DE VIJFTIGSTE TIJGER VAN KAPITEIN HOD.

Kolonel Munro, zijne vrienden, zijne metgezellen, hadden niets meer te

vreezen, noch van den nabob, noch van de Hindoes, die hem aanhingen,

noch van de Dacoits, waarvan hij in dit gedeelte van Bundelkund een

geduchte bende gevormd had.

Op het geraas der ontploffing waren de soldaten van den post van

Jubbulpore in aanzienlijken getale naar buiten gesneld. Wat van de

metgezellen van Nana Sahib overbleef, zich zonder chef bevindende,

was dadelijk op de vlucht gegaan.

Kolonel Munro maakte zich bekend. Een half uur later, bevonden allen

zich aan het station, alwaar zij in overvloed vonden wat hun ontbrak

en vooral de levensmiddelen, die zij het dringendst noodig hadden.

Lady Munro werd tijdelijk geherbergd in een comfortabel hotel, totdat

de gelegenheid zich voordeed haar naar Bombay te vervoeren. Daar hoopte

Sir Edward Munro haar, die nog slechts een lichamelijk leven leidde,

het zieleleven terug te geven, want zoolang zij haar verstand niet

had teruggekregen, zou zij immers altijd dood voor hem zijn!

Trouwens, niemand zijner vrienden wanhoopte aan de aanstaande genezing

van lady Munro. Allen wachtten met vertrouwen een gebeurtenis af,

die alleen in staat was een omkeering in het leven van den kolonel

te brengen.

Men besloot, reeds den volgenden dag naar Bombay te vertrekken. De

eerste trein zou al de gasten van het Stoomhuis naar de hoofdstad van

West-Indië terugbrengen. Ditmaal zou het de gewone locomotief zijn, die

hen zou medevoeren en niet meer de onvermoeide IJzeren Reus, waarvan

nu nog slechts vormlooze overblijfselen hier en daar verspreid lagen.

Maar, noch kapitein Hod, zijn dweepende bewonderaar, noch Banks,

zijn schrandere maker, noch iemand van de leden der expeditie, zouden

ooit het »getrouwe dier" vergeten, wien zij eindelijk een werkelijk

leven hadden toegekend. Nog lang zou het geraas der ontploffing,

die hem vernietigd had, in hunne herinnering nablijven.

Men zal zich dan ook niet verwonderen, dat Banks, kapitein Hod,

Maucler, Fox, Goûmi, alvorens Jubbulpore te verlaten, eerst nog eens

naar het tooneel der ramp wilden terugkeeren.

Er was blijkbaar niets meer van de bende der Dacoits te

vreezen. Nochtans, toen de ingenieur en zijn metgezellen aan den post

der Vindhyas kwamen, voegde zich uit overmaat van voorzichtigheid een

detachement soldaten bij hen, waarmede zij tegen elf uren den ingang

van den bergpas bereikten.

Al dadelijk vonden zij vijf of zes verminkte lijken over den grond

verspreid. Het waren die der aanvallers, die zich op den IJzeren Reus

geworpen hadden, om Nana Sahib te bevrijden.

Maar dat was ook alles. Van het overige der bende was geen spoor meer

te vinden. Inplaats van naar hun oude schuilplaats van Ripore terug

te keeren, die trouwens nu bekend was, hadden de laatste aanhangers

van Nana Sahib zich overal door de vallei der Nerbudda verspreid.

Wat den IJzeren Reus betreft, deze was geheel door de ontploffing

van den stoomketel vernield. Een zijner groote pooten was tot op

verren afstand weggeslingerd. Een gedeelte van zijn snuit, tegen

de berghelling geworpen, was er in vast blijven zitten en stak er

uit als een reusachtige arm. Overal geblakerde stukken plaatijzer,

krammen, klinkbouten, roosters, overblijfselen van cilinders,

stukken geledingen. Op het oogenblik der ontploffing, toen de belaste

veiligheidskleppen den stoom geen uitweg meer konden verschaffen,

moet zijn spanning zeker vreeselijk geweest zijn en misschien twintig

atmosfeeren hebben overtroffen.

En nu, van den kunstmatigen olifant waarop de gasten van het Stoomhuis

zoo trotsch waren, van dien kolos, die de bijgeloovige bewondering der

Hindoes uitlokte, van het mechanische meesterstuk van den ingenieur

Banks, van dien verwezenlijkten droom van den fantastischen rajah

van Bouthan, bleef niets meer over dan een onherkenbaar karkas,

zonder eenige de minste waarde!

»Arm dier!" kon kapitein Hod zich niet weerhouden uit te roepen bij

het lijk van zijn waarden IJzeren Reus.

»We kunnen een ander vervaardigen... een ander, die nog machtiger

zal zijn!" zeide Banks.

»Ongetwijfeld," antwoordde de kapitein, een diepe zucht loozende,

»maar onze IJzeren Reus zal het toch niet meer zijn!"

Terwijl zij zich met dit onderzoek bezighielden, kwam het den ingenieur

en zijnen metgezellen in de gedachte rond te zien of niet hier of daar

eenige overblijfselen van Nana Sahib zouden te vinden zijn. Bij gebrek

van het gelaat van den nabob, overigens zoo gemakkelijk te herkennen,

zou de hand waaraan een vinger ontbrak hun voldoende geweest zijn om

de identiteit te bevestigen. Zij zouden dit onbetwistbare bewijsstuk

van den dood van hem, dien men niet meer met zijn broeder Balao Rao

kon verwarren, wel in hun bezit gehad willen hebben.

Maar geen der bloedige overblijfselen, die over den grond verspreid

lagen, scheen hem te hebben toebehoord, die Nana Sahib was. Hadden

zijne dweepzieke volgelingen tot het laatste spoor zijner

overblijfselen medegenomen? Het was meer dan waarschijnlijk.

Het gevolg hiervan zoude zijn dat, daar er geen enkel zeker bewijs

was van den dood van Nana Sahib, de legende hare rechten wederom zou

doen gelden en dat, in den geest der bevolking van Centraal-Indië,

de nabob altijd voor levend zou doorgaan, in afwachting dat men een

onsterfelijken god van het oude opperhoofd der Sipayers maakte.

Doch Banks en de zijnen konden moeielijk gelooven, dat Nana Sahib de

ontploffing had kunnen overleven.

Zij kwamen aan het station terug, evenwel niet zonder dat kapitein

Hod een stuk van een der slagtanden van den IJzeren Reus had

opgeraapt,--een kostbaar overblijfsel, dat hij als een souvenir

wilde bewaren.

Den volgenden dag, 4 October, verlieten allen Jubbulpore in een waggon,

die ter beschikking van kolonel Munro en zijn personeel gesteld

was. Vier en twintig uren later passeerden zij de westelijke Ghâtes,

deze Hindostansche Andes, die zich over een lengte van drie honderd

zestig mijlen uitstrekken, te midden van dichte bosschen vijgeboomen,

ahornboomen, teks, vermengd met palmboomen, kokosboomen, areks of

pinangpalmen, peperboomen, sandelboomen, bamboes. Eenige uren later,

zette de trein hen af op het eiland Bombay, dat met de eilanden

Salcetti, Elephanta en anderen een prachtige reede vormt, aan welker

zuidoostelijk uiteinde de hoofdstad van het Presidentschap gelegen is.

Kolonel Munro zou niet in deze groote stad blijven, waar Arabieren,

Perziërs, Banyanen, Abyssiniërs, Passis of Guèbres, Scindiërs,

Europeanen van alle landen, en zelfs,--naar het schijnt,--Hindoes

elkander verdringen.

De geneeskundigen, geraadpleegd over den toestand van lady Munro,

rieden aan haar naar een villa in de omstreken te brengen, waar de

kalmte, gevoegd bij hunne dagelijksche zorgen en de onophoudelijke

toewijding van haren echtgenoot, ongetwijfeld een heilzame uitwerking

moest tengevolge hebben.

Een maand ging op deze wijze voorbij. Geen enkele van de metgezellen

van den kolonel, geen enkele zijner bedienden had er aan gedacht hem

te verlaten. Op het tijdstip, dat niet ver meer verwijderd was en

waarop zich verschijnselen van genezing bij de jonge vrouw begonnen

voor te doen, wilden ze allen tegenwoordig zijn.

Eindelijk was die lang gewenschte dag daar. Langzamerhand kreeg lady

Munro hare vermogens terug. Die rijk begaafde geest begon weder te

denken. Van hetgeen eens de Dwalende Vlam geweest was, bleef niets

meer over, zelfs niet de herinnering.

»Laurence! Laurence!" had de kolonel uitgeroepen, en lady Munro,

hem eindelijk herkennende, was in zijne armen gevallen.

Een week later, waren de gasten van het Stoomhuis in den bungalow te

Calcutta vereenigd. Daar zou een leven beginnen, zeer verschillend

van dat, hetwelk tot nog toe in de weelderige woning geleid was. Banks

moest er den tijd doorbrengen, dien zijne werkzaamheden hem vrij lieten

en kapitein Hod de verloftijden waarover hij zou kunnen beschikken. Wat

Mac Neil en Goûmi betreft, zij behoorden tot het huis en zouden zich

nooit meer van kolonel Munro scheiden.

Op dit tijdstip was Maucler verplicht Calcutta te verlaten om naar

Europa terug te keeren. Hij deed dit terzelfdertijd als kapitein

Hod, wiens verlof om was en dien de getrouwe Fox naar de militaire

kantonnementen van Madras ging volgen.

»Vaarwel, kapitein," zei kolonel Munro tot hem. »Het doet me genoegen,

dat ge geen berouw hebt over uw reis door Noord-Indië, of het zou

moeten zijn dat ge uw vijftigsten tijger niet geschoten hebt!"

»Wel, hij is geschoten, kolonel."

»Wat! Is hij geschoten?"

»Wel zeker," antwoordde kapitein Hod. »Negen en veertig tijgers

en... Kâlagani... is dat geen vijftig?"

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 26 / 47 题