Dit is de geschiedenis van de tijdschriften. Maar daarbuiten staat die
eene groote gebeurtenis: de herleving van Guido Gezelle, die stil-aan
weer aan het zingen ging en juist omstreeks '90 zijn prachtigste verzen
schreef, zijn _Tijdkrans_ en zijn _Rijmsnoer_. Bij de oorspronkelijke
leiders van de beweging voegde zich al spoedig Victor de Meyere, terwijl
daar later nog andere krachten bijkwamen, onder anderen Hegenscheidt,
dien ik beschouw als den grootsten geest dien wij in ons geslacht hebben
gehad. Hij heeft ongelukkiglijk een tijdlang met zijn gezondheid
gesukkeld, maar zal weer eens aan 't werk gaan.--Nog later, in de tweede
reeks, kwam Streuvels er bij. Het viel samen met de herleving van
Gezelle. Dat was een heele vreugd. Verder Karel van de Woestijne, en
omtrent het einde van die reeks, ook Teirlinck--met verzen.
Nu, met Vlaanderen, beleven wij een heelen bloei, heel het land is aan
het zingen, dichten en proza-schrijven gegaan, ja, overal worden
dorpsnovellen geschreven. Als ik nu bijeen neem wat er in die
allerlaatste jaren verschenen is, dan vraag ik mij af, of de beweging in
haar geheel beschouwd, niet meer toegenomen is in de breedte dan in de
diepte. Maar een Streuvels, een Van de Woestijne, die worden
aldoor beter.
--"U sprak daareven van een gedachtelijken achtergrond."
--"Wat de richting dáárvan aangaf, dat waren de wijsgeerig gestemde
critieken van mij en van Langendonck. De mijne hebben misschien meer
invloed gehad, omdat de houding van mijn geest meer revolutionnair was.
Zelfs in den beginne, wanneer de opstellen van Van Langendonck gezonder
en kernachtiger waren dan de mijne, geloof ik toch dat de mijne meer
trokken. Dat is heel natuurlijk ook. De menschen hadden behoefte ... aan
... een kleine aardbeving. En de man die de zwaarste schokken kon geven,
was die waar ze het meest naar luisterden."