HOE HIJ WERKT.

"Ik werk heel vreemd. Aan de meeste dingen ben ik mijn heele leven

bezig. En ik publiceer ze bij gedeelten. Dat gaat zoo maar altijd door;

b.v. ik zal een drama beginnen. Daar werk ik eenigen tijd aan, maar het

bevalt mij heelemaal niet. Dan leg ik het opzij. Maar een poosje later

neem ik het weer op, en werk het over. Dat gaat heel onregelmatig. En

als ik na een poosje zoo'n stuk in handen krijg, dan kan het mij

gebeuren, dat ik denk: Het was toch zoo kwaad niet. Zoo zijn mijn meeste

werken door mijn geheele leven geborduurd. Bijna niets heb ik aan een

stuk geschreven.

"Soms heb ik wel eens lust: mij geheel in eenzaamheid terug te trekken,

geen enkel persoon te spreken en heel in de stilte verder te werken. Ik

heb dat vroeger wel eens gedaan. Toen woonde ik in België, in Luxemburg,

acht maanden lang boven op een hoogen berg, midden in de sneeuw. Toen

stond ik voor dag en dauw op: 's morgens om een uur of zes had ik al een

heel stuk geschreven doorgaans. Maar ik bewoog mij toen ook veel in de

open lucht. Dat moet je doen, anders wordt de eenzaamheid gevaarlijk. In

dien tijd heb ik mijn "Kleine Republiek" geschreven. Ik zeg u dit om u

te doen begrijpen, hoeveel werkkracht de eenzaamheid mij geeft, en welk

een gelijkmatigheid zij in mijn arbeid doet komen.

"Op dit oogenblik ben ik bezig aan een drama. Maar wanneer het

verschijnt, weet ik niet. Ik moet het eerst opgevoerd krijgen, en ik

weet niet of het mij lukken zal. Want dat is niet zoo gemakkelijk. Er

komen allerlei vreemde decoraties aan te pas".

Toen zette ik een streep in mijn aan teekenboekje, want ik moest

oppassen mijn trein niet te missen. Jammer, want de tong van den Meester

werd losser, en ik voelde, dat ik diep genoeg in zijn persoon was

doorgedrongen om hem door enkele korte vraagjes te brengen: tot het

aanroeren van details, wier bespreking een zekere zenuwspanning

vereischt. En die spanning, die gedachte-helderheid, leek mij aanwezig.

Maar ik moest weg. Nog enkele minuten waren mij gelaten. En ik vroeg hem

of ik even om mij heen mocht kijken.

--Zeker! een aardig idee.

Het was maar een eenvoudige kamer. In het midden een zeer groote tafel

met groen laken bekleed. Daarop: dubbele boekenrij. Veel boeken langs de

wanden en in de hooge vensternissen. Ook een ruw-houten behangerstafel:

plank op schragen, met bundels papieren. Een simpele olielamp verlichtte

het geheel. De wanden stonden in schemer en vaag onderscheidde ik een

witte vrouwe-buste in een hoek. Achter mij op den oud-Hollandschen

schouw een terra-cotta relief, dat beeldde een mannekop met hoekigen

schedelbouw en stuggen baard: Den èchten Van Deyssel, zou ik gezegd

hebben....

... Indien de meneer in den trijpen voltaire, de vriendelijke meneer,

met zijn netjes geschoren kaken en zijn stijve snorren, niet reeds lang

de "echte" Van Deyssel voor mij was geworden.

Toen stapte ik het treedje, waarvoor ik begin van den avond had moeten

oppassen, weer af, liet mij door den Meester brengen op den weg, die

"het voordeel heeft, dat men hem niet missen kàn". We gingen langs een

smal zandpad, en hij gaf mij duwtjes, en trekjes aan mijn mouw, om mij

niet te doen afdwalen. "U moet maar naar boven kijken," zei hij nog.

"Geen beter middel om op het pad te blijven".

Het was zeer donker om ons heen. Tusschen de boomtoppen, denne-toppen,

werd ik vaagjes 't diepe hemelblauw gewaar. Van den weg viel niets te

onderscheiden.

Ook van den Meester niet. En dat vond ik maar heel goed ook, want dat

Van Deyssel ... zie je: Van Deyssel; zijn tijd gebruikte, om mij iets te

wijzen, dat ik waarschijnlijk met wat moeite zelf wel hadd' gevonden ...

dat kon ik toch niet goed zetten. En hoewel ik zeer had genoten in zijn

bijzijn, voelde ik mij verlicht, toen hij mij zijn hand tot afscheid

bood. Zijn zwàre schrijvershand.

En ik sloeg den weg in, "dien men niet missen kàn"....

De mannen van '80 aan het woord Een onderzoek vaar eenige beginselen van de "Nieuwe-Gids"-school. · 第 21 / 162 题