DE JONGE KONING.

Het was de nacht vóór zijn kroningsdag, en de jonge koning zat alleen

in zijn mooie kamer. Zijne hovelingen waren allen heengegaan onder

hoffelijk nijgen van het hoofd tot aan den grond--naar het vormelijk

gebruik dier tijden--en hadden zich in de groote zaal van het

paleis begeven, om van den opperceremoniemeester nog eenige laatste

aanwijzingen te ontvangen; want er waren er onder hen die nog zeer

natuurlijke manieren hadden, en ik behoef wel niet te verzekeren,

dat zoo iets aan een hof steeds groote ergernis wekt.

De knaap--want hij was met zijne zestien jaren nog slechts een

knaap--was niet verdrietig dat zij heengingen, en had zich, met een

diepe zucht van verlichting, op de zachte kussens van zijn geborduurd

rustbed neergeworpen; daar lag hij met vlammende oogen en geopende

lippen, gelijk een bruine faun uit het woud, of als een jong dier

uit de wildernis, dat door jagers gevangen werd. En inderdaad was ook

hij door jagers gevangen geworden. Bijna door toeval hadden zij hem

ontdekt, toen hij blootsvoets, met een fluit in de hand, de kudde

van den armen geitenhoeder voortdreef, die hem had opgevoed en als

wiens zoon hij zich tot dusverre ook had beschouwd. Als het kind van

's ouden konings eenige dochter, geboren uit den heimelijken echt

met een, die aan rang verre beneden haar stond,--een vreemdeling was

hij geweest, zeiden sommigen, die door de wonderzoete bekoring van

zijn fluitspel de jonge prinses betooverd en tot liefde bewogen had,

terwijl anderen spraken van een kunstenaar uit Rimini, wien de Prinses

veel, wellicht te veel eer had aangedaan, en die plotseling uit de

stad verdwenen was, zonder zijn werk in de kathedraal voleindigd

te hebben--was hij, nauwelijks een week oud, uit de armen van zijn

sluimerende moeder geroofd, en aan een eenvoudigen boer en diens vrouw

toevertrouwd, die geen eigen kinderen hadden en in een afgelegen

deel van het woud woonden, meer dan een dagreize ver van de stad

verwijderd. Het verdriet, of de pest, gelijk de hofarts verzekerde,

of wel, zooals andere meenden, een snel werkend italiaansch gif,

in een beker gekruiden wijn gereikt, doodde reeds een uur na haar

ontwaken de bleeke jonge vrouw die hem gebaard had; en toen de trouwe

knecht, die het kind vóór zich op het zadel gedragen had, van zijn

vermoeid paard afsteeg en aan de deur van de herdershut klopte,

toen liet men juist het lijk der Prinses neerdalen in een graf,

dat men, ver buiten de poorten van de stad, op een verlaten kerkhof

voor haar gedolven had--een graf, waarin, zooals men zei, reeds een

andere doode lag, een jonge man van wondere en vreemde schoonheid,

wiens handen met vastgestrikte snoeren op den rug gebonden waren,

en wiens borst veel roode wonden aanwees.

Zoo luidde althans het verhaal, dat men elkander toefluisterde.

En toen gebeurde het, dat de koning op zijn sterfbed, door berouw

over zijn groote zonde misschien gekweld, misschien ook door den

wensch, dat het koningschap in zijn geslacht verblijven zoude, den

knaap liet halen, en hem, in tegenwoordigheid van den Hoogen Raad,

als zijn erfgenaam erkende.

En het schijnt wel, dat hij, van het eerste oogenblik zijner erkenning

af, blijken gaf van den zonderlingen schoonheidsdorst, die van zoo

grooten invloed worden zou op heel zijn volgend leven. Zij, die hem

begeleidden door de vlucht van zalen, die voor hem bestemd waren,

verhaalden menigmaal van de vreugdekreten die van zijn lippen juichten,

toen hij de fijngeweven stoffen en fonkelende juweelen aanschouwde

die men voor hem gereed gelegd had, en van den bijna wilden jubel,

waarmede hij zijn ruw lederen wambuis en de ruige schapenvacht die

hem tot mantel diende van zich geworpen had. Zeker, nu en dan, miste

hij wel de blijde vrijheid van zijn leven in het woud, en vaak genoeg

moest hij zich ergeren over de ondragelijke ceremoniën aan het hof,

maar het prachtige paleis--Joyeuse was het geheeten--waarover hij nu

te beschikken had, scheen hem een nieuwe wereld toe, alleenlijk voor

zijn lust geschapen; en zoodra hij Raadsvergadering of Audientiezaal

ontvluchten kon, snelde hij de groote trap omlaag, waar leeuwen stonden

uit verguld en brons en welker treden waren van glanzend rood porphier,

en dwaalde van de eene kamer naar de andere, van de eene naar de andere

gang, als een, die in de schoonheid zocht een balsem voor het leed,

genezing schier, na doffe kwelling. Op deze ontdekkingstochten, zooals

hij ze te noemen placht--en inderdaad waren ze voor hem ook werkelijke

reizen door een land van wonderen--liet hij zich dikwijls begeleiden

door de slanke, blondgelokte hofpagen met hunne uitwaaierende mantels

en vroolijk wapperende linten; maar liever nog bleef hij alleen, want

hij besefte ras, met instinctmatig begrijpen, dat de geheimen van de

kunst het best aanvaard worden in éénzaamheid, en dat de Schoonheid,

evenals de Wijsheid, den stilpeinzenden vereerder liefheeft. Menig

zonderling verhaal vertelde men elkaar van hem in dezen tijd. Zoo

heette het, dat een welgedaan heer Burgemeester, die gekomen was om

eene gloeiende, welsprekende begroetingsrede uit naam der stadsbewoners

tot hem te richten, hem aangetroffen had, toen hij in innige aanbidding

geknield lag voor een groot schilderij, dat juist was aangekomen uit

Venetië, en dat den triomf der nieuwe goden scheen voor te stellen.

Bij een andere gelegenheid, had men hem uren lang gemist, en

na veel zoeken eindelijk weer gevonden in een kleine, in een der

noordelijke torentjes gelegen kamer, waar hij, als een die in extase

ligt verzonken, op een grieksche gemme staarde waarin de gestalte

van Adonis was gesneden. Men had gezien, zoo luidde verder de mare,

hoe hij zijn warme lippen hield gedrukt op 't kille voorhoofd van een

antiek marmeren beeld, dat men bij 't bouwen van een steenen brug,

in het zandbed van den stroom gevonden had en dat als inschrift droeg

den naam van den Bithynschen slaaf Hadriaan.

En een ganschen nacht had hij doorwaakt onder 't bespieden van

maanlichtgetoover op een zilveren beeldje van Endymion.

Alle zeldzame en kostbare weefsels oefenden blijkbaar eene groote

bekoring op hem uit, en in het onweerstaanbare verlangen deze stoffen

te bezitten, had hij vele kooplieden uitgezonden; deze naar het

ruwe visschersvolk aan noordsche zeekust, om van hen het barnsteen

te verkrijgen, gene naar Egypte, om er de vreemde groenlichtende

turkooizen te zoeken, die slechts in de graven der Koningen te vinden

zijn en die magische kracht heeten te bezitten; andere nog naar

Perzië, voor glanzend zijdene tapijten en beschilderd aardewerk,

en weer anderen wees hij Indië aan, om er luchtig-gazen weefsels

te koopen en bleek ivoor en maansteenen en armbanden uit nephriet;

sandelhout en blauw emaille en shawls van fijne wol.

Maar wat het meest zijne gedachten bezig hield, dat was het gewaad,

dat hij bij zijne kroning zou dragen, het gewaad uit gesponnen

goud, en de kroon van fonkelende robijnen, en de schepter bezet met

rijen en ringen van paarlen. Ja, daaraan dacht hij ook dezen avond,

toen hij op het kostbaar rustbed uitgestrekt lag en naar het groote

blok dennenhout staarde, dat in open schouw door het vuur verteerd

werd. De teekeningen van de hand der meest beroemde meesters uit dien

tijd waren hem reeds maanden geleden voorgelegd geworden, en hij had

bevel gegeven, dat men dag en nacht zou arbeiden om ze ten uitvoer te

brengen, en dat men de geheele wereld zou doorzoeken om juweelen te

vinden, die waardig zouden zijn voor dezen arbeid. En in gedachten

zag hij zich reeds staan voor het hoogaltaar in de kathedraal,

gehuld in het kostbaar pronkgewaad,--en een lachje speelde om zijne

jongenslippen en dat lachje bleef bestendig en ontvlamde in zijne

donkere woudoogen een stralenden glans.

Na korte wijle stond hij op, bleef geleund staan tegen den uitgesneden

mantel van den schouw en blikte om zich heen, in het matbeschenen

vertrek. De wanden waren behangen met prachtige gobelins, die den

Triomf der Schoonheid voorstelden. Een groot schrijn, versierd met

inlegsels van achaat en lapislazuli, stond in een hoek van het vertrek,

en tegenover het venster bevond zich een kast van vreemden vorm, met

laden die vakken vormden van lak en goudvernis en guldene mozaïken;

en op die kast stonden teere bekers uit Venetiaansch glas en een

drinkschaal van donkergeaderd onyx. Bleek getinte papaverbloemen,

aan den slaap ontglipt, waren door kunstige naald op het overkleed

van het bed gespreid, en hooge uitgesneden staven van ivoor droegen

den fluweelen baldakijn, uit welks hemel groote struisvederbossen,

gelijk kroezelig wit schuim, omhoog sprongen tot de met bleekdof

zilveren kassetten versierde zoldering. Een lachende Narkissus uit

groenig brons hield een glanzenden spiegel boven het hoofd. Op de

tafel stond een lage amethisten schaal.

Van uit het venster kon hij den geweldigen koepel van de kathedraal

aanschouwen, die wel een zeepbel geleek, lichtend boven de in schaduw

gedompelde huizen; en hij zag ook de schildwachten, die, op het in

nevel gehulde terras aan het water, met vermoeiden tred heen en weer

liepen. Verweg, in een tuin, zong een nachtegaal. Een lichte geur

van jasmijn zweefde binnen door het geopende venster. Hij streek

de bruine lokken van het voorhoofd weg, nam een luit, en liet de

vingers over de snaren glijden. Zijne moede oogleden sloten zich

en een wonderlijke loomheid kwam over hem. Nimmer had hij met zoo

duidelijke gewaarwording, of met zoo voelbaar opjubelende vreugde,

de betoovering ondervonden--de zoet-geheime--van het schoone.

Toen de torenklok middernacht sloeg, drukte hij even op een

schel. Zijne pagen traden binnen en ontkleedden hem met velerlei

ceremoniën, goten rozenwater op zijne handen en strooiden bloemen op

zijn kussen. En dra nadat zij hem verlaten hadden, sluimerde hij in.

En toen hij sliep, droomde hij eenen droom, en deze was zijn droom:

Het was hem, als stond hij in een lange lage dakkamer, en om hem

heen was het snorrend en ratelend geluid van vele weefgetouwen. Het

fletse daglicht drong flauwtjes door de getraliede vensters

en toonde hem de magere gestalten van de wevers die over hunne

weeframen gebogen zaten. Bleeke ziekelijke kinderen hurkten op de

breede dwarsbalken. Wanneer de weefspoelen door den inslag gingen

trokken zij het zware stelhout naar boven; en stonden de spoelen

stil, dan lieten zij de wig weer neervallen en schoven de draden

bij elkaar. Hunne gezichten waren ingevallen van den honger en hunne

smalle handen trilden van zwakte. Enkele uitgemergelde vrouwen zaten

aan een tafel te naaien. Een ontzettende stank vervulde de ruimte. De

lucht was er zwaar en verpest, en de wanden dropen van de vocht.

De jonge koning ging tot een der wevers, trad dicht naast hem en zag

toe hoe hij werkte.

Knorrig keek de wever tot hem op en zei:

--"Wat ziet ge me op de handen? Zijt gij een bespieder, die door

onzen heer naar ons toe werd gezonden?"

--"Wie is uw heer?" vroeg de jonge Koning.

--"Onze heer!" riep de wever bitter. "Hij is een mensch als ik. Een

onderscheid is er maar tusschen ons--hij draagt mooie kleeren en

ik ga in lompen; en ik ben zwak van honger, terwijl hij lijdt aan

oververzadiging."

--"Het land is vrij," sprak weer de jonge Koning, "en gij zijt

niemands slaaf."

--"In den oorlog," antwoordde de wever, "maken de sterken de zwakken

tot slaven, en in vredestijd maken de rijken de armen tot slaven. Wij

moeten werken om te leven, en zij geven ons zoo smadelijk loon dat

wij sterven. Voor hen werken wij den ganschen dag en zij stapelen

het goud in hunne kisten; maar onze kinderen verwelken vóór hun tijd

en de aangezichten van hen, die wij liefhebben, worden vroeg hard

en bitter. Wij persen de druiven, en een ander drinkt den wijn. Wij

zaaien het koren en onze eigen schuur blijft leeg. Wij dragen ketens,

al ziet ze ook niemand, en wij zijn slaven, ook al noemen de menschen

ons vrij."

--"Is dat werkelijk zoo?" vroeg hij.

--"Dat is werkelijk zoo," antwoordde de wever, "bij de jongen zoowel

als bij de ouden, bij de vrouwen zoowel als bij de mannen, bij de

kleine kinderen zoowel als bij hen die door de jaren terneer gebogen

werden. De kooplieden trappen op ons, en wij moeten doen wat zij van

ons verlangen. De priester rijdt voorbij en telt zijne kralen, en geen

mensch bekommert zich om ons. Door onze zonnelooze krotten sluipt de

armoede met hongerige oogen rond, en de zonde, met haar walgelijk

gezicht, volgt haar op de hielen. De ellende wekt ons des morgens

en des nachts waakt de schande aan onze legerstede. Maar wat deert

u dat alles? Gij zijt niet een der onzen. Uw gezicht is te gelukkig."

En morrend keerde hij zich om en wierp de spoel in 't weefgetouw;

en de jonge Koning zag hoe die met een gouden draad omsponnen was. En

een groote angst kwam over hem, en hij vroeg den wever:

--"Wat is dat voor een gewaad, dat gij daar weeft?"

--"Het is het kroningsgewaad voor den jongen Koning" antwoordde de

wever; "maar wat gaat u dat aan?"

En de jonge Koning stiet een schrillen kreet uit en ontwaakte; en

zie! hij was in zijn eigen kamer, en door het venster zag hij de

groote honingkleurige maan, die zweefde door nevelige luchten.

En hij sliep wederom in en droomde en deze was zijn droom:

Het was hem, als lag hij op het dek van een groote galei, die door

honderd slaven geroeid werd. Op een tapijt aan zijne zijde zat de

eigenaar der galei. Hij was zwart als ebbenhout en zijn tulband was

van roode zijde. Groote zilveren sieraden hingen zwaar neer aan de

dikke oorlappen, en in de handen hield hij twee ivoren weegschalen. De

slaven waren, op een havelooze lendenschort na, geheel naakt, en elk

hunner was aan zijn buurman vastgeketend. De brandende zonnegloed

viel strak op hen neer en in draf liepen de negers langs hen heen en

sloegen hen met zweepen van leder. Zij strekten hunne magere armen

uit en trokken de zware roeispanen door het water. Het zilten schuim

spatte hoog op aan den boeg.

Eindelijk bereikten zij een kleine bocht en wierpen het dieplood

uit. Een speelsche wind woei van de kust en strooide fijn rood stof

op dek en zeilen. Drie Arabieren kwamen op wilde ezels aangereden

en wierpen met hunne speeren naar hen. De heer der galei nam een

beschilderden boog ter hand, en schoot een der mannen in de keel;

met zwaren plof viel hij in de branding en zijne metgezellen vloden

heen. Een vrouw, in gele sluieren gehuld, volgde langzaam op een

kameel, en van tijd tot tijd keerde zij zich om en wierp een blik

naar het doode lichaam.

Zoodra zij het anker uitgeworpen hadden, en het zeil binnengehaald,

daalden de negers naar beneden in het ruim, en keerden terug met een

lange touwladder, die zwaar behangen was met looden gewichten. De

eigenaar der galei bevestigde de einden aan twee ijzeren haken en

wierp haar toen overboord. Daarop grepen de negers den jongsten van

de slaven, rukten hem de ketens van het lijf, vulden zijne neus en

oorgaten met was en bonden hem een zwaren steen om de heupen. Moede

steeg hij de sporten naar omlaag en snel verzonk hij in de diepte. Daar

waar hij verdwenen was, borrelde het water nog even op. Van de overige

slaven keken er enkele nieuwsgierig over de verschansing. Vóór,

aan den boegspriet der galei, zat een haaienbezweerder, en sloeg

met eentonig geluid op zijn trommel. Na een poos, steeg de duiker

omhoog uit het water en klemde zich hijgend aan de ladder vast. In

de rechter hand hield hij een parel. De negers ontrukten hem die en

stietten hem terug. De slaven vielen bij hunne roeispanen in slaap.

En telkens opnieuw steeg de duiker uit het water omhoog, en telkenmale

bracht hij een wonderschoone parel mede. Die woog dan de heer der

galei en stak haar daarna in een kleinen zak van groen leder.

De jonge Koning beproefde te spreken, maar het was hem, als kleefde

zijn tong aan het verhemelte, en als gehoorzaamde zijne lippen hem

niet. De negers kakelden onderling en begonnen te twisten om een

snoer bonte kralen. Twee kraanvogels zweefden in cirkelvormige vlucht

bestendig om het schip henen.

Toen steeg ten laatsten maal de duiker omhoog, en de parel, die hij

meebracht was heerlijker dan al de paarlen van den Ormuzd, want zij

was in haren vorm den vollen maan gelijk en glanzender scheen zij

dan de morgenster. Maar het aangezicht van den duiker was van vreemde

bleekheid, en toen hij op het dek viel, stuwde het bloed hem uit neus

en ooren.

Een wijle dan stuiptrekte hij nog, toen werd hij stil. De negers

haalden de schouders op en wierpen het lichaam over boord.

En de heer van de galei lachte; en hij strekte den arm uit, en nam

de parel, en toen hij haar in de hand hield, drukte hij haar aan zijn

voorhoofd en boog het hoofd.

--"Zij zal," sprak hij, "voor den schepter van den jongen Koning

dienen;" en aan de negers gaf hij een teeken om het anker te lichten.

En toen de jonge Koning dit hoorde, stiet hij een luiden schreeuw uit

en ontwaakte, en uit het venster blikkende, zag hij, hoe de schemering

hare lange grauwe vingeren uitstrekte naar de verbleekende starren.

En hij sliep wederom in en droomde, en deze was zijn droom:

Het was hem te moede als zwierf hij door een donker woud, waarin

zeldzame vruchten groeiden en prachtige giftige bloemen. Adders sisten

hem tegen toen hij voorbij schreed en bontkleurige papegaaien vlogen

krijschend van tak tot tak. Reusachtige schildpadden lagen te slapen

op het heete slijk. En de boomen waren vol apen en pauwen.

Hij liep steeds verder en verder, tot hij aan den rand kwam van het

bosch; en daar ontwaarde hij eene ontzaglijke menigte van menschen,

die in de opgedroogde bedding eener rivier aan den arbeid waren. Zij

kropen als mieren op de rotsblokken rond. Zij groeven diepe kuilen

in den bodem en daalden dan naar omlaag. Eenige van hen spleten de

rotsen met groote houweelen; andere woelden in het zand. De cactusplant

trokken zij met hare wortels uit den grond en de scharlaken bloemkelken

vertraden zij onder hunne voeten. Zij liepen rusteloos heen en weer,

en schreeuwden elkaar toe en niemand die ledig zat.

Uit de donkerte eener spelonk bespiedden hen de Dood en de Hebzucht,

en de Dood zei:

--"Ik ben moe, geef mij het derde deel van hen en laat mij gaan."

Maar de Hebzucht schudde het hoofd.

--"Zij zijn mijne dienstknechten," antwoordde zij.

En de Dood sprak tot haar:

--"Wat houdt gij daar in uwe hand?"

--"Drie graankorrelen," antwoordde zij, "wat gaat u dat aan?"

--"Geef mij er ééne van!" zeide de Dood, "opdat ik die plante in mijn

tuin; slechts ééne en ik zal gaan."

--"Niets wil ik U geven," zei de Hebzucht, en zij verborg haar hand

in een vouw van haar kleed.

En de Dood lachte, nam een schaal, en doopte die in een waterpoel, en

uit de schaal steeg de anderdaagsche Koorts. Die schreed door de groote

menschenmenigte en het derde deel van hen lag dood. Een koude nevel

gleed achter haar aan en waterslangen schuifelden aan weerszijden.

En toen de Hebzucht zag, dat het derde deel der menschen dood ternêer

lag, sloeg zij zich op de borst en weende. Zij sloeg zich op de

onvruchtbare borst en weende luid.

--"Gij hebt het derde deel mijner dienstknechten vermoord," riep zij,

"ga nu heen! In de bergen van het Tartarenland heerscht krijg en de

Koningen van beide legers roepen om u. De Afghaners hebben den zwarten

stier gedood en trekken naar het oorlogsveld. Zij hebben met hunne

speeren op hunne schilden geslagen en de hoofden bedekt met hunne

ijzeren helmen. Wat kan mijn dal u zijn, dat gij daarin vertoeven

zoudt? Ga heen van hier en keer nimmer meer terug."

--"Zeker," antwoordde de Dood, "maar niet aleer gij mij ééne van de

graankorrelen gegeven hebt ga ik heen van hier."

Doch de Hebzucht schudde het hoofd.

--"Niets wil ik u geven," murmelde zij. En de Dood lachte, en nam

een zwarten steen op, en wierp dien in het woud, en uit een wildernis

van dolle kervel verrees de Moeraskoorts in een kleed van vlammen. En

die ging door de menigte en raakte de menschen aan, en ieder die werd

aangeraakt, stierf.

En waar zij ging, daar verdorde het gras onder hare voeten.

En de Hebzucht huiverde en strooide asch op haar hoofd.

--"Gij zijt wreed," riep zij, "gij zijt wreed. In de ommuurde steden

van Indië heerscht hongersnood en in Samarkand zijn de bronnen

verdroogd. In de ommuurde steden van Egypte heerscht hongersnood en

uit de woestijn zijn in zwermen de sprinkhanen gekomen. De Nijl is

niet buiten zijne oevers getreden, en de priesters hebben Isis en

Osiris vervloekt. Ga henen tot hen die u noodig hebben, en laat mij

mijne dienstknechten behouden."

--"Zeker," antwoordde de Dood, "maar niet aleer gij mij ééne van de

graankorrels gegeven hebt, ga ik heen van hier."

--"Niets wil ik u geven," sprak de Hebzucht.

En wederom lachte de dood en floot tusschen zijn vingers en een vrouw

kwam door de lucht gevlogen. PEST stond op haar voorhoofd geschreven en

een schare van uitgehongerde gieren klapwiekten om haar heen. Met beî

haar vleugelen overdekte zij het dal en niet één die in leven bleef.

En de Hebzucht vluchtte weeklagend door het woud en de Dood sprong op

zijn bloedrood ros en reed henen, en zijn ros reed sneller dan de wind.

En uit het slijk op den bodem van het dal, kropen draken te voorschijn,

en ander afzichtelijk, met schubben bedekt gedierte; en jakhalzen

kwamen langs het zand geloopen en snoven met wellust de verpestende

lucht in hunne neusgaten op.

En de jonge Koning weende en vraagde:

--"Wie waren deze mannen en wat zochten zij?"

--"Robijnen voor eens Koning's kroon," antwoordde hem een, die achter

hem stond. En de jonge Koning schrikte hevig en keerde zich om, en

werd een man gewaar, die gekleed was als een pelgrim, en een zilveren

spiegel in de hand droeg.

Hij verbleekte en vroeg:

--"Voor welken Koning?"

En de pelgrim antwoordde en sprak:

--"Zie in dezen spiegel en gij zult hem aanschouwen."

En hij zag in den spiegel, en toen hij zijn eigen beeltenis

aanschouwde, stiet hij een luiden kreet uit en ontwaakte, en het

gouden zonlicht stroomde binnen in de kamer en in de boomen van den

tuin fladderden de vogels en zongen.

En de kanselier en de hooge beambten van den Staat traden het vertrek

binnen en huldigden hem, en de pagen brachten hem het gewaad uit

gesponnen goud, en legden de kroon en den schepter voor hem neder. En

de jonge Koning aanschouwde ze beide en zij waren heerlijk om aan

te zien. Zij waren heerlijker nog dan iets, wat hij ooit te voren

aanschouwd had. Maar hij dacht aan zijne droomen en sprak tot de

Grooten des Rijks: "Neemt deze dingen weg, want ik wil ze niet dragen."

En de hovelingen ontzetten zich en eenige onder hen begonnen te lachen,

want zij meenden, dat hij schertste. Maar nog eenmaal richtte hij

streng het woord tot hen en zeide:

--"Neemt deze dingen weg en verbergt ze voor mijn oogen. Al is het

ook heden mijn kroningsdag, ik wil ze geenszins dragen. Want op het

weefgetouw van de Zorg en door de bleeke handen van het Leed werd

dit mijn gewaad geweven. Bloed is in het hart van den robijn en in

het hart van de parel rust de Dood."

En hij vertelde hen van zijn drie droomen.

En toen de hovelingen die aangehoord hadden, keken zij elkander aan

en fluisterden:

--"Geen twijfel of hij is waanzinnig geworden; want blijft niet een

droom een droom en is een visioen iets anders dan een visioen? Zij

zijn niet iets wezenlijks, waarover men zich te bekommeren heeft. En

wat deert ons het leven van hen, die voor ons werken? Zal een mensch

geen brood meer eten, aleer hij den zaaier gezien heeft, en geen wijn

meer drinken alvorens hij met den wijnlezer gesproken heeft?"

En de kanselier sprak tot den jongen Koning en zeide:

--"Mijn gebieder, ik smeek u, laat deze sombere gedachten varen,

omkleed u met dit schoone gewaad en zet de kroon op uw hoofd. Want

hoe zal het volk weten, dat gij Koning zijt, wanneer gij niet het

kleed eens Konings draagt?"

En de jonge Koning zag hem aan.

--"Is dit werkelijk zoo?" vraagde hij; "zullen zij mij niet als hun

Koning kennen, omdat ik niet het kleed eens Konings draag?"

--"Zij zullen u niet als zoodanig erkennen, mijn gebieder," sprak

de kanselier.

--"Ik meende, dat er mannen geleefd hebben, die koninklijk waren

van natuur," antwoordde hij, "maar het kan zijn, dat gij waarheid

spreekt. En toch wil ik dit kleed niet dragen, noch wil ik mij met

deze kroon laten kronen; maar zooals ik binnenkwam in het paleis,

zoo wil ik het weder verlaten."

En hij liet hen allen heengaan, op een page na, een knaap, die een

jaar jonger was dan hij. Dien behield hij bij zich ter zijner dienste;

en toen hij zich in helder water had gebaad, opende hij een groote,

zeer oude uitgesneden kist, en nam daaruit het rood lederen wambuis en

den groven mantel van schapenvacht, dien hij gedragen had toen hij in

het heuvelland de ruigharige geiten van den herder had gehoed. Dien

trok hij aan, en in de hand nam hij zijn knoestigen herdersstaf. De

kleine page sperde de groote blauwe oogen wijd open van verbazing en

zeide lachend:

--"Mijn gebieder, ik zie wel uw kleed en wel uw schepter, maar waar

is uw kroon?"

En de Koning plukte een tak van een wilden struik, die over het balkon

rankte, boog hem rond tot een krans, en drukte dien op 't hoofd.

--"Dit zal mijn kroon zijn," antwoordde hij.

En aldus getooid, ging hij uit zijn kamer naar de groote zaal, waar

de Edelen op hem wachtten.

En de Edelen lachten luidkeels en eenige riepen hem toe:

--"Mijn gebieder, het volk wacht op zijn Koning en gij laat het een

bedelaar aanschouwen;" en andere werden toornig en spraken:

--"Hij brengt schande over onzen Staat, en hij is niet waardig onze

Heer te zijn."

Maar hij antwoordde niet met een enkel woord, ging heen, en schreed

de glanzende trap van porphyr omlaag en naar buiten, door den bronzen

poort, en hij steeg op zijn ros en reed naar de kathedraal, terwijl

de kleine page naast hem bleef voortloopen. En het volk lachte en riep:

--"Daar rijdt des Konings nar voorbij," en zij beschimpten hem.

En hij trok aan den teugel en zeide:

--"Neen, want ik ben de Koning." En hij verhaalde hen zijne drie

droomen.

En een man trad uit de menigte naar voren en sprak vol bitterheid

tot hem, en zeide:

--"Heer, weet gij niet dat het leven van den armen zich voedt met de

weelde van den rijkaard? Uwe pronk schenkt ons verzadiging, en uwe

ontucht verschaft ons brood. Voor een gestreng heer te werken is hard,

maar harder nog is het, geen heer te hebben voor wien men werken

kan. Meent gij, dat de raven ons voedsel zullen brengen? En welk

heelmiddel hebt gij voor deze dingen? Wilt gij den kooper zeggen:

gij moet voor zoo-veel koopen en den koopman: gij moet voor dezen

prijs verkoopen? Ik geloof van neen. Dus keer terug naar uw paleis,

omkleed U met uw purperen mantel en met uw fijngeweven linnen. Wat

bekommert gij u om ons, en om datgene wat wij dragen moeten?"

--"Zijn niet de rijken en de armen broeders?" vroeg de jonge Koning.

--"Zoo is het," antwoordde de man, "en de naam van den rijken broeder

luidt Kaïn."

En de oogen van den jongen Koning vulden zich met tranen, en hij

reed verder onder het gemor van het volk, en groote angst beving den

kleinen page, en hij vlood heen van hem.

En toen hij het portaal van de kathedraal bereikt had, versperden de

soldaten met hunne hellebaarden hem den weg en zeiden:

--"Wat hebt gij hier te zoeken? Door deze deur mag niemand binnentreden

dan alleen de Koning."

En zijn aangezicht werd rood van toorn en hij sprak tot hen:

--"Ik ben de Koning," en hij stiet de hellebaarden op zijde en

trad binnen.

En toen de oude Bisschop hem in zijn herderskleed zag naderen, stond

hij verwonderd op van zijn troonzetel en sprak:

--"Mijn zoon, is dat het kleed van een Koning? En met welke kroon zal

ik u kronen, en welken schepter zal ik in uw handen leggen? Waarlijk,

deze dag was bestemd om u vreugde te brengen en niet vernedering."

--"Zou Vreugde kunnen dragen wat Zorg heeft voortgebracht?" vroeg de

jonge Koning. En hij verhaalde hem zijne drie droomen.

En toen de Bisschop die gehoord had, rimpelde zich zijn voorhoofd en

hij sprak.

--"Mijn zoon, zie, ik ben een oud man, en ik sta in den winter van

mijn leven, en ik weet, dat er vele slechte dingen gebeuren in de

wereld. De wilde roovers dalen neer van de bergen en slepen de kleine

kinderen mede en verkoopen ze aan de Mooren. De leeuwen liggen roerloos

en bespieden de karawanen en werpen zich op de kameelen. Het wilde

everzwijn wroet in het koren van het dal en de vossen knagen aan de

wijnstokken op de heuvels. De zeeroovers verwoesten de kusten der zee

en verbranden de schepen der visschers en nemen hunne netten weg. In

de zoutmoerassen leven de melaatschen en zij wonen in woningen van

gevlochten riet, en niemand mag nader tot hen komen. De bedelaars

trekken door de steden en deelen het brood met de honden. Kunt gij

dat al verhinderen, dat het niet zoo zij? Wilt gij den melaatschen

tot uw slaapgenoot maken, en den bedelaar aan uw tafel nooden? Moet

de leeuw doen wat gij hem beveelt te doen, en moet het everzwijn u

gehoorzamen? Is niet Hij, die de ellende schiep, wijzer dan gij? Daarom

prijs ik u niet om wat gij gedaan hebt, veeleer gelast ik u naar het

paleis terug te keeren, de zorgen van uw gelaat te bannen, en het

gewaad aan te leggen, dat eenen Koning betaamt; en met de gouden kroon

wil ik u kronen, en den paarlen schepter in de hand u geven. En denk

niet meer aan uwe droomen. De last van deze aarde is voor één mensch

te zwaar om te dragen en het leed dezer aarde te zwaar voor één hart

om te dulden.

--"Spreekt gij alzoo in dit huis?" sprak de jonge Koning en hij

schreed den Bisschop voorbij en besteeg de treden van het altaar en

stond voor het beeld van Christus.

Voor het beeld van Christus stond hij, en aan zijn rechter en aan

zijn linkerzijde bevonden zich de heerlijk-schoone gouden schalen,

de kelk met den goudkleurigen wijn, en de fiool met de heilige

olie. Hij knielde neder voor het beeld van Christus, en de groote

kaarsen brandden helder naast het van juweelen fonkelend schrijn,

en de geurige wierook cirkelde in doorzichtige blauwe wolkjes door

het koepelruim.

Hij boog het hoofd als tot gebed, en de priesters in hunne

stijfuitstaande koorgewaden slopen weg van het altaar.

En plotseling hoorde men van buiten, van de straat, een wild rumoer, en

de Edelen drongen naar binnen met getrokken zwaarden en wild-golvende

vederbossen en schilden van blank metaal.

--"Waar is die droomen--droomer?" riepen zij. "Waar is de Koning die

gekleed is gelijk een bedelaar?--de knaap, die schande brengt over

onzen Staat? Waarlijk, beter is het, indien onze hand hem neervelt,

want hij is onwaardig over ons te heerschen."

En de jonge Koning boog wederom het hoofd en bad, en toen hij zijn

gebed geëindigd had, stond hij op en keerde zich tot hen, en zijn

oogen waren vol van droefenis.

En zie! door de geschilderde ramen brak het zonnelicht in stroomen;

en de stralen van de zon weefden om hem heen een gewaad, dat

verrukkelijker was te aanschouwen dan het kleed, dat men gemaakt had

ter zijner eere. De doode staf begon te bloeien en haar ontsproten

leliën, die blanker nog waren dan paarlen. De verdroogde hagedoorn

ontlook en droeg rozen, die rooder waren dan robijnen. Blanker dan

reine paarlen waren de leliën en hare stengels waren van glinsterend

zilver. Rooder dan robijnen waren de rozen en hare bladeren waren

van gedreven goud. Hij stond daar in het gewaad eens Konings, en de

deuren van het met juweelen bezette schrijn openden zich en van het

kristal der schitterende monstrans brak uit een mystisch licht. Hij

stond daar in het gewaad eens Konings en de glorie van God vulde

algeheel de ruimte, en de Heiligen in de gebeeldhouwde nissen schenen

zich te bewegen. In het pronkgewaad eens Konings stond hij voor hen,

en aan het orgel ontstroomden volle melodieën en de fanfarenblazers

bliezen hunne fanfaren, en de koorknapen zongen. En het volk viel

in schuwe vreeze op de knieën en de Edelen lieten hunne zwaarden in

de scheede terugzinken, en huldigden hem, en het aangezicht van den

Bisschop werd bleek en zijne handen beefden.

--"Een die grooter is dan ik, heeft U gekroond," sprak hij, en hij

knielde voor hem neder.

En de jonge Koning schreed de treden af van het hoogaltaar en keerde

terug naar het paleis, midden door het volk. Maar niemand waagde hem in

het aangezicht te zien, want het was als het aangezicht van een Engel.

Het Granaatappelhuis · 第 7 / 18 题