DE DOLFIJN.

De eerste stroom welks wateren schuimden onder het rad eener stoomboot,

was de Clyde; het was in 1812.

Die boot heette de Komeet, en deed geregeld dienst tusschen Glasgow

en Greenok. Na dien tijd hebben millioenen stoomschepen de Schotsche

rivier op- en af gevaren, en de inwoners van Glasgow zijn sinds lang

aan de wonderen der stoomkracht gewoon.

Niettemin waren op den 3en December 1862 de modderige straten van

Glasgow bijna verstopt door eene ontzaglijke menigte menschen;

reeders, kooplieden, winkeliers, werklieden, matrozen, vrouwen en

kinderen drongen allen in ééne richting voort, naar Kelvindok, eene

groote scheepstimmerwerf van de heeren Tod en Mac-Gregor.

Kelvindok ligt eenige minuten buiten de stad, op den rechter oever

der Clyde; in een oogenblik was de gansche ruimte door nieuwsgierigen

opgevuld; niet het kleinste plekje aan de kade, geen enkele muur om

de werf heen, geen enkel pakhuisdak, dat nog een oningenomen plaatsje

aanbood; de rivier zelve was vol vaartuigen van verschillenden aard

en op den linker oever wemelden de heuvelen van toeschouwers.

Al die drukte gold nochtans geene bijzondere plechtigheid; er zou

eenvoudig een stoomschip van stapel loopen. Nu kon het wel niet anders

of het publiek van Glasgow moest aan zoo iets zeer gewoon zijn. Was

er dan iets bijzonders te zien aan dien Dolfijn, zoo als de heeren

Tod en Mac-Gregor hunne nieuwe stoomboot gedoopt hadden?--Volstrekt

niet. Het was een groot vaartuig van vijftien honderd ton van

geslagen plaatijzer, en dat alles in zich vereenigde om snel vooruit

te kunnen komen. Zijne machine was van hooge drukking en vijfhonderd

paardekracht. Zij bracht twee schroeven, aan weerszijden van den

achtersteven in beweging, die onafhankelijk van elkander werkten;

de toepassing van een geheel nieuw stelsel, dat eene groote snelheid

aan de vaartuigen geeft en hun vergunt zich in een zeer beperkten

kring te wenden en te keeren.

De Dolfijn kon niet veel diepgang hebben. De kenners zagen het

duidelijk en leidden er te recht uit af dat de boot bestemd was om in

ondiep water te varen. Doch al die bijzonderheden konden de ijverige

belangstelling van zulk eene menigte niet rechtvaardigen. Over

het geheel was de Dolfijn niets meer of niets minder dan andere

stoombooten. Zou dan het van stapel loopen met een of ander technisch

bezwaar te worstelen hebben?--Evenmin. De Clyde had reeds menig

vaartuig van grooter omvang in hare wateren opgenomen, en de Dolfijn

zou zonder eenige bijzonderheid te water gaan.

Inderdaad, bij het kenteren van het tij, op het oogenblik waarop de

ebbe merkbaar werd, begonnen de manoeuvres; de hamerslagen weerklonken

met een volmaakte harmonie op de wiggen, die bestemd waren om de kiel

van het vaartuig op te lichten. Weldra trilde het geheele vaartuig; men

zag het bewegen, hoe weinig het nog opgeheven was; het gleed, het gleed

sneller en, de zorgvuldig met vet besmeerde helling afglijdende, plofte

de Dolfijn in de Clyde, te midden van dikke wolken van opstuivend

water. Zijn achtersteven drukte den bodem der rivier, verhief zich

vervolgens op den rug eener reusachtige golf en de prachtige boot

zou in hare vaart tegen de kaden der scheepstimmerwerven verbrijzeld

zijn geworden, indien niet al hare ankers met een vreeselijk geraas

gelijktijdig uitgeworpen, haar in haren loop hadden gestremd.

Het afloopen was volkomen gelukt. De Dolfijn wiegde zich bedaard op

de wateren der Clyde. Al de toeschouwers klapten in de handen toen

hij zijn natuurlijk element veroverd had en ontelbare hoera's rezen

aan de beide oevers op.

Maar waarom al die toejuichingen?--Het zou den hartstochtelijksten

toejuicher zeer moeielijk zijn gevallen zijn enthousiasme te

verklaren. Van waar dan die zoo bijzondere belangstelling juist in

deze boot? Eenvoudig vanwege de geheimzinnigheid harer bestemming. Men

wist niet aan welke soort van handel zij zich wijden zou, en wanneer

men er de groepen van nieuwsgierigen naar gevraagd had, zou men zich

te recht verwonderd hebben over de verschillende meeningen omtrent

deze ernstige zaak.

Intusschen waren de best onderrichten, of zij die zich daarvoor

hielden, het met elkander eens dat deze stoomboot eene rol zou spelen

in den vreeselijken burgeroorlog, waardoor de Vereenigde Staten van

Amerika toen geteisterd werden. Doch meer wisten zij niet en niemand

had kunnen bepalen of de Dolfijn een kaper, een transportschip,

eene oorlogsboot der Geconfedereerden of voor de Noordelijken was.

»Hoera!" riep er een, die beweerde dat de Dolfijn voor rekening der

Zuidelijken gebouwd was.

»Hip, hip, hip!" riep een ander, die zwoer dat nooit vlugger vaartuig

op de Amerikaansche kusten had gekruist.

Het was dus het onbekende en, om met juistheid te weten waaraan men

zich houden moest, had men de compagnon, of althans een intieme vriend

van Vincent Playfair en Co. te Glasgow moeten zijn.

Een rijk, machtig en schrander huis was het, dat door Vincent

Playfair en Co. werd vertegenwoordigd. Eene oude en geachte familie,

afstammelingen van die Tabak-lords, die de fraaiste wijken der

stad bebouwd hadden. Die bekwame handelaars hadden, tengevolge

der Unie-akte, de eerste kantoren van Glasgow gesticht, door den

handel in tabak van Virginië en Maryland. Er werden onmetelijke

fortuinen gemaakt; er was een nieuw middelpunt voor den handel

geschapen. Welhaast werd Glasgow eene stad van industrie; fabrieken,

spinnerijen en smelterijen rezen overal als uit den grond op, en in

weinig jaren had de voorspoed der stad haar toppunt bereikt.

Het huis Playfair bleef den ondernemingsgeest zijner voorvaderen

getrouw. Het stortte zich in de stoutste ondernemingen en hield de

eer van den Engelschen handel op. Zijn tegenwoordige chef, Vincent

Playfair, een achtenswaardig man van vijftig jaren, was iemand van

een praktisch en positief karakter, een stoutmoedig, ondernemend man,

een echte reeder. Niets ging hem meer ter harte dan de handel. Daarbij

was hij onkreukbaar eerlijk en loyaal.

Hij was het intusschen niet die zich de eer kon toerekenen den Dolfijn

gebouwd en uitgerust te hebben. Die eer kwam toe aan James Playfair,

zijn neef, een knap mensch van dertig jaren en de stoutste schipper

der koopvaardijvloot van het Vereenigde Koninkrijk.

Op zekeren dag had James Playfair, nadat hij de Amerikaansche bladen

gelezen had, zijn oom een zeer gewaagd plan voorgesteld.

»Oom Vincent," zoo viel hij met de deur in het huis, »er zijn twee

millioen te winnen, in eene maand tijds!"

»En wat wordt er bij gewaagd?" vroeg oom Vincent.

»Een schip en eene lading."

»Anders niets?"

»Ja wel, de equipage en de kapitein; maar dat reken ik niet."

»Laat eens hooren," antwoordde oom Vincent.

»Het is zoo klaar als een klontje," hernam James Playfair. »U hebt

toch de Amerikaansche bladen gelezen?"

»Twintig keer, neef James."

»Denkt u, even als ik, dat de oorlog in de Vereenigde Staten nog lang

zal duren?"

»'k Ben er zeker van."

»U weet hoe die oorlog de belangen van Engeland, en van Glasgow in

het bijzonder, benadeelt?"

»En nog meer in het bijzonder die van het huis Playfair en Co.,"

antwoordde oom Vincent.

»Die inzonderheid," herhaalde de jonge kapitein.

»'k Tob er dag aan dag over, James, en 'k zie niet zonder schrik de

handelsrampen te gemoet, welke die oorlog na zich slepen zal. Niet dat

het huis Playfair niet solide is, neef, maar het heeft correspondenten

die failliet kunnen gaan. Die Amerikanen! 'k wensch ze allen naar

den duivel, de Noordelijken zoowel als de Zuidelijken."

Uit een commercieel oogpunt beschouwd, had Vincent Playfair gelijk

met dus te spreken. Het voornaamste handelsartikel van Amerika

ontbrak op de markt te Glasgow. De katoencrisis werd van dag tot dag

dreigender; duizenden werklieden moesten van de algemeene weldadigheid

leven. Glasgow bezit vijf en twintig duizend spinnewielen, die, voor

dat de oorlog in Amerika begon, zesmaal honderd vijf en twintig ellen

gesponnen katoen per dag, dat is vijftig millioen ponden 's jaars,

afleverden. Men oordeele uit die cijfers hoe groot de stoornis

moest zijn in de industrieele beweging der stad, nu de grondstof

tot den arbeid geheel begon te ontbreken. Ieder uur hadden er nieuwe

faillissementen plaats. De staking van het werk oefende overal haren

verderfelijken invloed uit; de werklieden stierven van honger.

Het schouwspel van die ontzaglijke ellende had James Playfair op het

denkbeeld gebracht van zijn stout waagstuk.

»'k Ga katoen halen," zeide hij, »en 'k breng het mede, 't moge kosten

wat het wil."

Daar hij nochtans in zijn hart evenzeer koopman was als zijn oom

Vincent, besloot hij het middel van ruilhandel te baat te nemen en

zijne onderneming onder den vorm eener handelszaak voor te stellen.

»Oom Vincent, dit is mijn idee."

»Laat hooren, James."

»'t Is dood eenvoudig. We zullen een snelvarend schip bouwen."

»Dat gaat."

»We zullen het laden met krijgsbehoeften, levensmiddelen en kleederen."

»Dat is te doen."

»Ik zal bevel voeren over dat vaartuig. 'k Zal al de schepen der

Noordelijke marine tarten om me in te halen. 'k Zal de blokkade van

een der Zuidelijke havens forceeren."

»En je lading duur verkoopen aan de Zuidelijken die er behoefte aan

hebben," vulde de oom aan.

»En 'k zal met een lading katoen terugkomen...."

»Dat ze je voor niets geven zullen."

»Zooals u zegt, oom Vincent. Vindt u 't goed?"

»'k Vind het goed. Maar zal je er door heen komen?"

»'k Zal er door heen komen als 'k een goed schip heb."

»We zullen er een voor je laten bouwen. Maar de bemanning?"

»O, die zal 'k wel vinden. 'k Heb niet veel volk noodig. Mannen genoeg

om te manoeuvreeren, dat is alles. 't Is me niet te doen om met de

Noordelijken te vechten, maar ze op een afstand te houden."

»We zullen ze op een afstand houden," antwoordde oom Vincent op

beslissenden toon. »Vertel me nu eens, James, naar welk punt van de

Amerikaansche kust denk je koers te zetten?"

»Tot nog toe hebben er reeds schepen de blokkaden van Orleans,

van Wilmington en van Savannah geforceerd. 'k Denk rechtstreeks

naar Charleston te gaan. Geen enkel Engelsch schip is nog tot die

vaarwaters doorgedrongen, behalve de Bermuda, die zal ik navolgen,

en als mijn schip weinig diepgang heeft, ga 'k waar de Noordelijken

mij niet kunnen volgen."

»Zooveel is zeker," hernam oom Vincent, »dat Charleston volgestopt

is met katoen; ze verbranden het om 't kwijt te zijn."

»Ja," antwoordde James. »Bovendien is de stad bijna

ingesloten. Beauregard heeft gebrek aan amunitie; hij zal me mijn

lading met goud betalen."

»Heel goed, neef! Wanneer wil je de reis beginnen?"

»Over een half jaar. 'k Heb lange nachten, winternachten noodig om

er gemakkelijker door heen te komen."

»Je zult ze hebben, neef."

»Afgesproken, oom?"

»Afgesproken."

»Op uw woord?"

»Op mijn woord."

Zoo was de stoomboot de Dolfijn vijf maanden later van de werf van

Kelvindok van stapel geloopen en daarom kende niemand hare eigenlijke

bestemming.

Avonturen van drie Russen en drie Engelschen, Gevolgd door 'De Blokkadebrekers' · 第 29 / 41 题