Het meerendeel der volgende schetsen ontstond in het bosch, waar de
dieren die ze behandelen vlak om mijn tent heen leefden. Zij zijn alle
natuurgetrouw en geven tevens een kijkje in sommige weinig bekende
levensgeheimen van een massa vogels en andere dieren--schuwe, wilde
wezens meestal, die zich verbergen voor het aangezicht der menschen
en hun nesten of holen in het hartje der wildernis maken.
De schrijver trachtte de oorzaken op te sporen van de dingen die
hij zag; de beteekenis te doorgronden van dat raadselachtige,
dat vogels en andere dieren in hun doen en laten hebben. Als deze
schetsen dus een geheel vormen, is dit daaraan te danken. Een
poging tenminste om dat raadselachtige op te lossen kan men in
de inleiding tot dit Dierenleven, het eerste hoofdstuk, vinden,
waar tevens inlichtingen over doel en onderwerp van dit boek
voorkomen. Evenals in mijn vorige uitgaven geef ik de dieren hier de
namen die ze van de Milicete-Indianen gekregen hebben, en ik doe dit
deels om de prettige herinneringen die ze bij mij opwekken, deels
om het persoonlijk karakter dat elk levend wezen er door krijgt,
maar toch voornamelijk omdat zoo'n naam de eigenaardigheid heeft,
door den klank, door een kleine aanduiding, ons het dier zelf voor
oogen te tooveren. Wie het kleine wezen dat onder het trapje van zijn
huisdeur woont, dat zijn kruimeltjes eet en op een fluitje afkomt,
maar gewoonweg pad noemt, hem zegt dat woord niets; maar als Simmo
[1] het heeft over K'dunk, den Dikkerd, dan weet ik tenminste iets
van de taal die dat merkwaardige schepseltje er op nahoudt en kan ik
mij zoo'n beetje voorstellen hoe het er uitziet.
Twee of drie dezer schetsen hebben al eens in verschillende
tijdschriften gestaan, maar de andere komen alle zoo uit mijn oude
opschrijfboekjes en uit de papieren waarin de herinneringen aan mijn
verblijf in de wildernis staan opgeteekend in dit nieuwe boek. De
bekwame teekenstift van mijn vriend Charles Copeland doet er de
dieren weer leven, tot ze van achter oude, mossige boomstronken
naar mij staan te gluren, of wegglippen in het lichte loover van hun
eenzame schuilhoeken; even nog blijven ze staan luisteren en kijken
onderzoekend naar mij om--net als ze in de wildernis deden.