De monumenten van La Valette.--De Sint Jans-kathedraal en haar
achttien kapellen met de graven der Grootmeesters.--Geschiedenis der
voornaamste Grootmeesters.--Het verlies van de schatten uit de Sint
Janskerk.--Het paleis der Grootmeesters.--De bibliotheek.--Het Paleis
van Justitie, de oude herberg van Frankrijk.--Het arsenaal.--Een met
beenderen behangen zaal in een hospitaal.--De kerkhoven.--Bezoek aan
Città Vecchia, de oude hoofdstad van Malta.--Aanzien van het land.--De
Sint Paulsgrot.--De Maltezers en de engelsche overheersching.
De groote Sint Janskerk der Ridders, waar alle graven der Grootmeesters
zijn te vinden, is het merkwaardigste bouwwerk van La Valette. Ik
bedoel hier niet zoozeer uit het oogpunt van het uiterlijk, van de
architectonische beteekenis, want het gebouw is zwaar, massief en
streng, eerder een fort dan een kerk, maar uit historisch oogpunt. Twee
kortdikke klokkentorens, een voorhal, een balcon of terras, waar de
Grootmeester zich voor de eerste maal na zijn verkiezing aan het volk
vertoonde, als het Conclave hem had aangewezen, dat is eigenlijk alles,
wat het uitwendige van het heiligdom ornamenteels vertoont. Op den
top van den gevel stond oudtijds een reusachtig borstbeeld van den
Heiland, een bronzen beeld, dat de galeien der Orde bij het verlaten
van de groote haven begroetten, wanneer ze uitgingen op een kruistocht
tegen de Muzelmannen.
De Sint Janskathedraal is, afgezien van de rijke versieringen aan de
wanden, in het inwendige van bijzonder eenvoudige conceptie. Het is een
groot parallelogram, dat een gewelf met dubbele bogen draagt. Aan dat
gewelf is in achttien afdeelingen of kaders de geschiedenis voorgesteld
van den heilige, naar wien de kerk genoemd is. Het forsche, krachtige
werk is men verschuldigd aan het penseel van den Ridder Matthias
Préti, bijgenaamd de Calabrees, leerling van du Guerchin en vriend
van Rubens. Maar ongelukkig zijn die schilderijen slecht gerestaureerd
en hebben veel van hun oorspronkelijke bekoring verloren.
Achttien kapellen, die in elkander loopen en zoodoende een soort van
galerij vormen, bevinden zich in elk der zijvleugels. Zeven ervan
waren gewijd aan de zeven "Tongen", waaruit de Orde bestond. De
wanden, versierd met houtsnijwerk, dat verguld en in houtreliëf is
aangebracht, stellen symbolen en godsdienstige plechtigheden voor van
de volken, waartoe leden der Orde behoorden, met de prachtige graven
der Grootmeesters van elke afdeeling.
Al die graven, behalve die van de duitsche kapel, zijn met marmer
bekleed, en erboven prijkt het borstbeeld of het beeld ten voeten uit
van den overledene, terwijl er gebeeldhouwde medaillons en schilderwerk
omheen zijn aangebracht. Verscheiden van die kunstwerken werden door
Matthias Préti uitgevoerd. Die van de duitsche kapel zijn van een
maltezer kunstenaar.
Als men de basiliek betreedt, die er van buiten zoo eenvoudig uitziet,
wordt men allereerst getroffen door de rijke versiering. Men moet
daarbij echter niet vergeten, dat meer dan drie eeuwen lang het
heiligdom der Ridders voortdurend verfraaid kon worden door de
groote mildheid der Orde, Boven het hoofdaltaar, dat druk bewerkt is,
schittert op een breed voetstuk een groote marmeren groep, den doop
van Christus door Johannes den Dooper voorstellend. Dat prachtige,
witte kunstwerk is van den maltezer kunstenaar Melchior Gaffa, die
het plan ontwierp en nog een begin maakte met de uitvoering. Na zijn
dood werd het voltooid door den beroemden beeldhouwer Bernini.
Zilveren pilaren scheiden het koor van de rest der kerk. Het
plaveisel der kerk bestaat geheel uit groote marmeren grafsteenen van
verschillende kleur, waarin kostbare gesteenten mozaïeken vormen. Een
reuzenbladzijde met necrologieën ontrolt zich voor onze voeten. Daar
staan de groote heldenfeiten te lezen uit het leven der roemrijke
strijders. De geheele hooge aristocratie van Europa kan er de eene
of andere herinnering vinden van een voorvader of vriend.
Het graf van den Grootmeester Nicolaas Cottoner maakt vooral een diepen
indruk. Op een voetstuk, door twee karyatiden gedragen, ziet men twee
overwonnenen, een Muzelman en een neger in ketenen, verder het bronzen
borstbeeld van den Grootmeester met den kraag der geestelijken en het
harnas van den krijgsman, en dat alles op een hoop aan den vijand
ontnomen vlaggen. Ook kan men er de halve maan der Mohammedanen op
vinden met helmen, kanonnen en wapens van allerlei soort. Alles is
in wit marmer uitgevoerd. Achter het borstbeeld verheft zich een
pyramide met het wapenschild en de Faam, die op een bazuin blaast,
terwijl een engel op de groep wijst. Die figuren, het schild en de
pyramide zijn ook van marmer. Het geheel is van zeer decoratieve
werking en maakt een rijken indruk.
De Orde had aan Nicolaas Cottoner den aanleg van verscheiden
versterkingen te danken. Een ervan draagt nog zijn naam. Hij droeg
veel bij tot de weerbaarmaking van Floriana en Marsa Muscet. Om de
verdediging van den ingang tot de groote haven te voltooien, liet hij
het fort Ricasoli of het Koningsfort aanleggen van de dertig duizend
kronen, die een Ridder voor dat doel afstond. Paus Clemens de Tiende
wenschte in een pauselijken brief den Grootmeester Nicolaas Cottoner
geluk met zijn pogingen om Malta te versterken, Malta, dat het bolwerk
was voor alle staten der christelijke wereld.
Het grafmonument, dat opgericht werd voor Raymond Perellos de
Roccafoull van de "Tong" Aragon, baljuw van Negropont, vóór hij
tot het grootmeesterschap werd verheven, is zeer rijk versierd en
van groote uitwerking. Zijn bronzen buste komt naar voren uit een
uitgehold marmeren medaillon. Erboven prijken zijn wapens, door vlaggen
omgeven. Aan den voet staat een engel, leunend op de attributen der
lictoren. Het Recht, voorgesteld door een vrouw, houdt de weegschaal;
een vrouw zoogt een kind. Die beide vrouwenfiguren van wit marmer zijn
gezeten aan weerszijden van het monument. Het voetstuk vertoont een
bundel wapens en schilden, op het een waarvan men de halve maan ziet,
terwijl op het andere een Gorgonenhoofd is afgebeeld.
De Grootmeester Raymond Perellos had een lange en aan feiten rijke
regeering. Hij onderscheidde zich door zijne groote vrijgevigheid voor
de gezinnen, wier leden in den dienst der Orde stierven; hij bracht
veel nieuwe versterkingen aan en verwaarloosde niets van wat hij
meende dat geschikt kon wezen om den glans en den roem der Orde te
verhoogen. Tweemaal per jaar worden aan de muren van de kathedraal
prachtige tapijten opgehangen, die het leven van den Verlosser
voorstellen, en den Triomf van het Christendom. Ze zijn een legaat
van den Grootmeester Perellos.
Het monument, dat gebouwd is voor den Grootmeester Marcus Antonius
Zondodari, die uit Siena geboortig was, is ook zeer prachtig;
het onderscheidt zich door een gelukkige vereeniging van marmer en
brons. Als bij al die grafmonumenten in de Sint-Janskerk der Ridders
van Malta, brengt een legende, in het voetstuk gebeeldhouwd, de
deugden en weldaden van den Grootmeester in herinnering. Hier ziet
men hem, liggend op zijn doodkist, die door naakte kinderen wordt
gedragen. De Oorlog, voorgesteld door een vrouw, schijnt met behulp
van een kind bezig, de plooien te leggen van de vlag, waarin hij zal
begraven worden.
Antoine Manuel de Vilhena, Portugees van de afdeeling Castilië,
werd tot Grootmeester gekozen bij den dood van Zondodari. Het voor
hem opgerichte monument behoort tot de mooiste, die de prachtige
Sint-Janskathedraal der Maltezer Ridders sieren. Altijd bewondert
men de harmonieuse rangschikking der onderdeelen, die al die
graven kenmerkt, den overvloed van motieven en symbolen, die er
levendigheid aan geven, en den rijkdom en de verscheidenheid der
gebruikte materialen.
Bij dit laatste wordt het borstbeeld, gevat in een medaillon, door
een krans van laurierbladen gevormd, door engelen aangeboden. Op de
voorzijde heeft de Faam naast de wapens met een kroon er boven de
bazuin aan den mond gebracht. Op de sarcofaag, door bronzen leeuwen
gedragen, houdt een kind het zwaard opgeheven, den enormen eeredegen
van den Grootmeester. Andere kinderen storten tranen.
Antoine Manuel de Vilhena had alle rangen der Orde doorloopen. Hij
was gewond geworden bij een aanval op twee tripolitaansche schepen,
die generaal Antoine Corea de Souza in 1680 buit maakte. Hij werd
achtereenvolgens benoemd tot majoor, kolonel en commandant van een
galei, tot commissaris der bewapening, groot-kanselier der Orde,
baljuw van Acre en eindelijk tot schatmeester der Orde. In zijn
qualiteit van Grootmeester liet hij het fort Manuel oprichten op het
eilandje Marsa-Muscet.
Wij mogen bij deze beknopte opnoeming niet vergeten het graf van
Jean de la Valette, die in 1586 stierf. Een lang opschrift telt
zijn heldendaden op, zijn overwinningen op de Turken, de beroemde
belegering, die hij van het leger van Soliman had te doorstaan, en
vooral de stichting van de groote stad, die door zijn toedoen zoo
gevreesd werd. Soliman de Tweede zag met de grootste bezorgdheid de
toenemende macht, welke de Ridders in de Middellandsche Zee kregen,
en waarvan hij de duidelijkste blijken kreeg door de vernieling van de
meeste zijner vloten. Hij besloot Malta aan te vallen en er de Ridders
uit te verdrijven, die hij te voren reeds van Rhodus had verjaagd. In
den loop van het jaar 1565 drongen honderd-vijftig turksche schepen
in de haven van Marsa Scirocco binnen, en zetten er zestig duizend
gewapende mannen aan land, onder bevel van den pacha Mustapha, van
Dragut, en van den dey van Algiers.
De gedenkwaardige belegering van La Valette deed de dapperheid der
Ridders duidelijk uitkomen. De Grootmeester van Malta, Jean Parisot
de la Valette, bewees in die moeilijke omstandigheden, dat hij waardig
was de opvolger van L'Isle Adam te zijn. Zijn stoutmoedigheid en zijn
militaire talenten gaven hem daar recht op.
De resultaten van de toen op de Turken behaalde overwinning waren
niet gering. Malta was bevrijd; Italië was weer veilig en Europa kon
gerust zijn. Twintig duizend Turken waren op het slagveld gebleven,
en generaal Mustapha, hun aanvoerder, had met het overschot van
zijn leger een toevlucht gezocht aan boord van zijn schepen en ging
heen van Malta. Keizer Soliman kreeg een zeer diepen indruk van deze
nederlaag. Hij dacht er over, een nieuwe expeditie te organiseeren,
die hij zelf wilde leiden en waarover hij in persoon het bevel dacht
te voeren, toen de dood hem overviel te midden van zijn plannen van
wraak en vernieling.
Na die roemrijke zegepraal liet de Grootmeester La Valette, ondanks
zijn hoogen leeftijd en zijn wonden altijd even onvermoeid, de
versterkingen, die de Turken hadden verwoest, herstellen. Hij beloonde
op edelmoedige wijze zijn bondgenooten en de bewoners van het eiland,
die hem met zelfverloochening hadden bijgestaan, en die bij dit beleg
meer dan zeven duizend van hun landgenooten hadden verloren.
Toen was het, dat met den materiëelen steun, dien Frankrijk, Spanje,
Portugal en de italiaansche vorsten hem verleenden, hij in 1566 de
fondamenten legde van de naar hem genoemde stad.
Wij hebben nog niet van de oneenigheid gesproken, die er ontstond
tusschen hem en den paus en die de laatste jaren van het roemrijk
bestaan van Jean Parisot de La Valette verbitterden. Om de
droefgeestigheid te verjagen, die zich van hem had meester gemaakt
ten gevolge van die moeilijkheden, steeg hij te paard, gevolgd door
zijn jachtgezelschap, en begaf zich naar de vlakte aan de golf van
Sint Paul, om er patrijzen te jagen. De zeer groote hitte van dien dag
hinderde hem; hij kreeg een zonnesteek en kwam met koorts in de stad
terug. Na den dood van de La Valette vermeerderden de Grootmeesters,
zijn opvolgers, de versterkingen der door hem gebouwde stad.
Zij bouwden ook nieuwe forten in het binnenland van het eiland en
stelden de kusten beter in staat van verdediging. Maar deze maatregelen
bleken nog niet voldoende, om aan de sultans van Turkije alle hoop te
ontnemen, zich eenmaal weer van dat eiland meester te maken, dat hun
handel steeds maar weer afbreuk deed. Zij deden van tijd tot tijd
landingen, maar ze werden telkens verslagen en met groot verlies
teruggeslagen. Eindelijk maakten de Maltezers zich meester van een
turksch schip, dat met aanzienlijke rijkdommen beladen was. Het had
prins Osman en prinses Fatima aan boord, kinderen van keizer Ibrahim,
die op weg waren naar Alexandrië met het plan naar Mekka te reizen.
Op Malta werden de doorluchtige reizigers met de grootste
onderscheiding behandeld en men bewees hun alle eer, die men aan hun
rang verschuldigd was. En wat als bewijs kan dienen voor de groote
edelmoedigheid der Ridders, prinses Fatima werd, met geschenken
overladen, op haar eigen schip teruggezonden naar Konstantinopel. Prins
Osman, die getroffen was door zooveel edelmoedigheid, wilde Malta niet
weer verlaten. Hij ging tot het Christendom over en werd monnik op
Sint-Dominicus, waarvoor hij afstand deed van de kroon van een groot
rijk, zonder zelfs de waardigheid te willen aannemen van kardinaal,
welke de paus hem aanbood. Ibrahim, die ten diepste gegriefd was
in zijn hart en in zijn politiek, besloot zich te wreken door de
verwoesting van Malta. Hij maakte reeds verbazende toebereidselen
voor dat doel, toen de dood hem verraste, zooals hij het Soliman had
gedaan, vóór de wraakplannen tot uitvoering waren gekomen.
In de kapel, aan de "tong" van Frankrijk gewijd, herinnert het
graf van graaf du Beaujolais aan het lijden van een ongelukkigen
prins uit het huis Bourbon, die in 1808 op Malta stierf, waar hij om
gezondheidsredenen was heengegaan. Men vindt er ook het graf van den
Grootmeester Emmanuel de Rohan, welke graftombe een schoon kunstwerk
te zien geeft, de onthoofding van Johannes den Dooper voorstellend,
van de hand van Michel Angelo van Caravaggio.
In de krypt bevinden zich de graven van verscheiden andere
Grootmeesters, o.a. dat van Villiers de l'Isle Adam. De onderaardsche
kapel van het Heilige Kruis bevat ook de graven van Pierre du Pont,
gestorven in 1535, dat van Jean d'Omèdes, die de Sint-Elmus- en
Sint-Michielforten liet bouwen en vele bastions liet aanleggen. Hij
overleed in 1533. Dan is er het graf van Claude de La Sangle, aan wien
de verdedigingswerken van de naar hem genoemde voorstad veel te danken
hebben; verder de graven van Guidalotti de Monte en van Jean Lévèque
de le Cassière, in 1581 overleden. Aan dien Grootmeester heeft men ook
den bouw van de Sint-Janskathedraal te danken, en hij zorgde ervoor,
dat de stoffelijke overblijfselen van zijn doorluchtige voorgangers
daarheen werden overgebracht.
De schatkamer der Sint-Janskerk was in den tijd der Ridders door geheel
Europa beroemd, zoo groot was het aantal zeer kostbare voorwerpen,
dat ze bevatte.
Men kon er als reliek een hand van Johannes den Dooper zien, in
goud gevat en ingelegd met diamanten, robijnen en andere kostbare
steenen. Zij was door Bajazet geschonken aan Pierre d'Aubusson,
Grootmeester van Rhodus. Er wordt ook melding gemaakt van een kruis
van edelgesteenten, dat een stukje van het echte kruis zou bevatten,
dan van een gouden lampetkan, gevuld met kostbare steenen, die Hendrik
de Achtste van Engeland aan Villiers de l'Isle Adam had aangeboden na
het verlies van Rhodus; dan van een prachtigen degen en van een dolk,
door Filips den Tweeden, koning van Spanje ten geschenke gegeven aan
den Grootmeester La Valette na zijn roemrijke verdediging tegen de
Turken. In grooten getale waren er verder de voorwerpen van goud,
zilver en diamanten, die de Grootmeesters en Groot-Priors van iedere
"tong" der Orde verplicht waren elke vijf jaar, aan de kerk aan te
bieden. Geen enkele basiliek bezat zooveel kostbare voorwerpen, zooveel
lampen en kandelabers van zilver en van die hoogte en zwaarte, dat
twee mannen ze slechts met moeite konden dragen. Van al die rijkdommen
is er niets meer over. Men beschuldigt het Directoire ervan, ze te
hebben geroofd.
De vlag der Orde, en de kostbare schatten van de Sint-Janskerk,
welker waarde verscheiden millioenen bedroeg, werden meegevoerd op
het fregat La Sensible. De commandant van het schip, die tusschen
Malta en Toulon door de Engelschen werd aangevallen, liet, vóór hij
zich overgaf, alles over boord werpen. Zoo werden de schatten van
de Sint-Janskerk op Malta vernietigd; alleen de staatsiedegen, dien
de Grootmeester der Orde bij plechtige gelegenheden droeg, ontkwam
aan de algemeene ramp. Bij de capitulatie van het eiland werd het
staatsiewapen ter hand gesteld aan Napoleon, die het toevertrouwde aan
markies de Dolomieu, door wien het Directoire ervan in het bezit werd
gesteld. En zoo dient die degen nu tot opluistering van een vitrine
in de Nationale Bibliotheek, afdeeling medailles.
Midden in La Valette, op het plein Saint-Georges, staat het
Regeeringspaleis, oude residentie der Grootmeesters, gebouwd door
Hyacinthe del Monte. Dat is een groot en zwaar bouwwerk, meer op
een vesting dan op een paleis gelijkend. Twee overdekte terrassen
en balkons versieren den voorgevel; maar dat zijn toevoegsels van
betrekkelijk nog jongen datum. Onder Grootmeester de Pinto werden beide
poorten, die uitkomen op het plein Sint-Georges, verfraaid met enkele
versieringen, waarvan de stijl slecht past bij het overige gebouw.
Er is een opschrift, dat mij, als ik den muur, waarop het is
aangebracht, aanzie, aan het droomen brengt. Het luidt: "Magnae et
invictae Britanniae-Melitensium amor et Europae vox--has insulas
confirmant--A.D., 1814" d.w.z.: "Aan het groote en onoverwinnelijke
Brittannië--de liefde van de Maltezers en de stem van Europa--wordt
het bezit van deze eilanden gewaarborgd."
Maar daar de waarheid is, dat het Congres van Weenen in 1814 aan de
Engelschen Malta liet behouden met de eilanden in de buurt, kan
men moeilijk beweren, dat het de liefde der Maltezers is geweest,
waardoor dat bezit werd gewettigd.
Het Regeeringspaleis, de oude verblijfplaats der Grootmeesters,
wordt tegenwoordig bewoond door den gouverneur van Malta, en de
administratie is er met haar kantoren gevestigd. Op een binnenplein
staat een bronzen beeld van Neptunus, een werk van Jean de Boulogne,
dat eertijds in het Marinegebouw stond.
Nadat men een breede, witmarmeren trap is opgegaan, komt men
door galerijen, waarvan één versierd is met de portretten van de
Grootmeesters der Orde, en de andere met schilderijen, voorstellende
de wapenfeiten en de heldendaden der Ridders.
Die laatste galerij leidt naar de feestzaal, waar een vorstelijke
troon staat met de wapens van Engeland, en in de tapisseriezaal,
waar vroeger de Raad der Orde bijeenkwam voor zijn beraadslagingen.
De leunstoel van den Grootmeester is er nog. De gobelins, die de wanden
bedekken, personifiëeren de vier werelddeelen. Enkele schilderijen
van veldslagen dragen tot de versiering bij. Op de galerij komt ook
uit de groote wapenzaal met de bijzonder mooie en rijke verzameling
wapens uit de Middeleeuwen, maliënkolders, dijharnassen en armstukken,
kurassen, helmen, schilden en hellebaarden, de eerste vuurwapenen,
vuursteen- en andere geweren, in het geheel veertig duizend, en
eindelijk het zwaard van den beruchten zeeroover Dragut. Tusschen
al dat moordtuig hangt het portret van den Grootmeester Wignacourt,
door Caravaggio geschilderd.
De bibliotheek van La Valette is ondergebracht in een sierlijk gebouw,
dat onder den Grootmeester de Rohan tot stand is gekomen. Zij is
gesticht in 1760 door den franschen baljuw Louis Guérin de Tencin en
ze werd eerst overgebracht naar het gebouw, waar zij zich thans in
bevindt, enkele jaren voor de verspreiding der Orde door Bonaparte.
De boekenschat werd samengesteld uit de particuliere
boekenverzamelingen der Ridders, die gehouden waren hun boeken na
te laten aan die openbare instelling. Het gebouw staat in een tuin,
en is in ionischen stijl opgetrokken, sober van versieringen en toch
bijzonder mooi.
Een breede laan leidt erheen. Een trap, die zich bovenaan in tweeën
splitst, geeft aan de eene zijde toegang tot de administratiekamer en
aan de andere tot de bibliotheek met haar 60.000 deelen. Er zijn daar
kostbare manuscripten, oude drukwerken en zeer interessante archieven,
die betrekking hebben op de oudste tijden der beschaving van het eiland
Malta. Opmerkelijk is ook, in een klein museum naast de bibliotheek,
een rijke collectie van voorwerpen der natuurlijke historie van het
eiland en vooral van de mineralogie. Met belangstelling zal men er
kennis nemen van oude dingen van phoenicische en grieksche afkomst,
op Malta en Gozzo aangetroffen.
Onder de interessante gebouwen van La Valette moet het Justitiegebouw
worden genoemd, dat oudtijds een geheel andere bestemming had, want het
was de herberg van de "tong" Frankrijk. Genoemd moeten ook worden de
beide schouwburgen, de eene, die reeds oud is, werd opgericht onder den
Grootmeester Manuel de Vilhena. De andere, van jongen datum, is grooter
en weeldiger ingericht. Het is het Massimo- of Koningstheater. In 1873
werd het door brand verwoest, waarbij alleen de muren bleven staan; het
is sedert dien tijd weer opgebouwd, maar het heeft nooit de schoone
versieringen teruggekregen, die de zaal vóór den brand opluisterden.
Het Marine-arsenaal, dat men niet zonder speciaal verlof mag bezoeken,
is hoogst belangwekkend. Men kan er alle moderne verbeteringen
aanschouwen ter zake van zeevaart en den oorlog ter zee, en het geeft
te denken naar aanleiding van de macht der britsche marine. Alle
machines ziet men er in beweging; alle instrumenten zijn gereed of
kunnen dadelijk in werking worden gesteld, als er iets aan eenig schip
moet worden gerepareerd. Voorraadmagazijnen grenzen aan het arsenaal
en kunnen de vloot en het leger van het noodige voorzien, zoowel in
tijd van oorlog als in dien van vrede. In de buurt zijn de dokken,
die de grootste pantserschepen van de engelsche zeemacht kunnen bergen.
Er zijn te La Valette verscheiden hospitalen, waarvan één in het
westelijk deel van de voorstad Floriana. Er zou niets bijzonders zijn
te zeggen over die laatste inrichting, als zij niet de allervreemdste
zaal bevatte, die men maar met mogelijkheid kan zien, en ik betwijfel
het, of er wel ergens een dergelijke te vinden is. Het is werkelijk
niet te begrijpen, hoe men op het zonderlinge en lugubere denkbeeld
is gekomen, de wanden dier zaal geheel uit beenderen te doen
bestaan. Bovendien is in een hooge nis een symbool van den tijd
geplaatst, een skelet met een zeis in de hand, omgeven door de
begrafenisattributen van den sombersten aard.
Van beenderen heeft men er allerwonderlijkste wapenrustingen gemaakt,
voorts teekeningen, guirlanden en allerlei versieringsmotieven. Op
enkele plaatsen zijn symmetrisch en op bepaalde afstanden hoopen
schedels neergelegd; elders heup- en dijbeenderen, die als degens
elkander kruisen. Het is griezelig en belachelijk tevens, en men kan
zich geen voorstelling maken van het denkbeeld, dat bij die decoratie
heeft voorgezeten.
Op korten afstand van La Valette zijn twee kerkhoven, de turksche
begraafplaats met opengewerkte koepels en witte minarets, die het
kerkhof in de verte op een kleine oostersche stad doen gelijken,
en het stadskerkhof op een plateau, waar een gothische kerk staat
met een slanken klokkentoren.
Op een dag verliet ik La Valette, om mij naar Città Vecchia te
begeven of Città Notabile, de oude hoofdstad van het eiland. Bij
het verlaten van de stad door de massieve poort aan de wallen, die
den naam draagt van de Città-Vecchiapoort, lag er een in verblindend
zonlicht badende weg voor mij. Ik zag de reusachtige waterleiding,
die de Grootmeester Aloys de Wignacourt had laten aanleggen in 1616,
en die nu nog La Valette van water voorziet. Altijd bleef het een
verblindende zon, waarin ik slechts met moeite de voorwerpen herkende,
een terugkaatsing van het licht, die pijnlijk was, zoodat ik met half
gesloten oogen liep.
Nu en dan verrees er in de verte een witte massa en draaide in spiralen
rond, werd grooter en steeg op naar de lucht, om dan met verwonderlijke
snelheid ons te naderen en te omhullen. Het was een stofwolk, door
den wind voortgedreven, en een tweede wolk volgde nog op de eerste.
Dan plotseling lag weer het land onder de schitterende zonnestralen
te branden, dor en droog en als verkalkt door de hitte, neerdalend
van den donkerblauwen hemel.
Alles was verblindend, de grond, de boomen, de verre gebouwen. Het
leek op sneeuw of op ongrijpbaar wit poeder, dat alles overdekte. De
lucht zelve was er door verduisterd.
Meer op een afstand teekende, op een hoogte, een stad zich af tegen
den horizon, een mooie stad met een middeleeuwsch silhouet en palmen,
uitstekend boven de muren; dat was Città Vecchia. Op de golvende
vlakte links zag men dorpjes met alleenstaande klokkentorens.
Steenen muren, waarop enkele vijgeboomen met hun stoffige bladeren
groeiden, omgaven de tuinen en sloten den weg in. Nu en dan ging
mij een voetganger voorbij, gebogen onder den storm van zon en stof,
of een arme vrouw, die een half naakt kind aan de hand had, en dan
was de stilte weer daar.
Wij beklommen den heuvel, gingen over een ophaalbrug, en waren in
een smalle straat, die bochtig was, maar ons toch naar de kathedraal
zou brengen, het eenige bouwwerk, dat wij te Città Vecchia hebben
te bezoeken.
Die oude hoofdstad van Malta, welker stichting nog tot vroegeren
tijd moet opklimmen dan de stichting van Rome, was in den aanvang
van betrekkelijk weinig belang; er wordt zelfs gezegd, dat het
slechts een gewoon versterkt kamp was. Er werden vele grieksche
en romeinsche oudheden gevonden, ook overblijfselen van tempels,
gewijd aan Juno en Proserpina. Op den top van den heuvel, waar
de oude stad ligt, heeft men de sporen van een prachtig romeinsch
paleis ontdekt. Twee-en-twintig eeuwen gingen over deze ruïnen heen,
gedurende welke de Arabieren, meesters van Malta, er de graven van
gebruikten, want men vindt er tegenwoordig nog de beenderen van hun
dooden in. Men zou gezegd hebben, dat de stad voortaan niet anders dan
een doodenstad moest zijn. Men heeft de fondamenten van de zuilengang
van dit paleis blootgelegd, verder prachtige mozaïeken, vazen en tal
van merkwaardigheden, die den oudheidkundige belang inboezemen. De
overblijfselen leggen getuigenis af van een vergevorderde beschaving in
den tijd dat barbaarschheid nog heerschte in een groot deel van Europa.
Vóór de kathedraal van Città Vecchia ligt een steenen trap met twee
oude kanonnen, die door ik weet niet welken souverein aan de Ridders
werden aangeboden. Alleen om deze reden hechtten de Maltezers er
aan. De kathedraal verrijst op een pleintje en wel op dezelfde plaats,
waar het paleis van Publius lag, den prefect van Malta, die Paulus
opnam, toen deze apostel op reis van Palestina naar Rome, schipbreuk
leed op de kust. Publius, tot het Christendom bekeerd, werd tot
bisschop benoemd door Paulus en werd later als martelaar gedood te
Athene. De kathedraal dagteekent van 1702 en werd gebouwd volgens de
plannen van den maltezer architekt Lorenzo Gaffa. Aan elke zijde van
het altaar zijn twee tronen opgericht, die van den bisschop en die van
de koningin. Het gewelf van de kerk werd versierd met schilderwerk
van Vincent Manno. Het schilderwerk van het inwendige der kerk is
afkomstig van den Calabrees, wiens leerlingen de wanden der kapellen
versierden. Er zijn ook enkele moderne kunstwerken te bewonderen in
de kerk, o.a. de inlegwerken van het koor en twee mozaïekmedaillons,
voorstellend de apostelen Petrus en Paulus.
Niet ver van de oude kathedraal herinnert een onderaardsche galerij,
die nog slechts voor een klein deel onderzocht is, aan de tijden van
vervolging, toen de Christenen zich moesten verbergen. Er zijn nergens
zulke uitgestrekte catacomben, en men weet nog volstrekt niet, hoe
groot ze wel zijn. De gedeelten, waar de mysteriën gehouden werden,
zijn nog aan te wijzen, en men vindt er eveneens een aantal kleine
holen, waar de eerste Christenen hun dooden begroeven.
Het is interessant, de grot van den H. Paulus te bezoeken, in de
rots uitgehouwen, waar de apostel een schuilplaaats vond en waar
hij gevangen werd gehouden gedurende zijn verblijf op het eiland,
dat drie maanden duurde.
Die crypt is in de zachte rots gemaakt. Enorme hoeveelheden van het
gesteente werden er langen tijd uitgehaald en naar alle deelen der
wereld verzonden, waar Christenen woonden. Er werd een koortswerende
kracht aan toegeschreven, en het werd genaamd pietra della grazia,
steen der genade.
Monseigneur Lavigerie had te Carthago een pelgrimstocht in het leven
geroepen, die de in zoo grooten getale in Tunis wonende Maltezers
moest herinneren aan de Madonna van Melleha, welk beeld het hoogst
vereerde heiligdom in hun geboorteland versiert, de Paulusgrot. Het
was een der redenen waarom de kardinaal bij de Maltezers zoo bemind
was. Die Madonna zou door den apostel Lucas zelven op de wanden der
grot geschilderd zijn, toen hij er met den apostel Paulus een toevlucht
had gezocht na hun schipbreuk. De kardinaal had het schilderij te
Carthago laten reproduceeren.
De Paulusgrot is een heilige plaats gebleven. Op een altaar staat
een beeld van den heilige van wit marmer. Het is het werk van den
maltezer beeldhouwer Melchiore Gaffa. Aan den voet van het beeld
brandt altijd een lamp.
Volgens de Handelingen der Apostelen maakte Paulus na zijn schipbreuk
een vuur van takken aan, om zich te verwarmen. Een adder, die zich
in het hout bevond, beet hem in de hand en bleef eraan hangen. De
bewoners, die om hem heen stonden, zeiden onder elkaar: "Stellig
heeft die man een moord begaan, want pas is hij aan de woede der
golven ontkomen, of nog vervolgt hem de goddelijke wraak." Maar
Paulus schudde zijn hand en liet er het reptiel afglijden, dat hij
in het vuur wierp. De omstanders waren overtuigd, dat het venijn
van de adder zijn uitwerking niet zou missen, dat de hand zwellen,
en dat de zwelling zich weldra aan het geheele lichaam zou meedeelen,
zooals gewoonlijk gebeurt.
Maar Paulus scheen in het geheel geen pijn te hebben, en de beet had
geen enkel nadeelig gevolg. Toen waren de Maltezers door het wonder
getroffen en vereerden Paulus voortaan als een god.
Publius, gouverneur van het eiland, die hem bij zich ontving en zijn
goede zorgen aan hem wijdde, bracht hem aan het bed van zijn vader, die
door een hevige koorts was aangetast. Paulus legde hem de handen op,
begon te bidden en genas hem. Dat bericht verspreidde zich snel over
het eiland, en dadelijk stroomden de zieken in massa toe. De apostel
genas ze en bracht drie maanden op Malta door, voor hij naar Rome ging.
Dichtbij de grot, op de plek waar een standbeeld Paulus voorstelt de
menigte toesprekend, is een holte in den grond, waar veel beroemde
personen der Christenheid begraven wilden worden als op gewijden
grond. De dooden zouden er rusten in volkomen vrede onder de hoede van
den apostel, die schipbreuk had geleden op de noordkust van het eiland.
Van de hoogten van Città Vecchia had ik een groot deel van Malta aan
mijn voeten zien liggen in doodsche eentonigheid. Men zag er slechts
kale, boomlooze golvingen van den bodem, zonder groen, en overal
steenen en nog eens weer steenen met enkele dorpen, kloosters en
woonhuizen. Steden en dorpjes waren trouwens op deze plek dichtbij,
en de vrije natuur was eigenlijk ver te zoeken, zoodat het den
indruk maakte, dat een enkele stad de geheele oppervlakte van het
eiland overdekte.
Hoezeer bewonderde ik toen de groote werkzaamheid der Maltezers, die
met geduld en volharding erin geslaagd zijn, hun rots prachtige oogsten
te doen voortbrengen. Want die droge en steenachtige terreinen, waar
bijna overal de rots aan de oppervlakte komt, geven een opbrengst van
veertig ten honderd. En de aarde, waar krijgen ze die vandaan? Er is
mij verteld, dat ze dikwijls de rotsen afgeschraapt hebben, om grond
te maken, en het is zeker, dat zeer vaak aarde op menschenruggen naar
de tuinen wordt gevoerd. Geen duimbreed rotsgrond wordt ongebruikt
gelaten; de bewoners hechten hun groenten vast aan elk uitstekend
punt van de rotsen; zij maken overal terrasjes en profiteeren zelfs
van natuurlijke spleten en holten.
Men ziet geheele gezinnen van Maltezers volijverig boerenwerk
verrichten, wieden en spitten en onvermoeid gieten.... Maar het gaat
vaak lastig, want er is niet zelden gebrek aan water.
Uit het oogpunt van schilderachtigheid zijn er weinig plekken te
roemen; maar al is het natuurschoon schaarsch, toch moet men niet
verzuimen een bezoek te brengen aan de Makluba in het Zuiden van het
eiland, aan de grens van het gebied van Krendi. Het is een zeer diepe
inzinking van den grond, een donkere kuil tusschen steile rotswanden,
waartusschen men in de diepte een tuin ziet liggen.
Op korten afstand van dien afgrond, te Gebel-Kim, vindt men
de reusachtige ruïnen van een phoenicischen tempel, tegenwoordig
aangeduid met den naam Pietra della Venerazione. Opgravingen, die
men vroeger in die ruïnen heeft gedaan, hebben beenderen van dieren
aan het licht gebracht en een menschelijken schedel van ongewonen
vorm. Een geleerde bibliothecaris van La Valette heeft bewezen, dat
de tempel aan den phoenicischen Hercules was gewijd. Niet ver van
dit heiligdom was er een andere tempel, aan Esculapius gewijd. Er
zijn daar steenen van reusachtige afmetingen, die in hun behouwen
toestand uitstekend zijn bewaard gebleven.
Op Malta bestaan nog andere ruïnen van deze soort, vooral in het
oostelijk deel van het eiland. Malta was inderdaad in de Middellandsche
Zee een punt van al te groot belang, dan dat het de aandacht niet
zou hebben getrokken van de Phoeniciërs en de andere zeevaarders
der Oudheid. Vooral de Phoeniciërs waren gewoon, alle kusten met hun
handelskantoren te overdekken.
Het grootste aantal monumenten, dat ze er hebben nagelaten, bevindt
zich op de zuid- en de oostkust. Ik heb ze gezien aan zee te Marsa
Scirocco, te Krendi en op het eiland Gozzo.
Al die resten van bouwwerken hebben in hun reusachtige afmetingen
geheel het karakter van de monumenten, die aan de Cyclopen worden
toegeschreven.
Om kort te gaan, dit eiland Malta, geteisterd door den wind,
verbrand door de zon, treft nu nog de verbeelding van den reiziger,
nadat het een glorieuse rol in de geschiedenis heeft gespeeld. Niet
enkel getuigen de ruïnen van verleden grootheid, maar er zweeft om
het eiland een aureool door de dapperheid en offervaardigheid van de
edele Ridders, die de barre rots, verloren te midden der golven, tot
een wal hebben gemaakt voor de veiligheid van de christelijke volken.
De tegenwoordige heerschers blijven er altijd vreemdelingen; hun
invloed is gering, omdat zij de ziel der Maltezers niet kunnen
winnen, die ziel, die trouw blijft aan het oude geloof en aan
haar vrome herinneringen. Nog onlangs heeft men daar een bewijs
van gekregen. De heer Chamberlain kondigde in een trotsche rede,
die hij tijdens een reis over Malta hield, aan, dat er maatregelen
zouden worden genomen, om het eiland sneller te verengelschen en de
engelsche taal als officiëele taal verplicht te stellen als gelijke
van de landstaal en met uitsluiting van het Italiaansch.
Dat gaf groote ontroering op het eiland, en de hevigste protesten
werden vernomen. Toch werden de maatregelen genomen. De Wetgevende Raad
van de kolonie ging toen tot obstructie over, terwijl de bevolking al
duidelijker hare verontwaardiging toonde. Deze was van dien aard, dat
Engeland de besluiten omtrent de talen gedeeltelijk moest herroepen.