IV.

Reeds lang was de Ajax te Brouwershaven aangekomen. De passagiers

hadden zich naar alle zijden des lands verspreid, en elkaar reeds lang

vergeten. Mevrouw Muntingh had zich te Amsterdam gevestigd. Toen de

verrassing over al het vreemde en nieuwe in de hoofdstad wat bekoeld

was, begon Marie aan Van Laar's moeder te denken. Zij wilde der oude

het lint en den bijbel brengen, zoo het mogelijk ware haar te vinden.

Eenmaal met deze gedachte bezield, rustte zij niet, voordat een oud

vriend der familie, een achtenswaardig en welgegoed Amsterdamsch

burger, haar beloofd had in persoon naar de oude vrouw onderzoek te

doen.

De uitkomst van dit onderzoek was alleszins voldoende. De weduwe Van

Laar leefde rustig in een hofje, welvarend, opgeruimd, gedienstig en

vriendelijk voor ieder, die dagelijks met haar omging. Nauw had Marie

dit nieuws vernomen, of ze stond eensklaps voor hare moeder met hoed

en mantel, het bijbeltje van Van Laar in de hand, vast besloten,

oogenblikkelijk naar het hofje te gaan. Maar ook Frits en Willem wilden

haar vergezellen, en, na inlichtingen en waarschuwingen trok het drietal

onder geleide van Karel den huisknecht naar het hofje.

Een hoogst eenvoudig vertrek, met de allernoodigste meubelen, was

alles wat de weduwe Van Laar het hare mocht noemen. Maar welk eene

netheid en gewetensnauwe zindelijkheid had bij het ordenen van dat

vertrek voorgezeten! Geen enkel stofje is er aan de weinige meubelen

te bespeuren. Voor het venster waren eenige bloempotten geplaatst, en

't scheen of rozen en goudsbloemen al haar best deden, om dat kleine

kamertje zoo vroolijk mogelijk met kleur en geur te versieren. De stilte

van het hofje, de vriendelijke zonnestralen, die heel het vertrek kwamen

vergulden met licht en gloed—alles werkte saam, om het daarbinnen zoo

genoeglijk en fraai te maken, dat niemand de deur kon voorbijkomen

zonder even in te gaan en met „moeder” Van Laar eene poos te keuvelen.

Zij zelve zit bij 't venster, ijverig breiende. Haar voorkomen is

zeer alledaagsch—de diepe rimpels van voorhoofd en wang, de zachte

uitdrukking der nog levendige bruine oogen alleen schenken het iets

eerwaardigs en aangenaams, dat u aanstonds tot vertrouwen en genegenheid

stemt.

Langzaam en voorzichtig wordt de deur geopend. Marie, Frits en Willem

treden binnen. De oude staat op, en ziet de kinderen vragend aan.

„We wilden vrouw Van Laar even spreken!”—zegt Frits, die het meest

verlegen is, en op den drempel blijft staan.

„Dan ben je terecht, jongeheer! Kom binnen, ga zitten, jongejuffrouw!”

Marie weet niet hoe ze beginnen zal.

„Wij komen uit Batavia!”—valt Willem in—„heeft u daar geene familie,

vrouw Van Laar?”

Bij het hooren van dit woord ziet het besje de drie kinderen scherp in

de oogen. Allen worden hoe langer hoe meer verlegen. Langzaam keert de

oude naar haar stoel terug, schudt voortdurend het hoofd, en legt de

gevouwen handen in den schoot.

„Of ik familie in Batavia heb”—begint ze—„ik weet het niet, ik heb er

nooit van gehoord. Al mijne familie is al lang dood. Mijn man is dood en

mijn zoon ook.... 't Is al meer dan twintig jaar geleden, dat ik niets

van mijn jongen gehoord heb—hij is als soldaat naar de Oost gegaan—hij

zou me wel geschreven hebben, als hij nog leefde. Want hij hield veel

van zijne moeder, al was hij de ondeugendste jongen van de buurt. Hij

heeft me veel verdriet gedaan, maar ik had hem toch zielslief. Mijn

goeie man heeft den jongen den duivel in 't lijf geslagen, en toen is

hij weggeloopen naar zee, en nooit heb ik hem teruggezien, dien armen,

besten, braven Hein. Een matroos heeft me later verteld, dat hij soldaat

geworden is, en nu is hij al lang gestorven, al lang!”

Vrouw Van Laar heeft de oogen gesloten—zij schijnt de kinderen geheel

te vergeten en zich met weemoedig welgevallen in het verleden te

verdiepen. Maar nu is het de beurt aan Marie, om te spreken. Zij

plaatst zich naast den stoel van het besje, en begint langzaam haar de

geschiedenis van haren zoon te verhalen. Vrouw Van Laar heeft de oogen

wijd geopend, en volgt de vriendelijke spreekster met de uiterste

belangstelling.

„Wij hebben hem allen gekend”—zegt ze in 't eind—„hij was zoo goed,

zoo zacht, zoo hartelijk voor ons. We hebben met hem gespeeld en

gepraat, dagen achtereen, en allen hielden we zooveel van hem, dat we

niet tevreden waren, als hij niet bij ons was....”

„En ziet u”—ging ze voort, de hand der oude grijpend— „hij was een

braaf en dapper soldaat, de Koning heeft hem een kruis gegeven, en ieder

prees hem. Ze hebben aan boord zijn goed verkocht, en zullen u het geld

brengen—maar hier is zijn bijbeltje en het lint van zijn kruis, dat heb

ik voor u meegenomen!”

Marie had de laatste woorden zoo snel mogelijk uitgesproken: ze voelde

de stramme hand in de hare beven. Zonder een woord te spreken neemt

vrouw Van Laar het bijbeltje en het lint. Ze tast haastig naar haar

knijpbril, en opent het boek. Op de eerste bladzijde stond het nog met

verbleekte maar duidelijk zichtbare letteren: „Aan mijne lieve soon

Hendrik van Laar op sijn geboortendag 2 Maart 1839.”

Langzaam daalde het hoofd der oude op de borst, een weldadige

tranenstroom kwam het diep geschokt gemoed lucht geven. Zwijgend geven

de kinderen elkaar een wenk—snel en onhoorbaar verlaten zij het

kamertje.

* * * * *

Sinds dien dag werd er tusschen de Muntinghs en vrouw Van Laar eene

nieuwe vriendschap aangeknoopt. Telken Donderdag komen ze naar 't hofje,

en drinken ze saam thee. Het lint der Militaire Willems-Orde is met

toepasselijk bijschrift achter lijst en glas gezet. De oude vrouw

schijnt kalmer en blijmoediger dan ooit te voren. Ze heeft haar grooten

bijbel met pauweveeren en prentjes ter zijde gelegd—zij leest alleen in

het versleten bijbeltje van haar zoon.

TER KOPEREN BRUILOFT

VAN DEN WELEDELGEB. HEER

CASPAR JANSSEN VAN DER COMME,

AANNEMER VAN PUBLIEKE WERKEN.

#Eene bijdrage tot de geschiedenis der zeden en usantiën van de

Amsterdamsche Burgermaatschappij uit de tweede helft der XIXde eeuw.#

„Och, Amsterdam, jij goeije stad!

'k Wou, dat je meer courage hadt,

Ja meer courage hadt!”

Liedeke van PIET BOCHELJOEN.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 9 / 58 题