Kennismaking met de Hoofdpersonen.
Ik ken vreemdelingen, die, van de Schiezijde Rotterdam binnenkomende,
volstrekt niet verrukt waren over de entrée van den Oppert. En toch,
de straat is lang en nauw en drok, de huizen zijn hoog en smal,
en in een aantal derzelve wordt een koek- of broodbakkersaffaire
uitgeoefend; eene menigte niet al te zindelijk gekleede kinderen
beweegt zich op de stoepen, en vele moeders, die Mietje of Jantje of
Klaasje roepen, stellen hare longen op eene zware proef, daar bijna
altijd overrijwagens, met rammelend ijzer beladen, over de ongelijke
keisteenen voortrollen. Zoo is het evenwel alleen in het begin: een
weinig verder is het gewoel minder en ziet men deftige woningen het
hooge dak verheffen, en vooral aan de zijde van het Turfmarktje zijn
er zulke, dat men verwonderd staat, hoe zij in dit gedeelte der stad
zijn verdwaald geraakt.
Die verwondering houdt evenwel op wanneer men bespeurt, dat deze huizen
van achteren aan de vaart voor groente- en marktschepen uitkomen,
en dat aan de meesten een houtvlotje annex is, op palen in het water
vastgeheid. Deze vlotjes zijn met hekjes omgeven, en over die hekjes
hangen gewoonlijk theedoeken of luiers te droogen, en achter die
doeken staan potten met bloemen en hier en daar eene tuinbank, en om
de illusie nog te vermeerderen, hangt aan sommige achtermuren eene
leeuwerikkooi of duiventil. Dit alles hebben de Oppertbewoners aan de
Turfmarktzijde vooruit boven de Oppertbewoners aan de Slijkvaartzijde.
Het was dus niet vreemd, dat de oude Heer Polsbroekerwoud, toen
hij na vele jaren handelens rijk was geworden, de weinige jaren,
die hem tot rusten overbleven, besloot door te brengen in een huis,
met houtvlot en erve, gelegen aan de oostzijde van den Oppert. Hoe
gaarne had de goede grijsaard daar in zijn eigen woning zijne gade,
die met hem had gezwoegd en met hem was oud geworden, bij zich
gezien! Maar helaas! daags na den aankoop van het huis, stierf zij;
zij zag Kanaän, en mogt het niet binnengaan. Eenzaam leefde hij dus,
maar toch gerust en gelukkig, en in de zomervacantie kwam zijn eenige
zoon, die een geleerde moest worden, en dus in Leyden op kamers woonde,
zijne rust met hem deelen. Acht jaren mogt de oude man al dat geluk
smaken. Elken dag zagen de buren hem op zijne buitenplaats, zoo als hij
zijn houtvlotje noemde, te voorschijn komen, en met welgevallen staren
op zijne potjes met palm, primula veris, goudsbloemen en balsamines,
die elkander afwisselden en tusschen de groenhouten bakken met oguba
en hortensia waren geplaatst.--En toen hij nu op een zomer-avond,
onverwacht en zonder smart, op zijne buitenplaats de eeuwige rust
inging, was hij gelukkig in het denkbeeld, dat zijn lieve Joachim,
die juist volleerd van de Akademie was te huis gekomen, de vruchten van
zijnen arbeid mogt plukken, en een zorgeloos en rustig leven leiden.
En Joachim, die goed was als zijn vader, en rust beminnend als deze
in het laatst van zijn leven, en huishoudelijk als zijne moeder,
betrok de woning in den Oppert. Daar leefde hij een weinig minder
eenvoudig dan de oude Heer, daar hij aan de Akademie geleerd had,
dat een mensch meer noodig heeft, dan een burgerman wel vermoedt;
maar toch, hij was matig en bedaard. Hij behoorde tot die gelukkigen,
die verwonderlijk weinig hartstogten te bestrijden hebben, die eene
gemakkelijke ledigheid de aangenaamste occupatie rekenen, en die even
weinig dorst naar genot als naar kennis hebben.
Op een warmen zomer-avond, eenige jaren na zijne komst in Rotterdam,
liep onze vriend de tuinkamer langzaam op en neder, en liet met
welgevallen zijn oog gaan op de keurige rangschikking van vijf Goudsche
pijpen, die met tabaksdoos, komfoor en andere rookbehoeften op de
tafel waren geplaatst. Eene flesch Rijnwijn, die den hoogdravenden
naam _Johannisberger_ op de etiquette voerde, maar, blijkens den prijs
en de onbekrompen vermenging met waterdeelen, waarschijnlijk niet uit
den slotkelder van Metternich ontboden was, stond, door een vijftal
groene glazen omringd, op een blaadje, naast de pijpen, op de tafel.
"Heeft Mijnheer nu nog iets verders te belasten?" vroeg Mijntje
binnenkomende, terwijl zij met haar voorschoot een overgebleven stofje
van een mahonijhouten stoel verwijderde.
Mijntje was eene bedaagde dienstmaagd, die reeds bij den ouden Heer
Polsbroekerwoud gewoond had, die met vele andere zaken aan Joachim
als erfdeel was nagelaten, en steeds met een oog van welgevallen den
Jongenheer Joachim aanschouwde, dien zij, o zoo klein! had gekend, en
nog wel op den arm had gedragen. De Jongeheer was evenwel sinds dien
tijd veel veranderd, want hij was nu een volwassen (schoon nog geen
vijf voeten lang) persoon van 34 jaren; maar Mijntje was nog dezelfde,
althans in hare gedachten, schoon de bakkersknecht zoo veel praatjes
niet meer met haar maakte, en de slager niet meer zoo ondeugend was
als voor 32 jaren. Maar in trouw en eerlijkheid en liefde voor de
familie Polsbroekerwoud was waarlijk Mijntje nog dezelfde.
"Ik dank u, kind!" zeide Joachim, terwijl hij een knoop van zijn
lichtblaauw jasje losmaakte, waardoor zijn zwart cachemiren vest
zich geheel vertoonde, zonder evenwel iets meer van den merinossen
(luchtigen en toch deftigen) pantalon te doen zien. "Ik dank u;
de Heeren kunnen nu komen, als zij willen."
Dit konden evenwel de Heeren, die verwacht werden, niet; want zij zaten
in de diligence, die naar Rotterdam reed, en de aankomst aldaar hing
meer af van den voerman, die de paarden voortzweepte, of misschien
van de paarden, die aan de zweepslagen lang gewoon waren, dan van
den wil der in de builkast voorthotsende Heeren.
"Maar, Mijntje!" dus ging Joachim voort: "gij weet nu, dat wij morgen
op reis gaan." (Dit gezegde van Joachim was volkomen overbodig, daar
Mijntje het reeds wist, toen voor vier maanden het reisplan gemaakt
was, daar zij het daarenboven in de laatste dagen bij het inpakken
van ieder stuk reisgoed had gehoord, daar zij bij elke commissie had
moeten zeggen, dat het haast had, omdat Mijnheer Donderdag op reis
ging, enz.) "Dus, Mijntje! is nu alles goed in orde?"
"Ja, Mijnheer! alles is klaar; uw koffer gepakt; uw valies gesloten;
op uw ransel heb ik de laarzen gebonden. Maar ... wat ik zeggen wilde,
Mijnheer! daar is hier eene houten pijp bezorgd. Is dat ook voor
Mijnheer? UE. rookt immers niet?"
"Ja, kind! dat is nu wel zoo, maar op reis leert men dat misschien
aan. En hier in dit land kan men al die dingen zoo goed krijgen. In
Duitschland weet ik niet, of ze wel van die moffenpijpen verkoopen. In
allen gevalle, ik hèb ze nu vast. Steek ze maar in het zijzakje van
mijn ransel."
Daar werd gescheld; Polsbroekerwoud keek door het raam naar beneden,
en zag de vier verwachte reis-compagnons op de stoep staan, terwijl
Mijntje met ijver de trappen afslofte, om de voordeur open te doen.
De Heeren nu, die gescheld hadden en per diligence van Haarlem en
Leyden kwamen, om gezamenlijk met hunnen vriend Polsbroekerwoud
een reisje naar Duitschland en Zwitserland te ondernemen, waren
de volgende:
Eduard van Torteltak, een jongeling van 23 jaren, schoon van aangezicht
en bevallig van statuur, aardig in gezelschap, maar van die schoonheid
en bevalligheid en aardigheid ook ten volle bewust. Hij had het
reisplan, door een der vrienden geopperd, gretig aangenomen, ja wel,
omdat hij gaarne Duitschland en Zwitserland ook eens zien wilde,
maar toch ook, omdat hij het effect van zijn persoon op de vreemde
meisjes wilde observeren. Daarom was het hem ook niet onaangenaam,
dat de compagnons, die hij bij zich zag, alle kennelijk minder
mooije jongens waren en zich met minder smaak kleedden dan hij. Hij
had zijn zoogenaamd los en gemakkelijk reiskostuum aan, dat hem tot
nog toe evenwel zeer ongemakkelijk was; want de polonaise, die zijne
taille heerlijk deed uitkomen, deed ook menigen zweetdroppel, welke
zich anders die moeite niet zou gegeven hebben, uit zijne poriën te
voorschijn komen.
August Holstaff, van den ouderdom van Torteltak, maar ook slechts in
dit opzigt aan hem gelijk; want hij was een ingedrongen persoontje,
op wiens gelaat monumenten voor eens geheerscht hebbende kinderpokken
waren opgerigt. Hij had dan ook niet veel met zijn persoon op,
gelijk hij trouwens met niemand hoog liep, die een gewoon en
dragelijk gelukkig mensch was. Maar was men een weinig ongelukkig,
bijzonder indien men smart van eenen poëtischen aard had, o! dan was
hij medegevoelig en medelijdende. Maar hij bleef overigens, naar den
smaak van ongelukkigen, wat al te lijdelijk. Hij gevoelde niets voor de
natuur, zoolang de zon helder scheen; maar als de maan was opgegaan,
dan was het heerlijk. Eene bloeijende roos trok zijne aandacht niet;
maar waren de bladeren door een toeval, liefst door hagel, afgevallen,
dan ... o, dan!--Een heerlijk gebouw ging hij met verachting voorbij;
maar eene ruïne! ... o, eene ruïne!--Zijne vrienden verweten hem
wel eens, dat hij voor niets dan voor ziekelijkheid sympathie had,
en dat hij nooit een frisch, bevallig meisje, maar eene sukkelende,
teringachtige schoonheid voor zijne gade zou verkiezen.--August
Holstaff was anders een goed mensch, alleen een weinig onbruikbaar
in de zamenleving. Hij had lange, geelblonde, sluike haren, en was
nooit naar de mode gekleed.
Jan Veervlug was, behalve Joachim Polsbroekerwoud, de oudste van het
reisgezelschap. Hij was evenwel niet zulk een bedaard en bezadigd
jongeling als deze, maar zeer opgewonden en vurig. Ontvankelijk voor
den indruk van ieder oogenblik, uitte hij zich terstond, en was daarom
niet altijd consequent; maar hij wist dit, en maakte daarop ook geen
aanspraak. Hij gaf zichzelven geen rekenschap van de indrukken, die
hij ontving, en bespaarde zich daardoor de onaangename gewaarwording
van te ontdekken, dat hij met niets zijn voordeel gedaan had. Hij was
een bewonderaar van al wat groot en edel was, omdat het hem trof. Hij
staarde met verrukking schoone natuurtooneelen aan, wanneer ze niet
te lang achtereen voor hem geopend waren: want slechts _en gros_ kon
hij genieten; _en detail_ had hij er niets aan. Daarom was nieuwheid
voor hem altijd eene bekoorlijkheid. Hij kon nooit luisteren naar de
bezadigde taal van zijnen vriend Joachim, dat deze hem moeijelijk
vergeven kon; trouwens, hij kon naar niemand luisteren, ook niet
naar zichzelven. Hij las veel en onbegrijpelijk schielijk, omdat hij
onbegrijpelijk onattent las. Hij dweepte met krachtige dichterlijke
taal, maar ook met hoogdravende ondichterlijke bombast. Voor het
overige had hij nu en dan een aardigen inval, maar hij studeerde veel
op calembourgs, en vooral op namen.
Dionysius de Morder had, behalve dat hij een weinig scheel zag, niets
opmerkelijks. Hij was wel goed, maar had veel onaangenaams. Hij was
wantrouwend en ontevreden. Somwijlen in kleine dingen teleurgesteld,
had hij het zich in het hoofd gebragt, dat hij in alles moest
teleurgesteld worden. Gebeurde dit nu en dan, o ja! hij had het
wel gedacht! Maar gebeurde het niet, en liep alles mee, dan was
hij ontevreden, omdat het niet uitkwam, zooals hij gedacht had. Hoe
het ook ging, daar hij nooit het aangename en gelukkige opmerkte,
maar zich bij voorkeur bij het contrarie bepaalde, scheen hij,
anderen gelukkig en vroolijk ziende, zichzelven toe een rampzalige
speelbal van een balsturig noodlot te zijn. Daar hij bij dat alles
scheel zag, meende hij, dat alle menschen hem scheel aanzagen. Zag
hij fluisteren, hij vreesde dupe te wezen; hoorde hij een gesprek,
waarvan hij het onderwerp niet begreep, men zou hem wel bespotten. Dit
een en ander maakte, dat de man voor zichzelven niet direct gelukkig
was; hij was dan ook zoo gewoon, om zich ongelukkig te gevoelen en
alle smarten en rampen als zijn privaat erfdeel te beschouwen, dat,
was er iemand, die zijn been brak, hij zich verwonderde, dat hij zelf
nog gaan kon. Brandde er een huis af, hij begreep niet door welk
toeval het zijne gespaard was. Met dat al, hij was goed en hield
veel van zijne vrienden, deed zelf niemand iets onaangenaams aan,
en was tevreden, als hij op den duur maar iemand had, die zijne
klagten wilden aanhooren. Hij ging nu reizen, schoon hij overtuigd
was, dat allerhande akelige reisontmoetingen zijn deel zouden zijn;
dat het weer voortdurend slecht zou wezen, diligences zouden breken,
logementen afbranden, steden overstroomd worden, rotsklompen hem zouden
verpletteren, sneeuwvallen op hem neerstorten, gidsen moorddadige
aanslagen doen, rooverbenden hem uitplunderen, en eindelijk dat niets
van hetgeen hij zien zou, mooi of belangrijk zou wezen, juist omdat
hij het zich mooi of belangrijk had voorgesteld.
Deze waren de personen, die vergezeld van koffers, valiezen en ransels,
zich op de stoep bij den Heer Joachim Polsbroekerwoud bevonden, en,
na door Mijntje te zijn opengedaan, niet zonder gedruisch te trappen
opstoven.
"Dag, Pols! Dag, Pols! Dag, Joachim!" klonk het uit vier monden
te gelijk.
"Dag, goede vrienden!" zei Pols zeer goedig; en nu--om iets te zeggen,
dat waar doch onnoodig was, want Polsbroekerwoud zei gaarne iets dat
waar doch onnoodig was--"de diligence is, dunkt mij, juist op zijn
tijd aan."
"Dat moet wel zijn," zei Holstaff, "want de koetsier sloeg de paarden
onmenschelijk. Ik had in mijne ziel deernis met de arme dieren. Ik
dacht, dat zij zich dood zouden loopen."
"Als zij dan dood toch maar geloopen hadden," zei Veervlug, niet
zonder dit gezegde nog al aardig te vinden.
"Nu, die is goed, Jan!" zei Torteltak; "maar het stoof verduiveld in
die menschendoos."
"Dat komt," zei Joachim, "omdat het zeer warm geweest is en in geen
vier dagen geregend heeft." Deze opmerking van Polsbroekerwoud was
zeer juist.
"Pols, wat zijn hier weinig mooie meisjes in de stad!" ging Torteltak
voort; "ten minste, ik heb niets dan dagelijksche gezigtjes gezien."
"Je moet ook op Zondag komen, om Zondaggezigtjes te zien," grinnikte
Jan.
"Ja, maar," redeneerde Dionysius de Morder, "het zou ook wel raar
zijn, indien _wij_ juist de mooije meisjes gezien hadden. Ik houd
mij verzekerd, dat er vele zullen zijn, maar die hebben zich juist,
nu wij er zijn, niet vertoond. Het is of alles er op aangelegd wordt,
om mij tegen te werken. Daar is nu het weer. Nu wij het niet noodig
hadden, is het helder en mooi. Wacht maar! als wij het behoeven voor
een heerlijke landstreek, dan zou het mij verwonderen als het niet
regende of mistte."
Deze redenering van Dionysius de Morder was zoo in zijn gewone manier
en werd niet geïnterrumpeerd, daar Torteltak terwijl zijne polonaise
met een klein zakborsteltje schoonmaakte, en zich niet kon begrijpen,
dat de spiegel bij Polsbroekerwoud in zulk een donkeren hoek hing;
daar Holstaff nog altijd aan de arme paarden dacht en zuchtte;
Veervlug op een _jeu de mots_ peinsde, dat niet lukken wilde, en
Joachim veel te goedhartig was, om iemand in de rede te vallen,
en daarenboven niets wist om zijn vriend in een goede luim te brengen.
Intusschen kwamen de Heeren tot zitten, tot pijpenrooken en tot
Rijnwijndrinken. De goede Polsbroekerwoud voorzag in alle behoeften,
en ging daarin met de meest mogelijke bedaardheid, maar tevens met
zijne gewone bedrijvigheid te werk. Eindelijk kwam hij tot rust, en
nu op zijn gemak gaande zitten, of liever op zijnen stoel wippende,
hingen zijne beenen met eene zekere ongedwongenheid van dezelve neder,
en eindigden in een paar groote voeten, met hooge schoenen omgeven,
tusschen zich en den grond juist zooveel plaats overlatende, als een
soort van voetbankje voor den particulier gemakkelijk zoude doen
schijnen. Evenwel zonder voetbankje wist hij toch zijn evenwicht
te houden, en daarom te gemakkelijker, daar hij zijn linkerarm om
de achterleuning van zijn mahonijhouten stoel had geslagen. In die
positie dacht het aan Joachim Polsbroekerwoud goed, tot de verzamelde
Heeren te zeggen: "En zoo gaan wij dan morgen op reis."
En nu volgde een zeer lang discours tusschen de vijf reiscompagnons
over allerhande zaken, die vroeger reeds besproken waren en nu
nog nader werden bepaald. Nu onderzocht men elkander, of er niets
vergeten was, en Joachim bleek degene te zijn, aan wiens equipement
niets ontbrak; hij had in alles voorzien, wat maar ooit te pas kon
komen. Zijne kleederen waren de kleinste, en toch was zijn koffer de
grootste van allen; maar ook hij alleen had een potje Spijkerbalsem en
een doosje linnen, indien een van zijn vrienden soms in Zwitserland van
een berg mogt vallen en zich bezeeren; hij alleen had Hofmansdroppels,
voor die zich niet zou bezeeren, maar schrikken; hij had Schotsche
pillen en magnesia; veiligheidskoorden, indien er in een logement
brand mogt komen; hulpmiddeltjes tegen ongedierte; bouillonkoekjes
en poederchocolaad, en de Hemel weet, wat er meer in den koffer,
het valies en den ransel van Joachim Polsbroekerwoud te vinden was.
De reis zou den volgenden morgen per stoomboot beginnen. Pols had
den klapperman doen waarschuwen, dat hij wekken zou; Veervlug wou
opblijven; Torteltak vond, dat men dan te veel geëchaffeerd zou
wezen. De opgewondenste van de reizigers dweepten over hetgeen
zij zien zouden; de Morder bereidde zich voor op de hem wachtende
teleurstellingen; Pols keek zijn lijstje van de beste logementen nog
eens na.
"Ha!" riep Veervlug uit: "daar zullen geen acht dagen verloopen zijn,
voordat wij "het kleed van bloemen, wingertsblad en arien zaamgeweven,"
waarmee Duitschland den koningsvloed omgordt, aanschouwen. Dan zullen
wij den doorluchtigen Rhijn met de woorden van onzen grijzen Bard
gegroeten:
"Gij schijnt een aerdsche regenboogh,
Gekleet met levendige kleuren,
En tart den hemelschen omhoogh,
Die hierom nijdigh schijnt te treuren.
De blaeuwe en purpre en witte druif
Verciert uw stedekroon en lokken,
En muskadelle wijngertkuif;
De vlieten staen met wijngertstokken
Rontom u, druipende van 't nat,
En offren elk hun watervat."
"En dan," zuchtte Holstaff, "zullen wij op Rolandseck aan den getrouwen
Ridder denken, die twee jaren uit zijne hermitage op Frauenwerth
tuurde, waarin zijne geliefde Hildegond verkwijnde. En dan zullen
wij den nacht in het somber en eerwaardig klooster van Nonnenwerth
doorbrengen...."
"Neen," viel Pols hem in; "daar is het duur en slecht. _Belle-Vue_
te Godesberg is een oneindig beter logement."
"Voor het goedkoop moet men nooit in hotels gaan," zei de Morder,
"en al geeft ge handen met geld uit, 't is er nooit dragelijk, laat
staan aangenaam."
"Het meest stel ik mij voor," zei Torteltak, "van Ems en Baden-Baden,
die ruime fashionable courzaals, die schitterende bals, en dan bovenal
de lieve delicieuse badgasten, die coquette Françaises, die smachtende
Duitschen, die levendige Italiënnes. Wacht maar, lieve kinderen! Wij
spreken elkander nader:
"Quand mon coeur a fait un choix,
La belle doit se rendre."
ging hij neuriënde voort, zijne donkere lokken opstrijkende.
"En dan het Schwartzwald en de Rigi," ging Veervlug voort.
"Als de Haarlemmerhout en de Hemelsche Berg maar niet interessanter
zijn!" bromde de Morder. "Het zou mij verwonderen, als dat alles zoo
heel mooi was."
"Als wij daar de zon zien opgaan," ging Veervlug voort, "en dan
langzamerhand die reuzengebergten in volle pracht en majesteit te
voorschijn komen, en wij Zwitserland als ware het ééne vallei vol
meeren en stroomen aan onze voeten zien."
"Dat moet toch nog al een koude expeditie zijn," zei Pols; "ten minste
ik heb wel gehoord, dat de reizigers zich dan van de wollen dekens
als jassen bedienen."
Veervlug hoorde hem niet, maar ging voort: "O mijne vrienden! als wij
na afloop der reis nog eens bij elkander zitten, zooals wij hier zijn."
"'t Zal wel wonder zijn, als wij allen behouden terugkomen," mompelde
de Morder.
"Dan zullen wij ons al die heerlijke tafereelen, die onze oogen
aanschouwd hebben, nog eens voor den geest roepen. Dan verplaatsen
wij ons nog eens op de Vierwaldstädtersee met haar water, helder als
kristal en blauw als het azuur des hemels. Hoe zal dan onze verrukking
zijn, als wij maar den naam _Zwitserland_ noemen!"
Pols maakte een einde aan die uitroepen en bespiegelingen, door aan de
vrienden te vragen, of zij van garnalen hielden, en gaf intusschen aan
Mijntje den last, om die met de salade en het koude vleesch boven te
brengen. Hij zou wel voor een soupétje gezorgd hebben, maar dat zou
bezwarend zijn, en zij moesten vroeg op. De vrienden namen in alles
genoegen, en na een en ander genuttigd te hebben, legden zij zich in
ledekanten, bedsteden en kermis bedden neêr, en Polsbroekerwoud sliep
in het volle vertrouwen in, dat de klapperman Mijntje, en Mijntje hem,
kwart voor vier ure zou roepen, om klokke zeven op de stoomboot te
kunnen zijn.