tijd, die ongeveer veertig jaar achter ons ligt.

Daar staan we dan in gedachten op 't kerkplein en komen er juist op

tijd om de schutters te zien uittrekken naar 't grasveld in de

buurt, waar ze een schietwedstrijd willen houden. De beste schutter

zal straks _schutterskoning_ zijn en op één na de beste

_koningsknecht_. De eerste kiest zich dan uit de aanwezige meisjes

een koningin en de ander een _koningsmeid_. Ook de gekozen meisjes

bekomen ieder een prijs. Ze achten 't bovendien een groote eer, uit

zoovelen gekozen te worden tot koninginnen van 't feest.

De schutters staan reeds in rijen van vieren aangetreden, ieder met

zijn eigen of wel met een geleend geweer op schouder, niet zooals

dat bij de militairen 't gebruik is, met de kolven omlaag en de

trompen omhoog, neen, ieder draagt ze, zooals hem dat het best

uitkomt.

Jan Vreeman, een timmerman van zijn ambacht, die soldaat is geweest

en bij de infanterie was ingedeeld, is kommandant van den troep.

Zijn vrouw heeft hem een paar breede strooken, -- korporaalsstrepen,

-- op de mouwen van zijn kapotjas genaaid. Zijn houding is zoo

heldhaftig als die van den kranigsten officier; zijn kommandostem is

welluidend en krachtig. Jammer genoeg mist zijn troep de noodige

vaardigheid in 't uitvoeren der handgrepen en hij zelf mist het

noodig gezag over de jongelui, in wier huizen hij onder gewone

omstandigheden op daghuur gaat werken.

De meesten toch, zich hun onbedrevenheid bewust en bang om voor de

toeschouwers, onder wie zich ook hun tegenwoordige of toekomstige

vrijsters bevinden, een mal figuur te maken en uitgelachen te

worden, nemen bij voorbaat reeds een houding aan die den anderen

toonen moet dat hun dit oorlogszuchtig gedoe niemendal schelen kan

en ze 't als een laffe komedie beschouwen. Anderen daarentegen

wekken den lachlust der toeschouwers op door hun overdreven

krijgshaftige houding.

De troep wordt voorafgegaan door een paar allerverschrikkelijkste

_bielemans_. Ze hebben zich 't gezicht zoo zwart gemaakt, als een

echte neger zich zijn huid maar kan wenschen en springen als

bezetenen nu naar rechts, dan naar links, terwijl ze in alles

hakken, wat hun in den weg komt, zelfs in de keien aan den hoek van

't smalle kerkstraatje. Ze zwaaien zoo woest met hun botte bijlen,

als moest de heele burger- en boerenbevolking op echt-ouderwetsche

wijze in de pan gehakt worden.

Vooral op de jeugdige schoonen hadden ze 't gemunt. Deze springen

dan ook bij hun onverhoedsche aanvallen verschrikt, onder allerlei

uitroepen van verbazing en schrik, uit den weg.

Maar wie van de schutters zich ook al plomp en onbeholpen moge

aanstellen, of 't belang dezer openbare vertooning schijne te

minachten, niet alzoo de vaandrig. Hij toch zwaait de vaderlandsche

driekleur in sierlijke kringen om zijn hoofd, om zijn middel, onder

't één en 't ander been door met een hoogernstig gezicht en een

gezwindheid, die van ernstige vooroefeningen getuigt.

En de trommen der beide tamboers mogen ook al erg oude instrumenten

zijn, -- ze zijn zoo netjes opgepoetst, dat ze blinken in de zon.

Langs Slingerpaden · 第 18 / 30 题