Ook in het naar voren dringen van het constructieve element in de
architectuur, en hier heb ik het werk van Berlage op het oog, zie ik een
dergelijk verschijnsel. Ook in de latere schilderijen van Verster. Daar
wordt niet meer weergegeven de aandoening, die de schilder kreeg van de
werkelijkheid, ook niet meer de gevoelsontroering, die hij ervan kreeg,
maar hij maakt van het voorwerp, dat hij buiten zich zag: een innerlijk
bezit, in een licht van zich zelf gezet, en waar hij zijn geest in
uitdrukt. Dat tot uiting komen van het georganiseerde innerlijk lijkt
mij het kenmerkende van de laatste jaren en daarmede houdt, volgens mijn
opvatting, ook het meer geaccentueerde optreden van professor
Bolland verband.
--Die ontwikkeling kan dan natuurlijk ook in de geschiedenis van uw
werk worden nagewezen?