Reeds lang was de Ajax te Brouwershaven aangekomen. De passagiers
hadden zich naar alle zijden des lands verspreid, en elkaar reeds lang
vergeten. Mevrouw Muntingh had zich te Amsterdam gevestigd. Toen de
verrassing over al het vreemde en nieuwe in de hoofdstad wat bekoeld
was, begon Marie aan Van Laar's moeder te denken. Zij wilde der oude
het lint en den bijbel brengen, zoo het mogelijk ware haar te vinden.
Eenmaal met deze gedachte bezield, rustte zij niet, voordat een oud
vriend der familie, een achtenswaardig en welgegoed Amsterdamsch
burger, haar beloofd had in persoon naar de oude vrouw onderzoek te
doen.
De uitkomst van dit onderzoek was alleszins voldoende. De weduwe Van
Laar leefde rustig in een hofje, welvarend, opgeruimd, gedienstig en
vriendelijk voor ieder, die dagelijks met haar omging. Nauw had Marie
dit nieuws vernomen, of ze stond eensklaps voor hare moeder met hoed
en mantel, het bijbeltje van Van Laar in de hand, vast besloten,
oogenblikkelijk naar het hofje te gaan. Maar ook Frits en Willem wilden
haar vergezellen, en, na inlichtingen en waarschuwingen trok het drietal
onder geleide van Karel den huisknecht naar het hofje.
Een hoogst eenvoudig vertrek, met de allernoodigste meubelen, was
alles wat de weduwe Van Laar het hare mocht noemen. Maar welk eene
netheid en gewetensnauwe zindelijkheid had bij het ordenen van dat
vertrek voorgezeten! Geen enkel stofje is er aan de weinige meubelen
te bespeuren. Voor het venster waren eenige bloempotten geplaatst, en
't scheen of rozen en goudsbloemen al haar best deden, om dat kleine
kamertje zoo vroolijk mogelijk met kleur en geur te versieren. De stilte
van het hofje, de vriendelijke zonnestralen, die heel het vertrek kwamen
vergulden met licht en gloed—alles werkte saam, om het daarbinnen zoo
genoeglijk en fraai te maken, dat niemand de deur kon voorbijkomen
zonder even in te gaan en met „moeder” Van Laar eene poos te keuvelen.
Zij zelve zit bij 't venster, ijverig breiende. Haar voorkomen is
zeer alledaagsch—de diepe rimpels van voorhoofd en wang, de zachte
uitdrukking der nog levendige bruine oogen alleen schenken het iets
eerwaardigs en aangenaams, dat u aanstonds tot vertrouwen en genegenheid
stemt.
Langzaam en voorzichtig wordt de deur geopend. Marie, Frits en Willem
treden binnen. De oude staat op, en ziet de kinderen vragend aan.
„We wilden vrouw Van Laar even spreken!”—zegt Frits, die het meest
verlegen is, en op den drempel blijft staan.
„Dan ben je terecht, jongeheer! Kom binnen, ga zitten, jongejuffrouw!”
Marie weet niet hoe ze beginnen zal.
„Wij komen uit Batavia!”—valt Willem in—„heeft u daar geene familie,
vrouw Van Laar?”
Bij het hooren van dit woord ziet het besje de drie kinderen scherp in
de oogen. Allen worden hoe langer hoe meer verlegen. Langzaam keert de
oude naar haar stoel terug, schudt voortdurend het hoofd, en legt de
gevouwen handen in den schoot.
„Of ik familie in Batavia heb”—begint ze—„ik weet het niet, ik heb er
nooit van gehoord. Al mijne familie is al lang dood. Mijn man is dood en
mijn zoon ook.... 't Is al meer dan twintig jaar geleden, dat ik niets
van mijn jongen gehoord heb—hij is als soldaat naar de Oost gegaan—hij
zou me wel geschreven hebben, als hij nog leefde. Want hij hield veel
van zijne moeder, al was hij de ondeugendste jongen van de buurt. Hij
heeft me veel verdriet gedaan, maar ik had hem toch zielslief. Mijn
goeie man heeft den jongen den duivel in 't lijf geslagen, en toen is
hij weggeloopen naar zee, en nooit heb ik hem teruggezien, dien armen,
besten, braven Hein. Een matroos heeft me later verteld, dat hij soldaat
geworden is, en nu is hij al lang gestorven, al lang!”
Vrouw Van Laar heeft de oogen gesloten—zij schijnt de kinderen geheel
te vergeten en zich met weemoedig welgevallen in het verleden te
verdiepen. Maar nu is het de beurt aan Marie, om te spreken. Zij
plaatst zich naast den stoel van het besje, en begint langzaam haar de
geschiedenis van haren zoon te verhalen. Vrouw Van Laar heeft de oogen
wijd geopend, en volgt de vriendelijke spreekster met de uiterste
belangstelling.
„Wij hebben hem allen gekend”—zegt ze in 't eind—„hij was zoo goed,
zoo zacht, zoo hartelijk voor ons. We hebben met hem gespeeld en
gepraat, dagen achtereen, en allen hielden we zooveel van hem, dat we
niet tevreden waren, als hij niet bij ons was....”
„En ziet u”—ging ze voort, de hand der oude grijpend— „hij was een
braaf en dapper soldaat, de Koning heeft hem een kruis gegeven, en ieder
prees hem. Ze hebben aan boord zijn goed verkocht, en zullen u het geld
brengen—maar hier is zijn bijbeltje en het lint van zijn kruis, dat heb
ik voor u meegenomen!”
Marie had de laatste woorden zoo snel mogelijk uitgesproken: ze voelde
de stramme hand in de hare beven. Zonder een woord te spreken neemt
vrouw Van Laar het bijbeltje en het lint. Ze tast haastig naar haar
knijpbril, en opent het boek. Op de eerste bladzijde stond het nog met
verbleekte maar duidelijk zichtbare letteren: „Aan mijne lieve soon
Hendrik van Laar op sijn geboortendag 2 Maart 1839.”
Langzaam daalde het hoofd der oude op de borst, een weldadige
tranenstroom kwam het diep geschokt gemoed lucht geven. Zwijgend geven
de kinderen elkaar een wenk—snel en onhoorbaar verlaten zij het
kamertje.
* * * * *
Sinds dien dag werd er tusschen de Muntinghs en vrouw Van Laar eene
nieuwe vriendschap aangeknoopt. Telken Donderdag komen ze naar 't hofje,
en drinken ze saam thee. Het lint der Militaire Willems-Orde is met
toepasselijk bijschrift achter lijst en glas gezet. De oude vrouw
schijnt kalmer en blijmoediger dan ooit te voren. Ze heeft haar grooten
bijbel met pauweveeren en prentjes ter zijde gelegd—zij leest alleen in
het versleten bijbeltje van haar zoon.
TER KOPEREN BRUILOFT
VAN DEN WELEDELGEB. HEER
CASPAR JANSSEN VAN DER COMME,
AANNEMER VAN PUBLIEKE WERKEN.
#Eene bijdrage tot de geschiedenis der zeden en usantiën van de
Amsterdamsche Burgermaatschappij uit de tweede helft der XIXde eeuw.#
„Och, Amsterdam, jij goeije stad!
'k Wou, dat je meer courage hadt,
Ja meer courage hadt!”
Liedeke van PIET BOCHELJOEN.