Bij het geweld dezer ontploffing was lady Munro in de armen van haar
man in onmacht gevallen.
Zonder een oogenblik te verliezen, snelde de kolonel over het plein,
door Goûmi gevolgd. De Hindoe, gewapend met zijn groot mes, had in
een oogwenk den verbijsterden bewaker, dien de losbranding op de been
had gebracht, onschadelijk gemaakt. Daarna wierpen zij zich beiden
op het smalle voetpad, dat naar den weg van Ripore voerde.
Nauwelijks waren Sir Edward Munro en Goûmi de poort gepasseerd of
de troep van Nana Sahib, plotseling uit hun slaap gewekt, ijlde over
het bergvlak.
Een oogenblik van aarzeling, dat den vluchtelingen misschien gunstig
was, hield de Hindoes terug.
Nana Sahib toch bracht zelden den geheelen nacht in het fort door. Na
den vorigen dag kolonel Munro voor den mond van het kanon te hebben
laten vastbinden, had hij zich naar eenige hoofden van stammen uit
Goundwana begeven, die hij nooit op klaarlichten dag bezocht. Maar het
was het uur waarop hij gewoonlijk weder naar zijn verblijf terugkeerde
en het kon niet lang duren of hij zou werkelijk verschijnen.
Kâlagani, Nassim, de Hindoes, de Dacoits, meer dan honderd mannen,
stonden gereed den gevangene te vervolgen, doch ééne zaak hield hen
nog terug, namelijk de volstrekte onwetendheid waarin zij verkeerden
omtrent hetgeen er gebeurd was. Het lijk van den Hindoe, die gesteld
was ter bewaking van den kolonel, kon hun niets leeren.
Van al de waarschijnlijkheden nu, moest dit voor hen het resultaat
zijn: dat, door een toevallige omstandigheid het kanon was afgeschoten
vóór het uur, voor de strafoefening bepaald en dat er van den gevangene
op dit oogenblik niets meer bestond dan vormlooze overblijfselen!
De woede van Kâlagani en de anderen uitte zich door een concert van
vervloekingen. Noch Nana Sahib, noch iemand hunner zou dus het genot
hebben de laatste oogenblikken van kolonel Munro bij te wonen!
Maar de Nabob was niet ver meer af. Ook hij had de losbranding moeten
hooren. In allerijl zou hij naar de sterkte komen toesnellen. Wat zoude
men hem antwoorden, als hij hun rekenschap vroeg van den gevangene,
die hij er had achtergelaten?
Van daar bij allen een aarzeling, die den vluchteling den tijd had
gegeven iets vooruit te komen, voordat zij werden opgemerkt.
Sir Edward Munro en Goûmi waren dan ook na deze verwonderlijke
verlossing vol hoop en daalden snel het kronkelend voetpad af naar
beneden. Lady Munro lag in zwijm, maar woog toch niet zwaar in de
sterke armen van den kolonel. Zijn dienaar stond trouwens ieder
oogenblik gereed hem te helpen.
Vijf minuten na door de poort gegaan te zijn, bevonden beiden zich
halfweg van het bergvlak naar de vallei. Maar de dag begon aan te
breken en de eerste stralen der zon drongen door tot in de diepste
schuilhoeken van den nauwen bergpas.
Op dat oogenblik barstten luide kreten boven hun hoofd los.
Over de borstwering heen gebogen, kon Kâlagani juist nog even het
profiel van het gelaat der twee mannen die vluchtten onderscheiden. Een
van die mannen kon niemand anders zijn dan de gevangene van Nana Sahib!
»Munro, 't is Munro!" riep Kâlagani woedend.
En, de poort uitsnellende, vloog hij ze na, gevolgd door de geheele
bende.
»Ze hebben ons gezien!" zei de kolonel, zonder zijn schreden in
te houden.
»'k Zal de eersten ophouden!" antwoordde Goûmi. »Ze zullen me dooden,
maar dat zal u misschien den tijd geven den weg te bereiken!"
»Ze zullen ons beiden dooden, of we zullen hun samen ontkomen!" riep
Munro uit.
Kolonel Munro en Goûmi hadden hun loop nog versneld. Toen zij onder op
het voetpad waren aangekomen, konden zij met alle macht voortijlen. Nog
een veertig schreden en zij hadden den weg van Ripore bereikt, die
op den grooten weg uitliep en waarop het hun gemakkelijker zou vallen
te vluchten.
Doch gemakkelijker zou dan ook de vervolging zijn. Een schuilplaats te
zoeken was onnoodig, want zij zouden dadelijk ontdekt zijn. Het was
dus van het meeste belang de Hindoes vooruit te komen en bovendien
vóór hen uit den laatsten bergpas der Vindhyas te komen.
Oogenblikkelijk nam kolonel Munro het besluit niet opnieuw levend in
de handen van Nana Sahib te vallen. Haar, die hem was teruggegeven,
zou hij liever met den dolk van Goûmi dooden, dan haar den nabob
overleveren en met dien zelfden dolk zou hij daarna zich zelven
treffen!
De vluchtelingen hadden toen bijna vijf minuten op hunne vervolgers
gewonnen. Op het oogenblik dat de eerste Hindoes de poort uitsnelden,
zagen kolonel Munro en Goûmi van verre reeds den weg waarop het
voetpad uitliep, terwijl de groote weg nog slechts een kwart mijl
verwijderd was.
»Moed gehouden, meester!" zeide Goûmi, gereed den kolonel tot bolwerk
van zijn lichaam te strekken. »Nog vijf minuten en we zijn op den
weg naar Jubbulpore!"
»God geve, dat we er hulp vinden!" mompelde kolonel Munro.
De kreten der Hindoes werden allengs duidelijker.
Op het oogenblik dat de vluchtelingen den weg opsnelden, kwamen twee
mannen, die snel liepen, onder aan het voetpad aan.
Het was toen licht genoeg om elkaar te onderscheiden en twee namen,
met doodelijken haat uitgesproken, beantwoordden elkander tegelijk:
»Munro!"
»Nana Sahib!"
De nabob was op het geluid der losbarsting toegesneld en besteeg in
allerijl het pad naar het fort. Hij begreep niet waarom zijne bevelen
vóór den door hem bepaalden tijd waren uitgevoerd.
Een Hindoe vergezelde hem, doch voordat deze Hindoe een stap verder
en zelfs een gebaar had kunnen doen, viel hij voor de voeten van
Goûmi neder, doodelijk getroffen door het mes, dat de banden van den
kolonel had losgesneden.
»Help!" schreeuwde Nana Sahib tot den troep, die het voetpad afdaalde.
»Ja, wacht!" antwoordde Goûmi.
En sneller dan de bliksem, wierp hij zich op den nabob.
Zijn plan was geweest, als het hem althans niet mocht gelukken hem
dadelijk te dooden, dan toch zoolang met hem te worstelen, dat kolonel
Munro den tijd zou hebben den weg te bereiken, maar de ijzeren hand
van den nabob had de zijne afgewend en zijn mes was hem ontvallen.
Woedend zich ontwapend te zien greep nu Goûmi zijn tegenstander bij
den gordel en hem tegen zich aan drukkende, nam hij hem in zijne
krachtige armen op, vast besloten zich met hem in den eersten den
besten afgrond te storten.
Intusschen waren Kâlagani en zijne metgezellen naderbij gekomen,
ze hadden het onderste gedeelte van het voetpad bereikt en dan was
er geen hoop meer hun te kunnen ontsnappen!
»Nog een poging!" herhaalde Goûmi. »'k Zal 't nog eenige minuten zien
uit te houden en me van hun nabob als een schild bedienen! Vlucht,
meester, vlucht zonder mij!"
Maar nauwlijks drie minuten waren nu de vluchtelingen van hunne
vervolgers verwijderd en de nabob riep Kâlagani met gesmoorde stem.
Plotseling klonken twintig passen verder kreten van:
»Munro! Munro!"
Daar was Banks, op den weg naar Ripore, met kapitein Hod, Maucler,
sergeant Mac Neil, Fox, Parazard en honderd schreden van hen af,
op den grooten weg, de IJzeren Reus, die wolken damp uitwerpende,
hen met Storr en Kâlouth opwachtte!
Na de vernieling van het laatste huis van het Stoomhuis, hadden de
ingenieur en zijn metgezellen slechts een besluit te nemen, den olifant
namelijk, dien de bende der Dacoits niet had kunnen vernietigen,
als voertuig te gebruiken. Dadelijk hadden zij dus op den rug van
den IJzeren Reus het Puturiameer verlaten en waren zij den weg naar
Jubbulpore ingeslagen. Maar juist op het oogenblik dat zij den weg,
die naar het fort leidde, voorbijgingen, had een geduchte losbranding
boven hunne hoofden weerklonken en hadden zij dadelijk halt gehouden.
Een voorgevoel, een instinct, als men wil, had hen aangezet dezen weg
te volgen. Wat hoopten zij? Zij zouden het niet hebben kunnen zeggen.
Zeker is het, dat eenige minuten later de kolonel voor hen stond,
hun toeroepende:
»Red lady Munro!"
»En help me Nana Sahib overmeesteren, ditmaal den echten!" riep
Goûmi uit.
Met een laatste wanhopige krachtsinspanning had hij den nabob ter
aarde geworpen, die nu verder door kapitein Hod, Mac Neil en Fox
bedwongen werd.
Vervolgens begaven Banks en de zijnen zonder verder eenige verklaring
te vragen, zich naar den IJzeren Reus op den weg.
Op bevel van den kolonel, die hem aan de Engelsche rechtspleging wilde
overleveren, werd Nana Sahib aan den hals van den olifant gebonden. Wat
lady Munro betreft, men bracht haar in het torentje, alwaar haar
man aan haar zijde plaatsnam. Geheel met de zorg voor zijne vrouw
vervuld, die weder tot bewustzijn scheen te komen, trachtte hij eenige
schemering van licht in hare verstandelijke vermogens te ontdekken.
De ingenieur en zijne metgezellen waren haastig op den rug van den
IJzeren Reus geklommen.
»En nu »fullspeed" vooruit!" riep Banks.
Het was toen dag geworden. Een honderd schreden achterwaarts verscheen
reeds een eerste groep Hindoes. Tot elken prijs moest men vóór hen den
vooruitgeschoven post van het militaire kantonnement van Jubbulpore,
die den laatsten bergpas der Vindhyas bezet houdt, bereiken.
De IJzeren Reus had nu in overvloed water, brandstof, alles wat
noodig was de noodige drukking te onderhouden en hem zijn maximum
van snelheid te verleenen. Maar op dezen weg met zijne plotselinge
krommingen, kon hij zich niet blindelings voortbewegen.
De kreten der Hindoes verdubbelden toen en de geheele troep won
zichtbaar op hem.
»We zullen ons moeten verdedigen," zei sergeant Mac Neil.
»Welnu, we zullen ons verdedigen!" antwoordde kapitein Hod.
Er bleef nog een twaalftal schoten over. Het was dus noodzakelijk
geen enkelen kogel te verliezen, want de Hindoes waren gewapend en
men moest ze vooral op een afstand houden.
Kapitein Hod en Fox plaatsten zich met de karabijn in de hand op
het kruis van den olifant, achter het torentje. Goûmi voor, had zich
zoodanig geplaatst, dat hij in schuinsche richting kon vuren. Mac Neil,
bij Nana Sahib, in de eene hand een revolver, in de andere een dolk,
hield zich gereed hem te dooden, als de Hindoes hem mochten naderen,
Kâlouth en Parazard voor den vuurhaard, voorzagen hem onophoudelijk
met brandstof. Banks en Storr bestuurden den gang van den IJzeren Reus.
De vervolging duurde reeds sedert tien minuten. Twee honderd schreden
op zijn hoogst, scheidden de Hindoes van Banks en de zijnen. Mochten
zij sneller gaan, de kunstmatige olifant kon het langer uithouden dan
zij. De geheele tactiek bestond dus daarin, hen te beletten vooruit
te komen.
Op dit oogenblik barstten er een tiental geweerschoten los. De kogels
passeerden fluitende boven den IJzeren Reus, uitgenomen een, die hem
tegen het uiteinde van zijn tromp trof.
»Schiet niet, en als ge schiet, wees dan zeker van uw schot!" riep
kapitein Hod. »Laten we onze kogels sparen! Ze zijn nog te ver af!"
Toen Banks nu een eind weg bijna in rechte lijn voor zich zag, draaide
hij den regulateur wijd open, waarna de IJzeren Reus, zijn snelheid
verdubbelende, de bende verscheidene honderd passen achter zich liet.
»Hoera! hoera! leve onze Reus!" riep kapitein Hod uit, die zich niet
meer kon inhouden! »O! die schelmen, ze zullen hem niet hebben!"
Doch aan het einde van dit rechte gedeelte van den weg, zou een
soort van opstijgenden en bochtigen hollen weg, laatste bergpas van
de zuidelijke helling der Vindhyas, noodzakelijk den gang van Banks
en zijne metgezellen vertragen. Kâlagani en de anderen wisten deze
bijzonderheid en gaven de vervolging niet op.
De IJzeren Reus had snel deze vernauwing van den weg bereikt, die
tusschen twee hooge hellende rotsen doorliep.
Men moest toen wel minder snel en slechts met de grootste
voorzichtigheid vooruitgaan. Tengevolge van deze vertraging, wonnen
de Hindoes het geheele verloren terrein terug. Al hadden zij de hoop
opgegeven Nana Sahib te redden, althans wilden zij zijn dood wreken.
Weldra barstten nieuwe geweerschoten los, doch zonder een der berijders
van den IJzeren Reus te treffen.
»Nu begint het ernstig te worden!" zei kapitein Hod, zijn karabijn
aanleggende. »Attentie!"
Goûmi en hij vuurden tegelijk af. Twee der naastbijzijnde Hindoes,
beiden in de borst getroffen, vielen neder.
»Twee minder!" zei Goûmi, zijn wapen opnieuw ladende.
»Twee percent!" riep kapitein Hod uit. »'t Is nog niet genoeg. We
dienen ze nog meer af te nemen!"
En de karabijnen van den kapitein en van Goûmi, waarbij zich het
geweer van Fox voegde, troffen doodelijk drie andere Hindoes.
Maar men kwam niet snel vooruit in den bochtigen bergpas. Niet alleen
dat de weg zich vernauwde, men weet dat hij ook sterk helde. Evenwel
nog een halve mijl en de laatste berghelling der Vindhyas was voorbij
en de IJzeren Reus kwam uit op honderd passen van een post, bijna in
het gezicht van het station van Jubbulpore!
De Hindoes waren de menschen niet om voor het vuur van kapitein Hod
en zijne metgezellen terug te deinzen. Zij gaven niets om hun leven
als het er op aan kwam Nana Sahib te redden of te wreken! Tien,
twintig van hen zouden misschien sneuvelen, maar tachtig bleven
er nog over om zich op den IJzeren Reus te werpen en den kleinen
troep te overmeesteren wien hij tot een rollend bolwerk diende! Ook
verdubbelden zij hunne pogingen hen, die ze vervolgden te bereiken.
Kâlagani wist trouwens, dat kapitein Hod en de zijnen aan hunne
laatste patronen waren en dat weldra geweren en karabijnen slechts
nuttelooze wapenen in hunne handen zouden zijn.
En werkelijk hadden de vluchtelingen de helft der ammunitie verbruikt,
die hun nog overbleef, zoodat zij weldra in de onmogelijkheid zouden
zijn zich te verdedigen.
Evenwel weerklonken nog vier geweerschoten en vier Hindoes beten in
het stof.
Er bleven kapitein Hod en Fox nog slechts twee schoten over.
Op dit oogenblik kwam Kâlagani, die zich tot nog toe een weinig
had schuil gehouden, meer naar voren dan met de voorzichtigheid
overeenkwam.
»Hoera! nu heb ik hem!" riep kapitein Hod uit, terwijl hij met de
grootste kalmte op hem mikte.
De kogel uit de karabijn van den kapitein trof den verrader midden
op het voorhoofd. Zijne handen tastten een oogenblik in de ruimte,
hij draaide in het rond en viel.
Op dit oogenblik kwam het zuidelijk uiteinde van den bergpas in het
gezicht. De IJzeren Reus deed een laatste poging. Voor het laatst liet
de karabijn van Fox zich hooren en een laatste Hindoe mat den bodem.
Maar ook bijna dadelijk daarop bemerkten de Hindoes, dat het vuren
had opgehouden en als wanhopigen snelden zij ter bestorming van den
olifant, waarvan zij slechts vijftig schreden verwijderd waren.
»Op den grond! op den grond!" schreeuwde Banks.
En werkelijk was het in de gegeven omstandigheden beter den IJzeren
Reus te verlaten en naar den post te loopen, die niet veraf meer was.
Kolonel Munro, zijne vrouw in zijn armen nemende, zette den voet op
den weg.
Ook kapitein Hod, Maucler, de sergeant en de anderen waren onmiddellijk
op den grond gesprongen.
Banks alleen was in het torentje gebleven.
»En die schoelje daar!" riep kapitein Hod uit, op Nana Sahib wijzende,
die nog altijd aan den hals van den olifant was vastgebonden.
»Laat me mijn gang eens gaan, kapitein!" antwoordde Banks op vreemden
toon.
Daarna, voor het laatst den regulateur omdraaiende, klom hij op zijn
beurt af.
Allen gingen toen op de vlucht, met den dolk in de hand, gereed om
zoo duur mogelijk hun leven te verkoopen.
Intusschen bleef de IJzeren Reus, door den stoom voortgedreven,
hoewel nu aan zich zelven overgelaten, tegen de helling opklimmen;
doch, niet meer bestuurd wordende, stootte hij met vreeselijk geweld
tegen de linker helling van den weg aan en plotseling stil blijvende
staan, versperde hij den weg bijna in zijn geheele breedte.
Banks en de zijnen waren reeds een dertig schreden van hem af, toen
de Hindoes zich in massa op den IJzeren Reus wierpen, om Nana Sahib
te verlossen.
Eensklaps bracht een ontzettend geraas, gelijk aan de geweldigste
donderslagen, de luchtlagen met een onbeschrijfelijke hevigheid
in beweging.
Banks had, alvorens het torentje te verlaten, de veiligheidskleppen
zwaar belast. De stoom bereikte dus zijn maximum van spanning en
toen de IJzeren Reus tegen den rotswand aanbotste, deed deze stoom,
zich niet meer door de cilinders kunnende ontlasten, den stoomketel
springen, welks overblijfselen naar alle richtingen heen verspreid
werden.
»Arme Reus!" riep kapitein Hod uit, »verloren om ons te redden!"