Ik voer mijn kindren, stad aan 't Sparen
Ter beevaart in uw vesten om;
Uw schansen worden tot altaren,
Elk bolwerk tot een heiligdom,
Daar zullen ze in uw tempelzalen,
Den eed van Hannibal herhalen,
En, dankbaar juichend keer op keer,
Aan Haarlem's heldenmoed herdenken,
Hun tranen aan die leeuwen schenken,
En keeren dan gemoedigd weer.
Helmers.
Terwijl heel ons vaderland over Haarlem's val rouw droeg, maar ook
al de steden, welke zich om Oranje hadden geschaard, Haarlem's roem
verhieven, bleef het lot der gevangenen in een donker verschiet. Werpen
wij een blik in hun kerker!
Het is eene langwerpige, vierkante ruimte met baksteenen wanden en
een verwulf, waarop voortdurend droppels, parelen, tengevolge van
opstijgende dampen, die de borst dreigen te verstikken. Deze dampen
schijnen zich door de luchtgaten met ijzeren traliën geen uitweg te
kunnen banen; ze blijven zwaar hangen, evenals het nevelachtige lot,
dat op de helden drukt. Er is licht genoeg in het vertrek om het stroo
te kunnen zien, dat langs de wanden, den steenen vloer bedekt,--licht
genoeg om hier en daar een groot watervat, enkele steenen kruiken en
menig homp hard en grof brood te kunnen onderscheiden. En hen, die
zich iederen avond op dat stroo nederwerpen, kennen wij: wij weten,
wie die schrale waterdronk, dat grove brood drenkt en voedt. Het
zijn mannen, aan de gemakken en het genot des levens gewoon; het zijn
achtbare regeeringspersonen, gegoede, sommigen zelfs rijke burgers,
wier vroegere rang of stand in de maatschappij hun zulk een armzalig
lot te zwaarder moet doen vallen,--en zelfs de weinigen, wier gewone
burgerstaat of betrekking hen op geene onderscheiding aanspraak geeft,
gevoelen het bittere en volslagene gemis van alles, wat zij vroeger
genoten.
Welk een contrast! aanzienlijke personen in deftig gewaad op een hoop
vunzig stroo te zien uitgestrekt! Een Kies, Stuiver of Van Duivenvoorde
aan eene harde beschimmelde broodkorst te zien knagen! Een Pellikaen
of Hasselaar de steenen kruik met half onzuiver water aan de lippen te
zien brengen! Maar nog grooter contrast, hen, die gewapend zoo lang,
zoo fier het hoofd opbeurden, thans weerloos en gebogen te zien in een
hol, nog te slecht en rampzalig voor booswichten. En hoeveel dagen
waren er niet reeds in dien bangen toestand doorgebracht! Reeds was
Barendse onder gebrek en kommer bezweken, en het vroedschapslid Loef
Baartsen was hem een paar dagen later gevolgd. De meesten klaagden
over een somber, loom gevoel, en zekere koopman op de Beek, Arend
Dirksen geheeten, was de eerste, die door het bros worden van de
tanden en de vlekken op het lichaam die vreeselijke kwaal verried,
welke onder den naam van scheurbuik bekend is.
Op zekeren morgen--het was Dinsdag de achttiende Augustus--werd een
der stroolegers door de gewezen burgemeesters Kies en Stuiver, door
Hasselaar, Van Duivenvoorde en anderen omringd. Het was het leger van
den Onbekende: sedert een paar dagen was ook hij door de kwaal bezocht
geworden, en zooeven had de cipier hem aangezegd, dat hij zich gereed
moest maken om binnen een uur de gevangenis te verlaten. Geen wonder,
dat er nu allerhande gissingen gedaan werden; want het raadselachtige
van den man, zijne bijzondere dapperheid, zijne lijdzaamheid, de
vroomheid, waarmede hij van den dag zijner gevangenneming af onverpoosd
gebeden en in Gods woord had gelezen--alles deed de belangstelling
ten zijnen opzichte nog grooter zijn.
--»Maar waarom staat gij niet op van uw stroobed?« vroeg hem Pellikaen,
»ons allen wacht de dood, maar gij zult leven en vrij zijn. Is er nu
geene vreugd in uw gemoed?«
--»En de kwaal, die u heeft aangetast, zal van u wijken, wanneer gij
dit vunzig hol zult hebben verlaten,« sprak de schout Van Dordt.
--»Zoo gij vrouw en kind hebt,« zeide Van Duivenvoorde, »is de hoop
groot, dat gij hen zult wederzien. En gij blijft daar onbeweeglijk. O,
hadt gij het tooneel aanschouwd in mijn huis op den dag, toen ik
afgescheurd werd van vrouw en kind.... nog rilt een ijskoude angst door
mijne aderen. Voorzeker! gij hebt geene panden, die u dierbaar zijn.«
Had de Onbekende op de woorden van Pellikaen en Van Dordt gezwegen,
thans richtte hij zich ten halve op, bleek en mager als een
koortsige. Met een gefronsten wenkbrauw zag hij Van Duivenvoorde aan
en scheen een paar onverschillige woorden te zullen spreken. Doch
opeens werd zijne tong als ontboeid, en op hartstochtelijken toon
riep hij uit:
--»Ja, gij zegt wèl: ik heb vrouw noch kind; geen liefdekus heeft ooit
mijne lippen aangeraakt; nooit heeft een hart gloeiend tegen het mijne
geklopt; nooit dartelde een kind mij te gemoet of noemde mij vader;
maar wat meer is--ik heb geen vader of moeder geliefkoosd, omarmd,
gekust; de banden der natuur heb ik nooit gekend.... Wat voor anderen
gloeide, was voor mij koud als ijs; wat voor anderen vrucht droeg,
was dor en naakt voor mij. Geleefd heb ik, zonder de liefde te kennen,
en ongeliefd zal ik ook sterven; want spreek niet van leven, van vrij
zijn--het bloedige zwaard, dat Ripperda deed vallen, staat ook naar
mij; mijn hoofd zal in het zand rollen! de beul wacht mij.«
Allen, die zijne legerstede omringden, zagen hem met verbazing en
toenemende belangstelling aan; doch sommigen meenden, dat hij als in
koortshitte ijlde.
--»Wat reden hebt gij om te denken, dat u de beul wacht?« vroeg
Pellikaen. »Neen, gij zult vrij wezen, maar wij allen, die Haarlemmers
zijn, zullen vergaan.«
--»Vrij wezen!« hernam de onbekende, »ja, vrij wezen van de boosheid
dezer wereld; want in de armen van den dood bereikt ons die niet
meer. Ik zeg u allen: het beulszwaard toeft mij, en toch--één woord
zou mij kunnen doen leven; wanneer mijn mond zich wilde openen--dan
zou het opgeheven zwaard mijn hals niet aanraken; de mannen van Babel
zouden hun bloeddorst niet op mij koelen.«
--»Hij is ijlhoofdig,« fluisterde de een.
--»Ja, de kwaal heeft zijn verstand aangegrepen,« voegde een ander
er bij, en allen zagen hem strak aan.
--»Gij denkt, dat ik in waanzin spreek,« hernam nu de onbekende,
met de hand aan den doek, die zijn oog bedekte. »Maar gij dwaalt. Ik
heb met u gestreden voor het geloof: ik wil u ook mededeelen, wie ik
ben, eer ik sterf. Gij allen hebt den man gekend, die eens de vriend
van Oranje was, den man, tegen wien de haat als eene vurige kool
brandde,--den man, die in Nederland de nieuwe bisdommen invoerde,
de slavernij en den brandstapel bracht; gij allen hebt den man uit
Ornans (eene stad in Opper-Bourgondië) den kardinaal Van Granvelle
gekend?.... Welnu--hoort het thans: Die man is mijn vader!«
Onder deze laatste woorden rukte hij den band van het oog weg, en--wie
zonder dat de woorden misschien had gewantrouwd, twijfelde thans niet
eens, zooveel sprekende gelijkheid kwam er nu te voorschijn tusschen
den gehaten vader en den zoon.
---»Hij! is het mogelijk? de zoon van dien aartshuichelaar?« fluisterde
de een.
--»Van dien vertrapper onzer voorrechten en vrijheden?« zeide een
ander, en als door een tooverslag trad opeens voor ieders geest--niet
de schoone, begaafde man, die vaardig vijf talen sprak en schreef,
niet de schrandere geleerde en ervaren staatsman als hij was, maar
de duivelsche Antonio Perenot, die het huis te Eterbeek bewoonde
»die smidse waar de slavernij werd gesmeed, waar hij zijne geheime
brieven aan Spanje schreef«--de diep verachte en daarom ook verjaagde
kardinaal Van Granvelle---men zag diens zoon voor zich, en de verbazing
bij velen groeide aan met nieuwe verbittering; want velen zagen nu
ook in den kardinaal als het ware de eerste aanleiding tot het lot,
dat hen thans trof. Eer echter iemand die verbazing door eenige vraag
uitdrukte, stond de zoon van Granvelle in zijne volle lengte op en
hernam op krachtigen toon:
--«Twijfelt gij dus of ik leven zou? Maar niets wil ik te danken hebben
aan een naam, die de vlek der ontucht en oneer op mij wierp. Mijn
mond zal stom zijn als het graf, dat mij wacht. Granvelle heeft mij
verachtelijk verstooten, en toen mijn geest rijp was om de leer van
den booze af te zweren, toen heeft hij mij vervolgd, verjaagd, als
rampzalige balling doen omzwerven. Toen kon mijn voet geene rust vinden
dan in het waarachtig geloof; dat geloof heb ik omhelsd, warm, vurig;
ik heb er het zwaard voor aangegord, er voor gestreden, zooals het
een Christenheld betaamt. Nu zou ik leven om het te hooren bespotten,
belasteren uit den mond der hel? Neen, nooit! het leven moge zoet
wezen,--bitter, wrang is het tegen dien prijs. Sterven zal ik--maar,
Vader in den Hemel! het zal zijn in het heilig en waarachtig geloof
aan Christus, Uwen Zoon.«
Onder deze laatste woorden en den indruk, dien zij teweeg brachten,
werd de deur der gevangenis geopend, want het uur was verstreken. Eer
Granvelle echter den cipier volgde, deed hij den band weer voor zijn
oog, bood zijne medegevangenen de hand aan en zeide:
--»Vaartwel, geloofs- en lotgenooten! vaartwel! draagt uw lot als
mannen, en bestrijdt het als martelaars voor het geloof; bidt tot
God nacht en dag, zingt psalmen en looft Hem! en moet gij sterven als
ik--dan zij het met den naam van uw Verlosser op de lippen. Vaartwel,
broeders! blijft sterk in het geloof.«
Allen zagen hem getroffen aan. IJlings stak hij nu zijn bijbel onder
zijn kleed, sloeg nog eens een blik door het gevangenverblijf en
zeide vervolgens met eene vaste stem tot den cipier: »ik ben gereed.«
Zonder verder een woord te spreken, verliet hij het gevangenhol. Het
zwaard, dat nog dienzelfden dag zijn hoofd in het zand deed rollen,
behoedde hem voor den smartelijken dood aan de kwaal, die hem reeds
aangegrepen had.
Dien dag en nog daarna werden er onder de gevangenen vele gesprekken
gevoerd over den zoon van Granvelle;--sommigen dachten nog, dat hij
den dood wel zou ontgaan, doch de zekerheid aangaande zijn lot zoowel
als hunne eigene toekomst bleef hun onbekend. Het tegenwoordige echter
was reeds bang en ijselijk genoeg; hun lijden groeide met elken dag,
brak het uur van den slaap af, maakte den nacht tot ochtend, den middag
tot nacht. Nu eens greep verontwaardiging, dan weder neerslachtigheid
sommigen aan, terwijl de storm der ziel aan anderen de zinnen scheen
te benemen. Zoo verliepen, neen, zoo kropen de dagen en weken om,
en de kwaal, die reeds Barendse en Loef Baartzen had doen bezwijken,
had, tegen de helft der maand September, in een hevigen graad ook den
braven Pellikaen aangegrepen. Hij kon van zijn ellendig leger niet
meer opstaan; zijne vroeger blozende kleur was aan het bleeke van
den dood gelijk geworden; de loomheid was in kortademigheid en een
machteloos gevoel overgegaan; de minste beweging viel hem onmogelijk
en hij gevoelde door al zijne leden die smartelijke gewaarwording,
welke tot op het gebeente doordringt, en die altijd het hevigste
tijdperk dier kwaal kenmerkt.
--»Neen, ik voel het; weldra zal het met mij gedaan wezen,« zeide
hij, toen Hasselaar, den altijd zwaartillenden vriend door eenige
woorden hoop en moed had willen inspreken,--»gij meent, dat ik weer
donkerheid zie, waar 't slechts schemering is; gij denkt, dat ik
weer een rotsblok op mij meen te voelen, die niets meer is dan een
lichte steen; maar gij bedriegt u, mijn vriend! de dood, die mij
op den wal steeds ongedeerd liet, zal hier de magere hand naar mij
uitstrekken. Morgen, mijne vrienden, zal in dit hol voor een man meer
ruimte zijn.«
--»Ruimte!« zeide Maerten, een apotheker, die onder de vroedschapsleden
behoorde, welke den tienden Juni aan den vorigen magistraat waren
toegevoegd geworden, en die insgelijks door de beginselen van de
scheurbuik was aangetast, »ruimte!« zeide hij somber en moedeloos,
»het enge van een graf is meer te wenschen dan de ruimte van deze
gevangenis;--zonder artsenijen uit mijn winkel zullen wij man voor
man de prooi worden van den dood.«
--»Dat is niet Christelijk gesproken,« zeide Hasselaar; »zoo spreekt
iemand, die zonder hoop is. Ik bouw niet op de krachten van mijne
jonkheid; want dat zou wezen als een dwaas, die steunen wil op
een stroohalm; maar ik bouw op den Heer, Die goed en machtig is en
onverwachts redden kan.«
--»Denkt gij, dat ook ik zonder hoop ben?« vroeg Pellikaen, met eene
pijnlijke stem, en hij wilde de hand uitstrekken naar een kleinen
bijbel, die onder zijn strooleger lag; doch op eens gaf hij onder die
beweging een smartelijken kreet. »Ik kan er niet meer bij,« ging hij
voort, »maar gisteren nog wel, en toen las ik in den acht en dertigsten
Psalm: »mijn hart keert om en om; mijne kracht heeft mij verlaten;
mijne liefhebbers en mijne vrienden staan van tegenover mijne plage,
en mijne nabestaanden staan van verre.«--o Wee! zoo is het ook mij;
zoo lang de smart van 't lichaam ons niet aantast, kan men moedig
wezen, maar als die doordringt tot op het gebeente, dan is het zoo
bang. Morgen zal ik er niet meer wezen! donker graf, gij wacht mij;
wat mij het liefst is, zal ik niet meer zien.«
--»Dat weet gij niet,« hernam Hasselaar, terwijl hij de hand uitstak
naar den bijbel, »er staat ook geschreven: »Hij zal mij aanroepen;
en Ik zal hem verhooren; in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn;
Ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken.««
--»En denk om Gerrit Van der Laan,« zeide burgemeester Kies, »wat
hem wedervaren is, kan ook nog uw deel wezen. »Vrees niet« zegt de
psalmist »voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt; voor
het verderf, dat op den middag verwoest.««
Inderdaad was hopman Gerrit Van der Laan, over wien Kies sprak,
al spoedig na zijne gevangenneming weder vrijgelaten. Hij was tegen
twee dochters van Sebastiaan Kraanhals uitgewisseld geworden; en wij
vinden dien verdienstelijken verdediger van de Spaarndammer-schans
en Haarlem, bij de belegering van Leiden als kapitein over eenige
Engelsche en andere soldaten terug; en die Gerrit Van der Laan, die
later kastelein van den prins op het huis te Warmond was, zal wel
niemand anders geweest zijn dan diezelfde zoon van den burgemeester
Nicolaas Van der Laan.
Toen Kies de laatste woorden gesproken had, was het ongeveer
middag, het uur, waarop aan de gevangenen het karig voedsel werd
uitgereikt. Het gerammel der sleutels liet zich weldra hooren; de
zware deur werd geopend, en de cipier benevens een der wachthebbende
soldaten traden met de broodmand binnen. Kies snelde als gewoonlijk
naar de deur; want hij dacht als altijd aan eene afspraak met Gerrit
Van der Laan.
--»Hier is een kop boter voor burgemeester Kies!« zeide de soldaat tot
dezen, terwijl hij hem tevens ongemerkt een brief in de hand stopte;
»laat hij ze proeven, en vindt hij er smaak in, dan bestelle hij er
meer van.«
--»Hij heeft dus woord gehouden,« zeide Kies, den brief vertoonende,
toen zij vertrokken waren en de deur weer gesloten was; »mannen
broeders, ik heb tijding van onze vrienden! God zij lof.«
--»Kom bij mij!« liet zich de zwakke stem van Pellikaen hooren, die
met moeite het hoofd van zijn strooleger oprichtte, toen hij deze
woorden hoorde.
--»Ja, bij hem,« zeiden Van Duivenvoorde en Hasselaar bijna tegelijk,
»dat zal hem mogelijk wat opbeuren in zijne smart.«
Kies begaf zich nu naar de legerstede van Pellikaen; al de lotgenooten
omringden hem ongeduldig, en de eene vraag verdrong de andere; want
hoe donker en kommervol hun eigen toestand ook ware, kon het hun
niet onverschillig zijn, iets te vernemen aangaande hen, die zij
hadden achtergelaten.
--»God zij lof!« riep Kies uit, »ik zal lezen met luider stem: Hoort
mij aan.«
Het schrift was van den volgenden inhoud:
»Aan al mijn lieve vrienden in ie gevangenis!
»»Eerst en vooral meld ik, dat, voor zooveel mij bekend is,
in uwe huisgezinnen ieder gezond is naar het lichaam; en dat
zegt reeds veel, waar de geest elken dag zooveel schokken moet
lijden;--want de toestand in de vest is nog al benauwder en
deerlijker geworden. Op den dertigsten Juli ontstond er een
groot oproer onder de soldaten van Frederico; zij drongen aan
op de voldoening van acht en twintig maanden soldij en op eene
belooning voor het bemachtigen van de vest--want zoo noemen
zij het, hoezeer de stad door honger is overgegaan. Die buiten
de poort waren, stoven met wilde kracht naar binnen om den roof
gelijkelijk te verdeelen. Onder het bulderen van de slangstukken
trokken er tegen den avond ruim vier duizend Spanjaarden binnen
en--toen zag het er droevig uit; want gedurig stelden zij nieuwe
oversten en kapiteins aan met verwerping van de oude. Het was een
gevloek, geschreeuw en alarm zonder ophouden, door al de straten,
en ieder vreesde, dat er woestaards in zijne woning zouden stuiven
om nog het allerlaatste te kapen. Erger werd het den anderen dag,
toen er nog veertien bassen en serpentijnen inkwamen: niemand
durfde op straat komen, uit vrees het Kaïns-gespuis in den mond
te loopen. Vergeefs, dat Frederico al zijne soldeniers te hoop
bracht en aan Lopez de Acuna gebood, de oproermakers met een
regiment ruiters te lijf te vallen. Op eenigen afstand gingen
deze op den grond liggen. Vergeefs, dat de heer Van Billij met
de Walen op hen aantrok; deze dreven er nog grooter spot mede;
want zij laadden hunne loopen met zand en bliezen hunne lonten uit.
»»Dagen achtereen duurt het oproer en alarm nu al voort. De
soldaten, die bij de burgers zijn ingelegerd, nemen in weerwil
van de belofte, weg, wat hunne hebzucht aanstaat, en gij zijt de
eenigen niet, mijne vrienden! die van uwe kostelijke schilderijen
beroofd zijt; uit het huis van Jakob van Heuzen en IJsebrand
Willemsz hebben zij ook een stuk medegenomen, en dit is zeker op
last van Auecia, die zich de meeste er van toegeëigend heeft. Maar
wat u allen meer leed en pijn zal doen, is, dat onze brave vriend
Boreel het gespuis in handen is gevallen. Zaterdag den achtsten
Augustus vernieuwden de oproermakers het rumoer, ofschoon de
markgraaf Van Centona hun belofte van betaling had gedaan. Onder
die opschudding en verwarring zocht Boreel uit de stad te geraken;
maar hij werd ontdekt....««
--»Eilaas!« viel de vaandrig Hasselaar hier den burgemeester op
droevig spijtigen toon in de rede; »waarom aldus! was hij dan niet
veilig meer in mijn moeders huis?--En Anna!--gewis ook zij?«
--»Stil!« riepen eenige gevangenen. »Eerst het lezen ten einde
gebracht.«
Hasselaar zweeg, hoewel het hem moeite kostte, bij dit bericht zijn
gevoel te bedwingen,--en brouwer Kies ging met het lezen van den
brief voort:
»»maar hij werd ontdekt, en is, gevangen, naar Schoten geleid;
de Heer neme hem in Zijne hoede, doch voor zijn lot vrees ik
zeer,--veelmeer dan voor de Duitschers, die insgelijks, na
ontwapend te zijn een dag te voren naar Schoten zijn gevoerd;
want ik verneem, dat die altegader naar Duitschland zullen
terugkeeren. Ik wensch hun het kwade niet; maar zoo het waarheid
is, dan behoeven wij niet verder te vragen, of dit het loon is
van hunne diensten aan den Spanjaard.
»»Meer dan eens moet ik de pen neerleggen. Bij de bangheid
die het oproer veroorzaakt, hebben wij nochtans veel reden
tot dankbaarheid jegens God, aangezien er nog slechts zes en
negentig duizend achthonderd zes en zeventig gulden voor den
afkoop van de plundering, zijn opgebracht, en Bossu de uitgeputte
burgers toch de rest niet afperst. Maar er is ook geene vrucht
te trekken van een dorren boom in uitgemergelden grond; te meer
daar wij gedwongen zijn, om aan vier duizend Spaansche soldeniers
huisvesting en onderhoud te geven, en ik zelf heb er vijf in mijn
huis. Evenwel is er de wil om de gansche bloedsom te voldoen. Aan
mr. Van der Mathe en aan Hendrik van Wamelen zullen de burgers
volmacht geven om honderd vijftig duizend gulden elders te lichten,
tegen zulke renten, als zij zullen kunnen bedingen. Maar het zal
al te vergeefs wezen; want men zal ons tegader als veel te arm
aanmerken om ons zulk eene ontzaglijke som ter leen te geven. Ook
Zijne Doorluchtigheid kan over geene penningen beschikken! want
denkt eens, dezer dagen hebben zich twaalf Spanjaarden, als
Oostersche kooplieden verkleed, te Leiden bij hem vervoegd,
zeggende, dat zij hem een blijk wilden geven van hunne genegenheid,
door het aanbod om de stad weer in zijne handen te stellen voor
eene belooning van veertig duizend pond (gulden). Maar wat was
het? Zijne Doorluchtigheid geene kans ziende, om deze som bijeen
te brengen, heeft met smart het aanbod van de hand moeten wijzen.
»»De Duitschers hebben getriomfeerd! De wakkerheid wordt gestraft,
de lafheid geëerd. Onder voorwendsel, dat zij in het beleg kerken
noch kloosters hebben geplunderd, zijn zij vrijgelaten. Vijfhonderd
in getal, hebben zij te Schoten gezworen, Zijne Doorluchtigheid of
de zijnen nimmermeer te zullen dienen; met een halven rijksdaalder
reisgeld zijn zij door een vendel ruiters naar het Geldersche
kwartier uitgeleide gedaan. Maar wat is er gebeurd, zoodra
zij op de hoogte van Nieuwerkerk zijn gekomen? Sonoy nog den
Diemerdijk bezet houdende, heeft hun aantocht vernomen en drie
goed bemande galeien, onder bevel van de kapiteins Hegeman en
Broekhuizen op hen afgezonden. Deze hebben hen te Nieuwerkerk
achterhaald en in den nacht zoo onverwacht en fel besprongen,
dat al de Spaansche ruiters zich op de vlucht hebben begeven
en voor het grootste deel in de pan zijn gehakt. Sonoy heeft
hen tot wraak aangespoord over 'tgeen zij in het beleg verduurd
hebben, en hij heeft reeds aan de steden in het Noorderkwartier
om wapenen geschreven; want de Duitschers zullen weer in dienst
van Zijne Doorluchtigheid blijven. Voorwaar! zij wegen hunne
eeden niet op de goudschaal. Hunne zes hoplieden zijn nog altijd
te Schoten gevangen, en deerlijk ziet het er voor hen uit; want
wat Sonoy gedaan heeft, zal wel op hunne hoofden te huis worden
gebracht.--Frederico en Romero zijn verwoed van gramschap....
»»Mijne lieve vrienden! hoort gij in uwe gevangenis het akelig
geluid van den doodenmarsch niet? Nog heeft er geen bloed
genoeg gestroomd,--nog is de Spanjaard niet verzadigd van
moord. Schotten, Engelschen, Franschen en Walen zijn door het
beulszwaard omgebracht, driehonderd in getal. Eilaas! de schrik is
weer aangegroeid; de henkers hebben geslapen, om nieuwe krachten
te vergaren; het zwaard heeft geslepen moeten worden om scherper
van snede te zijn.--De machtige hemel bescherme u allen in uw
donker lot!««
--»Wien gebrek of krankte hier verschoont, zal slechts verschoond
worden, om te vallen door het zwaard,« zeide Pellikaen met een somber
smartelijken blik, toen burgemeester Kies eenige seconden met lezen
ophield; »dwaas is hij, die naar verlenging wenscht van zijn leven;
want het is verlenging van ellende, en het einde zal toch de dood
zijn.«
--»Neen, ik heb weer hoop,« zeide IJsebrand Staatszen Hageman, die
vroeger kerkmeester was geweest, »eindelijk toch worden de tijgers
zat! Weer het bloed gedronken van driehonderd! ha! zij zullen weldra
verzadigd zijn.«
De toon, waarop deze woorden gesproken werden, had een akeligen gloed,
en in de oogen van den spreker lag iets koortsachtigs, het doellooze
en onbestemde van den krankzinnige, dat de aandacht van den naast
hem staanden burgemeester Stuiver bijzonder tot zich trok.
--»Laat ons stil wezen, mijne vrienden!« zeide hij, »het geschrift
is nog niet ten einde.«
En terwijl Van Duivenvoorde met gretig, belangstellend oog aan het
gelaat van Kies hing, ging deze weder voort:
»»Den twaalfden Augustus. Eindelijk is de muiterij van de soldaten
gestild; het is, alsof de vreeselijke moord van gisteren de
oproerigen tot nadenken en tot de vrees heeft gebracht, of het
hun niet eveneens zou kunnen vergaan. Maar de eigenlijke zaak is,
dat de markgraaf van Centona er een einde aan gemaakt heeft, door
aan ieder man zestien kronen uit te betalen tot eene belooning,
en veertien op rekening van de achterstallige soldij. Frederico
is met grooten triomf binnengehaald, maar men zegt, dat hij links
en rechts de blikken van zijn vader sloeg, als zocht hij naar de
belhamels, om hen later gevoelig te straffen. Wat ik nochtans met
zekerheid weet, is, dat Vader, Steenbach, Gunster en Schram van
Brunswijk met groote moeite de gunst van hem hebben verworven,
om hunne makkers Bebekoth en Feltweifel met drie brieven van
hunne hand af te vaardigen. Een dezer brieven is gericht aan de
oversten en hoplieden van het krijgsvolk van Zijne Doorluchtigheid
in Waterland; de tweede aan Joachim Nieuwvink, provoost-geweldige
aldaar, en de derde aan vijfhonderd Duitschers zelven. Met kracht
van woorden hebben zij in deze brieven gebeden, om de soldeniers,
die onder hen gediend hebben, toch niet in de dienst van Zijne
Doorluchtigheid te laten overgaan, daar zij anders gewis door
beulshanden zouden moeten omkomen. Er is nog geen antwoord
ontvangen; maar zoo Sonoy weigert, hieraan te voldoen, zal hun
vonnis spoedig geveld wezen.--Lieve vrienden! eene zaak zal u
grootelijks tot verheuging wezen. Weet dan, dat Kenau Symons
uit Haarlem is geweken. Men zegt, dat zij zich naar Leiden heeft
begeven tot Zijne Doorluchtigheid; het zal later blijken of het
alzoo is. Wie weet, wat de wakkere vrouw in den zin heeft! Dat
de heilige maagd Maria haar behoede, die de pronk is der vrouwen,
en dat zij het loon ontvange voor hetgeen zij gewrocht heeft tot
de glorie van onze stad!«
--»Mijne moei!« riep Hasselaar met geestdrift--en op zijn verbleekt
gelaat kwam een blos te voorschijn; »nu ik weet, dat zij veilig is,
valt mijne gevangenschap mij niet half zoo zwaar.«
Ook Van Duivenvoorde, Stuiver en anderen drukten door eenige woorden
hunne blijdschap en erkentelijkheid uit, en in die erkentelijkheid
lag tevens dat gevoel van bewondering, hetwelk wij ook nu, na bijna
drie eeuwen, haar nog zoo gaarne wijden. Alleen op de lippen van
den zwaarmoedigen Pellikaen kwam de half verstaanbare uitroep:
»Veilig! niets beveiligt ons voor den Spanjaard dan de dood!«
--»Het geschrift is hier afgebroken,« zeide burgemeester Kies, »maar
aan de andere zijde is nog iets te lezen: laat ons zien.«
Nu vervolgde hij weder:
»»Ik ben bedrogen, mijne vrienden! in mijne verwachting. Reeds
had ik een der soldeniers, die in mijn huis zijn, gewonnen, en
het was zijne beurt om de wacht te hebben aan uwe gevangenis. Maar
hij is, als bode, afgevaardigd naar Nijmegen, en mogelijk zullen
er nog wel veertien dagen verloopen, eer hij u dit geschrift kan
ter hand stellen--maar laat ons hope hebben!
»»Het is nu de dag van onze lieve-vrouwe-hemelvaart. Terwijl
ik schrijf, gaat de bisschop Godefried van Mierlo met al de
geestelijkheid naar de St.-Bavo's-kerk, om die op nieuw in
te wijden.------De tekst van zijne leerrede is uit psalm zes
en twintig, »Heer! ik heb de schoonheid van Uw huis bemind
en de woonplaats van Uwe heerlijkheid!«--In tegenwoordigheid
van Frederico wordt de heilige mis gezongen, en Amerangius,
de secretaris van den bisschop, houdt hem negen artikelen voor,
die hij plechtig bezweert. Helaas! onze stad is de stad van den
beschermer van roomsch en onroomsch niet meer.
»»Mijne ziel is verslagen, mijne vrienden! Het is de achttiende
dag van Augustus; een van ulieden heeft de gevangenis verlaten, en
mogelijk denkt gij, dat hij vrij zal wezen; maar, groote God! het
is avond en--de zon is in bloed ondergegaan. Hij, de wakkere
Lancelot van Brederode, Rosoni, Boreel, zij zijn niet meer. Te
Schoten zijn zij gevallen onder het zwaard van den beul: Dotin,
Vimi, Enkhuizen, Mandarez, Michiel,--maar gij kent hen, die aan
uwe zijde vochten, die niet minder dapper streden voor het heil
van onze stad. Achttien hoplieden in het getal hebben voor den
zandkuil geknield; moedig hebben zij den dood ondergaan. Weerhoudt
uwe tranen niet, mijne vrienden! ook de mijne vloeien op dit
geschrift. Het is met hen gedaan; geen hunner ziet een ander
vaderland weder dan het vaderland in den Hemel. Een soldaat, die
bij hun dood tegenwoordig was, heeft mij gezegd, dat Rosoni en
Boreel, maar vooral Brederode, met ongemeenen moed gevallen zijn,
en dat de laatste woorden van Brederode waren: »»Ripperda! ik volg
u, met het oog op God!«« Zoo heeft dan Alva hem eerst beroofd en
daarna gebannen, en de zoon hem vermoord! maar zoomin de zoon als
de vader kan hem de glorie rooven, dat hij het vaderland gediend
heeft met onwrikbare trouw. De heilige moeder Gods neme hem en
allen op in heerlijkheid!««
Verpletterend was de indruk, dien deze tijding op de gezamenlijke
gevangenen teweegbracht. Ook Kies moest het lezen staken; want de
tranen werden uit zijne oogen geperst. Pellikaen sloeg eerst in stille,
sombere smart de blikken naar boven; vervolgens richtte hij pijnlijk
het hoofd op, en zeide op bitteren, maar diepgeroerden toon tevens:
»Heere Christus! zoo ik om iets nog wenschte te leven, dan zou het
zijn om wrake te nemen over dien moord.«
--»Arme Anna!« zeide Hasselaar met droevige stem, »hij gevallen! wie
zal u nu troost geven?«
--»Brederode!« riep Van Duivenvoorde, »wakkere vriend, die zoo dikwijls
aan mijne zijde stond; zoo trouw, zoo oprecht, zoo rond! ook uw bloed
gestort.... eilaas! hadde ik u nog maar eenmaal de hand mogen drukken.«
--»Dat is het sein tot den moord van ons allen!« hernam Pellikaen,
»gewis, de beul zal ook ons van hier slepen.«
--»Bloed, niets dan bloed!« riep IJsebrand Staatszen Hageman,
terwijl hij de wild rollende oogen naar de deur der gevangenis sloeg,
»hoor! hij komt al! de ketens rammelen!--ziet--hij heeft het zwaard
in de vuist; er kleeft bloed aan.«
--»Bedaar, mijn vriend!« zeide Kies, »laat geene wanhoop u
aangrijpen. De Heer zal ons behoeden; maar laat ons niet ophouden
met het gebed.«
--»Ja, moed, mannen broeders!« zeide Stuiver, »zwaar is onze
beproeving, donker ons lot; maar groote rampen zijn de proefsteenen
voor het gemoed: eenmaal zullen zij ons in rekening worden gebracht
en na al het geledene den overgang zooveel te heerlijker maken.«
Eene geruime poos nog gaf ieder lucht aan zijne gewaarwordingen;
want de wonden waren weer feller opengereten; langzamerhand echter
begon de storm te bedaren, en ofschoon de golven nog hoog gingen,
hoorde men het ruischen van den wind niet meer.--Weer sloeg Kies de
oogen in het geschrift, en hij vervolgde aldus:
»»Nog is de Duitsche soldenier niet teruggekeerd, en zonder zijne
hulp faalt mij de kans om u dit geschrift in handen te doen komen.
»»Wij zijn van de Spaansche soldaten verlost. Gisteren kwamen
zij in de kerk om gemonsterd te worden; maar verstaande, dat men
hen van de leening wilde korten, gingen zij, muitende, er weder
uit. Vandaag zijn zij teruggekomen, hebben hun geld ontvangen
en zijn reeds de stad uitgetrokken; maar nog vanavond zal er
Duitsch garnizoen binnentrekken, zoodat wij voor het eene kwaad
het andere in de plaats krijgen, en niet weten, wanneer aan dat
alles een einde zal komen.
»»Zooeven verneem ik, dat Maria van Schagen en Anna Elsen het
Begijnhof zijn binnengegaan. Voor beiden heeft het verledene
donkere herinneringen. Matthijszen en Boreel zijn er toch
niet meer; wat voor Maria en Anna zoo dierbaar was, is haar
ontnomen. Laat ons hopen, dat God allen vereenige op plaatsen,
waar geene scheiding zal zijn.
»»Gij weet, mijne vrienden! dat er nog ettelijke zieken en
gewonden in het gasthuis lagen; tot vandaag toe schijnen zij de
opmerkzaamheid van de Spaansche beulen ontgaan te zijn. Maar--eene
rilling grijpt mij aan, terwijl ik dit nederschrijf--van morgen
heeft ook hun laatste uur geslagen. Op de werf van het gasthuis
zijn allen door het zwaard omgebracht, en om dezen hemelschreienden
moord te verschoonen, zeggen de moorders, dat zij de ellendigen
van hun lijden hebben willen verlossen. Wiens hart zou niet breken
bij zooveel tooneelen van bloed; maar bang en zwaar zal het voor
de plegers zijn op den grooten oordeelsdag!
»»De soldenier is van Nijmegen teruggekeerd, en op hem kan ik
vertrouwen; moge hij nu maar spoedig in de gelegenheid komen,
u dit geschrift ter hand te stellen. Hij heeft de tijding
medegebracht, dat zijne vijfhonderd landslieden verklaard hebben,
niet in de dienst van Zijne Doorluchtigheid te zullen overgaan,
wijl zij geene oorzaak willen zijn, dat hunne gevangene hoplieden
om hunnentwil onschuldig omkomen. Ook heeft Zijne Doorluchtigheid
aan jonker Sonoy geschreven, dat hij de Nassauers kon toestaan,
naar hunne geboorteland terug te keeren. Geve nu de hemel,
dat de wakkere Vader weldra vrijkome! Nog moet ik u, tot uwe
blijdschap, melden, hoe het gerucht gaat, dat burgemeester Van
Vliet zich met zijn huisgezin veilig in Leiden bevindt,--en dat
Zijne Doorluchtigheid besloten heeft, om Kenau eene belooning te
schenken voor de groote diensten, die zij den lande bewezen heeft.
»»Vrijdag den een en twintigsten Augustus. De Duitscher heeft mij
tot mijne smart gezegd, dat hij vooreerst de wacht nog niet zal
hebben. Ik kan dus dit geschrift nog niet eindigen. Maar weet
intusschen, dat Vader, Gunter en de vier anderen vrij zijn, en
dat zij oogenblikkelijk de stad hebben verlaten. Dit blaast mij
nieuwe hoop in, dat alles zich aangaande ulieden nog ten beste
zal schikken.
»»Op last en uit naam van den hertog is hedenmorgen van 't stadhuis
een generaal pardon afgekondigd voor al de burgers. Maar toch
heeft er nog eenmaal bloed gestroomd. Dirk Arentsen de kistenmaker,
Jan van Sanen de koster, Jan van den Bossche de linnenwever, Jan
Heijmanszen de zeilmaker, Klaas Pieterszen Groen de timmerman
en Pieter Govertsen Hoog Geboren de smid, zijn alle zes op het
Zand onthoofd door dezelfde henkers, die eergisteren de zieken
en gewonden in het gasthuis hebben vermoord. Ook zijn de drie
stadskapiteins, die in de groote kerk op het koor begraven waren,
opgedolven, en in de Ramen, dicht bij den Vijfhoek, onder den
grond gebracht. Zoo moet dan de wraak nog woeden op de lijken van
hen, die met zooveel wakkerheid en moed gestreden hebben! maar gij
begrijpt, dat dit geschied is onder voorwendsel, dat het de lijken
van geuzen zijn, en dat deze de oude kerk zouden ontwijden. Mij
dunkt nochtans, dat onze Heer niet op die wijze wil gediend en
geëerd wezen, en dat dit alles, Hem veeleer een gruwel is.
»»Ofschoon gij nu al te zamen, mijne lieve vrienden! buiten het
generaal pardon zijt gesloten, moet ge niet aflaten met hopen,
dat de hemel u in zijne hoede zal nemen, want de Heer--zooals de
psalmist zegt--schouwt uit den hemel en ziet alle menschenkinderen.
13 September. Eindelijk heeft de Duitscher mij gezegd, dat hij
morgen de wacht zal hebben. Ik haast mij dan, dit geschrift te
eindigen. Niettegenstaande het pardon zijn gisteren uit iedere wijk
twaalf burgers bij loting verkozen, om in het beleg van Alkmaar
als delvers te dienen; men zegt ook, dat hun getal van driehonderd
altijd vol zal moeten blijven, hoevelen er ook voor de stad Alkmaar
mogen geschoten worden. Met recht klagen allen over deze schennis
van de toegezegde genade; maar zij krijgen tot antwoord, dat het
niet is tot straf, maar om dienst te betoonen aan den koning,
voor wien zij, als onderdanen, hun lijf en leven behooren te wagen.
Nog niets is mij bekend aangaande u aller lot. God alleen weet
dit. Houdt dus niet op met Hem te bidden in de donkerheid van uwen
kerker,--en het zal licht worden voor uwen voet. Uwe vrienden
zullen u ook niet verlaten, en wat ik kan uitvoeren met mijne
zwakke krachten, om u tot redding te zijn, zal nacht en dag mijne
overpeinzing en poging uitmaken. Ik ben vol hope--moogt ook gij
het zijn.
Al degenen, die in uwe huizen zijn, verkeeren nog in welstand,
wat het lichaam aangaat. Ik moet dit geschrift gaan bezorgen;
want de tijd is daar. Dat het u wel ter hand moge komen, mijne
lieve vrienden! De heilige maagd en haar lieve Zoon Jezus Christus
onzen Verlosser, zijn met u!««
Hier eindigde het geschrift, dat niet onderteekend was, doch aan
de gevangenen zooveel belangwekkends aanbood. Hoeveel indrukken,
hoeveel hartstochten werden er door opgewekt! Hoeveel smart,
bitterheid en weedom hier--hoeveel berusting, hoop en vertrouwen
daar! Welk eene wereld van gevoelens, denkbeelden, gewaarwordingen,
mededeelingen! Hoeveel twijfelingen, hoeveel slingeringen, schemering,
licht en donkerheid; welk een wisselend getij van eb en vloed voor
het hart; hier de golven in den diepen oceaan terugkeerende,--daar
tegen het strand aandringende! Maar dit alles zou toch den donkeren
sluier niet oplichten, die over het lot der gevangenen lag,--en dien
sluier op te heffen, ziedaar onze laatste taak.
Onder ellende en teisterende smart, die van dag tot dag aangroeiden,
was de morgen van den dertienden October aangebroken. Reeds waren
schout Van Bordt en diens onderschout, Jan Cornelisz Sael, bezweken;
daags te voren waren Arent Dirkszoon, Arent de Corter en Laurens
Wijnantzen, na eene korte lichamelijke ongesteldheid gestorven; doch
nog altijd leefde Pellikaen, hoeveel folterende pijnen hij ook reeds
verduurd had. Dezen dag echter zou zijn lijden ophouden.
Naast Pellikaen lag Van Duivenvoorde, die niet minder dan hij, door
de verschrikkelijke kwaal was aangegrepen, doch aan wiens mond geene
enkele klacht ontglipte. De schemering van den October-morgen was
aangebroken:--een verpestende walm heerschte in het gevangenhol. Bij
het leger van Van Duivenvoorde knielde diens luitenant, Jan Arentse
de Jonge, de afschuwelijke ratten verjagende, die van tusschen het
half rotte stroo nu en dan te voorschijn kwamen, aan eene korst brood
knaagden, en over de lichamen der sluimerende of kermende gevangenen
heenliepen.
--»Hoe laat is het!« vroeg een der ongelukkigen, die door een aanval
van pijn wakker werd; en van een paar stroolegers verder klonk het
waanzinnig antwoord:
--»De dood!«
--»Mijne keel is verschroeid; mijne ingewanden zijn enkel vuur!«
riep een ander.
--»Ik sterf van dorst!« kermde Maerten, de apotheker, die hevig ziek
was, »water, beul, water! ik sterf!«
--»Hier hebt ge mijn dronk!« zeide de vaandrig Hasselaar op
goedhartigen toon, »ik ben jong en Godlof nog gezond; drink, totdat
gij verzadigd zijt.« En nu bracht hij den lotgenoot, die de handen
niet meer kon opheffen, de waterkruik aan den mond.
--»Och, Heere! verlos mij uit mijne ellende!« bad een ander en
vouwde de handen. »Vader in den Hemel! de dood zal eene weldaad voor
mij zijn.«
--»Weg, ondier!« riep IJsebrand Staatszen Hageman in eene ijlhoofdige
koorts, en sloeg met de hand naar eene rat, die tegen zijn arm opkroop,
»ik heb geen brood meer, en mijn bloed zult gij niet drinken; dat
behoort aan den beul, die op mij wacht. Daar komt hij! hij is in
't rood, hu!«
En zoo doordringend klonken zijne woorden door de holle gevangenis,
dat zij, die nog sluimerden of sliepen, er wakker door werden.
--»Het wordt licht, heer!« zeide De Jonge tot Van Duivenvoorde,
»hoe is het u?«
--»Donker,« antwoordde Pellikaen, meenende dat de vraag tot hem
gericht was, »o, wat droom vol schrik heb ik daar gehad. Luister De
Jonge! twee uilen steenden een onheilspellend teeken, en er krasten
twee kraaien, terwijl de storm huizen en boomen omversmeet. Akelig
was het watergeklots in mijn oor; ik zag het verdrinken van honderden
dapperen in de Meer,--nare doodstafereelen, niets dan lijken van
't gele vendel, waaraan de visschen knaagden, niets dan geraamten en
schedels op den bodem van den Meer, en duizend Spanjaarden, die bij
dat gezicht lachten en grijnsden, en met rollende oogen knikten. O,
dat was ijselijk, ijselijk, ijselijk! Niets dan neersabelen, Spaansche
klingen en trommen. En dan zandhoopen, rood van bloed; honderden
hoofden rolden heen en weder, en de scherprechters schopten ze met
den voet. Groote God! ik zag een beul, die het hoofd van Ripperda van
den grond opraapte, en toen krassend uitriep: »aan al de Haarlemmers
de strop of het zwaard.«
--»Dat is ontzettend!« zeide Van Duivenvoorde met eene zachte stem,
»maar, mijn vriend, gij vormt u te veel schrikbeelden als gij wakend
zijt. Ook ik droomde van Ripperda en van mijne vrouw: maar welk eene
tegenstelling! hij kwam bij haar als een engel, met den glans van den
hemel op het gelaat; »»Magdalena!«« zeide hij met eene welluidende
stem, »»ween niet, God zal u weldra Van Duivenvoorde in de armen
voeren; hij heeft gestreden als ik voor godsdienst, vrijheid en
burgerstaat; weldra zult gij gelukkig met hem vereend zijn.«« Dat
hoorde ik, en zag toen, hoe hij mijne kinderen kuste: Arthur, Emma en
Adolf schenen engelen, zoo lief, zoo bevallig, met bloemen in de hand;
die boden zij Ripperda aan: o, dat was een gelukkig tooneel! niets
dan blijdschap, vreugde, geluk. En die droom zal verwezenlijkt worden,
Pellikaen!« vervolgde Van Duivenvoorde, »de kwaal zal van ons wijken;
wij zullen beter worden; het uur van onze verlossing zal spoedig
slaan.« Bij deze woorden bracht Van Duivenvoorde zijne hand naar
die van den vriend om ze te drukken. Maar--de hand van Pellikaen
was onbeweeglijk.
--»Wat is dat?« riep Van Duivenvoorde, zich met moeite oprichtende,
doch tegelijk weer neerzinkende.
--»Dood! hemel, hij is dood!« riep De Jonge, zich plotseling tot
Pellikaen vooroverbuigende en diens beweginglooze hand aangrijpende.
--»Dood!« herhaalde Van Duivenvoorde, en op deze woorden ijlden Kies,
Stuiver en anderen verschrikt naar de legerstede.
--»Pellikaen! brave vriend!« riep Stuiver op aandoenlijk somberen toon.
Maar geen antwoord liet zich hooren. Na eene volkomene verlamming
had zich bij Pellikaen het vreeselijkst kenmerk van de kwaal doen
ondervinden; onder de laatste door hem gesprokene woorden, had zich
het bloed met geweld uit de aderen gestort; een plotselijke dood
was er door veroorzaakt; zonder een hoorbaren doodsnik was hij de
eeuwigheid ingegaan.
--»Ja, de Heer heeft hem verlost uit zijne felle smart,« zeide Stuiver,
»maar geen laatste groet van zijn mond, geen afscheidsdruk van zijne
hand... zoo eensklaps die dood, in het hol der verschrikking.... dat
is ijselijk.«
--»Gewis, mijne vrienden! het hart breekt bij zooveel wee,« zeide
Kies. »De hand van den Hemel drukt zwaar op ons. Maar dragen wij ons
leed als mannen, hoe hoog de nood wasse; misschien is het uur van
onze redding nabij.«
--»Ja, geduld in de smart!« zeide Van Duivenvoorde met eene
zwakke stem, »de Heer zendt de ziekte, maar doet haar ook weer
verdwijnen. Eenmaal baden wij Hem, dat Hij ons zou wapenen met moed
tegen den vijand; bidden wij Hem thans, dat Hij onze borst wapene met
Christelijke lijdzaamheid: dit harnas behoeven wij, nu zij afgepijnd
wordt door deze kwaal.«
En opnieuw vouwde hij de handen, en in weerwil van sommiger gekerm,
leverde de gevangenis gedurende eenige oogenblikken weer het tafereel
van een aan God gewijden tempel op.
Vervolgens sprak men over den afgestorven vriend, over diens
Christelijken wandel en vele deugden als burger, en verdediger,--over
het verledene en de toekomst, en weldra hoorde men het gerammel der
sleutels, als teeken, dat het armzalig voedsel gebracht werd.
Nauwelijks was de deur geopend, of de soldaat die den eersten kop boter
aan Kies ter hand had gesteld, kwam binnen, en op den burgemeester
toetredende, stelde hij hem, onder de vroegere woorden, een tweeden
kop ter hand.--Schijnbaar onverschillig nam deze dien aan; doch zijn
hart klopte. Tegelijkertijd wees hij op het leger van Pellikaen,
met de woorden:
--»Er is weer een lijk, soldenier! God heeft hem verlost uit zijn
lijden!«
--»Geen wonder!« zeide de soldaat. »Die zijn vader heeft vermoord, is
nog te goed voor dit hol. Maar wat kan ik er aan doen? God helpe u! ik
zal bericht geven van zijn dood, dan kan men 't lichaam weer weghalen.«
Eenige bossen stroo werden nu in de gevangenis gebracht, vervolgens
de spijs en drank, en--eenige minuten later waren de gevangenen
weder alleen.
--»Mijne vrienden!« zeide Kies overluid, »ik vermoed, dat ik geschrift
heb ontvangen.«
IJlings onderzocht hij, zich in de richting van het schemerachtig
licht plaatsende, den kop en--hij vond een briefje; haastig doorliep
hij met klimmende belangstelling de letters en.... riep vervolgens
eensklaps met dankbare geestdrift uit:
--»Moed, mijne vrienden! moed! daar is een kabeljauw gevangen, en
zijn huid is wel honderd duizend gulden waard!«
Bij deze woorden beurde menige lijder het hoofd op; zij, die de
waterkruik of broodkorst in de hand hadden genomen, plaatsten die
voorwerpen neder, en terwijl Kies zijn vorigen uitroep herhaalde,
vroegen velen als uit één mond:
--»Wie! spreek op! wat is er gebeurd?«
--»Goddank, driewerf dank!« hernam Kies, en sloeg een vurigen
erkentelijken blik naar boven. »Op de Zuiderzee is slag geleverd,
een roemvolle slag; de vloot van Bossu is overwonnen; velen zijn
krijgsgevangenen gemaakt, en Bossu zelf is onder dat getal.«
--»De vloot van de Spanjaards verwonnen?« herhaalde de een.
--»Bossu gevangengenomen?« vroeg de vaandrig Schatter.
--»Leven de geuzen!« riep Hasselaar, »Bossu gevangen? ja; die kabeljauw
is meer dan honderd duizend gulden waard.«
--»Leven de dapperen, die op de Spaansche vloot hebben
getriomfeerd!« hervatte Kies; »ik heb het daar straks gezegd, mijne
vrienden! misschien is het uur van onze redding nabij; nu herhaal
ik het met grond; Goddank; driemaal dank; wat wij in Christus' Naam
ootmoedig hebben gebeden, dat is verhoord. Moed, lijders! moed! wie
hier Gods vinger niet opmerkt, die kent Hem niet. Uit de duisternis
verrijst het licht.«
--»Wakkere held!« zeide Van Duivenvoorde, het lijk van Pellikaen
aanstarende, »had uwe borst nog slechts een uur geklopt! de bange
droom, die er op drukte, ware op deze tijding weggevlucht. O! mijne
vrienden! al moest gij allen mij nog in dit uur het goeden nacht
toeroepen, minder smartvol zou ik het donker graf tegemoet zien,
nu ik wegens uwe toekomst meer gerust ben.«
--»Ook voor u, heer, breekt het licht aan,« zeide De Jonge, diep
getroffen hem de hand drukkende. »Gij zult uwe vrouw en kinderen
wederzien.«
--»Onze vrienden zullen nu dubbel de hand aan het werk slaan,« zeide
Kies, nadat hij de tijding van Bossu's nederlaag en gevangenneming
woordelijk had voorgelezen, »tegen dien grooten kabeljauw en de
kleinere visschen zullen wij uitgewisseld worden.«
Op het tijdstip, dat de aanzienlijke gevangenen de tijding van
Bossu's nederlaag ontvingen, was deze aan de Spanjaarden in Haarlem
nog niet bekend,--en toch werd Bossu toen reeds gevangen en onder
schamperen hoon van het gemeen naar Hoorn gebracht. Een oogenblik
in eene herberg vertoevende, heette hem daar een Amsterdammer met
de bierkan in de hand welkom, zeggende: »Mijnheer! 't is beter, dat
gij tot ons komt, dan dat wij tot u komen; ik breng het u.« Bossu
nam voorzichtigheidshalve den dronk aan. De kabeljauw toch spartelde
nu aan den hoek der Noord-Hollandsche visschers. Inderdaad woog de
vangst tegen meer dan goud op! dat begrepen de Spanjaarden binnen
Haarlem, en nu bleek het hun ook eerst duidelijk, waarom Hasselaar,
Stuiver en al de anderen de vreugd huns harten in psalmen en gezangen
botvierden; dat begrepen ook de vrienden der ongelukkigen, die geene
poging spaarden om hen te redden.
Eenige dagen waren verloopen. Reeds was Maerten de apotheker onder
de ellende bezweken, en Van Duivenvoorde lag in de armen van zijn
luitenant te sterven. Op den morgen van diens dood had er echter eene
heugelijke gebeurtenis tevens plaats.
--»Godlof!« zeide Kies tot de lijders, nadat de gevangenbewaarders
vertrokken waren, »wel heeft Alva ons aller doodvonnis reeds
onderschreven; maar nog is er groote hoop. Dezen dag--heeft de cipier
mij zooeven gemeld--zal ik uit de gevangenis gaan; ik word op mijn
woord van eer ontslagen, om met Verdugo, die te Amsterdam is, over
onze uitwisseling te spreken. Nu nog slechts eene korte wijl ons lot
als mannen bekampt! moed onder 't bange juk! in den Hemel waakt God!«
Bij deze woorden sloeg Van Duivenvoorde, wiens leger door den vaandrig
Schatter, Stuiver, Hasselaar en anderen omringd werd, een stervenden
blik op Kies, en met moeite en op afgebroken toon zeide hij:
--»Vandaag wordt het nacht voor mij, maar voor u allen zal de zon
doorbreken. Ik sterf, maar gij zult leven, en dat denkbeeld maakt
mij het scheidingsuur minder smartvol. Groet mijne vrouw, kus
mijne lieve kinderen; met hun naam en met den naam van Haarlem op
mijne lippen sterf ik. Vaarwel, mijn vriend! Kies het beste! lieve
vrienden! vaartwel.«
En eer Kies de gevangenis verliet, had Van Duivenvoorde aan hem en
allen, die zijne legerstede konden bereiken, de hand nog gedrukt. Maar
Kies had ook den braven verdediger der stad de oogen zien sluiten,
hem den laatsten snik hooren geven, en hij verliet den kerker met de
zekerheid, dat Van Duivenvoorde aan zijn lijden ontrukt was.
Werkelijk vertrok brouwer Kies dienzelfden dag nog naar Amsterdam,
en ook nu staafde Brechta Proosten den mannelijken moed, dien wij
haar aan den dag zagen leggen. Zij vergezelde haren man in het open
schuitje, waarmede hij over het Y de reis aannam. Voorbij een post
komende, waar eenige Duitsche soldaten de wacht hadden, deden deze,
onder voorwendsel, dat zij den voormaligen burgemeester wilden
begroeten, verscheidene schoten, waarvan een den arm zijner vrouw
trof. Vreezende, dat Kies aan de opwelling zijner drift gehoor geven
en daardoor in onaangenaamheden zou komen, verkropte zij eene geruime
poos de pijn, ten laatste echter verried het bloed, dat uit de wonde
op haren kleederen vloeide, het gebeurde. Kies wilde, in zijne eerste
verontwaardiging, aan land om den dader te straffen; doch daar hij
reeds ver voortgevaren was, en zijne vrouw al hare welsprekendheid
te werk stelde om hem dit te ontraden, liet hij zich gelukkig tot
bedaren brengen. De kloekheid en beradenheid zijner vrouw bewonderende,
kwamen zij zonder verdere stoornis te Amsterdam.
Hier was echter zijne taak moeilijk. Dreigende bezwaren bestreden
hem. Daar Bossu wel wist, dat de dood der Haarlemmers ook het sein
tot zijn dood zou wezen, schreef hij herhaalde malen aan Alva, ten
einde hunne vrijheid te erlangen. Alva echter had aller doodvonnis
reeds geveld. De goederen van Kies, zoowel als die van Stuiver en al de
gevangenen waren reeds in handen van don Frederik, Barlaymont, Berti en
andere Spanjaarden overgegaan. Verscheidene dagen verliepen er; reeds
waren nog Jan Gerritzen en Jan de Waal in de gevangenis de slachtoffers
van het gebrek en de ellende geworden; zelfs werden de overigen,
in het begin van November, als booswichten geketend, door gewapende
soldaten naar Amsterdam gevoerd. Te dier plaatse zou het doodvonnis
aan hen voltrokken worden; en reeds verhief zich de storm der wanhoop
in menige ziel; maar zij, die het vertrouwen op God niet lieten varen,
zagen zich in dat vertrouwen ook niet bedrogen. Opnieuw schreef Bossu
aan Alva. Bossu, zijn stadhouder, die hem zoo trouw gediend had,
die verklaarde aanhanger van Spanje, wiens kunde, moed en ijverzucht
zoo hoog geducht waren--Bossu moest herhaaldelijk schrijven--hoe
leert ons dit in één trek Alva kennen.--Verdugo en andere Spaansche
bevelhebbers hielden den hertog het weifelend geluk van den oorlog
voor oogen, alsmede, hoe de soldaten voortaan liever zouden vluchten,
dan zich ter dood toe verdedigen, uit vrees van gevangengenomen en
op de slachtbank te worden gebracht. Eindelijk dan liet Alva zich
overreden; hij gaf toe; het vonnis werd opgeheven. Spoedig had er nu
eene algemeene uitwisseling plaats en de namen van velen, met Bossu
gevangengenomen, leveren het bewijs, dat er toen nog verscheidene
aanzienlijke Nederlanders in dienst van Alva waren. Zoo had er eene
bijzondere uitwisseling plaats tusschen burgemeester Kies en een
zekeren Lieven van Weldam, die van eene Hollandsche familie afstamde.
--»Hoe is mijn geluk zoo groot,« vroeg hem Kies, »of het uwe zoo klein,
dat het eenen brouwer van Haarlem doet opwegen tegen een jonker?«
En het naïeve antwoord was:
--»Al had men mij uitgewisseld tegen een brouwersknecht, toch zou ik
er niet over gebelgd zijn.«
Bossu zelf bleef echter nog drie jaar gevangen. De huid toch van dien
kabeljauw was meer dan honderd duizend gulden waard.
Aan de overwinning dus op de Zuiderzee hadden zooveel aanzienlijke
Haarlemmers, buiten het pardon gesloten, hun leven te danken. Had
het rampzalig lot der gevangenen en sommiger dood aan Magdalena en
anderen diepe wonden geslagen--wij kunnen ons daarentegen voorstellen,
hoe later in menig huisgezin die slag niet enkel als eene schitterende
zege voor geheel het vaderland, maar ook als bijzonder reddingsmiddel
met dankbare vreugde is herdacht geworden.
En wij--wij deelen in die erkentelijkheid; maar de zege op de Zuiderzee
moet nog iets meer voor ons zijn.
Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers,
--zegt Helmers, van wien wij zoo gaarne en ook hier eenige regelen
invlochten, omdat Helmers' ziel ineensmolt met den roem van het
voorgeslacht, al moge hij nu en dan dien roem wel eens wat te hoog
opvoeren--
Bossu, in keetnen, staaft den roem der Staatsche standers,
En de aarde hoort verheugd den moed der Nederlanders;
Elk vlootling, als hij 't oog op zijnen buit laat gaan,
Is zelf bedwelmd, verbaasd om 'tgeen hij dorst bestaan.
Inderdaad! de overwinnaars moesten verbaasd, moesten bedwelmd
zijn. Of ligt het geschiedblad niet voor ons opgeslagen? Eene
handvol eenvoudige visschers, schippers en burgers tegen talrijke,
geregelde benden, trotsch op hunne adellijke aanvoerders! Kleine
Nederlandsche schepen tegen eene machtige Spaansche vloot! Maar
welk een verschil ook--Nederland voor de belegering van Haarlem,
en Nederland na die belegering. Voor het beleg nog een afhankelijk
gevoel der steden, nog aarzeling, nog weifeling om zich voortdurend
gewapend te verzetten tegen den gevreesden Alva--nog de bewustheid
van onvermogen, van zwakheid. Na het beleg bijna één wil der steden,
één geest van veerkracht, van moed, het heilig besef om, bij den
opstand van den geest, tegen Alva's roede de ijzeren hand te moeten
verheffen, hem te kneuzen, te verpletteren. Voor het beleg Zutphen
en Naarden in bloed smorende, na het beleg, door Alkmaar en Leiden
één kreet aangeheven om het geweld te weerstaan, te vernietigen, ééne
stem door het grootste deel van het vaderland: »Haarlem's heldenzin
en volharding gaven ons tijd om het staal te smeden, onze wallen te
bolwerken, onze schepen toe te rusten. In de vuist dat staal! Op naar
die wallen! Met die schepen hoûzee! Het oog op dat Haarlem! Met den
roem dier stad pare zich de roem van heel het land!«
De slag op de Zuiderzee werd geleverd. »In 't ruime sop! hoûzee!«
klonken de aanmoedigingskreten, en--de Spaansche macht werd
gekneusd. Gaan wij nu te ver, wanneer wij van de glorie dier
overwinning aan Haarlem een deel toekennen? Wij gelooven het niet! Maar
ware het dus--wie zal weerspreken, dat het beleg en de verdediging
van Haarlem het fundament onzer vrijheid heeft gelegd?