Wij schrijven het jaar 1835.
Breed en stoffig, vervelend en eindeloos strekt zich de weg voor ons
uit. De wagensporen gaan er als diepe voren doorheen.
Niets verbreekt de eentonige stilte dan het gekras van een roofvogel
hoog in de lucht, het gehots van een ossenwagen heel in de verte en het
„Halloh” van een driftigen voerman.
Ginds buigt een laan in het transportpad [1]. Die laan gaan wij op.
’t Is een oprijlaan, met schaduwrijke olijfboomen beplant.
Die schaduw verkwikt ons, want het was heet op den zandigen weg. De
zon, al begon ze reeds te dalen, brandde ons op het hoofd.
Aan het einde der laan staat een woning, een boerenhuis. Het schijnt,
dat de bewoner de menschelijke samenleving is ontvlucht; zóó eenzaam
staat het huis.
Het is opgetrokken uit gebakken steen, breed en lang; laag aan den
grond; slechts één verdieping hoog.
Het is wit gepleisterd, en de kleine ruiten kijken half schuchter, half
nieuwsgierig tusschen het groen gebladerte door van den wijnstok, die
zijn sappige ranken opschiet tot boven het dak.
Aan de linkerzijde van het huis is een diepte, een zoogenaamde „dam”,
waarin het regenwater wordt opgevangen. Met dat water wordt het vee
gedrenkt. Er staat thans weinig water in, want de vijver droogt op in
de heete zonnestralen, en het heeft in geen maanden geregend.
Rechts ziet ge een schuur. Men noemt het hier een „wagenhuis”. Het
dient als bergplaats voor de wagens en landbouwgereedschappen.
In dit wagenhuis staan drie ossenwagens; een bewijs, dat de boer, die
hier woont, rijk is. Arme boeren bezitten maar één ossenwagen. Er zijn
zelfs boeren, die geen ossenwagen hebben; die leenen er een, als het
noodig is.
Voorts ziet ge rechts een groote, cirkelvormige ruimte, door een muur
van met zorg opgestapelde klipsteenen ingesloten.
Die klipsteenen worden uit den grond uitgegraven.
Deze cirkelvormige ruimte wordt „kraal” genoemd, en dient tot stal en
wijkplaats voor de ossen en ander vee, ’s nachts, als de wilde dieren
op roof uitgaan.
Thans is de ruimte ledig. Een gedeelte der kudde kunt ge ginds aan den
horizon zien grazen: langs de heuvelen. Ge ziet er menschen bij; dat
zijn de herders. Maar deze herders zijn geen zonen van Jafet; daarvoor
is hun kleur te bruin. Ge zoudt het zelf kunnen opmerken, als de
afstand niet te groot was.
Achter het huis strekt zich de groote boomgaard uit. In keurige orde
zijn de boomen geplant; ge zoudt denken, in een Geldersche
kersenboomgaard te zijn. Abrikozen wisselen met perziken, appels met
peeren, moerbeziën met sinaasappelen, en daartusschen ruischt het
gebladerte van den vijgenboom.
Terwijl de velden verschroeid zijn door de zomerhitte, schiet hier het
gras welig uit, en wel zestig rijpaarden loopen hier te grazen.
Ik haast mij, u met de bezitters dier paarden in kennis te stellen.
Ziet ge die drie machtige, honderd voet hooge gomboomen aan het eind
van den boomgaard?
In de schaduw van die gomboomen daar zitten zij, die mannen, en zonder
dat ik het u behoef te zeggen, voelt ge als bij ingeving: Hier ben ik
onder stamgenooten, onder broeders!
Ge ziet het aan hun gelaat; ge hoort het aan hun taal; ge merkt het aan
hunne manieren.
’t Is verwonderlijk: hier, aan de andere zijde van den evenaar, midden
in de eindelooze velden van Zuid-Afrika, een vergadering van
Hollandsche Boeren!
’t Is verwonderlijk, en toch is er geen twijfel aan. Zie maar hoe
bedaard zij uit hun pijpen zitten te rooken, en vóór hen staat de
dampende koffie.
Zij drinken altijd koffie, die Hollandsche Boeren, altijd!
’s Morgens drinken zij haar tegen de kou, en ’s middags tegen de hitte.
Zij drinken altijd koffie; zij zullen zich de maag nog bederven aan de
koffie.
Ik vraag uwe aandacht voor deze vergadering. Daar ligt een trek van
gulheid, van vastberadenheid, van voorzichtigheid en taaiheid op die
aangezichten. Het is de taaiheid van den echten, onvervalschten boer
der Hollandsche polders, die taai is als de klei, die hij bewerkt.
Deze vergadering is geboren uit den nood der tijden.
De boeren, hier saamgekomen, wonen in het oostelijk deel der Engelsche
Kaapkolonie, en zij moeten elken dag in het geweer tegen de wilde
Kafferstammen op de grenzen.
Voor Engeland moeten zij het spit afbijten, maar zonder vergoeding. Hun
woningen worden door stroopende Kafferbenden verbrand; hun kudden
gestolen; hun korenvelden verwoest; hun leven bedreigd.
De Engelsche overheid verleent hun geen bescherming. Zij zijn aan zich
zelven overgelaten, en toch weer zoodanig door Engelsche reglementen en
verordeningen aan handen en voeten gebonden, dat er van geen tuchtiging
der Kaffers kan sprake zijn.
Nu zijn zij bij elkander gekomen, hier, bij Gert Kloppers, een
zestigtal Boeren, om een voorloopige beraadslaging te houden van
hetgeen er te doen is.
Daar zit hij, de gastheer, aan het boveneind eener lange rij uit ruw
hout getimmerde tafels. Hij is een breed geschouderd, krachtig gebouwd
man van ongeveer 45 jaar, met een helderen opslag van het blauwe oog.
Hij is groot in den raad der vergadering, en zijn woord heeft gezag.
Hij is een Hollander van den ouden stempel: voorzichtig, bedachtzaam,
ietwat stroef, maar onverzettelijk, als de beslissing is gevallen. Hij
heeft een langen stamboom, die tot in de provincie Utrecht reikt, tot
aan de vriendelijke boorden der kleine Vecht.
Van de Vecht naar Kaapstad was een lange weg, en van de Kaapstad tot in
dit district was ook een heel eind: ja, de Kloppersen zijn altijd echte
voortrekkers geweest.
Tegenover Kloppers zit Teunis Smit. Hij is even zwaar gebouwd als
eerstgenoemde, en een der geduchtste leeuwenjagers van de Kaapkolonie.
Als jager is hij grooter dan al de andere Boeren. Al de Boeren zijn
scherpschutters, doch hij is de koning der scherpschutters.
Weken en maanden lang heeft hij ver in ’t noorden van de Vaalrivier
gezworven, waar geen blanke kwam, om op de olifanten te jagen. Het is
gebeurd, dat hij met den tweeden kogel den eerste dieper moest
indrijven in het vleesch van den reus, daar de kogel niet zwaar genoeg
was.
Op meer dan tweehonderd meter weet hij, bij het stellen van het vizier
van zijn geweer, den afstand op weinig centimeter na te bepalen, en
vijf en twintig leeuwenhuiden hangen als zooveel tropheën in zijn huis.
Maar hij praat er weinig over, want niets is hem hinderlijker dan bluf:
een karaktertrek, die allen Boeren eigen is.
De man met dien grijzen baard, rechts van Teunis Smit, is een Croesus
onder de Boeren. In de kafferoorlogen zijn hem honderden stuks vee
geroofd, maar hij kan er tegen, want hij is rijk aan vee; acht duizend
fijne merinosschapen zijn de zijne. Hij pocht niet op zijn rijkdom;
trouwens het geeft hem geen schreefje voor bij de andere Boeren.
De zoon van den armsten Boer kan om de dochter van dezen Croesus gaan,
en er zeker van zijn, dat het geld geen struikelblok zal wezen. Hij
zelf is er van overtuigd, dat de zoon van den armsten Afrikaanschen
Boer te veel gevoel van eigenwaarde heeft, om zich voor geld te
verkoopen.
Hij geniet overigens de algemeene achting, is een steun voor arme
weezen, en de tranen der weduwen heeft hij gedroogd.
Maar aan wien behoort dat opgewekt gelaat, ginds bij den middelsten
gomboom?
Dat is Frans Viljoen. Het moet eigenlijk zijn Villons: een Fransche
naam. Maar de naam heeft zoo goed als zijn eigenaar een Hollandschen
stempel gekregen.
De Villons waren oorspronkelijk Hugenoten, die, om des geloofs wil uit
Frankrijk verdreven, door de welwillendheid van het Hollandsche
gouvernement een toevluchtsoord en een nieuw vaderland vonden in de
Kaapkolonie.
Reeds sedert honderdvijftig jaar wonen de Villons in de Kaapkolonie, en
deze Fransche tak is ingeënt op den Hollandschen stam.
Bij Frans Viljoen werkt echter het snelbruisende bloed zijner
voorvaderen nog na, wier wieg heeft gestaan in de liefelijke vlakte der
Rhone.
Vroolijk, opgewekt, niet al te zwaar tillend, past hij tusschen zijn
buren rechts en links als een vriendelijke linde tusschen knoestige
eiken.
En wie is dat daar, links in het midden der rij tafels? Dat is Hendrik
de Jong, een man met een dapperen arm en een godvreezend hart.
Hij is ouderling der gemeente, en zijn naam is met eere bekend.
Daar straks heeft hij de vergadering met gebed geopend. ’t Is een
gewoonte der Boeren, elke gewichtige vergadering met gebed te openen.
Zij denken, dat men een zaak slecht begint, als men ze zonder God
begint. ’t Is een ouderwetsche idee, maar ik denk, ze is nog zoo kwaad
niet.
Ik zou echter de waarheid te kort doen, indien ik beweerde, dat de
besprekingen, die in den loop dezer vergadering worden gehouden, steeds
door denzelfden geest zijn gekenmerkt, waarin de vergadering is
geopend.
De Boeren zijn geen heiligen: het zijn menschen van gelijke bewegingen
als wij. En als straks ouderling de Jong de dankzegging doet, dan is
het waarlijk geen ijdele phrase, wanneer hij smeekt: „Vergeef ons het
zondige, dat ons ook in deze ure heeft aangekleefd!”
Ik zeg nog eens: deze vergadering is geboren uit den nood der tijden.
Er moet een plan worden gemaakt, een besluit worden genomen, om uit
dien onhoudbaren toestand te geraken.
Zóó kan het niet langer.
Er moet iets gedaan worden—maar wat?
Engeland zegt: „Terug met uw gezinnen en vee naar de Tafelbaai, als gij
’t in ’t oosten niet kunt kroppen.”
Maar daarover zijn ze ’t allen eens: dat nooit!
Liever aan den bedelstaf, dan nog dichter onder de Engelsche vlag! Ze
willen er onder uit: hoe eerder hoe beter!
Naar de Kaap terug: neen, dat willen ze niet—dat doen ze nooit! Wat ze
niet willen, daarover zijn ze ’t dus eens, maar wat ze wel willen,
daarover zijn ze ’t niet eens.
„Wij moeten trekken, zoo gauw mogelijk!” zeggen de meesten.
„Neen!” zeggen anderen: „niet trekken—eerst vechten! Wij willen
trachten, het Engelsche juk te verbreken, en gelukt dat niet, dan
schudden wij het stof van onze voeten en trekken!”
„Vechten tegen het geordende gezag?” roept een stem van den anderen
kant, „dat heet bij mij muiterij!”
„Muiterij? Dat is geen muiterij!” antwoordt driftig een derde; „het is
een gerechtvaardigde opstand. Wij willen niet als lafaards op de vlucht
slaan, zonder een schot te hebben gelost.”
„Wie praat hier van lafaards?” roept een kerel als een boom van den
overkant, terwijl zijn vuist dreunend op de tafel valt. „Zijn dat
lafaards, die onder de bloeddorstige Kaffers durven trekken, naar een
land, dat krioelt van slangen en ongedierte?” [2]
Over en weer vliegen scherpe woorden; ieder brengt zijn opinie te
berde, en blijft er op staan met de onbuigzaamheid van een Fries.
De gemoederen worden warm; er klinken toornige stemmen tusschen door.
Als het zoo moet gaan, zal men nooit tot een gemeenschappelijke
beslissing komen.
Niets is dringender noodzakelijk dan eendracht, en hoe ver is ze op dit
oogenblik te zoeken!
Zie, daar staat een grijsaard op. Wij hadden hem nog niet opgemerkt.
Hij zat naast Gert Kloppers: ’t is zijn vader, de oude Dirk.
Bij de meeste vergaderingen is hij tegenwoordig, maar zijn stem wordt
weinig meer gehoord. Hij zit gewoonlijk stil voor zich heen te staren:
een oud, afgeleefd man, die geen aandacht trekt.
Hij is opgestaan; de linkerhand leunt op Gert’s schouder. De rechter
hand mist hij; van den rechter arm heeft hij niets meer over dan een
stomp.
Gert werd eens door een Kafferhoofdman overrompeld, die hem met een
bijlhouw het hoofd wou klieven. Zijn vader, die er bij stond, had geen
ander schild, om het hoofd van Gert te beschermen, dan zijn rechter
arm. De Kaffer sloeg den arm af, maar de kracht van den bijlhouw was
gebroken. Met zijn rechterarm kocht dus Dirk Kloppers het leven van
zijn zoon Gert.
Dit is reeds vele, vele jaren geleden, maar Gert weet het nog wel. Aan
de linker hand, die hij ziet, denkt hij niet, maar de rechter hand, die
hij niet ziet, daar denkt hij altoos aan.
Aller oogen zijn thans op den ouden Dirk Kloppers gericht, maar hij
ziet niemand, want hij is blind van ouderdom. Hij wacht eenige
oogenblikken.
Het rumoer is plotseling bedaard, want voor de grijze haren heeft
iedere Afrikaansche Boer diepen eerbied.
„Kinderen!” zegt hij; „luistert naar een oud man, over wiens hoofd drie
en negentig zomers zijn heengegaan.
„Mijn hart is vervuld met smart, want er heerscht geen eendracht onder
mijn volk. En een huis, dat tegen zich zelve verdeeld is, kan niet
bestaan.
„Vijftig jaar geleden woonde ik honderd mijlen dichter aan de Kaap, en
ik bracht mijn producten naar Kaapstad aan de markt. Daar vernam ik
dan, hoe de tweedracht in het moederland toenam, en opwies als een
giftig en het goede zaad verstikkend onkruid.
„Dat onkruid wies bij den dag en vergiftigde Holland. Het geliefde
Oranjehuis werd weggejaagd, en de vijand werd binnengehaald. Zóó werd
Holland vermoord.
„Neen, niet Napoleon, de man des bloeds, vermoordde Holland; Holland
werd door zijn eigen kinderen vermoord. De godsvrucht en de eendracht,
die in de godsvrucht wortelt, werden van de erve der vaderen
weggebannen, en het volk ging onder.
„Met mijn eigen oogen heb ik het gezien,” riep de oude man klagend uit,
„dat de geliefde Statenvlag werd neergehaald aan de Tafelbaai.”
„Gij wilt vechten?” ging hij voort; „dwaze kinderen, gij weet niet, wat
ge wilt.
„Twintig jaar geleden wilden sommigen onzer ook vechten, om onder het
Engelsche bestuur uit te komen, en aan de galg van Slachtersnek blies
de opstand den laatsten adem uit.
„Er zat geen veerkracht in dien opstand, en waarom niet?
„Er lag op den bodem onzer ziel een bange twijfel, of die opstand wel
recht was in de oogen van God, Die heilig is. En hoe zal men dapper
strijden met twijfel in de ziel? Die twijfelt, is aan een baar der zee
gelijk, die van den wind her- en derwaarts wordt geslingerd.
„Wanneer in het diepst uwer conscientie de vaste overtuiging leeft: Wij
hebben in den strijd God en het recht aan onze zijde, dan kunt gij
vechten als dappere mannen. En al zoudt gij ondergaan in den strijd,
God zal uit uw lenden de helden verwekken, die over uw graven heen den
strijd tegen Amelek zullen voortzetten tot de victorie. Gij wilt thans
vechten—gij moogt niet vechten, want ik twijfel, of gij het recht aan
uwe zijde hebt. Gij wordt door Engeland vertrapt; dat is waar. Toch
moogt gij niet opstaan tegen het gezag, dat onder des Heeren bestiering
over u is gekomen.
„Lieve vrienden! Ik, een oud man, bid u: weest eendrachtig!
„Ik heb nog nooit gezien, dat een volk door tweedracht sterk werd.
„Zie, uw kogel haalt den roofvogel, die op de lammeren uwer kudde
loert, uit de wolken, en op het monster der tweedracht, die het op uw
volksleven heeft gemunt, zult gij geen jacht maken?
„De toestand is onhoudbaar; vechten moogt gij niet; wat schiet er dan
anders over dan trekken?
„Op dan met God! Als van ouds de baanbrekers van christendom en
beschaving! De moedige, de dappere, de onvervaarde Voortrekkers!”
De zon ging onder. Haar laatste stralen vielen op het eerbiedwaardig
gelaat van den grijsaard. Er scheen een vonk van geestdrift te gloren
in die uitgebluschte oogen: als een patriarch uit den ouden tijd—zoo
stond hij daar!
Er heerschte een langdurig zwijgen. Niets werd gehoord dan het geruisch
van het zomerwindje in de toppen der gomboomen. De schaduwen werden
breeder; het begon donker te worden.
Toen stond een der aanwezigen op; zijn gelaat was niet te herkennen,
zoo donker was het reeds geworden.
„Ik ben de sterkste voorstander van den opstand geweest,” riep hij,
„maar ik ben veranderd. Vader Kloppers heeft gelijk. Ik heb twaalf
zonen thuis, en ik zal hun den weg wijzen, hoe zij vrije mannen kunnen
worden—vrij van de Engelsche tyrannie! Ik en mijn huisgezin—wij
trekken!”
Als door een electrischen schok getroffen, rezen al de Boeren overeind,
en—als een juichkreet!—barstte van aller lippen de kreet: „Wij en onze
huisgezinnen—wij trekken!”
Het was een plechtig, indrukwekkend oogenblik. Hendrik de Jong trad
naar voren, en sprak met bewogen stem: „Broeders, geliefde Broeders!
God heeft mijn gebed verhoord; de band der eendracht is bevestigd.
Straks gaat gij naar uwe woningen en zult het aan uwe geburen
vertellen, dat wij ééns zijn om te trekken. Ook in de andere wijken
onzer Kolonie zullen soortgelijke vergaderingen worden gehouden, en de
éénstemmigheid onzer vergadering zal, naar ik hoop en geloof, een
richtsnoer zijn voor de broeders, die nog moeten besluiten.
„Ik zeg niet, dat allen zullen besluiten om te trekken, maar ik spreek
mijn vertrouwen uit, dat allen het daarin ééns zullen zijn: geen
revolutie!
„Zij behoeven ook niet allen te trekken. De bijenstok gaat zwermen,
doch niet alle bijen verlaten den ouden stok. Het is goed, dat er een
Hollandsche kern in de kolonie achterblijve, die over onzen godsdienst,
onze taal en onze zeden de wacht houde.
„Maar wij zullen optrekken in de mogendheden des Almachtigen, en de
Heere zal onze banier zijn! Wij zullen trekken—wij zullen trekken met
duizenden!
„Met Gods hulp zullen wij een nieuwen staat scheppen, en de Driekleur,
[3] die aan de Tafelbaai werd neergehaald, wij zullen ze laten wapperen
boven de toppen van het Drakengebergte! Dat geve God!
„Broeders, vóór wij danken en scheiden, willen wij een psalmlied
zingen, en wat zullen wij passender zingen dan dit lied:
„Ai ziet! Hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen
Van ’t zelfde huis als broeders samenwonen,
Waar ’t liefdevuur niet wordt verdoofd!
’t Is als de zalf op ’s Hoogepriesters hoofd,
De zalf, waarmee hij is aan God gewijd,
Die door haar reuk het hart verblijdt!”
Uit volle borst werd het lied gezongen. Het rees op: bemoedigend,
sterkend, troostend. Het rees boven de donkere kronen der gomboomen;
het rees op naar de sterren. Het zette zich uit: het klonk over velden
en beemden, en de echo der Afrikaansche bergen antwoordde:
„Ai ziet! Hoe goed, hoe lieflijk is ’t, dat zonen
Van ’t zelfde huis als broeders samenwonen!”
Ik herhaal het: de toestand was voor velen onhoudbaar.
In vroegere tijden had de Boer nog al redelijk kunnen opschieten met
den Kaffer. Hij kende diens manieren, en de Kaffer had respect voor den
Boer. Doch toen de Engelschman heer en gebieder was geworden in de
Kaapkolonie, mengde hij zich in de verhouding tusschen Boer en Kaffer,
en bedierf die verhouding in den grond.
In 1811 plantte Engeland aan de Vischrivier zijn bakens tusschen de
Kolonie en het Kaffergebied. De Vischrivier zou voortaan de grens zijn.
Al de Kaffers aan den Engelschen kant der rivier moesten verhuizen;
zelfs de Kaffers, bij de Boeren in dienst, mochten niet blijven. 20000
Kaffers werden over de Vischrivier gejaagd door een staatkunde even
wreed als dwaas, doch de Boeren konden het gelag betalen. Zij
hadden—als onderdanen der Britsche kroon—mee moeten helpen, om dezen
noodlottigen maatregel uit te voeren, en de verbittering der Kaffers
was grenzenloos.
Bloedige, verschrikkelijke oorlogen waren het gevolg, en de Boeren
langs de oostelijke grenzen hadden het hard te verantwoorden. De
Boeren-districten waren in een voortdurenden staat van beleg. Achttien
maanden achtereen soms stonden de Boerencommando’s op de eenzame
wachtposten langs de grenzen.
Van 1830–1834 waren door de Kaffers ongeveer vijfhonderd woningen
verbrand, driehonderd plaatsen verwoest, zestig ossenwagens meegenomen
en driehonderdduizend stuks vee geroofd, een schade veroorzakend van
minstens tien millioen gulden naar onze tegenwoordige geldswaarde.
De Boeren klaagden bitter, en de Engelsche regeering besloot eindelijk,
om de verregaande brutaliteit der Kaffers te fnuiken. De Boeren werden
dus opgeroepen, om in vereeniging met de Engelsche troepen naar het
Kafferland op te rukken, en den vijand te tuchtigen. ’t Is waar, de
Boeren moesten voor hun eigen uitrusting zorgen; zij werden
opgekommandeerd met geweren, paard, zadel en toom, maar ze deden het
gewillig, want zij leefden in het stellig vertrouwen, dat zij hun
gestolen vee terug zouden krijgen.
De Boeren leden veel in dezen veldtocht. Zij hadden wagens noch tenten,
waren blootgesteld aan weer en wind en leden honger en dorst. Elken
avond werd er een groote cirkelvormige ruimte door een heining van
doorntakken afgepaald, en binnen deze ruimte, achter eenige grasoppers,
moesten zij met hun paarden de dikwijls gure, koude nachten
doorbrengen. Kaarsen mochten niet worden aangestoken, en het vuur moest
des nachts worden gedoofd, omdat het schijnsel het kamp aan den vijand
zou kunnen verraden.
Natuurlijk, de Engelsche troepen hadden het vrij wat beter. Hun lager,
dat gewoonlijk op vijfhonderd pas afstands van dat der Boeren werd
gemaakt, bestond uit sterke, zware veldtenten, die tegen den wind
beschutten, en geen regen doorlieten.
De hoofdtaak der Boeren bestond in het verwoesten der korenvelden in
het vijandelijk land. Vroeg in den morgen werd van uit het Engelsche
kamp door hoorngeschal aan de Boeren het bevel gegeven om op te
zadelen, en hun werk te beginnen. Of de Boeren reeds ontbeten hadden,
werd niet gevraagd—de order moest onmiddellijk en stipt worden
uitgevoerd.
Den teugel van het paard om den linker arm geslagen, het geladen geweer
over den schouder, trokken de Boeren dan, gewapend met een korten,
zwaren stok, waarmede zij het rijpende koren tegen den grond sloegen,
van den vroegen morgen tot laat in den avond over de bebouwde
Kafferakkers.
’t Was een gevaarlijk werk. Achter de rotsen en in de bosschen
verscholen, zagen de Kaffers met woede het vernielen aan van een veel
beloovenden oogst, en meer dan één Boer stortte met de doodelijke
assegaai [4] in de borst of de zijde op de korenhalmen neer, die hij
pas had neergeslagen.
De Engelschen waren lijdelijke toeschouwers; zij vonden dezen arbeid al
te gevaarlijk. En om volkomen veilig te zijn, bouwden zij een sterk
fort, waar geen Kafferspeer kon komen.
De veldtocht duurde zes maanden; toen was het doel bereikt, en de
Kaffers hadden de sterke vuist der Boeren gevoeld. Nu mochten de Boeren
huiswaarts keeren, maar ze waren verplicht om voor de Engelsche
regeering een goed rijpaard achter te laten, waarvoor hun zestig gulden
zou worden vergoed, een vergoeding, die tot op dezen dag—en het is meer
dan zestig jaar geleden!—nog niet is uitbetaald.
Zoo gingen de Boeren dan naar huis, door al de doorgestane ellende
vermagerd en afgebeuld, de schoenen doorgeloopen, de kleeren versleten!
Maar het doel was bereikt, de overwinning behaald, de Kaffers
getuchtigd, en het vroeger door de Kaffers van de Boeren gestolen vee
zou thans weer aan de rechtmatige eigenaren komen. Dat meenden ten
minste de Boeren, en het verzoende hen met het doorgestane leed.
Maar hoe bitter was de teleurstelling, toen men vernam, dat de beesten
op last van de regeering zouden worden verkocht, om er de oorlogskosten
mee te dekken, en als er dan nog iets overschoot—welnu, dat konden de
Boeren deelen!
Een nieuwe wreede teleurstelling wachtte hen bij hun thuiskomst. Immers
de regeering had tijdens hun afwezigheid de slaven vrijverklaard, en
hoezeer de opheffing der slavernij op zichzelve een lof- en
prijzenswaardige daad was, die ook door de Boeren werd gewenscht en
begeerd, had het gouvernement toch wel een beter tijdstip daarvoor
kunnen uitkiezen dan den oogsttijd, toen de werkkrachten zoo noodig
waren. De menschlievende maar onoordeelkundig uitgevoerde maatregel
bracht het boerenbedrijf in de schromelijkste wanorde, en de oogst
bleef grootendeels op het land, om daar te verrotten.
De geldelijke schade zou den Boeren worden vergoed, doch zij hebben
slechts zeven en een half percent ontvangen van hetgeen hun rechtens
toekwam.
Zoo was de laatste druppel gevallen in den boordenvollen beker; thans
liep hij over.
’t Is waar, bij de op nieuw dreigende Kafferinvallen had de regeering
aan de Boeren den raad gegeven, om van de grenslanden terug te trekken
naar de Tafelbaai, maar met dien raad te geven had de regeering
getoond, de Boeren niet te kennen.
Terugtrekken? Dat nooit; dat hadden de Boeren nooit geleerd.
Zij waren steeds vooruit getrokken; nooit terug. Zij waren aan de
oevers der rivier „Zonder End” gekomen, en waren er overgetrokken. Zij
waren voor de Olifantsrivier gekomen en er door gegaan. Zij waren
voortgetrokken: door valleien en over heuvelen; door vruchtbare beemden
en verschroeide velden.
Zij waren voortgetrokken tot dat zij stootten tegen de rotsen van de
Sneeuwbergen. Maar ook deze rotsen konden hen niet tegenhouden.
Stampend, krakend, knarsend ging er de ossenwagen over heen.
En als gij; nu op één der heuvelen gaat staan in de nabijheid van
Klopper’s hoeve, dan kunt ge, met een verrekijker gewapend, in het
oosten de golven zien kabbelen. Het zijn de golven van de Vischrivier.
Zoo’n ontzachelijk eind hadden de Boeren reeds afgelegd van af
Kaapstad.
Zouden zij nu terugtrekken? Een dwaas, die zulks kon denken!
Zij zouden voorttrekken. De oude vrijheidslust ontwaakte, en de
onvervaarde voortrekker kwam boven in den hard geplaagden Boer.
Overal werden vergaderingen belegd, en er heerschte een groote en
moedgevende eenstemmigheid.
Ouderling de Jong had het immers voorspeld: de trek zou geschieden met
duizenden!