De stilte hield niet lang aan. Niet alleen waren levensmiddelen ter
beschikking van de bende der Dacoits gesteld, maar zij maakten ook
een bovenmatig gebruik van sterke arak, onder welker invloed men ze
kon hooren schreeuwen en vloeken.
Doch al dat leven hield allengs op. Het zou niet lang duren of de
slaap zou zich meester maken van die dieren in menschengedaante,
die daarenboven reeds afgemat waren door een langen, vermoeienden dag.
Zou Sir Edward Munro dan nu zonder wachter gelaten worden tot het
oogenblik dat zijn doodsuur zou slaan? Zou Nana Sahib zijn gevangene
niet laten bewaken, al was hij stevig vastgebonden met driedubbele
dikke koorden, die armen en borst omgaven en hij daardoor volkomen
buiten staat was de minste beweging te maken?
De kolonel vroeg het zich af, toen hij tegen acht uren een Hindoe de
kazerne zag verlaten en zich naar het bergvlak begeven.
Deze Hindoe had het bevel, den geheelen nacht in het gezelschap van
kolonel Munro te blijven.
Na schuin het bergvlak te zijn overgestoken, kwam hij recht op het
kanon af, teneinde zich te overtuigen, dat de gevangene zich nog
altijd daar bevond. Met krachtige hand onderzocht hij de touwen,
die hem stevig genoeg voorkwamen. Daarna, zonder zich rechtstreeks
tot den kolonel te wenden, maar in zich zelven sprekende, zeide hij:
»Tien pond kruit! In langen tijd liet het oude kanon van Ripore niets
van zich hooren, maar morgen zal het spreken!..."
Deze opmerking bracht een glimlach van minachting op het fiere
gelaat van kolonel Munro. De dood kon hem niet versagen, onder welken
verschrikkelijken vorm hij hem ook zou genaken.
De Hindoe bekeek eerst het voorste gedeelte van den vuurmond, trad
toen een paar stappen terug, streek met de hand over den dikken kulas,
terwijl hij den vinger een oogenblik op het zundgat liet rusten,
dat tot aan den rand toe met slagkruit gevuld was.
Daarna bleef de Hindoe dood op zijn gemak, tegen de druif aangeleund
staan. Hij scheen geheel vergeten te hebben, dat de gevangene zich
daar nog bevond als een lijder aan den voet der galg, wachtende,
dat het valluik zich aan zijne voeten onttrok.
Hetzij uit onverschilligheid, hetzij als een gevolg van de arak, die
hij dien avond gedronken had, neuriede de Hindoe half binnensmonds een
oud refrein van Goundwana. Hij brak telkens af en begon dan opnieuw,
als iemand, die, onder den invloed van een half dronken toestand,
langzamerhand zijne gedachten begon te verliezen.
Een kwartier later, richtte de Hindoe zich weder op. Zijn hand gleed
over het achterste gedeelte van het stuk. Hij ging er om heen en voor
kolonel Munro blijvende staan, keek hij hem aan, onder het prevelen
van onsamenhangende woorden. Uit instinct grepen zijne vingers een
laatste maal de touwen, als om ze nog vaster aan te trekken; daarna
ging hij met het hoofd knikkende, als iemand die gerust is, een tiental
schreden verder, links van den vuurmond, over de borstwering leunen.
Gedurende nog tien minuten, bleef de Hindoe in deze positie, nu eens
naar het bergvlak gekeerd, dan weder naar buiten over de borstwering
heen gebogen en zijne blikken gericht in den afgrond aan den voet
der sterkte.
Duidelijk deed hij een laatste, wanhopige poging om niet voor den
slaap te bukken. Maar eindelijk was hij door vermoeidheid overwonnen
en liet hij zich op den grond zakken, strekte er zich op uit en was
nu volkomen onzichtbaar door de schaduw der borstwering.
Het was intusschen reeds zeer donker geworden. Dikke, onbeweeglijke
wolken strekten zich over den hemel uit. De dampkring was zoo stil
alsof de luchtmoleculen aan elkander gesoldeerd waren. De geluiden
uit de vallei drongen niet tot op deze hoogte door. Het was doodstil.
Hoe kolonel Munro dien benauwden nacht doorbracht, moet ter eere van
dien man vol geestkracht hier vermeld worden. Geen oogenblik dacht hij
aan die laatste seconde van zijn leven waarin de weefsels van zijn
lichaam, met geweld vaneen gescheurd, zijne vreeselijk verspreide
ledematen zich in de ruimte zouden verliezen. Het zou slechts een
bliksemslag zijn en dat was niet iets, dat in staat was hem van
zijn stuk te brengen en hem zijne gewone koelbloedigheid te doen
verliezen. Eenige uren slechts had hij nog te leven; zij behoorden nog
tot dat bestaan, dat voor het grootste gedeelte zoo gelukkig geweest
was. Zijn leven ging tot in de minste bijzonderheden voor hem voorbij,
zijn geheele verleden doemde in zijn geest op.
Het beeld van lady Munro stond voor hem. Hij zag haar weder, hij
hoorde haar, de ongelukkige, die hij nog als in de eerste dagen
beweende, niet meer met de oogen, maar met het hart! Hij vond haar
terug als jong meisje, te midden dier noodlottige stad Cawnpore, in
die woning waar hij haar voor het eerst gekend, bewonderd, bemind
had! Die weinige jaren van geluk, zoo plotseling afgebroken door
de vreeselijkste der rampen, herlevendigden zich in zijn geest. Al
de bijzonderheden dier jaren, hoe gering ook, kwamen zoo juist
in zijn geheugen terug, dat ze niet door de werkelijkheid hadden
kunnen overtroffen worden! Reeds was de halve nacht verstreken,
zonder dat Sir Edward Munro er iets van gemerkt had. Hij had geheel
in zijne herinneringen geleefd, daar, bij zijn aangebeden vrouw,
zonder dat iets er hem van had kunnen afbrengen. In drie uren had
hij als in een droom de drie jaren doorleefd, die hij bij haar had
doorgebracht! Ja! zijn verbeelding had hem onweerstaanbaar van het
bergvlak der sterkte van Ripore weggetooverd, zij had hem losgerukt
van den mond van dat kanon, waarvan de eerste zonnestraal, om zoo te
zeggen, de lont zou doen ontvlammen!
Maar toen kwam de vreeselijke ontknooping van het beleg van Cawnpore
hem voor den geest, de gevangenneming van lady Munro en hare moeder
in Bibi-Ghar, de moord hunner ongelukkige gezellinnen en eindelijk
die put, het graf van twee honderd slachtoffers, waarop hij vier
maanden geleden, een laatste maal was gaan weenen.
En die verfoeielijke Nana Sahib, die zich daar op eenige schreden van
hem af, achter de muren van die bouwvallige kazerne ophield, hij,
de lastgever van die moorden, de moordenaar van lady Munro en van
zoovele andere ongelukkigen! En in zijne handen was hij gevallen,
hij, die als rechter had willen optreden van den moordenaar, dien
het gerecht niet had kunnen bemachtigen!
Sir Edward Munro, door een blinde woede bezield, deed een
bovenmenschelijke poging om zijn banden te verbreken. De touwen
kraakten en de nog vaster gesnoerde knoopen drongen hem in het
vleesch. Hij uitte een kreet, niet van smart, maar van onmachtige
woede.
Bij dien kreet lichtte de Hindoe, in de schaduw der borstwering
uitgestrekt, het hoofd op. Het gevoel van zijn toestand kwam bij hem
terug. Hij herinnerde zich, dat hij de bewaker van den gevangene was.
Hij stond dus op, trad aarzelend op kolonel Munro toe, legde hem de
hand op den schouder, om zich te verzekeren, dat hij zich nog altijd
daar bevond en zeide op den toon van iemand in half slapenden toestand:
»Morgen, bij het opgaan der zon... Boem!"
Daarna ging hij naar de borstwering terug, teneinde er zijn steunpunt
te hernemen. Zoodra hij haar had teruggevonden, strekte hij zich
weder op den grond uit en sliep spoedig geheel in.
Na deze vergeefsche poging had kolonel Munro zijn gewone kalmte
teruggekregen. Zijne gedachten namen een andere richting, zonder dat
hij meer dacht aan het lot dat hem wachtte. Door een natuurlijken
samenloop van gedachten, kwamen hem zijne vrienden, zijne metgezellen
voor den geest. Hij vroeg zich af of zij ook in de handen eener andere
bende van Dacoits gevallen waren, waarvan het in de Vindhyas wemelt,
of men hun geen dergelijk lot als het zijne voorbereidde, en die
gedachte deed hem het hart ineenkrimpen.
Maar bijna onmiddellijk daarop, zeide hij zich zelven, dat dit
niet kon zijn. Immers, indien de nabob ook hun dood had gewild, zou
hij ze met hem in dezelfde straf vereenigd hebben. Neen! aan hem,
aan hem alleen,--hij beproefde het te hopen,--wilde Nana Sahib zijn
hart koelen!
En evenwel, indien het mocht zijn, dat Banks, kapitein Hod, Maucler
reeds vrij waren, wat deden ze dan nu? Waren zij op weg naar Jubbulpore
met den IJzeren Reus, dien de Dacoits niet hadden kunnen vernielen? Aan
hulp zou het hun daar niet ontbreken! Maar waartoe? Hoe zouden zij
geweten hebben waar kolonel Munro zich bevond? Niemand kende het fort
van Ripore, den schuilhoek van Nana Sahib. En buitendien, waarom zou
de naam van den nabob hun in de gedachte gekomen zijn? Was Nana Sahib
niet dood voor hen? Was hij niet bezweken bij den aanval van den pâl
van Tandît? Neen, ze konden werkelijk niets voor den gevangene doen!
Van de zijde van Goûmi was evenmin hoop te verwachten. Kâlagani had
er alle belang bij gehad zich van dien getrouwen dienaar te ontdoen en
hoogst waarschijnlijk was Goûmi zijn meester in den dood vooruitgegaan!
Het ware dus nutteloos geweest op eenig reddingsmiddel te
rekenen. Kolonel Munro was de man niet zich daaromtrent eenige illusie
te maken. Hij bekeek de dingen in het ware licht en kwam geleidelijk
tot zijne eerste gedachten terug, tot de herinnering der gelukkige
dagen, die zijn hart vervulde.
Het zou hem moeielijk geweest zijn te berekenen hoeveel uren er
verloopen waren sedert hij zich op die wijze in zijne herinneringen
verdiept had. De nacht was altijd donker. Niets vertoonde zich nog
op de toppen der bergen in het oosten, dat de eerste stralen der
opgaande zon verkondigde.
Evenwel zal het omstreeks vier uren van den morgen geweest zijn,
toen de aandacht van kolonel Munro gewekt werd op een vrij zonderling
verschijnsel. Tot op dat oogenblik, gedurende dat terugkeeren tot zijn
verleden, had hij meer een blik in zijn binnenste dan wel in de wereld
buiten hem geslagen. De uitwendige voorwerpen, die zich te midden van
die diepe duisternis slechts onduidelijk aan hem voordeden, zouden
hem niet hebben kunnen aftrekken, maar toen vestigden zijne oogen
zich op één punt, en al de beelden, in zijne herinnering opdoemende,
verdwenen eensklaps voor een soort van verschijning, even onverwacht
als onverklaarbaar.
Kolonel Munro toch was niet meer alleen op het bergvlak van Ripore. Het
was alsof er zich een licht, onzeker, weifelend nog, aan het uiteinde
van het pad, aan de poort van het fort vertoonde. Het kwam en ging
ongestadig, dof, dreigende uit te gaan, dan weder opflikkerende,
alsof het door een onvaste hand werd gedragen.
Alles in den toestand van den gevangene kon van belang zijn. Zijne
oogen waren dus onafgewend op deze vlam gericht en hij merkte op, dat
zij een dikken damp van zich gaf en beweeglijk was. Hij besloot dus,
dat de vlam niet in een lantaarn was opgesloten.
»Een mijner metgezellen zeker," zei kolonel Munro in zich
zelven. »... Goûmi misschien! Maar neen! Die zou met geen licht
rondloopen, dat hem zou verraden.... Wat kan 't dan zijn?"
Het licht kwam langzamerhand dichter bij. Eerst gleed het langs den
muur der oude kazerne en Sir Edward mocht met recht vreezen, dat het
door eenigen der daar binnen slapende Hindoes zou opgemerkt worden.
Gelukkig was dit niet het geval en het licht ging voorbij zonder
opgemerkt te worden. Somtijds, als de hand, die het droeg in
koortsachtige beweging geraakte, flikkerde het op en schitterde met
levendiger glans.
Weldra had het licht den muur der borstwering bereikt en liep er langs,
als het St.-Elmusvuur in een stormachtigen nacht.
Toen begon kolonel Munro een soort van spooksel te onderscheiden,
zonder duidelijken vorm, een »schaduw", die onduidelijk door dat
licht beschenen werd. Het wezen, welk dan ook, dat zich op die wijze
voorwaarts spoedde, moest gehuld zijn in een lang overkleed, waaronder
zich de armen en het hoofd verborgen.
De gevangene bewoog zich niet. Hij hield zijn adem in. Hij vreesde
de verschijning schrik aan te jagen, de vlam te zien uitdooven,
waarvan het licht haar in het donker geleidde. Hij hield zich even
onbeweeglijk als het zware stuk metaal, dat hem in zijn enormen mond
scheen te bevatten.
Intusschen gleed het spooksel steeds langs de borstwering voort. Zou
het niet kunnen gebeuren, dat het tegen het lichaam van den slapenden
Hindoe aanstootte? Neen. De Hindoe lag links van het kanon uitgestrekt
en de verschijning kwam van de rechterzijde, nu eens stilstaande,
dan weder met kleine schreden voortgaande.
Eindelijk was zij zoo dicht genaderd, dat kolonel Munro haar
duidelijker kon onderscheiden.
Het was een wezen van gemiddelde lengte, welks lichaam werkelijk geheel
door een lang overkleed bedekt was. Van onder dit overkleed kwam een
hand te voorschijn, die een brandenden harsachtigen tak vasthield.
»Zeker een gek, die gewoon is de kampementen der Dacoits te bezoeken,"
zei kolonel Munro in zich zelven, »en waarop men geen acht meer
slaat! Waarom heeft hij geen dolk in de hand, in plaats van een
fakkel!... Misschien zou ik dan?..."
Het was wel geen gek, maar toch had Sir Edward Munro het nagenoeg
geraden.
Het was de waanzinnige van de vallei der Nerbudda, het in hare
geestvermogens gekrenkte schepsel, dat sedert vier maanden door de
Vindhyas ronddwaalde, altijd gevierd en gastvrij ontvangen door de
bijgeloovige Gounds. Noch Nana Sahib, noch een zijner metgezellen
wisten welk deel de »Dwalende Vlam" aan den aanval van den pâl
van Tandît genomen had. Dikwijls hadden zij haar ontmoet in het
bergachtige gedeelte van Bundelkund, en zij hadden zich nooit over
hare tegenwoordigheid bekommerd. Meermalen reeds had zij op hare
dagelijksche tochten hare schreden gericht naar het fort van Ripore en
niemand was het in de gedachte gekomen haar er uit te verjagen. Alleen
het toeval harer nachtelijke omzwervingen had er haar dezen zelfden
nacht heen geleid.
Kolonel Munro wist niets van de waanzinnige af. Hij had nooit van
de Dwalende Vlam hooren spreken en toch deed dat onbekende wezen,
dat hem misschien zou aanraken, misschien tot hem zou spreken, zijn
hart met een onverklaarbare hevigheid slaan.
Langzamerhand was de waanzinnige het kanon genaderd. Haar fakkel gaf
nog slechts een zwak licht van zich en zij scheen den gevangene niet
te zien, hoewel zij zich vlak voor hem bevond en hare oogen door het
overkleed heen, dat als het boetkleed eens boetvaardigen door gaten
doorboord was, bijna zichtbaar waren.
Sir Edward Munro hield zich doodstil. Noch door een beweging met
het hoofd, noch door een woord beproefde hij de aandacht van dit
zonderlinge schepsel te trekken.
Trouwens keerde zij bijna dadelijk op hare schreden terug, teneinde
om het enorme stuk geschut heen te gaan, op welks oppervlakte haar
fakkel kleine zwevende schaduwen afteekende.
Begreep ze, de krankzinnige, waartoe dit kanon, dat daar als een
monster lag uitgestrekt, moest dienen, waarom die man voor den mond
was vastgebonden, die bij de eerste stralen der opgaande zon bliksem
en donder zou uitbraken?
Neen, ongetwijfeld. De Dwalende Vlam was daar, zooals ze overal was,
zonder het zelve te weten. Zij dwaalde dien nacht, zooals zij het
reeds zoo dikwijls gedaan had, over het bergvlak van Ripore. Daarna
zou zij het verlaten, zij zou langs het kronkelende voetpad afdalen,
zij zou de vallei weder bereiken en hare schreden daarheen richten,
waar hare grillige verbeelding haar brengen zou.
Kolonel Munro, die vrij het hoofd kon omkeeren, volgde al hare
bewegingen. Hij zag haar achter om het stuk heengaan. Van daar begaf
zij zich in de richting van den muur der borstwering, zeker om deze
te volgen tot het punt waar zij zich aan de poort aansloot.
En werkelijk liep de Dwalende Vlam juist zooals de kolonel vermoedde,
doch op eenige schreden van den slapenden Hindoe af zich omgekeerd
hebbende, keerde zij zich om. Belette een onzichtbare band haar verder
te gaan? Hoe het zij, een onverklaarbaar instinct voerde haar naar
kolonel Munro terug en wederom bleef zij onbeweeglijk voor hem staan.
Ditmaal sloeg het hart van Sir Edward Munro zoo onstuimig, dat hij
het met de hand tot bedaren had willen brengen.
De Dwalende Vlam was naderbij gekomen. Zij had haar fakkel op de
hoogte van het gelaat van den gevangene gebracht, alsof zij hem beter
had willen zien. Door de gaten van haar boethemd heen, kon men hare
oogen zien schitteren.
Kolonel Munro, onwillekeurig door die vurige oogen als betooverd,
verslond haar met zijn blikken.
Toen trok de waanzinnige langzamerhand de plooien van haar overkleed
van een. Weldra vertoonde zich haar gelaat ontbloot en op dit
oogenblik schudde ze met de rechterhand de fakkel heen en weder,
die een helderder glans verspreidde.
Een kreet!--een half gesmoorde kreet,--ontsnapte aan de borst van
den gevangene.
»Laurence! Laurence!"
Hij meende op zijn beurt krankzinnig te worden!... Zijne oogen sloten
zich een oogenblik.
Het was lady Munro! Ja! lady Munro zelve,--die daar voor hem stond!
»Laurence... gij... gij!" herhaalde hij.
Lady Munro antwoordde niets. Zij herkende hem. Zij scheen hem zelfs
niet te hooren.
»Laurence! Krankzinnig! krankzinnig, ja!... maar levend!"
Sir Edward Munro had zich niet kunnen vergissen door een gewaande
gelijkenis. Het beeld zijner jonge vrouw was te diep in zijn hart
gegrift. Neen! zelfs na een scheiding van negen jaren, die hij niet
anders dacht dan dat eeuwig zou zijn, was het ongetwijfeld lady Munro,
veranderd zeker, maar nog schoon, het was lady Munro, als door een
wonder aan de beulen van Nana Sahib ontsnapt, die daar voor hem stond!
De ongelukkige, na al het mogelijke gedaan te hebben om hare moeder,
onder hare oogen gedood, te redden, was gevallen. Gewond, maar niet
doodelijk en onder zoovele anderen gemengd, werd zij een van de laatste
in de put van Cawnpore geworpen, op de opgehoopte slachtoffers, die
haar reeds vulden. Toen de nacht was aangebroken, deed een laatst
instinct van zelfbehoud haar tot den rand der put voortsleepen,--het
instinct alleen, want toen reeds had zij haar verstand tengevolge
dezer vreeselijke tooneelen verloren. Na alles wat zij geleden had
sedert het begin van het beleg, in de gevangenis van Bibi-Ghar, op
het tooneel van den moord, na hare moeder te hebben zien ombrengen,
had zij het hoofd verloren. Zij was krankzinnig, maar levend! zooals
Munro er zich zooeven van overtuigd had. Krankzinnig had zij zich
buiten de put gesleept, had in den omtrek rondgezworven, was zij
buiten de stad kunnen komen, op het oogenblik dat Nana Sahib en de
zijnen haar na de bloedigen executie verlieten. Krankzinnig had zij
zich in het duister gered, steeds voor zich heen gaande, dwars over
de velden. De steden vermijdende, de bewoonde streken ontvluchtende,
hier en daar door arme raïots opgenomen, geëerbiedigd als een wezen
van verstand beroofd, was de arme waanzinnige op die wijze tot de
Sautpourrabergen, tot de Vindhyas gedwaald! En, sedert negen jaren
dood voor allen, maar de geest altijd getroffen door de herinnering
aan de verschrikkingen van het beleg, zwierf zij steeds overal rond!
Ja, zij was het wel!
Nogmaals riep kolonel Munro haar... Zij antwoordde niet. Wat zou hij
niet hebben willen geven om haar te omarmen, haar op te nemen, mede
te voeren, een nieuw leven met haar te beginnen, haar het verstand
terug te geven door tal van zorgen en liefdeblijken!... En hij stond
daar gebonden aan die metaalmassa, het bloed vloeide uit zijne armen
door de diepe insnijdingen der touwen en niets kon hem met haar aan
die gevloekte plek ontrukken!
Welk een foltering, zoo wreed als zelfs de verbeelding van een Nana
Sahib niet had kunnen uitdenken! O! indien dat monster daar geweest
was, als hij geweten had dat lady Munro in zijn macht was, welk
een vreeselijk genot zou hij gesmaakt hebben! Met welke verfijnde
martelingen zou hij ongetwijfeld de wanhoop van den gevangene nog
slechts vergroot hebben!
»Laurence! Laurence!" herhaalde Sir Edward Munro.
En hij riep haar met luide stem, op gevaar af den eenige schreden
verder slapenden Hindoe te wekken, op gevaar af de Dacoits te lokken,
in de oude kazerne gelegerd en Nana Sahib zelven!
Doch lady Munro bleef hem, zonder te begrijpen, met verwilderde
oogen aanzien. Zij zag niets van het verschrikkelijk lijden van den
ongelukkige, die haar terugvond op het oogenblik, dat hij zelf ging
sterven! Haar hoofd schudde heen en weder alsof zij niet had willen
antwoorden!
Eenige minuten verliepen op deze wijze; toen liet zij haar hand zakken,
de kap viel weder over haar gelaat, en ze trad een schrede achteruit.
Kolonel Munro dacht, dat zij ging ontvluchten!
»Laurence!" riep hij een laatste maal, alsof hij haar voor eeuwig
een afscheidsgroet toewierp.
Doch neen! Lady Munro dacht er niet aan het bergvlak van Ripore te
verlaten en de toestand, hoe verschrikkelijk zij reeds ware, zou zich
nog verergeren.
Werkelijk, lady Munro bleef staan. Blijkbaar had dit kanon haar
aandacht getrokken. Misschien gloorde er een duistere herinnering aan
het beleg van Cawnpore bij haar op! Zij keerde dus terug, met langzame
schreden. Haar hand, waarin zij de fakkel hield, liet de vlam langs
de metalen buis gaan en een vonk was genoeg om het slagkruit te doen
ontvlammen en het stuk te doen afgaan!
Zou Munro dan door deze hand sterven?
Dit denkbeeld kon hij niet verdragen! Dan was het honderdmaal beter
onder de oogen van Nana Sahib en de zijnen te sterven!
Munro was op het punt zijne beulen te roepen, hen wakker te maken!
Plotseling voelde hij uit het binnenste van het kanon een hand
zijn handen op den rug gebonden, drukken. Het was de drukking van
een vriendenhand, die zijne banden trachtte los te maken. Weldra
waarschuwde hem de koude aanraking van een stalenlemmer, dat met
voorzichtigheid tusschen de koorden en zijn polsen werd gestoken, dat
zich in de ziel zelve van dit enorme stuk, maar door welk wonder! een
bevrijder ophield.
Hij kon er zich niet in vergissen! Men sneed de touwen door, die hem
vastgebonden hielden!...
Binnen een seconde was het verricht! Hij kon een schrede voorwaarts
doen. Hij was vrij!
Hoezeer meester van zich zelven, zou een kreet hem in het verderf
storten!...
Een hand strekte zich buiten het stuk uit... Munro vatte haar,
trok haar naar zich toe en een man, die zich door een laatste
krachtsinspanning uit de opening van het kanon ontwrongen had, viel
aan zijne voeten neder.
Het was Goûmi!
De getrouwe dienaar was, na ontsnapt te zijn, den weg naar Jubbulpore
blijven houden, inplaats van naar het meer terug te keeren, waarheen
de troep van Nassim zich wendde. Aan den weg van Ripore aangekomen,
had hij zich een tweede maal moeten verbergen. Er bevond zich daar
een groep Hindoes, sprekende over kolonel Munro, dien de Dacoits,
aangevoerd door Kâlagani naar de sterkte zouden brengen, waar Nana
Sahib hem den dood door het kanon had toegezegd. Zonder een oogenblik
te verliezen, was Goûmi in het donker naar het kronkelend voetpad
geslopen en had het op dit oogenblik verlaten bergvlak bereikt. En
toen was het heldhaftige plan bij hem opgekomen in het enorme kanon
te kruipen, met de gedachte zijn meester te verlossen, indien de
omstandigheden zich er toe leenden, of, zoo hij hem niet kon redden,
met hem te sterven!
»De dag breekt aan!" zei Goûmi zacht. »Laat ons vluchten!"
»En lady Munro?"
De kolonel wees op de waanzinnige, overeind, onbeweeglijk. Haar hand
lag op dit oogenblik op den kulas van het kanon.
»In onze armen... meester..." antwoordde Goûmi, zonder nadere
verklaring te vragen.
Het was te laat!
Op het oogenblik, dat de kolonel en Goûmi haar naderden om haar op
te nemen, hield lady Munro, hun willende ontsnappen, zich even met
de hand aan het stuk vast, haar fakkel viel op het slagkruit en een
vreeselijke losbarsting, weerkaatst door de echo's der Vindhyas,
klonk als een donderslag door de geheele vallei der Nerbudda.