TOEKOMSTPLANNEN.

--"Jawel, plannen heb ik, maar ik zal daaraan eerst werken als ze

heelemaal rijp zijn. Zoo heb ik 'n uitgewerkt plan voor 'n roman,

vollédig, hoofdstuk voor hoofdstuk--heel uitgebreid--en dat ligt er nu

al van '97 af. En dan nog 'n ontwerp dat ik geschreven heb in 1901 of

1902. Maar--ik doe er nog niets aan ... ik wacht nog wat, en misschien

komt 't pas binnen 'n jaar of tien aan de beurt. Juist omdat ik nog

ander werk moet verrichten, spijt 't me zoo, dat 'n menschenleven

eigenlijk veel te kort is,... want ge begrijpt, als ik lessen moet geven

aan d' hoogeschool kan ik geen omvangrijk literair werk ondernemen."

Ik ben er van overtuigd, dat op 't punt van literatuur, de magen van de

menschen tegenwoordig bedorven zijn. De lezers zijn te veel gewend aan

gepeperde lekkernijen die op de sensatie werken; zoodat ook van mijn

bedoelingen veel verloren zal gaan ... maar--dat is mijn schuld niet.

Die menschen kunnen ook in Flaubert niet voelen wat er eigenlijk in

gelegd is, en dat is een troost.... Misschien is 't mijn schuld, maar ik

vind dat mijn standpunt goed is, en dat de menschen ongelijk hebben. Van

mijn "Wandelende Jood" kan ik dat heel rustig zeggen, want met de eenige

reserve dat de stijl in 't begin mij niet volkomen bevalt, heb ik 't

werk niet uit mijn handen laten gaan voordat 't ongeveer alles gaf wat

ik op dezen oogenblik te geven heb, en geven kàn. 'n Ander zou 't

misschien schooner en grootscher kunnen doen, ik op mijn leeftijd, met

mijn krachten kan 't niet beter ... ik ben er heel tevreden mee, want ik

heb niets verzuimd om mijn werk zoo goed te maken als ik kan. En dat is

'n groot geluk, want 't boek is, om zoo te zeggen: de som van heel

mijn jeugd....

Neen, nu kent ge hem nog niet. Maar blijf een oogenblik onder den indruk

van zijn rustigen spreektrant, en zie 'm dan zitten in zijn stijlvol

studeervertrek, waar 't heldere zonnelicht en de zoete woudgeur zich

nestelen in de kleinste hoekjes. Alles heeft er zijn vaste plaats en hij

zou er boeken en papieren met gesloten oogen kunnen vinden. En bekijk

dan eens zijn bijna steenroode gelaat, zijn borstelige haren, zijn

machtigen neus, zijn afgebeten knevel, zijn schitterende oogen waarin

Oostersche tinten gloeien.

Als-ie 'n oogenblik vergeet dat er iemand bij 'm is, zijn z'n gebaren

driftig als vlammen.

Voorwaar! deze man die klaagt dat het leven zoo kort is, maar die tien

jaar met 'n plan rondloopt liever dan een onrijp boek te geven ... deze

stille Vlaming heeft zich zelf verwonnen en diep beseft wat is 't

nuttelooze van een wankelend gebaar.

Zijn kunst zal ons geslacht overleven!

De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school. · 第 156 / 162 题