Het meer Puturia, waarop het Stoomhuis voorloopig een schuilplaats
gevonden had, is ongeveer veertig kilometers gelegen ten oosten van
Dumoh. Deze stad, hoofdplaats van de Engelsche provincie waaraan zij
haar naam gegeven heeft, neemt in bloei toe en beheerscht met haar
twaalf duizend inwoners, nog versterkt door een klein garnizoen, dit
gevaarlijk gedeelte van Bundelkund. Maar buiten hare muren, vooral
naar het oostelijk gedeelte van het land, toe, in de meest onbebouwde
streek der Vindhyas, waarvan het meer het middelpunt inneemt, doet
haar invloed zich slechts moeielijk gevoelen.
Wat kon ons nu ook erger overkomen dan deze ontmoeting met olifanten,
waaruit we ons heelhuids hadden gered?
Toch was onze toestand ver van geruststellend, daar het grootste
gedeelte van ons materieel verloren was gegaan. Een der rijtuigen,
die den trein van het Stoomhuis uitmaakten, was vernietigd. Er was
geen middel het te »kalefateren," om een zeeterm te gebruiken. Omver
gevallen, tegen de rotsen verbrijzeld, moest er van zijn karkas,
waarover de gansche massa olifanten had moeten heen gaan, niets dan
vormlooze overblijfselen zijn overgebleven.
Ongelukkig bevatte dit rijtuig, behalve dat het diende om het personeel
der expeditie te herbergen, niet alleen de keuken en de voorraadkamer,
maar ook de bergplaats van het voedsel en de ammunitie. Van deze
laatste bleef ons niets meer over dan een dozijn patronen, maar het
was niet waarschijnlijk, dat we van onze vuurwapenen gebruik behoefden
te maken, vóór onze aankomst te Jubbulpore.
Wat het voedsel betreft was het een andere vraag, die niet zoo
gemakkelijk was op te lossen.
Inderdaad was er niets meer over dan de eetwaren der
provisiekamer. Aannemende, dat wij den avond van den volgenden dag
het nog zeventig mijlen verwijderde station konden bereiken, zouden
wij ons vier en twintig uren van eten moeten onthouden.
Welnu, men zou zich ook dit getroosten!
Hij, die in deze omstandigheid het meest hiervan wist, was natuurlijk
»mijnheer" Parazard. Het verlies van zijn provisiekamer, de verwoesting
van zijn laboratorium, de verspreiding van al zijn voorraad, hadden
hem tot in de ziel getroffen. Hij verborg zijn wanhoop niet en was
slechts bezorgd over den persoonlijken toestand, waarin hij zich
gebracht zag, terwijl hij de gevaren vergat, waaraan wij bijna
wonderdadig ontsnapt waren.
Op het oogenblik dus dat wij, in het salon vereenigd, zouden gaan
overwegen wat ons in deze omstandigheden te doen stond, verscheen de
altijd deftige »mijnheer" Parazard op den drempel en verzocht »een
mededeeling van het uiterste belang te doen."
»Spreek, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro hem, hem
uitnoodigende binnen te treden.
»Mijne heeren," zei onze zwarte chef ernstig, »het is u bekend
dat het geheele materieel, door de tweede woning van het Stoomhuis
medegevoerd, door deze ramp vernietigd is geworden! In het geval
zelfs dat er eenige levensmiddelen voor ons overgebleven waren, zou
ik uit gebrek aan een keuken, zeer in de verlegenheid geweest zijn,
u een maaltijd te bereiden, hoe eenvoudig ook.
»We weten het, »mijnheer" Parazard," antwoordde kolonel Munro. »Dat
is zeker te betreuren, maar we zullen doen zooals we kunnen, en we
zullen vasten als er gevast moet worden."
»Het is inderdaad dáárom nog te meer te bejammeren, mijneheeren,"
hernam onze chef, »omdat op het gezicht van die groepen olifanten,
die ons aantastten en waarvan er meer dan een onder uw moordend lood
gevallen is...."
»Prachtig uitgedrukt, mijnheer Parazard!" zei kapitein Hod. »Met
eenige lessen, zoudt u je al gauw even sierlijk kunnen uitdrukken,
als onze vriend Matthias van Guitt."
»Mijnheer" Parazard boog bij dit kompliment, dat hij zeer ernstig
opnam, en ging na een zucht, op deze wijze verder:
»'k Zei dus, mijneheeren, dat mij een gelegenheid was aangeboden,
eenig in haar soort, om mij te onderscheiden. Het vleesch van den
olifant, is, wat men er zich ook van moge voorstellen, niet goed
in al zijn deelen, waarvan eenige ontegenzeglijk hard en taai zijn;
maar het schijnt dat de Schepper van alle dingen, in die vleeschmassa
twee stukken heeft willen uitkiezen, van bijzondere hoedanigheid,
waardig te verschijnen op de tafel van den onderkoning van Indië. Ik
meen de tong van het dier, die buitengewoon smakelijk is, indien ze
wordt toebereid volgens een recept, dat niemand anders dan ik kan
klaarmaken en verder de pooten van den pachydermus...."
»Pachydermus?... wel, zeer goed, ofschoon proboscideër sierlijker is,"
zei kapitein Hod, zijne goedkeuring met een gebaar te kennen gevende.
»....De pooten," hernam »mijnheer" Parazard, »waarmede men een
der beste schotels maakt in de edele kookkunst, waarvan ik de
vertegenwoordiger ben in het Stoomhuis."
»U doet ons watertanden, mijnheer Parazard," antwoordde
Banks. »Ongelukkig aan den eenen kant, gelukkig aan den anderen,
hebben de olifanten ons niet op het meer gevolgd, en ik vrees maar
al te zeer, dat we, althans voor eenigen tijd, die fijne schotels
zullen moeten missen."
»Zou 't niet mogelijk zijn," hernam de chef, even naar den oever
terug te keeren, om ons te proviandeeren!"
»Dat is niet mogelijk, mijnheer Parazard. Hoe volmaakt uwe schotels
ook zouden geweest zijn, zoo iets mogen we niet wagen."
»Welnu, mijneheeren," hernam onze chef, »ontvangt dan de uitdrukking
van mijn innigen spijt, dien ik gevoel over dit betreurenswaardige
avontuur."
»We nemen gaarne uwe gevoelens van spijt aan, mijnheer Parazard,"
hernam kolonel Munro, »en zeggen er u dank voor. Wat het diner en
het déjeuner betreft, maak er u niet bezorgd over voor onze aankomst
te Jubbulpore."
»Er blijft me dus niet anders over dan me te verwijderen," zei
»mijnheer" Parazard, zich buigende, zonder iets van zijn gewonen
ernst te verliezen.
Wij zouden gaarne over de houding van onzen chef gelachen hebben,
indien wij geen andere zorgen gehad hadden.
Er deed zich namelijk een omstandigheid op, die onzen toestand
nog hachelijker maakte. Banks meldde ons, dat niet het gebrek aan
levensmiddelen, noch aan ammunitie op dit oogenblik het meest te
betreuren was, maar het gebrek aan brandstof. En werkelijk was hier
niets vreemds in gelegen, want het was sedert acht en veertig uren
niet mogelijk geweest het voor de voeding der machine noodige hout
te vernieuwen. De geheele voorraad was bij onze aankomst aan het
meer uitgeput. Een uur later zou het onmogelijk geweest zijn het te
bereiken, en het eerste rijtuig van het Stoomhuis zou hetzelfde lot
gedeeld hebben van het tweede.
»En nu," voegde Banks er bij, »hebben we niets meer te verbranden,
de drukking vermindert, ze is reeds tot twee atmosfeeren gedaald,
en er is geen middel haar te verhoogen!"
»Is dan werkelijk de toestand zoo ernstig als u schijnt te meenen,
Banks?" vroeg kolonel Munro.
»We zouden wel naar den oever kunnen terugkeeren, waarvan we niet ver
meer af zijn," antwoordde Banks. »Binnen een kwartier zouden we er
zijn, maar 't zou toch al te onvoorzichtig zijn naar de plek terug te
keeren, waar de kudde olifanten ongetwijfeld nog vereenigd is. Neen,
we moeten in tegendeel het meer oversteken en aan den zuidelijken
oever een punt opzoeken waar we kunnen ontschepen."
»Hoe groot is de breedte van het meer op deze plaats?" vroeg kolonel
Munro.
»Kâlagani schat dezen afstand op zeven of acht mijlen ongeveer. In
de omstandigheden waarin we ons nu bevinden, zouden we verscheidene
uren noodig hebben dezen afstand af te leggen, maar 'k zeg nog eens,
voordat er veertig minuten verloopen zijn, is de machine niet meer
in staat te werken."
»Welnu," antwoordde Sir Edward Munro, »laten we gerust den nacht op
het meer doorbrengen, we zijn er in zekerheid, dan kunnen we morgen
raad schaffen."
Er was op dit oogenblik niets beters te doen en we hadden overigens
zeer rust noodig. Op de laatste rustplaats, omringd door dien kring
van olifanten, had niemand in het Stoomhuis kunnen slapen en was dus
de nacht wakende doorgebracht.
En zou ook dezen nacht de lang gewenschte rust genoten worden?
Tegen zeven uren begon een lichte mist zich over het meer te
verspreiden. Men herinnert zich, dat den voorgaanden nacht reeds
dikke nevelen de hoogere streken der lucht bezochten. Hier nu
was een wijziging voorgevallen tengevolge van het verschil van
plaats. Mochten op de plaats waar de olifanten kampeerden deze dampen
op eenige honderden voeten boven den grond zijn blijven hangen, dit
was niet het geval op de oppervlakte van het Puturiameer, dank zij de
uitwaseming van het water. Na een vrij warmen dag, was er vermenging
van de hooge en lage luchtlagen en weldra was het geheele meer in een
mist verdwenen, niet dik in het begin, maar die toch elk oogenblik
dikker werd.
Dit was dus, zooals Banks gezegd had, een van die omstandigheden
waarvan rekening moest gehouden worden.
Zooals hij mede had aangekondigd, deden tegen half acht uur, de
laatste zuchten van den IJzeren Reus zich hooren, de zuigerslagen
werden minder snel, de gelede pooten hielden op het water te slaan,
de drukking daalde beneden een atmosfeer. Geen brandstof meer en geen
middel het zich te verschaffen.
De IJzeren Reus en het eenige rijtuig, dat hij nog op sleeptouw had,
dreven vreedzaam op de wateren van het meer, doch verplaatsten zich
niet meer.
In deze omstandigheden zou het te midden van den nevel moeielijk
geweest zijn onze positie nauwkeurig te bepalen. Gedurende den
korten tijd dat de machine gewerkt had, had de trein zich naar den
zuidoostelijken oever van het meer gericht, teneinde er een punt van
ontscheping op te zoeken. Daar nu het meer de gedaante van een vrij
verlengd ovaal heeft, was het mogelijk, dat het Stoomhuis niet ver
van den een of anderen oever verwijderd was.
Het spreekt van zelf, dat het geschreeuw der olifanten, dat ons
omstreeks gedurende een uur vervolgd had, zich nu niet meer deed
hooren.
Wij spraken dus over de verschillende mogelijkheden, die deze nieuwe
toestand ons konde brengen. Banks liet Kâlagani roepen, dien hij
wilde raadplegen.
De Hindoe verscheen dadelijk en werd verzocht zijne meening te zeggen.
Wij waren toen bijeen in de eetzaal, die, het licht van boven
krijgende, geen zijdelingsche vensters had. Op deze wijze kon het licht
der lampen niet naar buiten uitstralen. Dit was een nuttige voorzorg,
want het was beter, dat de positie van het Stoomhuis onbekend bleef
voor de zwervers, die misschien de oevers van het meer bezochten.
Het scheen mij toe dat Kâlagani in het eerst aarzelde de vragen,
die hem gesteld werden, te beantwoorden. Het gold de bepaling van de
positie, die de drijvende trein dat oogenblik op de wateren van het
Puturiameer innam, en ik moet zeggen, dat het antwoord wel eenigszins
moeielijk was. Misschien had een zwakke bries uit het noordwesten
haren invloed op de massa van het Stoomhuis doen gelden? Misschien
voerde een lichte strooming ons naar de onderste punt van het meer?
»Kom, Kâlagani," zei Banks, aandringende, »je bent volkomen bekend
met de uitgestrektheid van het Puturiameer?"
»Wel zeker, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »maar 't is moeielijk,
te midden van dien dikken mist....."
»Kunt ge bij benadering den afstand bepalen, waarop we ons op dit
oogenblik van den dichtst bij zijnde oever bevinden?"
»Ja," antwoordde de Hindoe, na eenigen tijd nagedacht te hebben. »Die
afstand moet niet verder zijn dan een en een halve mijl."
»Oostelijk?" vroeg Banks.
»Oostelijk."
»Zoo we dus aan dezen oever aanlandden, zouden we dichter bij
Jubbulpore dan bij Dumoh zijn?"
»Voorzeker."
»We zouden ons dus te Jubbulpore moeten proviandeeren," zei
Banks. »Doch, wie weet wanneer en hoe we den oever zullen kunnen
bereiken! Dat kan een, twee dagen duren en onze voorraad is uitgeput!"
»Maar," zei Kâlagani, »zou men niet kunnen beproeven nog dezen zelfden
nacht aan wal te komen?"
»En hoe?"
»Door zwemmende den oever te bereiken."
»Anderhalve mijl, te midden van dien dikken mist!" antwoordde
Banks. »Dat zou te gewaagd zijn...."
»Dat is geen reden om het niet te probeeren," antwoordde de Hindoe.
Ik weet niet waarom, maar het kwam me op nieuw voor, dat de stem van
Kâlagani niet zoo rond was als gewoonlijk.
»Zoudt ge willen beproeven het meer zwemmende over te steken?" vroeg
kolonel Munro, die den Hindoe aandachtig gadesloeg.
»Ja, kolonel, en 'k heb alle reden te gelooven, dat het me zou
gelukken."
»Wel, mijn vriend," hernam Banks, »je zoudt ons een grooten dienst
daarmede bewijzen! Eenmaal aan wal, zou 't je makkelijk vallen het
station van Jubbulpore te bereiken en er de hulp te halen, die we
noodig hebben."
»'k Ben gereed om te vertrekken!" antwoordde Kâlagani eenvoudig.
Ik wachtte totdat kolonel Munro onzen gids bedankte, die zich aanbood
om zulk een gevaarlijke taak te ondernemen; maar, na hem met nog meer
aandacht te hebben aangekeken, riep hij Goûmi.
Goûmi verscheen dadelijk.
»Goûmi," zeide Sir Edward Munro, »je kunt goed zwemmen?"
»Ja, kolonel."
»Zou je kans zien om dezen nacht een anderhalve mijl op het meer
zwemmende af te leggen?"
»Wel twee, kolonel."
»Welnu," hernam kolonel Munro, »Kâlagani hier biedt zich aan om
zwemmende den naasten oever bij Jubbulpore te bereiken. Nu hebben,
zoowel op het meer als in dit gedeelte van Bundelkund, twee schrandere
en stoutmoedige mannen, die elkander hulp kunnen verleenen, meer kans
op slagen.--Wil je Kâlagani vergezellen?"
»Dadelijk, kolonel," antwoordde Goûmi.
»'k Heb niemand noodig," antwoordde Kâlagani, »maar als kolonel Munro
er op staat, neem ik gaarne Goûmi als metgezel aan."
»Gaat dan, mijne vrienden," zei Banks, »en laat je moed je niet tot
onvoorzichtige stappen leiden!"
Nadat dit was afgesproken, gaf kolonel Munro, die Goûmi ter zijde nam,
hem eenige korte aanbevelingen. Vijf minuten later, lieten de twee
Hindoes, met een bundel kleeren op het hoofd, zich in het water van
het meer glijden. De mist was toen zeer dik en eenige vademen ver
waren zij reeds buiten het gezicht.
Ik vroeg toen kolonel Munro waarom hij er zoo op gesteld was geweest
Kâlagani een metgezel mede te geven.
»Mijne vrienden," antwoordde Sir Edward Munro, »de antwoorden van
dezen Hindoe, wiens getrouwheid ik tot nog toe nooit betwijfeld had,
kwamen me niet oprecht voor!"
»'k Heb denzelfden indruk gehad," zei ik.
»Wat mij betreft, ik heb niets opgemerkt..." zei de ingenieur.
»Hoor eens, Banks," hernam kolonel Munro. »Toen hij zich aanbood aan
land te gaan, had Kâlagani daar eenig doel mede."
»Welk?"
»'k Weet het niet, maar stellig had hij met zijn vraag om naar den
wal te gaan, het doel niet hulp te Jubbulpore te gaan vragen!"
»Wat zeg je!" riep kapitein Hod uit.
Banks keek den kolonel aan, de wenkbrauwen fronsende. Vervolgens
zei hij:
»Munro, tot nog toe heeft die Hindoe zich zeer welwillend en getrouw
betoond en meer bijzonder jegens u! Heden beweer je, dat Kâlagani
ons verraadt! Welk bewijs heb je er voor?"
»Terwijl Kâlagani sprak," antwoordde kolonel Munro, »heb ik gezien, dat
zijn huid zwart werd, en als de menschen met koperkleurige huid zwart
worden, liegen ze! Twintigmaal heb ik daardoor Hindoes en Bengalis
kunnen ontmaskeren en nooit heb ik me er bedrogen in gezien. 'k Zeg
dus nog eens dat Kâlagani, niettegenstaande de schijn vóór hem is,
de waarheid niet gezegd heeft."
Deze opmerking van Sir Edward Munro was,--'k heb er mij dikwijls van
overtuigd,--werkelijk gegrond.
Wanneer de Hindoes liegen, worden zij een weinig zwart, even als de
blanken rood worden. Dit verschijnsel had den scherpzinnigen kolonel
niet kunnen ontgaan en men moest zijn opmerking niet in den wind slaan.
»Maar welke plannen zou die Kâlagani dan toch hebben," vroeg Banks,
»en waarom zou hij ons verraden?"
»Dat zullen we later weten..." antwoordde kolonel Munro, »te laat
misschien!"
»Te laat, kolonel!" riep kapitein Hod uit! »Wel, we verkeeren toch
niet in gevaar, verbeeld ik me!"
»In alle geval, Munro," hernam de ingenieur, »heb je goed gehandeld hem
Goûmi mede te geven. Die toch is ons getrouw tot in den dood. Behendig,
schrander, zal hij, zoo hij eenig gevaar vermoedt, weten...."
»Zooveel te meer," antwoordde kolonel Munro, »nu hij gewaarschuwd is
en zijn metgezel in 't oog zal houden."
»Goed," zei Banks. »Nu hebben we niets anders te doen dan den dag af
te wachten. De mist zal zeker met de zon wel optrekken en dan kunnen
we zien, wat we doen zullen."
Wachten, inderdaad! Ook deze nacht zou dus geheel slapeloos worden
doorgebracht.
De mist was wel dikker geworden, maar niets voorspelde slecht weder. En
dat was gelukkig, want al kon onze trein drijven, hij was niet gemaakt
om »zee te bouwen!" We moesten dus hopen, dat al die blaasjes damp
zich bij het opgaan der zon zouden verdichten, wat voor den volgenden
dag prachtig weer zou beloven.
Terwijl ons personeel dus in de eetzaal plaatsnam, vleiden wij ons op
de divans van het salon neder, weinig pratende, maar het oor leenende
aan al de geruchten van buiten.
Eensklaps, tegen twee uren na middernacht, verstoorde een concert
van wilde dieren de stilte van den nacht.
Daar was dus de oever, in de richting van het zuidoosten, maar hij
moest nog vrij ver af zijn. Dit gehuil was nog zeer verzwakt door den
afstand, en Banks schatte dezen afstand op niet minder dan een goede
mijl. Een troep wilde beesten was zeker hun dorst komen lesschen aan
de uiterste punt van het meer.
Maar weldra ook bleek het, dat onder den invloed eener lichte bries, de
drijvende trein langzaam en gestadig naar den oever afdreef. Werkelijk
kwamen die kreten niet alleen duidelijk tot ons gehoor, maar men
onderscheidde reeds het statige gebrul van den tijger van het schorre
gehuil der panters.
»Sakkerloot!" kon kapitein Hod niet nalaten te zeggen, »wat een
prachtige gelegenheid om daar zijn vijftigsten te dooden!"
»Een anderen keer, kapitein!" antwoordde Banks. »Als de dag aanbreekt,
zal, op het oogenblik dat we aanlanden, die troep wilde dieren wel
plaats voor ons gemaakt hebben!"
»Zou er iets tegen zijn," vroeg ik, »de electrische vuren te
ontsteken?"
»Me dunkt, niet," antwoordde Banks. »Dit gedeelte van den oever
wordt zeer waarschijnlijk slechts bezocht door dieren, die willen
drinken. Er is dus geen reden om niet te beproeven het te verkennen."
En op bevel van Banks werden twee lichtbundels in de richting van het
zuidoosten uitgeworpen. Maar het electrische licht, niet bij machte
den dikken nevel te doorboren, kon slechts een klein eind voor het
Stoomhuis verlichten, zoodat de oever volkomen voor onze blikken
verborgen bleef.
Intusschen nam de hevigheid van het gehuil allengs toe, waaruit
bleek dat de trein voortging op de oppervlakte van het meer af te
drijven. Zeker moesten de op die plaats verzamelde dieren zeer talrijk
zijn, en dit was ook niet te verwonderen, omdat het Puturiameer voor
de wilde beesten van dit gedeelte van Bundelkund tot een natuurlijke
drinkplaats diende.
»Als Goûmi en Kâlagani maar niet te midden van den troep verzeild
zijn!" zei kapitein Hod.
»De tijgers vrees ik niet voor Goûmi!" antwoordde kolonel Munro.
Toen eenmaal de vermoedens in het hart van den kolonel waren wakker
geschud, was er geen houden meer aan en wat mij betreft, ik begon ze
te deelen. En toch de goede diensten van Kâlagani sedert onze komst in
het Himalayagebergte, zijne onbetwistbare verdiensten, zijne toewijding
in de twee omstandigheden waarbij hij zijn leven voor Sir Edward Munro
en kapitein Hod gewaagd had, alles getuigde in zijn voordeel. Maar,
als eenmaal de geest zich door kwade vermoedens laat medesleepen,
neemt de waarde der vroeger gebeurde feiten af en veranderen zij van
voorkomen, men vergeet het verledene, men vreest de toekomst.
En toch, welke drijfveer bewoog dien Hindoe om ons te verraden? Had
hij redenen van persoonlijken haat tegen de gasten van het
Stoomhuis? Voorzeker niet! Waarom ze dan in een hinderlaag gelokt? 't
Was onverklaarbaar. Iedereen gaf zich dus aan zeer duistere gedachten
over en met ongeduld wachtten wij de ontknooping van dezen toestand af.
Tegen vier uren van den ochtend hielden de dieren plotseling met
hun gehuil op en hetgeen ons allen trof, was, dat zij zich niet
langzamerhand schenen verwijderd te hebben, het een na het ander,
na een laatste teug een laatst gehuil doende hooren. Neen, het
was oogenblikkelijk. Men zou gezegd hebben, dat een onvoorziene
omstandigheid ze in hun bezigheid gestoord had en ze op de vlucht had
gedreven. Blijkbaar zochten ze hunne holen weder op, niet als dieren,
die ze rustig weder betreden, maar als dieren, die op de vlucht gaan.
De stilte was dus zonder overgang op al dat leven gevolgd. Het was
een feit waarvan de oorzaak ons nog niet helder was, maar dat onze
ongerustheid nog slechts deed toenemen.
Uit voorzichtigheid deed Banks de lichten uitdooven. Mochten de dieren
op de vlucht zijn gegaan voor een bende landloopers, die Bundelkund
en de Vindhyas bezoeken, dan moest men zorgvuldig de tegenwoordigheid
van het Stoomhuis verborgen houden.
De stilte werd nu niet eens meer gestoord door het lichte gekabbel der
golfjes. De bries was gaan liggen. Het was onmogelijk te weten of de
trein onder den invloed van een stroom bleef afdrijven. Maar spoedig
zou nu de dag aanbreken, die ongetwijfeld de nevelen zou verdrijven,
welke slechts de onderste lagen van den dampkring innamen.
Ik keek op mijn horloge. Het was vijf uren en zonder den mist, zou
de dageraad den gezichtskring reeds tot een omtrek van eenige mijlen
verwijd hebben. De oever zou dus in het gezicht geweest zijn, maar
de nevelsluier scheurde niet vaneen en--men moest nog geduld hebben.
Kolonel Munro, Mac Neil en ik, voor in het salon, Fox, Kâlouth en
»mijnheer" Parazard, achter in de eetzaal, Banks en Storr in het
torentje, kapitein Hod op den rug van het reusachtige dier, bij de
tromp, als een matroos op den uitkijk voor in een schip, we wachtten
allen totdat een onzer de kreet deed hooren van: land!
Tegen zes uren stak er een kleine bries op, nauwlijks voelbaar, maar
ze wakkerde weldra aan. De eerste zonnestralen doorboorden den nevel
en de horizont lag voor onze blikken open.
De oever vertoonde zich in het zuidoosten. Hij vormde aan het
uiteinde van het meer een soort van scherpen inham, zeer boschrijk
op den achtergrond. De dampen stegen langzamerhand op en lieten in
de verte een rij bergen zien, welker toppen zich snel tegen de lucht
afteekenden.
»Land!" had kapitein Hod geroepen.
De drijvende trein bevond zich toen nog slechts op twee honderd meters
van den achtergrond der kreek van het Puturiameer en hij dreef af,
voortgestuwd door de bries, die uit het noordwesten woei.
Niets was er op dezen oever te zien, noch dier, noch menschelijk
wezen. Hij scheen volkomen verlaten te zijn. Geen woning overigens,
geen landhoeve onder het dichte gebladerte der eerste boomen. Men
scheen dus zonder gevaar te kunnen landen.
Met den wind van achteren ging de landing gemakkelijk op den platten,
zandigen oever. Doch, uit gebrek aan stoom, was het niet mogelijk
er tegen op te komen, noch ons vooruit te begeven op een weg, die,
na de richting door het kompas aangegeven, geraadpleegd te hebben,
de weg naar Jubbulpore moest zijn.
Zonder een oogenblik te verliezen, hadden wij kapitein Hod gevolgd,
die het eerst op den oever gesprongen was.
Nu, dadelijk aan het verzamelen van brandstof! »Binnen een uur,"
riep Banks, »zijn we onder stoom en op weg!"
De oogst was gemakkelijk. Overal op den grond was hout in overvloed
verspreid, en het was droog genoeg om onmiddellijk gebruikt te
worden. Het was dus meer dan genoeg om er den vuurhaard mede te vullen
en er den tender mede vol te laden.
Iedereen ging aan het werk. Kâlouth alleen bleef voor zijn stoomketel,
terwijl wij voor vier en twintig uren brandstof inzamelden. Het
was meer dan genoeg om het station van Jubbulpore te bereiken, waar
steenkool ons niet zou ontbreken. Wat het voedsel betreft, waaraan
de behoefte zich deed gevoelen, welnu!--het was immers den jagers
der expeditie niet verboden er onderweg in te voorzien. »Mijnheer"
Parazard zou gebruik maken van het vuur van Kâlouth en we zouden zoo
goed mogelijk onzen honger stillen.
Drie uren later had de stoom de noodige drukking, de IJzeren Reus
stelde zich in beweging, klom tegen de helling van den oever op en
bevond zich aan den ingang van den weg.
»Naar Jubbulpore!" riep Banks.
Maar Storr had den tijd niet gehad den regulator half om te draaien of
woeste kreten deden zich aan den zoom van het bosch hooren. Een bende
van minstens honderd vijftig Hindoes stortte zich op het Stoomhuis. Het
torentje van den IJzeren Reus, het rijtuig, van voren en van achteren,
werden overmeesterd, voordat wij den tijd gehad hadden tot ons zelve
te komen!
Bijna onmiddellijk voerden de Hindoes ons tot op vijftig schreden van
den trein mede en werden wij in de onmogelijkheid gesteld te vluchten!
Men stelle zich onzen toorn, onze woede voor bij het tooneel van
verwoesting en plundering, dat nu volgde. De Hindoes bestormden met
de bijl in de hand het Stoomhuis. Alles werd geplunderd, verwoest,
vernietigd. Van het ameublement bleef weldra niets meer over! Toen
voltooide het vuur het werk der verwoesting en binnen eenige minuten
was alles wat van ons laatste rijtuig overbleef, door de vlammen
vernield!
»Die deugnieten, die schoeljes!" schreeuwde kapitein Hod, dien
verscheidene Hindoes moeite hadden te bedwingen.
Maar, zooals ons, bleven ook hem slechts nuttelooze beleedigingen
over, welke die Hindoes niet eens schenen te begrijpen. En, om hun,
die ons bewaakten, te ontkomen, daar was geen denken aan.
De laatste vlammen waren uitgedoofd en weldra bleef er niets meer
over dan het vormlooze geraamte van de rollende pagode, die de helft
van het schiereiland had afgelegd!
Vervolgens hadden de Hindoes zich op onzen IJzeren Reus geworpen. Ook
hem wilden ze vernielen, maar daartoe waren zij onmachtig. Noch
de bijl, noch het vuur vermochten iets tegen het dikke harnas van
plaatijzer, dat het lichaam van den kunstmatigen olifant vormde,
noch tegen de machine, die hij in zich droeg. Niettegenstaande al
hunne pogingen, bleef hij ongedeerd, tot verrukking van kapitein Hod,
die hoera's van pleizier en van woede te gelijk uitbracht.
Op dit oogenblik kwam er een man te voorschijn. Hij moest het
opperhoofd dezer Hindoes zijn.
De geheele bende schaarde zich dadelijk om hem heen.
Een andere man vergezelde hem. Alles werd duidelijk. Die man was onze
gids, het was Kâlagani.
Van Goûmi geen spoor. De getrouwe was verdwenen, de verrader
was overgebleven. Ongetwijfeld hadden de trouw en opoffering van
onzen braven dienaar hem het leven gekost en zouden wij hem niet
terugzien! Kâlagani liep op kolonel Munro toe en koel, zonder de
oogen neer te slaan, zeide hij, op hem wijzende:
»Deze!"
Op een wenk werd Sir Edward Munro gevat, medegesleept, en hij verdween
te midden der bende, die den weg naar het zuiden weder insloeg,
zonder ons nog voor de laatste maal de hand te hebben kunnen drukken,
noch ons een laatst vaarwel te hebben kunnen toeroepen!
Kapitein Hod, Banks, de sergeant, Fox, allen, we hadden hem zoo gaarne
aan die Hindoes willen ontrukken, maar vijftig armen hielden ons aan
den grond gekluisterd en ééne beweging meer was voldoende om ons het
leven te benemen.
»Geen wederstand!" zeide Banks.
De ingenieur had gelijk. Wij vermochten op dit oogenblik niets om
kolonel Munro te verlossen. Beter was het dus zich in te houden met
het oog op latere gebeurtenissen.
Een kwartier later, verlieten de Hindoes ons op hunne beurt en
volgden de sporen van de eerste bende. Hen te volgen zou een ramp
teweeggebracht hebben, zonder eenig voordeel voor kolonel Munro op
te leveren en toch was onze eerste opwelling hem te volgen...
»Geen stap verder," zei Banks.
Men gehoorzaamde hem.
Het was dan ten slotte wel degelijk kolonel Munro en hem alleen dien
deze Hindoes, door Kâlagani gewaarschuwd, op het oog hadden. Wat was
het plan van dezen verrader? Hij handelde blijkbaar niet op eigen
gezag. Maar wien gehoorzaamde hij dan?... Daar kwam plotseling de
naam van Nana-Sahib bij mij op!...
Hier houdt het handschrift op, door Maucler bezorgd. De jonge
Franschman zou niets meer zien van de gebeurtenissen, die
de ontknooping van dit treurspel zouden verhaasten. Doch deze
gebeurtenissen zijn later bekend geworden en, vereenigd onder den
vorm van een verhaal, voltooien zij de beschrijving van deze reis
door Noord-Indië.