AANTEEKENINGEN

[1] Men kan het aantal bijen, in een zwerm vereenigd, begrooten, door

eerst de ledige woning te wegen en deze met den zwerm, nadat hij er in

tot rust gekomen is, nogmaals te wegen, waardoor men, het gewigt der

bijen kennende, ook haar aantal ten naastenbij kan bepalen, daar 100

bijen gewoonlijk 1 Ned. lood wegen. Regtstreeks kan men haar tellen,

dat echter zeer omslagtig is, door haar te bedwelmen, waarover later

gesproken zal worden.

[2] Sommige bijen in Italië en wel die uit de omstreken van Genua,

want zij zijn er niet algemeen, zijn van de gewone bijen niet

onderscheiden dan door de kleur. Beide soorten vereenigen zich

vreedzaam tot een gezelschap, nemen wederkeerig was-, honig- en

broedtafels, ook broedcellen en zelfs moederbijen aan, doch blijven,

gedurende haar geheele leven, naauwkeurig van elkander onderscheiden;

want de beide eerste ringen van het achterlijf, welke bij onze gewone

bijen, even als de overige, eene zwartbruine kleur hebben, zijn bij

de Italiaansche bijen roodgeel of oranje en, tegen de zon gezien,

bijna doorschijnend. Zij mogen met den tijd hare haren verliezen,

deze kleur blijft stand houden, ja schijnt er nog duidelijker door

te worden. Dit verschil in kleur doet de mogelijkheid ontstaan om

verschillende waarnemingen te doen.

[3] Men moet deze koningin dan elk voorjaar, wanneer de stok daartoe in

staat of zoogenaamd zwermgeregt is, met den zwerm kunstmatig afdrijven

en haar in eene woning, die reeds met werk voorzien is, als voorzwerm

plaatsen. Deze kunstzwerm moet dan telkens, minstens een half uur van

den ouden stok geplaatst worden, daar anders de meeste bijen weder

naar hare oude bekende plaats zouden terugvliegen,--of men moet hem

op de plaats van den moederstok stellen.

[4] Wanneer ik lengtemaat opgeef, bedoel ik de Rhijnlandsche,

waarbij, zooals men weet, de voet in 12 duimen en de duim in 12 lijnen

verdeeld wordt. Ik heb aan deze maat de voorkeur gegeven, omdat de

bijenhouder steeds het hulpmiddel bij de hand heeft, om zich die maat

te verschaffen; want 5 werkbijencellen of 4 hommelcellen zijn juist

een Rhijnlandschen duim lang.

[5] Biblia Naturae, Sive Historia Insectorum, Ao. 1737 in

fol. uitgegeven, met eene Nederd. vertaling.--Swammerdam was reeds

in 1680 overleden; deze uitgave werd door Boerhave bezorgd.

[6] Histoire naturelle des insectes, 6 v. Paris 1734-1742.

[7] Zie hierover bladz. 11.

[8] Zie hiervan een sprekend voorbeeld op bladz. 15.

[9] Het is altijd goed eenige ledige strookorven beschikbaar te

hebben, daar deze zich voor de hier opgegeven en verscheidene andere

handelwijzen beter laten gebruiken dan de nieuwe woningen.

[10] Het muskuswater bereidt men door twee grein muskus op te lossen

in een maatje brandewijn en hiervan een eetlepel te vermengen met

een flesch regenwater.

[11] Hier te lande gebruikt men de gewone strookorven met slechts

ééne toegankelijke plaats, namelijk de onderzijde, zoodat men

slechts onder in dezelve iets kan verrigten, waarvoor men dan nog

genoodzaakt is die om te keeren. Bij het voêren is dit lastig en

veelal ondoelmatig. Vroeger gebruikte ik hen ook zoo, maar sedert ik

met de Duitsche bijencultuur bekend ben geworden, maak ik boven in

den kop van den korf een rond gat, van drie duim middellijn. Wanneer

ik over het voêren spreek, zal men zien hoeveel nut en gemak men van

deze tweede opening kan hebben.

[12] Dat men de bijen, bij het betrekken van eene nieuwe woning,

wastafels of gedeelten daarvan toevoegen kan, is voorzeker een

der belangrijkste voordeelen van Dzierzon's woningen. Al kan men

maar een zeer kleinen bouw voor haar in gereedheid brengen, zoo is

daardoor een zwerm, dien men hem toevoegt, toch een anderen, dien

men in een ledigen korf plaatst, verre vooruit. In dien korf kunnen

de bijen den medegevoerden honig niet afleggen, en de koningin moet

de eijeren laten vallen. De bijen begeven zich naar den top van

den korf en hangen zich daar in een digten tros aan; veler arbeid

blijft nutteloos, omdat zij geene plaats kunnen vinden om te bouwen;

zij moeten dan de uitgezweete wasblaadjes laten vallen: den volgenden

dag vindt men de onderplank daarmede bedekt. Haar werk dan beziende,

ontdekt men slechts een of twee kleine stukjes wastafel. Een zwerm,

die in eene Dzierzon'sche woning met een begonnen bouw is geplaatst,

zal in dien zelfden tijd den bouw reeds op verscheidene plaatsen

vergroot, honig en bloemenstof ingedragen en ook broed aangezet hebben.

Waartoe Dzierzon's woningen ons al in staat stellen, kan het volgende

nog leeren:

Ik liet eens een korf vallen, waardoor de geheele bouw in elkander

stortte. Aan herstel was niet te denken, daar het in den nazomer

was. Ik had echter gelegenheid dadelijk eene Dzierzon'sche woning

met wastafels vol te hangen, waarvan er reeds eenige, met honig waren

gevuld. De bijen verzamelde ik zooveel mogelijk en had het geluk de

koningin onbeschadigd te vinden. Na haar in de woning geplaatst te

hebben, liet ik er de bijen inloopen, en spoedig trokken zij zich

tusschen de tafels te zamen. De stok kwam even goed door den winter,

als of er niets mede voorgevallen was.

[13] Van de koningin sprekende zegt men veelal, in plaats van

moederbij, kortaf moeder. Dat deze uitdrukking onjuist is, vooral

wanneer men van eene moederbij spreekt, die nog geen moeder zijn

kan, zal geen betoog behoeven. Ik heb daarom getracht haar nimmer te

bezigen. Mogt zij eene enkele maal gevonden worden, dan verzoek ik

dat te verschoonen. Het woord moederhuisje, dat ook onnaauwkeurig is,

meende ik echter te moeten behouden. Koninginnehuisje wordt nooit

gezegd, en dit woord is niet zeer welluidend. Aan moederbijhuisje

zal wel niemand de voorkeur geven.

[14] In de familie der honigdragers, waartoe de honigbijen behooren,

draagt een geslacht den naam van hommels. Men moet deze niet verwarren

met de mannetjes der honigbijen, die ook hommels heeten en die in

Noord-Braband meerels en in Gelderland darren genoemd worden.

[15] Dit stroo moet oud en reeds gebruikt zijn, opdat de muizen er

niet in zoeken naar teruggebleven graankorrels, hetgeen de bijen

zou verontrusten.

[16] Men moet altijd bruine kandij nemen. De witte en de gele zijn

te hard en te moeijelijk oplosbaar.

[17] Frans Huber toonde aan dat ook jonger broed daartoe de

geschiktheid bezit. Dzierzon bewees dat het er voor dienen kan,

zoolang het nog onbedekt is, en geen ander voedsel dan de voederpap

heeft genoten; (de bijen voêren de maden der werkbijen en der hommels,

kort voor de sluiting der cel, ook met honig en bloemenstof). Leuckart

verklaarde het verschijnsel door te wijzen op den invloed, dien eene

ruimere en krachtigere voeding op de ontwikkeling der geslachtsdeelen

uitoefent; (zie Bienenzeitung, 1855, No. 17 en 18).

[18] Op bl. 120 is een kastje beschreven, waarin men een zwerm

drijven kan; hier vindt men hoe met een los plankje de zwerm uit de

woning genomen kan worden. Men kan naar verkiezing het een of het

ander gebruiken.

[19] Indien men geen nazwerm wenscht te krijgen, dan moet men den

bouw, na het afdrijven van den zwerm, uitnemen, en zoo er moederwiegen

aangelegd zijn, deze tot op ééne na verwijderen. Zijn zij nog niet

aanwezig, dan moet men na 10 dagen den bouw weder uitnemen, en dan

de intusschen aangezette hulpcellen tot op ééne na wegnemen.

[20] Wanneer de boekweitbloem bij eene betrokken lucht sterk honigt,

ziet men soms de bijen bij duizenden als verlamd nedervallen. De

koude is hiervan de oorzaak niet, want het gebeurt soms terwijl

de thermometer nog 65° F. aanwijst, en als de bijen andere bloemen

bevliegen, dan neemt men dit verschijnsel nooit waar. De nedergevallen

bijen kunnen zich niet opheffen. Zij verzamelen zich op den grond

tot hoopjes, en komen weder bij wanneer de zon, den zelfden of den

volgenden dag doorbreekt en haar verwarmt. Verloopt er meer tijd,

voordat zij door de zon beschenen worden, dan komen allen om. Door

haar te verzamelen en te verwarmen, kan men er velen behouden, doch

doordat zij zoo verspreid liggen is het moeijelijk haar te vinden. Niet

alle jaren vertoont zich het bovengenoemde verschijnsel. Ik heb het

tweemaal gezien.

[21] De tijd, die tot de gisting vereischt wordt, is afhankelijk van de

temperatuur en van de grootte van het vat. Men maakt de mede evenwel

zelden met groote hoeveelheden. De tijd, dien ik hier opgeef, geldt

voor een vat van bijna veertig kan (een anker) bij eene gemiddelde

warmte van 55° à 60° F.

[22] In enkele gevallen, en wel als de moederstok geene nazwermen

geeft, kan de jonge moederbij binnen drie weken bevrucht worden en

eijeren leggen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 109 / 109 题