De Thugs, bloediger gedachtenis, waarvan Hindostan verlost schijnt
te zijn, hebben evenwel opvolgers nagelaten hunner waardig. Het zijn
de Dacoits, een soort van Thugs in een andere gedaante. De wijze van
executie dezer boosdoeners is veranderd, het doel der moordenaars
moge niet meer hetzelfde zijn, het resultaat is het wel: het is de
moord met voorbedachten rade.
Er wordt nu niet meer, zooals vroeger, een slachtoffer aan de wreede
Kâli, de godin van den dood aangeboden. Deze nieuwe dweepers gaan nu
niet meer door worging te werk, zij vergiftigen om te stelen. Op de
worgers zijn meer praktische, doch even geduchte misdadigers gevolgd.
De Dacoits, die in zekere streken van het schiereiland afzonderlijke
benden vormen, nemen alles op wat de Engelsch-Indische rechtspleging
aan moordenaars door de mazen van haar net doet ontsnappen. Zij zwerven
dag en nacht langs de groote wegen, vooral in de meest afgelegen woeste
streken en men weet, dat in Bundelkund de geschiktste plaatsen gevonden
worden voor zulke tooneelen van geweld en plundering. Niet zelden
vereenigen deze bandieten zich in grooten getale om een afgelegen dorp
aan te tasten. Het eenige wat dan voor die bevolking overblijft, is de
vlucht te nemen, maar de pijniging met al hare verfijnde wreedheden,
wacht hen, die in de handen der Dacoits achterblijven. Onder hen zijn
de overleveringen in zwang gebleven van de voetschroeiers uit het
verre westen. Volgens Louis Rousselet overtreffen de »listen dier
ellendigen, de wijze waarop zij te werk gaan, alles wat ooit in het
meest fantastische brein eens romanschrijvers is opgekomen!"
En het was nu in handen van zulk een bende Dacoits, door Kâlagani
overgehaald, dat kolonel Munro gevallen was. Voordat hij tijd gehad had
tot bezinning te komen, gewelddadig van zijne metgezellen gescheiden,
was hij op den weg naar Jubbulpore medegevoerd.
Het gedrag van Kâlagani was van den dag af aan, dat hij met de
bewoners van het Stoomhuis betrekkingen had aangeknoopt, slechts
dat van een verrader geweest. Nana Sahib was de man geweest, die
hem had afgezonden, hij alleen had hem uitgekozen om zijn wraak voor
te bereiden.
Men herinnert zich, dat de nabob den 24n Mei ll., te Bhopal, gedurende
de laatste feesten van Moharum, die hij de stoutmoedigheid gehad had
bij te wonen, het vertrek van Sir Edward Munro naar de noordelijke
provinciën van Indië vernomen had. Op zijn bevel had Kâlagani, een
der aan zijne zaak en zijn persoon innig verknochte Hindoes, Bhopal
verlaten. Den kolonel op het spoor te komen, hem weder te vinden,
hem te volgen, hem niet meer uit het oog te verliezen, zijn leven,
als het moest, te wagen om zich in de omgeving te doen aannemen van
den onverzoenbaren vijand van Nana Sahib, dat was zijn zending.
Kâlagani was onmiddellijk vertrokken in de richting van de noordelijke
streken. Te Cawnpore had hij den trein van het Stoomhuis kunnen
achterhalen. Sedert dat oogenblik had hij, zonder zich ooit te
laten zien, naar gelegenheden gezocht, die zich niet voordeden. Toen
kolonel Munro en zijne metgezellen zich in het sanitarium van het
Himalayagebergte vestigden, besloot hij in dienst te treden van
Matthias van Guitt.
Het instinct van Kâlagani zeide hem, dat tusschen de kraal en
het Stoomhuis noodzakelijk bijna dagelijksche betrekkingen zouden
aangeknoopt worden. Dit was ook werkelijk het geval en van den eersten
dag af aan was hij zoo gelukkig, niet alleen dat de aandacht van
kolonel Munro op hem viel, maar ook, dat hij zich het recht op zijne
dankbaarheid verwierf.
Hij was dus door het ergste heen. Men weet het overige. De Hindoe
kwam dikwijls het Stoomhuis bezoeken. Hij werd op de hoogte van
de latere plannen zijner meesters gebracht, hij was bekend met den
reisweg, dien Banks zich voorstelde te volgen en van dat oogenblik
af aan beheerschte een enkel denkbeeld al zijne daden: zich te doen
aannemen als gids der expeditie, als deze naar het zuiden zou afzakken.
Ter bereiking van dit doel, verzuimde Kâlagani niets. Hij aarzelde
niet alleen niet het leven van anderen te wagen, maar ook het zijne. In
welke omstandigheden? Men heeft het nog niet vergeten.
De gedachte toch was bij hem opgekomen dat, indien hij de expeditie
dadelijk na het begin der reis vergezelde en onderwijl in dienst
van Matthias van Guitt bleef, dit alle verdenking zou verijdelen en
kolonel Munro misschien aanleiding zou geven hem aan te bieden wat
hij juist wilde verkrijgen.
Doch, om daartoe te geraken, moest de leverancier, van zijne
buffelbespanningen beroofd, in de noodzakelijkheid gebracht worden
de hulp van den IJzeren Reus in te roepen. Van daar dien aanval
der wilde dieren,--een onverwachte aanval, weliswaar,--maar waarvan
Kâlagani partij wist te trekken. Op gevaar af een groot onheil te
doen ontstaan, ontzag hij zich niet, ongemerkt de slagboomen, die
de deur der kraal gesloten hielden, te verwijderen. De tijgers, de
panters, snelden nu binnen de omheining, de buffels werden verspreid
of vernietigd, verscheidene Hindoes bezweken, maar het plan van
Kâlagani was gelukt. Matthias van Guitt zou nu wel genoodzaakt zijn
zijn toevlucht te zoeken bij kolonel Munro, teneinde met zijn rollende
menagerie Bombay te bereiken.
En inderdaad, in deze bijna verlaten streek van het Himalayagebergte
zijne bespanningen te vernieuwen, zou moeielijk geweest zijn. In alle
geval was het Kâlagani, die zich voor rekening van den leverancier
met deze zaak belastte. Het spreekt van zelf, dat hij hierin niet
slaagde en zoo geschiedde het, dat Matthias van Guitt, door den
IJzeren Reus op sleeptouw genomen, met zijn geheele personeel tot
het station Etawah afdaalde.
Daar zou de spoorweg het materieel der menagerie verder vervoeren. De
chikaris werden dus afgedankt en Kâlagani, wiens diensten mede
vervielen, zou hun lot deelen. Toen zat hij er zeer over in, wat er
verder van hem worden zou. Banks liep er in. Het kwam bij hem op,
dat die schrandere en trouwe Hindoe, zoo door en door bekend met dit
gedeelte van Indië, wezenlijke diensten zou kunnen bewijzen. Hij bood
hem dus aan tot Bombay hun gids te zijn, en van dien dag af aan lag
het lot der expeditie in de handen van Kâlagani.
Wie zou in dien Hindoe, altijd gereed zijn leven te wagen, een verrader
gezocht hebben.
Een oogenblik had Kâlagani zich bijna verraden. Dit was, toen Banks
hem over den dood van Nana Sahib sprak. Het was hem onmogelijk zijn
twijfel te verbergen en hij schudde het hoofd als iemand, die er niet
aan kon gelooven. Maar zou dit niet met elken Hindoe het geval zijn
geweest, voor wien de nabob een van die bovennatuurlijke wezens was,
dien de dood niet kon bereiken!
Kreeg Kâlagani hieromtrent de bevestiging dezer tijding, toen,--het
was geen toeval,--hij een zijner oude metgezellen in de karavaan der
Banjaris ontmoette? Men weet het niet, maar men mag veronderstellen,
dat hij nauwkeurig op de hoogte was, waaraan zich te houden.
Hoe het zij, de verrader verloor geen oogenblik zijne verfoeielijke
plannen uit het oog, alsof hij de ondernemingen van den nabob voor
zijn rekening had willen ten uitvoer brengen.
Daarom zette het Stoomhuis zijn weg door de bergpassen der Vindhyas
voort en na de vermelde avonturen kwamen de reizigers aan de oevers
van het Puturiameer aan, waar men een schuilplaats moest zoeken.
Toen Kâlagani daar den drijvenden trein wilde verlaten, onder
voorwendsel zich naar Jubbulpore te begeven, liet hij zich
doorgronden. Hoezeer hij zich zelven ook kon beheerschen, had een
eenvoudig physiologisch verschijnsel, dat niet aan de scherpzinnigheid
van den kolonel kon ontsnappen, hem verdacht gemaakt en men weet nu,
dat het wantrouwen van Sir Edward Munro maar al te zeer gerechtvaardigd
was.
Men liet hem vertrekken, maar gaf hem Goûmi mede. Beiden stortten zich
in het meer en hadden een uur later den zuidoostelijken oever bereikt.
Nu vervolgden zij in dien donkeren nacht te zamen hun weg, de een den
ander wantrouwende, deze niet wetende, dat hij gewantrouwd werd. Het
voordeel was dus toen aan de zijde van Goûmi, dezen tweeden Mac Neil
van kolonel Munro.
Gedurende drie uren bewandelden de twee Hindoes op die wijze den
grooten weg, die de zuidelijke ketens der Vindhyas doorkruist om uit
te komen aan het station van Jubbulpore. De mist was veel minder dik
in het open veld dan op het meer. Goûmi hield steeds een wakend oog
op zijn metgezel gevestigd. Hij droeg een flink mes in zijn gordel
en, vrij driftig van aard had hij zich voorgekomen om bij de eerste
verdachte beweging zich op Kâlagani te werpen en hem buiten staat te
stellen zijne kwade voornemens in praktijk te brengen.
Ongelukkig had de getrouwe Hindoe den tijd niet om te doen zooals
hij hoopte.
De nacht was, zonder maan, zeer duister. Op twintig passen afstand
was geen loopend mensch te onderscheiden.
Daar liet zich, aan een der krommingen van den weg gekomen, eensklaps
een stem hooren, Kâlagani roepende.
»Ja, Nassim!" antwoordde de Hindoe.
En op hetzelfde oogenblik weerklonk links van den weg een scherpe,
zeer vreemde kreet.
Deze kreet was de »kisri" van de woeste stammen van Gondwana, dien
Goûmi wel kende!
Goûmi stond verbaasd en kon niet handelen. En wat had hij ook, al
was Kâlagani dood, kunnen uitvoeren tegen een geheele bende Hindoes,
voor wie deze kreet tot wachtwoord moest strekken. Een voorgevoel gaf
hem in op de vlucht te gaan, teneinde te beproeven zijne metgezellen
te waarschuwen. Ja! trachten vrij te blijven, daarna naar het meer
terugkeeren en beproeven zwemmende den IJzeren Reus te bereiken om
hem te beletten aan wal te gaan, er was op dat oogenblik niets anders
te doen.
Goûmi aarzelde niet. Op het oogenblik dat Kâlagani zich bij den Nassim
vervoegde, die hem geantwoord had, sprong hij op zijde en verdween
in de jungles, die den weg bezoomden.
En toen Kâlagani met zijn medeplichtige terugkwam, om zich van den
metgezel te ontdoen, hem door kolonel opgedrongen, was Goûmi er
niet meer.
Nassim was het opperhoofd van een bende Dacoits, de zaak van Nana Sahib
toegedaan. Toen hij de verdwijning van Goûmi vernam, liet hij zijne
lieden de jungles doorzoeken. Tot elken prijs wilde hij zich weder
meester maken van den stoutmoedigen dienaar, die zooeven ontsnapt was.
De nasporingen waren vruchteloos. Goûmi had zich òf door de duisternis
begunstigd òf door zich in een of ander hol te verschuilen, uit de
voeten kunnen maken en men moest het zoeken opgeven.
Maar wat hadden ook die Dacoits van Goûmi te vreezen, van Goûmi,
aan zich zelven overgeleverd te midden van dat woeste land, drie uren
gaans reeds van het Puturiameer verwijderd, dat hij, hoe groot zijn
spoed ook was, niet vóór hen zou kunnen bereiken?
Kâlagani berustte er dan ook in. Hij beraadslaagde een oogenblik
met het opperhoofd der Dacoits, die zijne bevelen scheen af te
wachten. Daarna sloegen allen denzelfden weg weder in en liepen met
groote schreden in de richting van het meer.
En waarom had nu deze troep de bergpassen der Vindhyas verlaten,
waar zij sedert eenigen tijd kampeerden? Eenvoudig omdat Kâlagani de
aanstaande komst van kolonel Munro in de omstreken van het Puturiameer
had kunnen boodschappen. Door wien? Door dien Hindoe, die niemand
anders was dan Nassim en die deel uitmaakte van de karavaan der
Banjaris. Aan wien? Aan hem, wiens hand den geheelen aanslag in het
duister leidde!
Want, wat reeds voorgevallen was en toen nog voorviel, was het
resultaat van een vooraf beraamd plan, dat kolonel Munro en zijne
metgezellen niet konden verijdelen. Daarom konden op het oogenblik
dat de trein aan de zuidelijke punt van het meer aanlandde, de Dacoits
hem onder de bevelen van Nassim en van Kâlagani aanvallen.
Maar men had het op kolonel Munro gemunt, op hem alleen. Zijne
metgezellen, aan hun lot overgelaten en wier laatste huis vernield
was, waren niet meer te vreezen. Hij werd dus medegevoerd, en te
zeven uur 's morgens, was hij reeds een afstand van zes mijlen van
het Puturiameer verwijderd.
Dat Sir Edward Munro door Kâlagani naar het station van Jubbulpore
zou geleid worden, was niet aan te nemen. Hij zeide dan ook bij zich
zelven, dat hij de streek der Vindhyas niet zou verlaten en dat,
eenmaal in de macht zijner vijanden, hij er misschien nooit uit
zou geraken.
Evenwel had de moedige man niets van zijn koelbloedigheid verloren. Hij
hield zich te midden van die woeste Hindoes op elke gebeurtenis
voorbereid. Hij deed zelfs alsof hij Kâlagani niet opmerkte. De
verrader had zich aan het hoofd van den troep gesteld en hij was
er inderdaad het hoofd van. Vluchten was niet mogelijk. Hoewel niet
geboeid, zag kolonel Munro noch voor, noch achter, noch op de flanken
van zijn geleide, een enkele opening, die hem een doortocht had kunnen
verleenen. Trouwens zou hij ook onmiddellijk weder gevat zijn.
Hij dacht dus na over de gevolgen van zijn toestand. Moest hij
gelooven, dat Nana Sahib de hand in dit alles had? Neen, hij dacht
niet anders of de nabob was wel werkelijk dood. Maar had niet een
vriend of bloedverwant van het oude opperhoofd der opstandelingen,
Balao Rao misschien, besloten zijn haat te koelen, door deze wraak
te volvoeren, waaraan zijn broeder zijn leven gewijd had? Sir Edward
Munro vermoedde een streek van dezen aard.
Terzelfdertijd dacht hij aan den ongelukkigen Goûmi, die geen gevangene
der Dacoits was. Had hij kunnen ontsnappen? het was mogelijk. Was hij
niet dadelijk bezweken? het was waarschijnlijker. Kon men op zijn hulp
rekenen, in geval hij zich gezond en wel bevond? het was moeielijk.
Indien Goûmi toch eerst naar het station van Jubbulpore had gemeend
te moeten gaan om er hulp te zoeken, zou hij te laat komen.
Indien hij daarentegen zich bij Banks en zijne metgezellen aan
de zuidelijke punt van het meer was gaan vervoegen, wat zouden zij
beginnen bijna geheel van ammunitie ontbloot? Zouden zij den weg naar
Jubbulpore inslaan?... Maar, voordat zij hem hadden kunnen bereiken,
zou de gevangene reeds naar een ontoegankelijken schuilhoek der
Vindhyas gevankelijk zijn weggevoerd!
Van deze zijde dus geen straal hoop!
Kolonel Munro zag zijn toestand koelbloedig in. Hij wanhoopte niet,
want hij was geen man om zich te laten neerslaan, maar hij zag de
dingen liever in de werkelijkheid, inplaats van zich over te geven
aan een illusie, onwaardig een geest dien niets kon ontstellen.
Intusschen ging de troep met groote snelheid voorwaarts. Blijkbaar
wilden Nassim en Kâlagani vóór het ondergaan der zon een voorafbepaald
rendez-vous bereiken, waar het lot van den kolonel zou beslist
worden. Niet alleen de verrader had haast, maar ook Sir Edward Munro
was niet minder gejaagd er een eind aan te maken en ongeduldig te
weten, welk het einde was dat hem wachtte.
Een enkele maal, tegen twaalf uren, liet Kâlagani gedurende een half
uur halt houden. De Dacoits waren van levensmiddelen voorzien en aten
aan den rand eener kleine beek.
Een weinig brood en gedroogd vleesch werd ter beschikking van den
kolonel gesteld, die niet weigerde er iets van te gebruiken. Sedert
den vorigen dag had hij niets genomen en hij gunde zijnen vijanden
het genoegen niet hem in het laatste oogenblik lichamelijk te zien
verzwakken.
Op dit oogenblik had men bij dezen geforceerden marsch ongeveer zestien
mijlen afgelegd. Op bevel van Kâlagani, ging men weder op weg, steeds
in de richting van Jubbulpore.
Eerst ten vijf ure 's avonds, verliet de bende der Dacoits den grooten
weg, om links een zijpad in te slaan. Mocht dus kolonel Munro nog
een schijn van hoop bewaard hebben, zoolang hij den grooten weg bleef
houden, toen begreep hij, dat hij zich in de hand van God bevond.
Een kwartier later trokken Kâlagani en de zijnen door een nauwen
bergpas, die de uiterste grens vormde van de vallei der Nerbudda,
naar het meest woeste gedeelte van Bundelkund toe.
De plaats was gelegen op drie honderd vijftig kilometers ongeveer
van den pâl van Tandit af, in het oosten der Sautpourrabergen, die
men kan beschouwen als de westelijke verlenging der Vindhyas.
Daar verhief zich op een der laatste zijbergen de oude sterkte van
Ripore, sedert lang verlaten, omdat zij niet geproviandeerd kon worden,
bijaldien de bergpassen van het westen door den vijand bezet waren.
Deze sterkte bestreek een der laatste vooruitspringende bergen der
keten, een soort van natuurlijk bolwerk, vijf honderd voet hoog,
dat over een aanzienlijke verwijding van den bergpas, te midden der
naburige bergruggen hing. Het was niet te genaken dan langs een smal
voetpad, dat kronkelend in de rotsmassa was uitgehouwen, een pad,
nauwelijks voor voetgangers toegankelijk.
Op dat bergvlak bevonden zich nog eenige bouwvallen van
vestingwerken. Op het midden der vlakte, door een steenen borstwering
van den afgrond afgesloten, stond een half verwoest gebouw, dat
vroeger voor het kleine garnizoen van Ripore tot kazerne diende en
nu als stal zelfs niet bruikbaar meer zou geweest zijn.
Op het midden van het centrale vlak, was nog een stuk geschut
overgebleven van de velen, die vroeger door de schietgaten der
borstwering te voorschijn kwamen. Het was een enorm kanon, gericht
naar de voorzijde der vlakte. Te zwaar om te worden afgelaten, te
sterk beschadigd overigens om nog eenige waarde te hebben, had men
het daar laten liggen op zijn affuit, overgeleverd aan den roest,
die zijn ijzeren omhulsel verteerde.
Het mocht wel, door zijn lengte en dikte, de waardige tegenhanger
heeten van het vermaarde bronzen kanon van Bhilza, dat ten tijde
van Jehanghir gegoten werd, een enorm stuk, van zes meters lang, met
een kaliber van vier en veertig. Men had het ook kunnen vergelijken
met het niet minder beroemde kanon van Bidjapour, welks ontbranding,
volgens het zeggen der inlanders, geen enkel van de monumenten der
stad overeind had gelaten.
Dit was de sterkte van Ripore, waarheen de gevangene door den troep
van Kâlagani gevoerd werd. Het was vijf uren 's avonds, toen hij er
aankwam, na een dagmarsch van meer dan vijf en twintig mijlen.
Tegenover wien zijner vijanden zou kolonel Munro zich eindelijk
bevinden? Hij zou het maar al te spoedig weten.
Een groep Hindoes bewoonde toen het vervallen gebouwtje, dat zich te
midden van het bergvlak verhief. Deze groep kwam er uit te voorschijn,
terwijl de bende der Dacoits zich in een kring langs de borstwering
plaatste.
Kolonel Munro nam het midden van dezen kring in. Met gekruiste armen
wachtte hij.
Kâlagani verliet de plaats, die hij in de rij innam en deed eenige
stappen vooruit.
Een Hindoe, eenvoudig gekleed, liep aan het hoofd.
Kâlagani bleef voor hem staan en boog zich. De Hindoe reikte hem
een hand, die Kâlagani eerbiedig kuste. Een beweging van het hoofd
betuigde hem dat men over zijne diensten tevreden was.
Daarna stapte de Hindoe op den gevangene toe, langzaam, maar het
oog in vuur, met al de verschijnselen van een nauwlijks ingehouden
toorn. Het was als een roofdier, dat op zijn prooi los ging.
Kolonel Munro liet hem naderen, zonder een stap terug te treden,
hem even strak aankijkende, als hij zelf aangekeken werd.
Toen de Hindoe nog slechts vijf schreden van hem af was, zei de
kolonel, op een toon, die de diepste minachting te kennen gaf:
»'t Is Balao Rao maar, de broeder van den nabob!"
»Kijk beter!" antwoordde de Hindoe.
»Nana Sahib!" riep kolonel Munro uit, ditmaal ondanks zich zei ven
terugtredende. »Nana Sahib in leven!..."
Ja, de nabob zelf, het oude opperhoofd van den opstand der Sipayers,
de onverzoenbare vijand van Munro!
Doch wie was dan bij de ontmoeting in den pâl van Tandît bezweken? Het
was Balao Rao, zijn broeder.
De buitengewone gelijkenis dezer twee mannen, beiden in het gelaat
door de pokken geschonden, beiden denzelfden vinger van dezelfde hand
missende, had de soldaten van Lucknow en van Cawnpore bedrogen. Dezen
hadden niet geaarzeld den nabob te herkennen in hem, die slechts zijn
broeder was, en het zou onmogelijk geweest zijn deze vergissing niet
te maken. Toen dan ook aan de regeering bericht van den dood des
nabobs gezonden werd, leefde Nana Sahib nog en was het Balao Rao,
die gedood was.
Nana Sahib had zich gehaast van deze nieuwe omstandigheid
partij te trekken. Opnieuw bezorgde zij hem een bijna volstrekte
veiligheid. Immers zou zijn broeder door de Engelsche politie niet
met dezelfde hardnekkigheid vervolgd worden, en werd het ook werkelijk
niet. Niet alleen werd de moord van Cawnpore hem niet geweten, maar hij
had ook op de Hindoes van het centrum niet den noodlottigen invloed,
dien de nabob bezat.
Toen Nana Sahib zag, dat men hem zoo dicht op de hielen zat, nam hij
het besluit zich dood te houden tot het oogenblik, dat hij eindelijk
zou kunnen handelen, en tijdelijk zijne revolutionnaire plannen
latende rusten, had hij zich geheel aan zijne wraak gewijd. Nooit,
trouwens, waren de omstandigheden zoo gunstig geweest. Kolonel Munro,
steeds door zijne agenten bespied, had Calcutta verlaten om een reis
te ondernemen, die hem naar Bombay zou brengen. Zou het niet mogelijk
zijn hem in de streek der Vindhyas te lokken, door de provinciën van
Bundelkund? Nana Sahib dacht er over na en zond hem met dit doel den
schranderen Kâlagani.
De nabob verliet toen den pâl van Tandît, die hem geen zekere
schuilplaats meer toescheen. Hij drong door tot de vallei der Nerbudda,
tot de laatste bergengten der Vindhyas. Daar verhief zich de sterkte
van Ripore, die hem een schuilplaats voorkwam, waar de politie hem
niet licht zou opsporen, omdat zij wel moest aannemen dat hij dood was.
Nana Sahib vestigde er zich dus met de weinige aan zijn persoon
verknochte Hindoes. Hij versterkte deze weldra met een bende Dacoits,
waardig zich onder de bevelen van zulk een opperhoofd te stellen,
en wachtte nu op de dingen, die komen zouden.
Maar wat wachtte hij sedert vier maanden? Dat Kâlagani zijn taak
vervuld had en hem de op handen zijnde komst van kolonel Munro in dit
gedeelte der Vindhyas, alwaar hij zich in zijn macht zou bevinden,
boodschapte.
Eene vrees, evenwel, maakte zich van Nana Sahib meester. Deze, dat
de tijding van zijn dood, door het geheele schiereiland verspreid,
ook ter oore van Kâlagani kwam. Zou deze er geen geloof aanslaan en
zijn verraderlijke plannen tegen kolonel Munro laten varen?
Van daar dus de zending van een anderen Hindoe naar Bundelkund,
van dien Nassim, die, deel uitmakende van de karavaan der Banjaris,
den trein van het Stoomhuis op den weg van Scindia ontmoette, zich
in gemeenschap met Kâlagani stelde, en hem met den waren staat van
zaken bekend maakte.
Nadat dit geschied was, keerde Nassim, zonder een uur te verliezen
naar de sterkte van Ripore terug en berichtte Nana Sahib alles wat er
gebeurd was sedert den dag toen Kâlagani Bhopal verlaten had. Kolonel
Munro en zijne metgezellen begaven zich in kleine dagmarschen naar
de Vindhyas, Kâlagani leidde hen, en het was in de omgeving van het
Puturiameer, dat men hen moest afwachten.
Alles was dus gegaan, zooals de nabob het gewenscht had. Zijn wraak
kon hem niet meer ontsnappen.
En werkelijk bevond zich kolonel Munro dienzelfden avond, alleen,
ontwapend, in zijn tegenwoordigheid, aan zijne genade overgeleverd.
Na de eerste gewisselde woorden, keken deze twee mannen elkander een
oogenblik aan, zonder een enkel woord te uiten.
Maar plotseling kwam levendiger dan ooit het beeld van lady Munro bij
den kolonel op en steeg hem het bloed naar het hoofd. Hij sprong op
den moordenaar van de gevangenen van Cawnpore toe!....
Nana Sahib vergenoegde zich twee schreden achterwaarts te doen.
Drie Hindoes wierpen zich onmiddellijk op den kolonel, die hem niet
zonder moeite bedwongen.
Intusschen was Sir Edward Munro weder meester van zich zelf
geworden. De nabob begreep het ongetwijfeld, want met een wenk
verwijderde hij de Hindoes.
Opnieuw bevonden zich de twee vijanden van aangezicht tot aangezicht
tegenover elkander.
»Munro," zei Nana Sahib, »de uwen hebben voor den mond hunner kanonnen
de honderd twintig gevangenen van Peschawar vastgebonden en sedert dien
dag zijn meer dan twaalf honderd Sipayers op die vreeselijke wijze
ter dood gebracht! De uwen hebben onmeedoogend de vluchtelingen van
Lahore vermoord, zij hebben na de inneming van Delhi, drie prinsen en
negen en twintig leden der koninklijke familie gedood, zij hebben te
Lucknow zes duizend der onzen om het leven gebracht en drie duizend
na den veldtocht van Pentjab! In het geheel hebben door het kanon, het
geweer, de galg of de sabel, honderd twintig officieren of inlandsche
soldaten en twee honderd duizend inlanders met hun leven dezen opstand
voor de nationale onafhankelijkheid betaald!
»Dat ook hij sterve!" riepen de Dacoits en de Hindoes om Nana Sahib
geschaard.
De nabob lag hun met de hand het stilzwijgen op en wachtte totdat
kolonel Munro hem op deze beschuldigingen antwoordde.
De kolonel antwoordde niet.
»Wat u aangaat, Munro," hernam de nabob, »ge hebt met eigen hand
de Rani van Jansi, mijn getrouwe gezellin gedood... en ze is nog
niet gewroken!"
Geen antwoord van kolonel Munro.
»Eindelijk, voor vier maanden," zei Nana Sahib, »is mijn broeder Balao
Rao gevallen onder de Engelsche kogels, tegen mij gericht... en mijn
broeder is nog niet gewroken!"
»Dat hij sterve! Dat hij sterve!"
Deze kreten barstten met steeds meerdere hevigheid los en de geheele
bende maakte een beweging om zich op den gevangene te werpen.
»Stilte!" riep Nana Sahib uit. »Wacht het uur der gerechtigheid af!"
Allen zwegen.
»Munro," hernam de nabob, »het is een uwer voorouders, het is Hector
Munro, die voor het eerst deze verschrikkelijke straf heeft durven
opleggen, waarvan de uwen in den oorlog van 1857 zulk een vreeselijk
gebruik gemaakt hebben! Hij is het, die het bevel gaf, Hindoes, onze
bloedverwanten, onze broeders, levend voor den mond zijner kanonnen
vast te binden..."
Nieuwe kreten, nieuwe blijken den gevangene te lijf te willen, die
Nana Sahib ditmaal niet zoo licht had kunnen verhoeden. Ook voegde
hij er bij.
»Wraak roept wraak! Munro, ge zult sterven, zooals zoovelen onzer
gestorven zijn!"
Zich toen omkeerende:
»Zie dat kanon!" zeide hij.
En de nabob wees op het enorme stuk, meer dan vijf meters lang,
dat het midden van het bergvlak innam.
»Ge zult vastgebonden worden voor den mond van dat kanon! Het is
geladen, en morgen bij het opgaan der zon, zal zijn losbarsting,
die tot in de verre bergpassen der Vindhyas zal weergalmen, iedereen
verkondigen, dat de wraak van Nana Sahib eindelijk gekoeld is!"
Kolonel Munro keek den nabob strak aan met een kalmte, die de
aankondiging van zijn op handen zijnde dood, niet kon verstoren.
»Het is goed," zeide hij, »ge handelt zooals ik zou gehandeld hebben,
als ge in mijn handen gevallen waart!"
En uit eigen beweging ging kolonel Munro zich voor den mond van het
kanon plaatsen, waaraan hij met de handen op den rug met sterke touwen
werd vastgebonden.
En toen kwam, een heel uur achtereen, de gansche bende Dacoits
en Hindoes hem op laffe wijze beleedigen. Men zou gezegd hebben,
dat het Sioux waren uit Noord-Amerika, om een gevangene geschaard,
die aan den martelpaal was vastgeklonken.
Kolonel Munro bleef ongevoelig voor smaad, zooals hij ongevoelig voor
den dood wilde zijn.
Toen daarna de avond viel, trokken Nana Sahib, Kâlagani en Nassim zich
in de oude kazerne terug. De geheele bende, eindelijk moede geworden,
verliet de plaats en voegde zich bij hare opperhoofden.
Sir Edward Munro bleef alleen, in tegenwoordigheid van den dood en
van God.