I.

De zuid-oost-passaat blies in de volle zeilen. Het fregat Ajax stoof

lustig vooruit door den blauwen plas. Er was vroolijke beweging en leven

op het dek. De zonnetent was uitgespannen. In de schaduw verzamelde

zich een groot aantal der passagiers en der equipage. Ieder toonde dien

morgen bijna een vroolijk lachend gezicht. De Kaapsche stormen waren

gelukkig voorbij met al hun windgebulder, hooge zeeën, slingeringen en

verdere ellenden. De kapitein stond op de kampanje, en keek vergenoegd

naar de breede kringen van zilverwit schuim, die zich gestaag in

het kielwater vertoonden. De stuurman van de wacht verwonderde zich

niet over de rustige vroolijkheid des gezagvoerders, hij stak eene

extra-sigaar op, en dacht aan Amsterdam, aan thuis en aan Lize. De

zeilenmaker zat met zijne maats onder de zonnetent bij den grooten mast

en zong onder 't werk soms een luchtig en los matrozendeuntje. Zelfs de

kleine scheepsjongen, die dagelijks zoo knorrig met een veel te zwaren

last borden kwam aanzwoegen, volbracht ditmaal zijne reis van de kerk

naar de kombuis met een opmerkelijk tevreden gelaat. En Janmaat was op

de voorplecht rondom den fokkemast bezig, om kippen- en ganzenhokken

schoon te maken, om kwinkslagen te smeden, en verlangend uit te zien

naar den derden stuurman met de steenen jeneverkruik en het kleine

blikken bekertje.

Het grootste deel der passagiers liep aangenaam koutend aan

stuurboordszijde tusschen den grooten mast en den bezaansmast op en

neer. Eene dame van rijperen leeftijd en een bleek jongmensch zijn in

druk gesprek. Men klaagt over den langen duur der reis en het reeds

geleden gevaar. Men verheugt zich, dat het schip thans zulk eene goede

vaart maakt. Men spreekt van de aankomst in Nederland. Mevrouw Muntingh

had zich nooit voorgesteld alleen naar Nederland terug te keeren met

hare kinderen. Had niet eene hevige tropische ziekte haar man plotseling

gedood, dan zoude ze eerst twee jaren later met hem voor goed naar 't

vaderland zijn teruggekomen, om in zijne welverdiende rust na zwaren

arbeid te deelen. De jonge Schalcken had nooit durven hopen, zoo spoedig

zijn vaderland te zullen terugzien, maar eene leverziekte had hem

krachtig geholpen, om het gewenscht verlof van de regeering te

verkrijgen.

Beide wandelaars hebben dit gesprek reeds ettelijke malen gevoerd—'t

was al zoo lang geleden, dat ze de reede van Batavia verlaten hadden—en

niet altijd vinden ze nieuwe stof tot een gesprek. Zwijgende beschouwen

ze eene groep, die dicht naast hen luid lachend en schertsend op een

ledig kippenhok bijeenzit. Die groep is hunne aandacht overwaardig. 't

Zijn vijf levenslustige, frissche kinderen en een oud-Indisch soldaat.

De soldaat knutselde schuitjes en figuurtjes uit wit papier, om de twee

jongste meisjes te vermaken. De drie oudste kinderen, een meisje van

elf en twee jongens van negen en acht jaren, zouden ook wel gaarne een

schuitje hebben, maar ze zijn toch te groot, om het te durven vragen.

Allen staren met blinkende oogen naar den kunstenaar, en volgen iedere

zijner bewegingen met ingespannen aandacht. De soldaat is een man van

middelbare jaren, en toch is zijn gelaat gerimpeld en getaand als van

een grijsaard. De groote knevel is bijna geheel wit. De onbevallige

kapotjas, gevlekt en versleten, wordt buitengewoon eerwaardig en deftig

door het ridderkruis der Militaire Willems-Orde.

Aan zijne kniëen staan de twee jongste kinderen, luchtig in 't wit

gekleed, blank, rozenrood, met fijn krullende, blonde hairen. Het oudste

meisje zit op een hoek van 't kippenhok, de nog wat magere armen over

den breeden witten boezelaar gekruist. Haar gezichtje schittert van die

doorschijnende, smettelooze blankheid, welke zelfs de tropische zon

eerbiedigt. De diepe, blauwe oogen zien naar de handen van den soldaat,

alsof ze hem het geheim zijner kunst wilden ontfutselen, doch tevens

verbergt er zich maar zeer onvolkomen eene groote mate van genegenheid

en belangstelling in voor den grijzen kunstenaar, die met bevende

vingeren zijne taak voltooit.

De kinderen van mevrouw Muntingh hadden in den vriendelijken sergeant

Van Laar een gewenschten speelmakker gevonden. Van den eersten dag reeds

af hadden Frits en Willem met hem gesproken, hem gevraagd of 't schip

ook omslaan kon, als 't hard woei, hem verteld, dat ze te Batavia in

zoo'n mooi huis gewoond hadden, en dat ze ieder zoo'n aardig zwart

paardje hadden bezeten. Van Laar had op alles geantwoord naar zijne

korte, flinke, eenvoudige wijze, en niet lang duurde het, of al de

kinderen waren met hem verbroederd, en dagelijks zochten ze zijn

gezelschap. Van Laar had een uitmuntenden trant om met kinderen om te

gaan, hun iets te vertellen, of zoodanig hen bezig te houden, dat ze

zich vermaakten. Hij kende eene groote menigte kleine kunstgrepen, die

een kind gelukkig kunnen maken, hij knipte en knutselde alles uit hout

en papier, wat hunne jeugdige verbeelding zich maar voorstellen konde:

huizen, klapperboomen, paarden, schepen en matrozen.

Ditmaal hebben ze allen eene geruime poos gezwegen. Ieder is vol

belangstelling in den ondernomen arbeid, en wacht vol inspanning, dat

een groot schip met drie masten en volle zeilen van stapel zal loopen.

„Ziedaar, Jetje!”—zegt hij eindelijk tot een der jongste meisjes—„daar

heb je nu een schip als onze Ajax. Een rare naam, jongens, he? Het

schip, waarmee ik uit Holland ben gekomen, heette: de Zeemeeuw!”

„Is dat al lang geleden, Van Laar?”—vraagt Marie, de oudste.

„Al meer dan vijf en twintig jaren, jongejuffrouw! Ik was toen een wild,

jong ventje van zeventien jaar, een rakker, een deugniet, een slecht

mensch!”

„Och kom, Van Laar! dat meen je niet!”

„Toch waar, jongejuffrouw! Ik ben een Amsterdamsche jongen—je weet wel,

Amsterdam, die groote, rijke, brave stad in Holland!”

„Ja zeker!”—valt Frits in—„daar gaan we allen te zaam met Mama heen,

als we in Holland zijn!”

„Nu, zie je, jongelui! ik ben in Amsterdam geboren; mijne

moeder—~kasian~ die brave vrouw!—zat met een stalletje bij de

Eenhoornsluis, en we woonden in een kelder op den Haarlemmerdijk, want

mijn vader was kruier of zoo iets. Ik kreeg slaag genoeg van mijn vader,

maar ik maakte het er ook naar. Later liep ik de deur uit en verkocht ik

zwavelstokken, maar eigenlijk deed ik niets dan ondeugendheden. Toen ik

het al te bont gemaakt had, ging ik als scheepsjongen varen, en zoo ben

ik voor 't eerst in Indië gekomen!”

„En hoe ging het toen verder, Van Laar?”

„Och, slecht! Ik maakte een paar reizen, en eindelijk joeg de kapitein

mij weg. Ik wist dadelijk, wat ik doen zou, en nam dienst naar

Oost-Indië. Het waren harde jaren, die volgden. Ik gedroeg me slecht,

en viel van de eene zware straf in de andere. Eindelijk kwam er eene

expeditie. Bij iedere schermutseling met de blauwen vocht ik als een

razende, want ik gaf in dien tijd geen duit voor mijn leven. Op het

laatst, toen onze compagnie eene ~benting~ moest bestormen, vloog ik

zelf het eerst met gevelde bajonet in de bres. Ik stak als een duivel

onder de blauwen rond, die met ~klewangs~ en ~goloks~ me wel honderd

keer hadden kunnen van kant maken, maar mijne kameraden kwamen er ook

bij, en zoo brachten we dat troepje spoedig tot zwijgen. Ik pakte zoo'n

blauwen Prins, die ons al veel kwaad had gedaan, en bracht hem levend

bij mijn kapitein. En zie je, jongens! daarom heeft onze geëerbiedigde

Koning Willem III mij dit kruis gegeven!”

Van Laar was bij de laatste woorden opgestaan, en maakte langzaam het

militair saluut.

„Dat was heerlijk, Van Laar!”—riep Marie uit, wier oogen van geestdrift

fonkelden.—„Wat zal je moeder toen blij geweest zijn!”

„De arme ziel! God weet, of ze het ooit gehoord heeft!”

„Heb je haar dan geen brief gestuurd?”

Van Laar legde peinzend papier en schaar weg. Zachtjes het hoofd

schuddend stond hij op, en liep schielijk naar de voorplecht.

Nederlandsche dames en heeren: Novellen · 第 6 / 58 题