TOEKOMSTPLANNEN.

Het groote ideaal van mijn leven op literair gebied is nog eens een

roman te kunnen schrijven over de visschers. We zijn altijd een

visschersvolk geweest, en je hebt schilders genoeg die hun onderwerpen

in onze zeedorpen zoeken,--maar literair heeft nog niemand daar iets

van gemaakt.

Met de visschers in "Op hoop van Zegen" van Heijermans staat 't net als

met Cremer's boertjes. Heijermans laat ze bij elkaar komen:

visschersvrouwen en de dochter van den reeder en ieder doet op haar

beurt een verhaaltje. En dan die nonsens dat die man, als 't schip is

vergaan, telephoneert naar de assurantie en ten antwoord krijgt: "Kom

morgen 't geld maar halen." Nonsens, zoo is 't leven niet.--Nu heb ik

een uitnoodiging gekregen van de trawler-maatschappij in IJmuiden, om

een reis naar IJsland mee te maken. Dat heb ik verleden jaar al willen

doen, hè? maar door allerlei drukte heb ik me toen terug laten houden.

Dan heb ik plan voor een grooten roman die hier in den polder zal

spelen, in Sparendam. Een prachtige plaats! 't Echte Hollandsche

waterlandschap krijg je daar. In zoo'n mooi, stil Hollandsch dorp wil ik

een drama laten gebeuren. Daar heb ik een massa gegevens voor. En dan,

maar daar heb ik al iets van klaar liggen: Een roman die zal hietten:

"'t Drama op de molen". Een molen die heelemaal alleen in den

reusachtigen verlaten winterpolder staat te malen, 'n Paar menschen

wonen op die molen: en dan laat ik onder die paar menschen een

moordgeschiedenis gebeuren. De molenaar wordt verzopen in de tocht door

zijn vrouw en een van z'n knechts, omdat die knecht 't houdt met de

vrouw. Dat moet ook echt-Hollandsch worden. Ik ben er nog steeds in mijn

hoofd mee bezig.

Nu schrijf ik aan een werk dat ik met graagte op mij heb genomen: Het

tweede deel van een boek over ons eigen land, uitgegeven door den

A.N.W.B. Die streek hier: Kennemerland, West-Friesland, 't

Bloembollenland, de doode steden aan de Zuiderzee; dat typisch-

Hollandsche mooi in onze duinstreek en onze waterstreek ... dat

wil ik in woorden verheerlijken. Als we een mooie dag weer hebben ga ik

er nog al eens op uit om rond te kijken ... dat moesten meer menschen

doen ... jonge 't is zoo mooi.

En ... (Netscher's sterke hand streek driftig een lucifertje af) en

binnenkort moet ik weer de boer op voor de verkiezingen.... Altijd te

doen ... altijd bezigheden. Dat moet. Dat heb ik noodig. Voor de

zuiverheid van je visie is 't noodzakelijk dat je je op ander gebied

beweegt; voor de frischheid van je impressie. Mijn werkkring in de

gemeente brengt mij met een massa menschen in aanraking, in allerlei

omstandigheden waarin je ze niet ontmoet als je gewoon burger bent.

Denk eens: je belastingzaken en je onderwijszaken, die ik onderzoeken

moet. Dat verrijkt mijn geest nog dagelijks. Vooral dat IJmuiden is

prachtig hè? Dat stadje, dat in tien jaren iets gewòrden is, met zijn

energieke visschers, die frissche kerels, die nauwelijks hun hand kunnen

teekenen, maar toch in staat zijn een groote zaak te leiden.--

En nu meneer ben ik uitgepraat. Wat zou u zeggen van een groote

wandeling? Alles staat in de rijp ... 't is weer om van te watertanden,

hier aan de voet van 't duin. Aangenomen? Vooruit dan maar ... Denk er

om, ik heb lange beenen. Toen Querido hier was heb ik 'm doodgeloopen,

z'n tong hing 'm uit z'n mond. Durft u 't er op wagen?

De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school. · 第 101 / 162 题