Samen met Van Deyssel kwam ik toen tot de oprichting van het
"Tweemaandelijksch Tijdschrift". Het doel was: te zoeken naar een kunst
van meerdere bezonkenheid, maar waaraan poëzie en naturalistische
waarneming gelijkelijk deel hadden.
Ons tijdschrift werkte dan ook een poos in die richting, en daardoor
werd het bij uitstek geschikt, om de meest verschillende elementen bij
elkaar te krijgen. Aan de eene zijde de dichters, en aan den anderen
kant de naturalistische auteurs, die evenwel, bij voortduring, sterk in
aantal toenamen. Na dien tijd heeft de richting in onze
literatuur-ontwikkeling, die naar de bezonkenheid voerde, en naar het
innerlijk leven, zich voortgezet. Maar dat het naturalisme zich onder de
romanschrijvers nog steeds meer aanhang verwierf, dat had ten gevolge,
dat door den aandrang van hun vaak minderwaardige bijdragen, de poëzie,
die voornamelijk innerlijk leven zou uitdrukken, als het ware in een
hoek werd gedrongen. Daardoor werd het voor mij wenschelijk, een
tijdschrift te hebben, waarin het streven naar innerlijke poëzie op den
duur de bovenhand zou kunnen krijgen.