Moest dan in 't eind de vesting bukken,
Ten top van jammer en verdriet:
't Gebrek kan helden 't staal ontrukken,
Maar halzen krommen kan het niet.
Daar staat hij, de eer der Hasselaren!
Het lot biedt redding uit gevaren,
En naast die redding staat de dood.
De dood.!.... wat zal de held hier kiezen?
Het spreken doet hem 't hoofd verliezen;
Hij spreekt.... blijft held.... en eeuwig groot.
Warnsinck.
Eenige kloeke zeelieden hebben lang een storm doorstaan; het gebrek
heeft hen geteisterd, hun vaartuig is reeds een wrak geworden, de
dood grijpt hen aan, de golven stuwden het wrak voort en voort tot
in de branding; door die branding worden zij echter op een eiland
geworpen; maar--het is door wilden bewoond.--Hunne bewustheid
keert terug, zij zien het, doch kunnen het eiland niet meer
verlaten. Dagelijks nu worden eenigen hunner door de woeste horden
om het leven gebracht. Sommigen verschuilen zich; anderen wagen
het, levensmiddelen op te zoeken; de eene wacht met verslagenheid,
de andere met moed zijn lot af; deze is in angst en wanhoop; gene
verwacht nog redding en beveelt zich in de hand van God.
Ziedaar den toestand van Haarlem in de eerste dagen na de
overgaaf. Spaansche schildwachten vormden eene keten rondom de stad,
waardoor niemand kon heenbreken; de beul was bijna verzekerd van zijne
slachtoffers en--met den moord was nog slechts een aanvang gemaakt.
Vele inwoners hadden hunne woningen gesloten en, na de plundering en
berooving tegen de belofte, alle ingangen versperd. Telkens wanneer
de Spaansche wachten optrokken, en hunne zware voetstappen door de
straten weerklonken, sidderde menige huismoeder bij het denkbeeld, dat
er soldaten binnen de woning zouden dringen om een vader of broeder,
die den vijand op de wallen te keer had gegaan, gevangen te nemen. Wie
de slaap eenige rust vergunde, werd niet zelden eensklaps wakker
geschrikt door het rumoer van buiten, of droomen van bloedtooneelen
beroerden zijn geest. Ieder huis was een klaaghuis geworden; want in
iedere woning stak de angel der smart.
In het huis van Hasselaar heerschte scherpe tegenstelling. De vaandrig
wilde de deur ongesloten houden, zijn broeder Nicolaas poogde haar door
dubbel slot en grendel te sluiten en elken ingang te verzekeren. Toch
was die Nicolaas de eerste geweest, die zich als vrijwilliger had
aangeboden om de schans bij de Fuik te vernielen--eene gevaarvolle
onderneming, waartoe moed werd vereischt. Hoe de oud-Hollandsche
huismoeders in die dagen van jammer en nood zich gedroegen--wij zagen
het vroeger in de woning van Van der Laan; Kenau met hare vrouwen
boden er eene schets van aan. En Aagje Hoos.... de moeder der beide
Hasselaren.... hoe dikwijls had zij zich niet op de wallen gewaagd
om er den vaandrig op zijn post het middagmaal of kruit en lood te
brengen! dan verried zij geen zweem van vrees; en thans? Het vertrouwen
op God alleen houdt haar gemoed nog gaande; maar zij huivert;
hare borst is beklemd; want de gedachte wil niet van haar wijken:
»weldra zal ik kinderloos zijn; ook hen wacht het zwaard!«--En slaan
wij nu een blik in het vertrek--dan zien wij de tegenstelling.--Het
is de tweede Maandag na Ripperda's dood. Kenau heeft zich onbevreesd
naar het huis harer schoonzuster begeven; de verhevene rust van het
ongeschokt gemoed vertoont zich als altijd op haar gelaat; zij spreekt
met Boreel, die zoowel als Anna zich nog altijd in het huis bevindt;
want hare komst geldt hem. Nicolaas gluurt angstig door de vensters
om te zien, wat er plaats grijpt. Aagje is, gejaagd en bevend, bezig
met het toebereiden van het sober maal, en de vaandrig wrijft den
blanken loop van zijne musket, die zoo menigen Spanjaard heeft geveld
en waaraan hij niet minder verkleefd is dan een ruiter aan zijn paard.
--»Ja, ik moet het zeggen,« herhaalde Kenau, »gij moogt op uwe hoede
wezen, heer Boreel! Mogelijk, dat ik mij bedrieg; maar ik geloof,
dat men u zoekt.«
--»Dat verwondert mij zoomin als het mij vervaardt,« antwoordde
Boreel. »Is wellicht de verrader Stompwijk binnen de stad?«
--»Gij gist wel!« hernam Kenau, »de oude IJsbrand, mijn knecht, heeft
hem gezien, vergezelschapt van twee Spanjaards; de Schachelstraat
gingen zij door en hebben geklopt aan het huis van doctor Elsen.«
--»Maar niemand heeft hun opengedaan,« zeide Boreel op eenigszins
smartelijken toon.
--»Neen, niemand!« liet Anna er nog smartelijker op volgen, »mijn
vader is gestorven; maar hoe fel mij zijn dood pijnde, toch dank ik
de moeder Gods, dat zijne oogen zooveel gruwel niet zien.«
--»IJselijk is 't!« sprak Kenau, »en zoover gaat de wreedheid, dat
mijn gemoed nog minder vreest voor den Spanjaard dan ooit.«
--»Zoo is het ook met mij,« zeide de vaandrig, terwijl hij krachtig
de hand aan de greep van zijn musket sloeg en er een driftige moed
in zijn oog straalde. »Als ik ooit vrees heb gehad, nu ken ik ze
niet meer. Ware ik slechts alleen in dit huis, zoomin als bij Van
Eijken in Naarden drong men het binnen dan over mijn lijk: evenals
ik mijn wapen niet in 's vijands hand heb gesteld, zoo gaf ik ook
mijne vrijheid niet: veel liever de dood dan gevangenschap bij den
Spaanschen beul. Dit geweer....« maar opeens kwam er bij dit woord
eene grievende uitdrukking op zijn gelaat. Hij bedacht, dat hij geene
korrel kruit meer had. »Maar wat zou mij het musket?« riep hij uit,
»is het niet eene scheede zonder rapier? en waarom beveilig ik het
voor roest? het laatste schot is er mede gedaan.«
Juist wilde Boreel spreken, toen men het geroffel eener trom hoorde,
dien onzaligen klank, welke altijd het optrekken der wacht of eenig
doodvonnis voorafging. Nicolaas trad angstig, de vaandrig onbevreesd
naar het vensterraam, en beiden sloegen den blik over de markt. Nog
zagen zij niets; want het gedruis heeft in de Jansstraat plaats; maar
nog eenige seconden en--daar zien zij den tamboer, een capitan met
een anspessado en eenige soldaten, en terzelfder tijd laat Nicolaas
den verschrikten uitroep hooren: »Mijn God! ook hem.... burgemeester
Stuiver gevangen!«
»Wie?« vraagt de moeder angstig.
--»Burgemeester Stuiver!« zegt de vaandrig, »en hopman
Barendszen.... ook hem! Weer twee braven in de hand van de moorders!«
--»En om in den dood te gaan,« zegt Nicolaas.
--»Dat zal de Heer verhoeden!« zegt Kenau op bedaarden toon, »waarom
ons het bangste lot gespeld? Burgemeester Van der Laan moet al meer
dan eens met Van Zuuren gesproken hebben; zijn invloed zal gewis zulk
een gruwel voorkomen.«
--»Waarom burgemeester Stuiver dan gevangengenomen? waarom den wakkeren
Kies?« vroeg Nicolaas. »Neen, ik zeg het, de moord wacht hen; de
moord wacht ook ons.«
Het was waarheid, dat men drie dagen te voren burgemeester Kies
benevens verscheidene anderen, die vroeger wegens godsdienstige
gevoelens voortvluchtig geweest waren, had gevangen genomen; ook
had dit lot des Maandags te voren Lancelot van Brederode en Rosoni
getroffen; eergisteren nog was er bij openbaren trommelslag bekend
gemaakt, dat elk, die een vroeger voortvluchtige verschuilde,
hem bekend maken moest of in zijne eigene woning zou worden
opgehangen. Doch hoe bang hierdoor het verschiet werd, toch had
men nog niet vernomen, dat het doodvonnis van burgemeester Kies of
een dier anderen reeds geveld was;--en dit voerde Kenau thans aan,
om het diepverslagen gemoed van Nicolaas en hare zuster eenigszins
op te beuren.
--»Dat ergste ducht ik niet,« sprak zij, »gevangenschap is nog niet de
dood; ook verschoont het zwaard van den Spanjaard zijne slachtoffers
niet lang. Of werd den tweeden dag na den moord aan Ripperda--en
een pijnlijke trek kwam bij dezen naam om haren mond--de brave
prediker Symons niet gevangengenomen? en viel dat eerwaardig hoofd
niet nog dienzelfden morgen? Neen, verzink niet in te fel een angst,
Nicolaas! de brave Van Zuuren zal doen, wat hij vermag. Laat ons
vertrouwen op zijn kloeken geest.«
--»Op hem, ja, maar niet op Frederik, Bossu of Romero,« zeide Boreel
bitter; »ieder woord van hun mond is valschheid en logen. Nauw was
een deel van 't bloedgeld opgebracht, of men verbrak reeds het woord,
en dat woord was ook gesproken door den verrader Van der Mathe! Als
ik hem zie, den vloek dezer stad, dan grijpt de woede mij aan.«
Deze woordbreuk had maar al te zeer plaats gehad. Ofschoon de burgers
reeds daags na Ripperda's dood ten huize van den thesaurier Cornelis
van Berkenrode den eersten termijn tot afkoop der plundering hadden
opgebracht, waren er op den morgen na Ripperda's dood verscheidene
burgers en soldaten buiten de Schalkwijkerpoort onthoofd geworden. Een
dag later toen de predikant Symons ter dood werd gebracht, was dit
tooneel door den moord van driehonderd anderen hernieuwd geworden. Even
ontzettend, even huiveringwekkend als op den dag van Ripperda's dood
was die moord; doch het was toen, dat er eene zonderlinge redding
van een der slachtoffers plaats had. Deze ongelukkige, buiten de
Schalkwijkerpoort voor den zandkuil knielende, nam op het oogenblik,
dat reeds het zwaard was opgeheven, een wanhopig besluit. IJlings een
sprong doende, vlucht hij naar een bijgelegen sloot en rent vervolgens
over het veld. Wel springt een der Spanjaarden hem na, doch stort hals
over hoofd in den watergang; wel gieren eenige musketkogels hem na,
doch zij missen het doel. Het schier geheel naakte slachtoffer vluchtte
intusschen rusteloos voort en ontsnapte door behulp eener melkschuit,
die hem binnen Leiden bracht, den dood, wiens killen adem hij reeds
gevoeld had. Geen wonder dus, dat bij dit onophoudelijk moorden de
meesten rilden, wanneer zij de trom hoorden.
Toch drong in het vertrek, waar men zich bevond, die klank andermaal
door, toen de moeder van Hasselaar, bevend en gejaagd, het sobere maal
voor dien middag op de tafel had gebracht. Opnieuw snelt Hasselaar
met zijn broeder en Boreel naar het venster en uit aller mond laat
zich gelijktijdig de halfgesmoorde uitroep hooren: »Schout Van Bordt
tusschen de soldeniers!«
--»En de onderschout Saal!« voegt Nicolaas er als in een adem bij. »Nu
geldt het ook ons.« Dit was echter het geval nog niet. Weldra was het
geluid in de verte verdwenen, en langzaam zette men zich ten laatste
aan tafel; want de maaltijd stond opgedischt. Hoe lang had men in
Haarlem den honger verduurd! en nu er spijs was binnengekomen,--nu
zij, die nog niet van alles beroofd waren, zich voor dure prijzen
eenige levensmiddelen konden aanschaffen--nu was in elk huisgezin
iedere disch een tranendisch. De natuur eischte hare rechten; maar
geene bete, die met smaak geproefd werd; geene prikkeling der maag,
die niet door angst, schrik of droefheid als verstompt werd, en zoo
ooit het gezegde waar werd bevonden, dat wij eten om te leven, dan
was het wel in die eerste bange dagen, toen Haarlem de stad van Oranje
niet meer was. Bij iederen maaltijd scheen de dood rond te sluipen,--al
de spijzen schenen toebereid door de hand van valschheid en verraad.
--»Waartoe deze spijs?« zeide Nicolaas, terwijl hij het bord van zich
schoof, »wat zal voedsel baten aan hem, dien de dood toeft?«
--»Biedt weerstand aan zoo bovenmatig een angst,« zeide Kenau. »Moet
dan de tijding, die ik bracht, u zoozeer vrees aanjagen? Zij gold
mijnheere Boreel, en mogelijk dat ook deze vrees weinig grond heeft.«
--»Neen, mij zal men nasporen overal,« sprak Boreel, »en zoo de henkers
ook dit huis binnendringen, zal het mogelijk om mij wezen. De verrader
Stompwijk weet, dat ik hier meermalen den voet heb gezet.«
Hasselaar zweeg. Kenau gevoelde meer dan zij uitte. Wist zij, dat
er diepe smart zou plaats grijpen in deze woning? Had zij zekerheid
van hetgeen bij Nicolaas en diens moeder een vreesachtig voorgevoel
was? Een oogenblik zitten allen stilzwijgend: maar allen rijzen ook
opeens van hunne zitplaatsen op, toen Nicolaas plotseling uitroept:
»Daar naderen weer Spanjaards dezen kant.«
Angstig snelt hij naar het venster, doch verlaat het weer eensklaps
met den halfonderdrukten uitroep: »O, God! het geldt ons.«
Een paar seconden hoort men kletterende voetstappen vlak voor de
woning, en vervolgens wordt er met geweld op de deur geklopt.
--»Heere, sta bij!« gilt de moeder.
--»Symon, dat is om u!« roept Anna, en klemt zich vast aan den
geliefde.
--»Neen!« zegt nu de vaandrig op bedaarden en moedigen toon tot Boreel,
»maar het is uw tijd: van hier!«
--»Ik mij verschuilen!« zegt Boreel, dien opeens eene vlijmende smart
aangrijpt, dat hij den vaandrig die vroegere belofte heeft gedaan,
»ontsla mij van mijn woord, Hasselaar! ik blijf hier, in dit vertrek:
slechts Anna ga!«
--»Neen, gij moogt niet; gij gaaft uw woord; zoudt gij 't schenden?«
--»'t Pijnt mij te fel: gij zoo wakker, ik zoo lafhartig.«
--»'t Is geene lafhartigheid van u; haar moet gij redden! van hier!«
--»Zoo gij wist....« zeide Boreel, de hand van den vaandrig grijpende;
maar nu ziet hij Anna aan. Angstig en smeekend staart zij op hem, en
haar blik schijnt te zeggen: »Symon, beveilig mij, en om mijnentwil,
beveilig u.«
Nu vat hij de hand der geliefde, en terwijl hij op smartelijk bitteren
toon uitroept: »als het dan moet!« geleidt hij haar door de vroeger
genoemde deur buiten het vertrek. Op dat oogenblik vernieuwt zich het
geklop aan de deur, en duidelijk hoort men het gevloek der soldaten,
terwijl zij met de kolven hunner musketten op den grond stampen.
--»Hemelsche Vader, wat zal het mij zijn?« kermt de moeder, terwijl
zij van angst siddert en dreigt te bezwijken.
--»Wees rustig, moeder!« zegt de vaandrig, »ik zelf open hun de deur.«
--»Neen, dat zult gij niet,« zegt Kenau, hem in den weg tredende. »Ga
gij zitten: ik sta hen te woord. Blijft allen in het vertrek.«
Onbeschroomd en met fier gelaat begeeft zij zich naar de voordeur, op
het oogenblik, dat er musketslagen op vallen. Nicolaas staat op om het
vertrek uit te snellen; doch zijn broeder, hem bij den arm grijpende,
houdt hem tegen en zegt op vasten toon: »Niet van hier! geen Hasselaar
moet vrees toonen voor den Spanjaard.«
Deze toespraak heeft hare uitwerking. Sidderend werpt Nicolaas zich op
een bij den disch staanden stoel; de vaandrig zet zich rustig neder,
en te gelijker tijd wordt door Kenau de voordeur geopend.
--»Carajo, waar is de geus?« voert haar de onderofficier of anspessado,
barsch en dreigend tegemoet. »Ons den ketter geleverd, of wij steken
't huis in brand!« En vloekend dringt hij met de zes onder zijn bevel
staande soldaten, allen met musketten en zijdgeweer gewapend, binnen
het voorhuis.
--»Wie in dit huis wonen, zijn er,« voert Kenau hun op een zoo
vasten toon tegemoet, dat de soldaten haar vluchtig met verwondering
aanstaren. Overal toch zagen zij aangezichten, waarop vrees en schrik
te lezen waren; hier zien zij eene vrouw, in wier blik vastheid,
op wier voorhoofd kalme fierheid licht: geen wonder echter; want die
vrouw is Kenau Hasselaar.
--»In huis! wij zoeken den ketter!« schreeuwt de anspessado op
onstuimigen toon, en te gelijker tijd dringen zij voort, terwijl het
woord »carajo« nu en dan door een vloek afgewisseld wordt.
Maar nauwelijks zijn zij het vertrek binnengestoven, of het angstgegil
der moeder klinkt hun tegen. Zij ziet de ruwe, door wijn verhitte
aangezichten der Spanjaarden; zij ziet hunne rapieren ten halve uit
de scheede haar tegenblinken; zij hoort het luidruchtig rumoer, en
het denkbeeld van moord, zoo algemeen in die bange dagen, vaart haar
door de ziel.
--»Mijn zoon!« roept zij uit, »o God, sta mij, arme moeder bij!«
en zij wil op den vaandrig en op Nicolaas aansnellen om hen te
beschermen, maar de angst grijpt haar zoo geweldig aan, dat zij op
den grond gestort zou zijn, wanneer Kenau haar niet ijlings aangevat
en ondersteund had.
Een oogenblik zien de anspessado en zijn manschappen het tooneel
aan. Hun last luidt, den vaandrig Hasselaar gevangen te nemen, en
de onderofficier treedt op Nicolaas aan. Plotseling wordt deze door
eene zoo onweerstaanbare vrees overmeesterd, dat hem de tranen uit
de oogen springen, en hij wanhopig de handen samenvouwt, zonder dat
hij een enkel woord kan uiten.
--»Grijpt hem!« beveelt de onderofficier, en twee der soldaten
strekken zich naar hem uit. Gewis, hij moest die vaandrig wezen;
want de vaandrig kan toch niet die jongeling, die baardelooze knaap
zijn, die geen zweem van angst verraadt, als wel bewust zijnde,
dat hij den Spanjaard nooit gewapend te keer is gegaan; slechts hij
kon voor straf sidderen, die zich als rebel, met de wapenen tegen de
krijgsmacht van zijn wettigen koning verzet had.
--»Nu fluit gij een anderen toon, heer vaandrig! gisteren vivent les
Gueux, vandaag vivent les Espagnols!« zegt de anspessado, terwijl een
der soldaten, ruw, Nicolaas bij het wambuis grijpt, om hem te doen
opstaan. Deze woorden zijn voor Nicolaas het bewijs, dat men niet hem,
maar zijn broeder gevangen wil nemen. Zoo hij dus zegt: »ik ben de
vaandrig niet,« dan zal men hem wellicht vrijlaten. Maar hoezeer de
angst zijn vroegeren moed op de vlucht heeft gejaagd--daartoe is hij
te edel; daartoe klopt broederliefde te warm in zijne borst. Opeens
ook springt de vaandrig van zijn stoel op, en de jeugdige trekken
van den knaap nemen eene fiere, mannelijke uitdrukking aan. »Zoo ik
gevlucht en reeds vrij ware,« denkt hij, »en ik hoorde, dat mijn
broeder in mijne plaats werd gevangengenomen, ik zou terugkeeren;
want dat zou mijn plicht wezen.« Dit zouden wij grootheid van ziel
noemen,--Pieter Hasselaar merkte het slechts als plicht aan; geen
wonder dus, dat het thans bijna afschuwelijk in zijne oogen is, den
broeder niet aanstonds uit diens angst te redden. Rustig en stout
treedt hij ijlings een paar stappen voorwaarts, en terwijl hij,
evenals nog kort te voren op den wal, de Spanjaarden onbeschroomd
onder de oogen ziet, vraagt hij kortaf: »wien zoekt gij, anspessado?«
--»Carajo, den vaandrig Hasselaar, den rebel!« klinkt het barsch,
en de soldaten zien hem dreigend aan.
--»Zoo ge den vaandrig zoekt, laat dan dezen los, ik ben het,«
herneemt Pieter Hasselaar, en strak en onvervaard houdt hij het oog
op hen gericht.
--»Gij?« zegt de onderofficier, norsch en tevens verbaasd, »maar
wat raakt het mij, wie de vaandrig is! Soldaten, laat dezen los en
grijpt hem.«
Doch nauwelijks geschiedt dit, of liever, niet zoodra biedt de brave
vaandrig zich kloekmoedig in zijns broeders plaats aan, of al de angst
zijner moeder wordt eensklaps door vurige kinderliefde verdreven. Zich
uit de armen van Kenau losrukkende, werpt zij zich tusschen haren zoon
en de soldaten, terwijl zij hun toeroept: »Neem mij gevangen en doe
mij sterven; zoo het verdedigen van deze stad moet gestraft worden,
straf dan mij; want ik ben het, die aan mijne kinderen rapier en
vendel in de hand gaf. Ik laat hem niet los; hij heeft geene schuld.«
--»Terug!« zegt een der soldaten, »wat hebben wij met vrouwen te
maken?« en deze woorden gaan met eene ruwe afwering van de moeder
vergezeld.
--»Ik wapende mij tot verdediging van dit huis en de stad,« zegt
de vaandrig. »Eischt dit straf--ik vrees haar zoomin als ooit uw
rapier. Moeder!« voegt hij er, nu hij haar smeeken aanziet bij, om zich
bedaard te houden: »Vertrouw op God! rustig ga ik mijn lot tegemoet.«
Grievend is inmiddels deze toestand voor Boreel, die zich slechts
weinige schreden van daar bevindt. Wanende, dat de komst der soldaten
hem gold, hoort hij niet eens zijn naam vernoemen. Men zoekt hem dus
niet; men komt alleen den vaandrig gevangennemen, en de soldaten,
met die taak belast, schijnen dezen noch diens moei te kennen. Hij
hoort de edele woorden van Pieter: »Zoo gij den vaandrig zoekt, laat
dezen los, ik ben 't!«--en hij is op het punt, het vertrek binnen te
stuiven om den jongeling te helpen verdedigen.
--»Hem gevangen!« zegt hij bijna hoorbaar, »dan is zijn dood
gewis! want hoeveel Spanjaarden zijn niet door zijne hand gevallen!«
Doch Anna klemt zich aan hem vast; hij heeft beloofd, haar niet
roekeloos te zullen verlaten. Maar toch het valt zoo hard voor zijn
wakker gemoed, daar werkeloos, als verscholen te blijven, terwijl op
korten afstand van hem, zooveel rechtschapenheid aan den dag gelegd
wordt en zooveel droefheid plaats grijpt.
--»O God, bescherm mijn kind!« hoort hij Hasselaar's moeder wanhopig
smeeken, en--dat grijpt hem in de borst.
--»Waarom kan ik hem niet redden?« zegt Boreel, terwijl hij, geroerd,
Anna aan zich vastklemt; »o, zoo gij wist, Anna, hoe fel mij dit
pijnt!...«
--»Ik zal de arme moeder tot troost wezen, Symon!« zegt zij droevig,
»uw moed kan hier niets baten; toch redt gij hem niet,--gij verraadt
u zelven.«
--»Zoo jong, zoo koen en nu ter dood!« zegt Boreel; »ons te beveiligen
en nu zelf in de hand van den beul! hoor, Anna, hoor; dat is zijne
stem; hij roept vaarwel.«
Dat vaarwel uit den mond van Pieter Hasselaar klonk aandoenlijk maar
grootsch. Ook had men den blik moeten zien, dien hij voor het laatst
op zijn glinsterend musket sloeg. Die blik scheen te zeggen: »ware
ik slechts op de vest met dat wapen, geen Spanjaard zou mij gevangen
nemen;--maar ook zonder u zal mij de moed niet begeven; want ik droeg
u voor het heil van Haarlem en de vrijheid van het vaderland.«
Vergeefs intusschen, dat de wanhopige moeder zich andermaal aan haren
zoon vastklemt; vergeefs, dat zij zich smeekend voor den anspessado
op de knieën werpt; ruw en spottend klinken diens woorden: »van hier,
soldaten! er zijn nog meer geuzen te vangen!«
--»Vader in den Hemel, bescherm mijn kind!« gilt de ongelukkige moeder
opnieuw en wringt vertwijfeld de handen. Aan Kenau's oog ontspringt een
traan van innig gevoel en medelijden, terwijl zij op den bekommerden
Nicolaas staart en het gekerm harer zuster hoort. Maar in dien traan
blinkt toch hare vrouwelijke fierheid en een gevoel van verheven trots,
dat de jonge held even gelaten en onverheerd den kerker, wellicht
den dood tegemoet gaat, als hij vroeger met musket en vaandel naar
de vest ging; en wanneer de voorzichtigheid het haar niet verboden
hadde, zou zij wel met geestdrift hebben willen uitroepen: »Laffe
moorders! dien gij daar wegvoert, heeft u allen doen beven; en hij,
schoon nu ongewapend, beeft voor u allen niet.«
Maar dat mocht zij toch--den jongeling op liefdevollen toon en met
treffenden nadruk toeroepen: »Vaarwel Pieter! denk aan 't vendel van
Haarlem; blijf held tot in den dood!«
--»Dat zweer ik bij de schim van Ripperda!« roept hij, met opgeheven
hoofd tusschen de Spaansche musketiers het vertrek verlatende. »Troost
mijne moeder! vaarwel! ik vertrouw op God!«
De zware voetstappen der soldaten weergalmen met de jammertonen der
moeder door het huis. Maar aan Hasselaar's mond ontglipt geene enkele
klacht; hij kent den aanvang niet van het lot, dat hij tegemoet gaat;
maar hoe donker het hem toeschijnt, blijft het toch helder in zijne
ziel. Sinds zooveel maanden heeft hij moedig gestreden voor het heil
van Haarlem, voor de vrijheid van het vaderland; wanneer de hertog,
wanneer don Frederik hem dit als misdaad aantijgt, welnu, dan zal hij
over zulk eene misdaad niet blozen, maar hij zal er zich op verheffen,
dat men zijne dapperheid vreest; en wanneer men hem zijn doodvonnis
voorleest--welnu, dan zal hij niet laf om het leven bidden; maar dan
zal hem Ripperda voor den geest zweven; dan zal hij aan de woorden
zijner moei denken en bij zich zelven den eed herhalen: »ik zal kloek
blijven tot in den dood; dat zweer ik bij de schim van Ripperda!«