--"Ik heb daarnet een zoon gekregen, en overmorgen vertrek ik naar
Amerika".
Met deze woorden trad hij in het zonnige logeer-vertrek, waar ik een
kwartiertje had gezeten, in hoop en vreeze. Hij leek heel slank, heel
vlug, en--ondanks zijn baardigen profete-kop met de zware denkvoren over
't voorhoofd en naast de oogen--heel jeugdig. Met zijn eigenaardigen,
half-sarcastischen lach ging hij bij 't laai-lichte venster zitten; en
waarschuwde mij, dat hij maar heel weinig tijd had, ieder oogenblik kon
worden weggeroepen; bovendien niet de minste neiging tot vertellen
voelde, maar zijn best wilde doen, mijn vragen duidelijk te
beantwoorden. Ook moest ik hem beloven: goed te doen uitkomen, dat ik
ons gesprek leidde, dat de onderwerpen die hij zou aanroeren, waren
onderwerpen van mijn keuze.
Ik meende goed te doen, hem niet te vragen naar biographische
byzonderheden; en, om aan te sturen op dieper liggende dingen, verzocht
ik hem, uiteen te zetten, wat hem wezenlijk scheidde van de
Nieuwe-Gids-dichters bij wie hij zich toch oorspronkelijk had
aangesloten.