HET ZWERMEN.

De woorden: "zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt u," worden bij de bijen

op tweeërlei wijze vervuld; vooreerst door het aankweeken van jonge

bijen, waardoor de stok volkrijk wordt, maar dat het aantal stokken

niet onmiddellijk doet toenemen; ten tweede door eene deeling van

het volk van een stok in twee deelen, waardoor dus een nieuwe stok

ontstaat: dit noemt men zwermen. De nieuw-geboren stok heet zwerm

en die, waarvan hij zich heeft afgescheiden, zijn moederstok. Men

moet hierom echter niet denken dat de zwerm geheel uit jonge bijen

bestaat; dit is geenszins het geval: er gaan zoowel oude als jonge

bijen mede, en vroeger (bl. 14) zagen wij reeds dat met den eersten

of voorzwerm altijd de oude moederbij, en bij het verder zwermen,

steeds de eerstuitgeloopen, jonge koningin medegaat.

In het algemeen ontstaan de zwermen, door dat de vruchtbaarheid der

moederbij in het voorjaar, met het herleven der natuur, weder wordt

opgewekt, waardoor het werkbijenbroed dagelijks vermeerdert, en des

te sterker, naarmate de natuur de bijen meer gelegenheid geeft, om

honig en bloemenstof te verzamelen. De wasbouw heeft met de meeste

inspanning plaats, en hoewel het aantal cellen dagelijks sterk

toeneemt, zijn zij weldra niet toereikend, om de groote hoeveelheid

broed en het ingezamelde te bevatten. Als een teeken van den grootsten

bloei van den stok, komt nu ook veel hommelbroed te voorschijn,

en ontdekt men zelfs moederwiegen. Heeft hij aldus zijn hoogste

standpunt bereikt, dan wordt de woning spoedig te klein en te warm

om al het volk te bevatten; daarbij zijn er jonge moederbijen op het

uitkomen, en, daar twee koninginnen niet in één stok blijven kunnen,

maakt de oude moederbij, die de ontwikkeling der jonge met leede

oogen heeft aangezien, zich gereed om met een gedeelte der bijen de

woning te verlaten. Zij weet toch dat zij den strijd tegen de jonge

mededingsters niet zou uithouden, en het dooden van deze, terwijl zij

nog in de cellen besloten zijn, wordt haar geheel onmogelijk gemaakt

door de werkbijen, die de moedercellen aanhoudend bewaken en tegen

elken vijandelijken aanval beschermen.

Eenige dagen voor dat de jonge koninginnen de cel verlaten, trekt

de oude, met den voorzwerm, die uit eenige duizenden werkbijen en

enkele hommels bestaat, uit de woning. Er zal dan, wanneer het weder

er gunstig voor is, gewoonlijk op den 8sten of 9den dag, weder een

zwerm den moederstok verlaten. Dit kan echter ook vroeger geschieden,

wanneer het afvliegen van den voorzwerm, door ongunstig weder was

verhinderd geworden; want de jonge moederbij, die nu de cel verlaten

heeft, bemerkt spoedig dat er nog geheel ontwikkelde koninginnen in

de cellen besloten zijn. Het is haar, even als de oude moederbij,

onmogelijk deze mededingsters in de cellen om te brengen. Ook zij

verlaat den stok liever dan zich aan een strijd op leven en dood

bloot te stellen; zij zoekt daarom een aanhang en verlaat met dezen

de woning, om eene nieuwe kolonie te vormen, waarin zij van de

alleenheerschappij verzekerd is.

Daar de moederwiegen niet allen op denzelfden dag zijn aangezet, kan

zich het afvliegen van een zwerm nog verscheidene malen herhalen. Zelfs

kan er, 18 à 20 dagen nadat de oude moederbij met den voorzwerm is

afgegaan, nog een nazwerm afkomen; want de bijen konden nog eene of

meer hulpcellen hebben aangezet, van eijeren, die de moederbij gelegd

had op den dag, waarop zij de woning verliet. Dit heeft echter slechts

zeer zelden plaats, en als regel kan men aannemen dat er, na den 14den

dag, geene nazwermen meer afkomen. Bij de meeste stokken, waarvan de

voorzwerm afvliegt, zal men geene eijeren en weinig ongedekt broed

vinden; want de oude moederbij tracht, eenige dagen voor het verlaten

der woning, haar eijerstok zooveel mogelijk buiten werking te stellen,

om bij het zwermen gemakkelijk te kunnen vliegen: haar met al te veel

eijeren bezwaard ligchaam zou haar anders hierin zeer hinderlijk zijn.

Veel nazwermen is zeer nadeelig voor den eigenaar, daar de moederstok

er te veel door ontvolkt wordt, in welken geen nieuw broed komt,

voordat de laatst achtergebleven koningin de alleenheerschappij

verkregen heeft en daarna bevrucht is. Er kunnen dikwijls zes tot

acht weken voorbij gaan, voordat er weder jonge bijen uitloopen, en

dan heeft de meeste inzameling van honig gewoonlijk opgehouden. Het

nazwermen te kunnen verminderen of, zoo mogelijk, voorkomen is voor

den bijenhouder van het grootste belang; want heeft de moederstok

vele zwermen afgegeven, dan kunnen deze even moeijelijk als hij zelf,

ja bijna nooit, een genoegzamen wintervoorraad opleggen, maar moeten

òf omkomen, òf gevoerd worden en in dit geval zijn het meest altijd

nog zeer zwakke stokken, waarvan men niets dan verdriet heeft.

De voornaamste oorzaken van het zwermen zijn:

1o. Eene gezonde en zeer vruchtbare koningin, die minstens een jaar

oud is; stokken met jonge moederbijen zwermen in hetzelfde jaar bij

ons nooit.

2o. Overvloed van volk. Zoolang het voor de bijen toegankelijk gedeelte

der woning niet is volgebouwd, geene gesloten moederwiegen gevonden

worden en niet reeds enkele hommels vliegen, kan men geen zwerm

verwachten. Er zijn evenwel uitzonderingen op dezen regel; want soms

ziet men op het onverwachts een zwerm vliegen uit eene woning, die nog

ver van volbouwd is, en waarin dus evenmin gebrek aan ruimte bestaan

kan, als dat de warmte er zoo buitengewoon groot in kan geworden zijn,

dat zij voor haar ondragelijk is. Deze ontijdig afkomende zwermen

zijn meestal zoogenaamde zingende voorzwermen, die later afzonderlijk

zullen worden behandeld; bij de behandeling der voorzwermen zullen

wij ook nog andere onvoorbereide zwermen leeren kennen.

3o. Overvloed van honig op het veld en in den stok. Deze doet de

vruchtbaarheid der moederbij toenemen, waardoor het volk vermeerderd

en den wasbouw bevorderd wordt. Vandaar dat ook het ruim voêren in

het voorjaar het zwermen bespoedigt. Bij een ongunstig voorjaar en

in streken, waar weinig dragt is, komen in den regel weinig vroege

zwermen. Is het voorjaar gunstig en de dragt ruim, dan wordt de

zwermdrift vroeg opgewekt en dien ten gevolge worden moederwiegen en

hommelcellen aangelegd, welke de moeder bij met eijeren bezet. Valt

er nu echter plotseling ongunstig weder in, dan houdt alle inzameling

op, en de koude vertraagt den wasbouw. Duurt deze toestand eenige

dagen, zoodat de bijen bespeuren dat het zwermen haar onmogelijk is,

dan vernietigen zij de moederwiegen en het hommelbroed, en geven de

zwermdrift geheel op; doch zij laten het broed ongeschonden, wanneer

het ongunstige weder spoedig door warme dagen wordt opgevolgd. Door

de daarna afvliegende zwermen worden de stokken, welker voorraad de

bijen gedurende het oponthoud in de inzameling, voor zich zelven en

het broed, reeds beduidend moesten aanspreken, van hun meeste volk

en een groot gedeelte van hun voorraad beroofd, zoodat de moederstok

met veel broed, doch arm aan volk en voorraad, overblijft, terwijl de

weide, door het voorbijgaan van den besten bloeitijd, veel is verkort

geworden. De zwermen zijn, zoowel als de moederstok, slecht, en valt

er geen bijzonder gunstige tijd in, dan blijven allen arm aan volk

en zonder genoegzamen wintervoorraad.

Het is dus van veel belang, wanneer men onder de genoemde

omstandigheden het zwermen in zijne magt heeft. Bij woningen met

lossen bouw is dit het geval: is b. v. de voorzwerm met de oude

moederbij afgegaan en acht men dit ongunstig, dan neemt men den bouw

uit den moederstok, vernietigt de moederwiegen op ééne na en laat den

zwerm, na hem de moederbij ontnomen te hebben, weder op den moederstok

vliegen. De stok verkrijgt nu eene jonge koningin en zal het zwermen

met zekerheid nalaten, en daar er nog eenige dagen moeten verloopen,

voordat er weder broed wordt aangezet, kunnen de bijen al den in

dezen tijd ingezamelden honig voor den winter opleggen. Door deze

handelwijze zal men den stok niet alleen voor ondergang behoeden,

maar hij zal soms nog een goede honigstok worden, die meer dan zijn

wintervoorraad heeft opgezameld.

4o. Een jonge of ten minste nog in goeden toestand verkeerende wasbouw,

die niet overmatig groot is. Zwermen, van het voorgaande jaar, zwermen

in den regel het liefst; misschien alleen wegens den jongen bouw.

5o. Eene vrij groote warmte in de woning. Stokken die beschaduwd en

koel, b. v. op het noorden staan, zwermen niet spoedig en soms in

het geheel niet. Gewoonlijk worden zij echter goede honigstokken.

6o. Eene niet te groot zijnde woning; want in overmatig groote

woningen heerscht niet zoo spoedig de gevorderde warmte; daarbij

moeten de bijen zich te lang bezig houden met het volbouwen van de

ledige ruimte, en de volksvermeerdering wordt er zelden te groot in.

7o. Gunstig weder in den zwermtijd; want al is de zwermdrift zoo hoog

geklommen, dat de zwerm elk oogenblik zou kunnen afvliegen, dan komt

er toch soms niets van, wanneer eenige regendagen elkander opvolgen,

zoodat het gewone uitvliegen, en dus ook het zwermen, geheel belet

wordt. Zelfs benemen zij dan zich zelven de gelegenheid om te zwermen,

door het koninklijke broed en het hommelbroed uit te trekken en uit

de woning te werpen.

Daar het weder en de aard der weide zooveel invloed op het zwermen

uitoefenen, zoo is het duidelijk dat niet elken zomer, in iedere

landstreek, alle stokken even sterk zullen zwermen. Met zekerheid

kan dan een zwerm ook nooit verwacht worden, en men kan hen ook niet

altijd op de natuurlijke wijze verkrijgen.

Men onderscheidt de zwermen hoofdzakelijk in natuurlijke zwermen en

kunstzwermen. Natuurlijke zijn die, welke uit zich zelven ontstaan;

kunstzwermen noemt men daarentegen zulke, welker ontstaan door den

mensch wordt veroorzaakt. Deze zullen later beschouwd worden. De

natuurlijke zwermen worden verdeeld in: voorzwermen, nazwermen,

zingende voorzwermen, maagdezwermen, dubbelzwermen en noodzwermen. Wij

zullen thans overgaan tot de afzonderlijke beschrijving van elk dezer

soorten, om daarna het afvliegen en het aanleggen der zwermen in het

algemeen te behandelen, waarbij dan tevens zal worden opgegeven hoe

zij het best worden opgevangen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 60 / 109 题