Ziehier onze juiste positie, berekend van het punt van vertrek, van
het punt van halt en van het punt van aankomst, op den 18n September.
1o. Van Calcutta, dertien honderd kilometers;
2o. Van het sanitarium der Himalaya, drie honderd tachtig kilometers;
3o. Van Bombay zestien honderd kilometers.
Wat den afstand aangaat, hadden wij de helft van onzen reisweg nog
niet afgelegd; maar de zeven weken mederekenende, die het Stoomhuis in
het Himalayagebergte had doorgebracht, was meer dan de helft van den
tijd, die aan deze reis moest besteed worden, verloopen. Wij hadden
den 6n Maart Calcutta verlaten en binnen twee maanden, rekenden wij,
zonder tegenspoed, de westkust van Hindostan bereikt te hebben.
Onze reisweg zou trouwens in zekere mate verkort worden. Het besluit
om de groote steden, die in den opstand van 1857 verwikkeld waren
geweest, te vermijden, verplichtte ons meer rechtstreeks naar het
zuiden af te zakken. Door de prachtige provinciën van het koninkrijk
Scindia liepen schoone rijwegen en de IJzeren Reus zou geen enkelen
hinderpaal ontmoeten, althans tot aan de bergen van het centrum. Er was
dus alle hoop, dat de reis gemakkelijk en veilig zou worden afgelegd.
Daarenboven zou de tegenwoordigheid van Kâlagani, die onder het
personeel van het Stoomhuis was opgenomen, de reis nog gemakkelijker
maken. Deze Hindoe toch was verwonderlijk goed met dit geheele gedeelte
van het schiereiland bekend, waarvan Banks zich reeds dienzelfden dag
kon verzekeren. Na het ontbijt, onder het middagslaapje van kolonel
Munro en kapitein Hod, vroeg Banks hem in welke hoedanigheid hij zoo
dikwijls deze provinciën bezocht had.
»'k Maakte deel uit," antwoordde Kâlagani, »van een dier talrijke
karavanen van Banjaris, die, hetzij voor rekening van het gouvernement,
hetzij voor die van partikulieren, door middel van ossen graan
vervoeren. Als zoodanig ben ik twintigmaal door de streken van
Centraal- en Noord-Indië getrokken."
»Trekken deze karavanen nog door dit gedeelte van het
schiereiland?" vroeg de ingenieur.
»Ja, mijnheer," antwoordde Kâlagani, »'t zou me zeer verwonderen,
als we in dezen tijd van 't jaar geen troep Banjaris ontmoeten op
marsch naar het noorden."
»Welnu, Kâlagani," hernam Banks, »je bekendheid met deze streken zal
ons zeer nuttig zijn. Inplaats van de groote steden van het koninkrijk
Scindia te doorreizen, zullen wij door het open veld gaan en gij zult
onze gids zijn."
»Gaarne, mijnheer," antwoordde de Hindoe op den koelen toon, die hem
eigen was en waaraan ik mij nog niet had kunnen gewennen.
Daarna voegde hij er bij:
»Wilt u, dat ik u in 't breede de richting aanwijs, die we moeten
nemen?"
»Als 't u blieft."
Dit zeggende spreidde Banks een kaart met groote punten van dit
gedeelte van Indië op de tafel uit, teneinde de juistheid der
inlichtingen van Kâlagani na te gaan.
»Niets eenvoudigers," hernam de Hindoe. »In bijna rechte lijn zullen
we gaan van den spoorweg van Delhi naar den spoorweg van Bombay, die te
Allahabad samenloopen. Van het station Etawah, dat we op de grenzen van
Bundelkund verlaten hebben, zal er slechts één belangrijke stroom zijn
over te trekken, de Jumna, en van deze grens naar de Vindhyasbergen,
nog een water, de Betwa. In het geval zelfs dat deze twee rivieren
tengevolge der vele regens in het regenseizoen mochten overloopen,
zal toch immers de drijvende trein geen moeite hebben om van den
eenen oever naar den anderen over te steken?"
»Dat zal geen ernstige moeielijkheid geven," antwoordde de ingenieur,
»en wanneer we nu eenmaal aan de Vindhyas zijn aangekomen..."
»Dan zullen we iets naar het zuidoosten moeten afwijken, om een
toegankelijken bergpas te kiezen. Ook daar zal geen hinderpaal onzen
marsch vertragen. Ik ken een passage met zachte hellingen. Dat is de
Sirgourpas, die bij voorkeur door rijtuigen genomen wordt."
»Zou overal waar paarden kunnen gaan," zei ik, »onze IJzeren Reus
niet kunnen passeeren?"
»Zeker kan hij dat," antwoordde Banks, »maar, aan de andere zijde van
de Sirgourpas, is het land zeer bergachtig. Zouden wij de Vindhyas
niet kunnen aandoen, door onzen weg door Bhôpal te nemen?"
»Daar zijn de steden talrijk," antwoordde Kâlagani, »'t zal
moeielijk zijn ze te vermijden en de Sipayers hebben zich in den
onafhankelijkheidsoorlog daar bijzonder onderscheiden."
Ik was wel een weinig verwonderd over die benaming van
»onafhankelijkheidsoorlog," die Kâlagani aan den opstand van 1857
gaf. Doch men moest niet vergeten, dat het een Hindoe en geen
Engelschman was, die sprak. Uit niets bleek overigens, dat Kâlagani
deel aan den opstand genomen had, of althans had hij nooit iets gezegd
waaruit het was op te maken.
»Goed," hernam Banks, »we zullen de steden van Bhôpal ten westen
laten liggen en als ge er zeker van zijt, dat de Sirgourpas ons
toegang tot een begaanbaren weg verleent..."
»Een weg, dien ik dikwijls begaan heb, mijnheer en die, na om het meer
Puturia te zijn heengegaan, veertig mijlen van daar op den spoorweg
uitloopt van Bombay naar Allahabad, bij Jubbulpore."
»Inderdaad," antwoordde Banks, die op de kaart de door den Hindoe
gegeven aanwijzingen volgde; »en van dit punt af?..."
»De groote weg wendt zich naar het zuidwesten en loopt om zoo te
zeggen langs den spoorweg naar Bombay."
»Begrepen," antwoordde Banks. »'k Zie geen enkele ernstige reden
waarom we de Vindhyas niet zouden doortrekken en deze reisweg komt
ons goed te pas. Bij de diensten, die ge ons reeds bewezen hebt,
Kâlagani, voegt ge er nog een bij, dien we nooit zullen vergeten."
Kâlagani boog en wilde heengaan, toen hij, zich bedenkende, op den
ingenieur toetrad.
»Wilde je me iets vragen?" zei Banks.
»Ja, mijnheer," antwoordde de Hindoe. »Mag ik u vragen waarom u
er zoo bijzonder op gesteld zijt de voorname steden van Bundelkund
te ontwijken?"
Banks keek mij aan. Er bestond geen enkele reden om aan Kâlagani iets
omtrent Sir Edward Munro te verbergen en de Hindoe werd op de hoogte
van den toestand des kolonels gebracht.
Kâlagani luisterde zeer oplettend naar hetgeen de ingenieur hem
mededeelde. Daarna zeide hij op een toon, die eenige verwondering
verried:
»Kolonel Munro," zeide hij, »heeft niets meer te vreezen van Nana
Sahib, althans in deze provincies."
»Noch in deze provincies, noch ergens anders," antwoordde
Banks. »Waarom zegt ge, »in deze provincies?""
»Omdat, als de nabob werkelijk eenige maanden geleden in het
presidentschap Bombay is weder verschenen, zooals men beweerd heeft,"
zei Kâlagani, »de nasporingen zijn schuilplaats niet aan den dag
hebben kunnen brengen, en het is zeer waarschijnlijk, dat hij opnieuw
de Indo-Chineesche grens overschreden heeft."
Uit dit antwoord scheen te blijken, dat Kâlagani niet wist wat in het
Sautpourragebergte was voorgevallen en ook niet dat, in de maand Mei
ll., Nana Sahib door de soldaten van de koninklijke armée bij den
pâl van Tandit was gedood geworden.
»'k Zie, Kâlagani," zei daarop Banks, »dat het nieuws uit Indië niet
gemakkelijk tot de bosschen van de Himalaya doordringt!"
De Hindoe keek ons strak aan, zonder te antwoorden, als iemand,
die niet begrijpt.
»Ja," hernam Banks, »je schijnt niet te weten, dat Nana Sahib dood is."
»Is Nana Sahib dood?" riep Kâlagani uit.
»Ongetwijfeld," antwoordde Banks, »en het gouvernement heeft doen
weten onder welke omstandigheden hij gedood is."
»Gedood?" zei Kâlagani, het hoofd schuddende. »Waar zou Nana Sahib
dan gedood zijn?"
»Bij den pâl van Tandit, in de Sautpourrabergen."
»En wanneer?..."
»Reeds bijna vier maanden geleden," antwoordde de ingenieur, »den
25n Mei ll."
Kâlagani, wiens blik mij op dit oogenblik zonderling toescheen,
had zich de armen gekruist en stond zwijgend daar.
»Heb je redenen," vroeg ik hem, »om niet aan den dood van Nana Sahib
te gelooven?"
»Geene, mijne heeren," vergenoegde zich Kâlagani te antwoorden. »'k
Geloof wat u me zegt."
Een oogenblik later, waren Banks en ik alleen en de ingenieur voegde
er niet zonder reden bij:
»'t Is met alle Hindoes hetzelfde liedje! Het opperhoofd der
opgestane Sipayers is de held der legende geworden. Nooit zullen die
bijgeloovigen gelooven, dat hij gedood is, omdat ze 'm niet hebben
zien ophangen!"
»'t Is met hen," antwoordde ik, »als met de oude »grognards" van het
Keizerrijk, die twintig jaren na zijn dood, volhielden dat Napoleon
nog altijd leefde!"
Sedert den overtocht van den Boven-Ganges, door het Stoomhuis voor
veertien dagen volbracht, legde een vruchtbaar land zijne prachtige
wegen voor den IJzeren Reus open. Het was Doâb, begrepen in den
hoek, gevormd door den Ganges en de Jumna, vóór hunne vereeniging
bij Allahabad. Alluviale vlakten, twintig eeuwen voor de christelijke
jaartelling door de Brahmanen ontgonnen, een nog zeer onvolkomen wijze
van akkerbouw bij de boeren, grootsche werken van kanalisatie door
Engelsche ingenieurs, velden met katoenboomen, die meer bijzonder
in dezen bodem gedijen, het zuchten der katoenpersen, die bij elk
dorp in werking zijn, het gezang der werklieden, die ze in beweging
brengen, dat zijn de indrukken, die mij van dit Doâb, waar de eerste
christenkerk gesticht werd, zijn bijgebleven.
De reis werd onder de beste omstandigheden voortgezet. Het
landschap wisselde af, men zou kunnen zeggen, naar de luim onzer
fantasie. De woning verplaatste zich, zonder eenige vermoeienis,
alleen voor het genot onzer oogen. Was dat dus niet, zooals Banks
beweerd had, het laatste woord van den vooruitgang in de kunst der
plaatsverandering? Ossenwagens, rijtuigen door paarden of muilezels
getrokken, spoorwegwaggons, wat zijt gij allen, vergeleken met onze
rollende huizen!
Den 19n September hield het Stoomhuis stil op den linkeroever van de
Jumna. Deze belangrijke stroom bakent in het centrale gedeelte van
het schiereiland, het land der Rajahs eigenlijk gezegd of Rajasthan,
af van Hindostan, dat meer uitsluitend het land der Hindoes is.
Een eerste was begon de wateren van de Jumna te doen rijzen. De
stroom was sneller geworden, maar al was daardoor onze overtocht een
weinig minder gemakkelijk, een beletsel was dit toch niet. Banks
nam eenige voorzorgen. Men moest een geschikter punt vinden om te
landen. Men vond het en een half uur later besteeg het Stoomhuis
den tegengestelden oever van den stroom. Voor de spoorwegtreinen
zijn met groote kosten gebouwde bruggen noodig en zulk een brug is
dan ook over de Jumna bij de sterkte van Selimgarh, in de nabijheid
van Delhi gespannen. De stroomen nu boden onzen IJzeren Reus en de
twee wagens, die hij voorttrok, een weg aan zoo gemakkelijk als de
schoonste macadamwegen van het schiereiland.
Aan de andere zijde van de Jumna telt het grondgebied van Rajasthan een
zeker aantal van die steden, welke de voorzorg van den ingenieur gaarne
van zijn reisweg wilde verwijderd houden. Links was het Gwalior, aan
den oever van de rivier Sawunrika, gevestigd op haar basaltrots, met
haar trotsche moskee Musjid, haar paleis Pâl, haar zonderlinge poort
der Olifanten, haar beroemde sterkte, haar Vihara van bouddhistischen
oorsprong; een oude stad, waarmede de moderne stad Lashkar, een paar
kilometers verder gebouwd, nu sterk concurreert. Daar, binnen in dat
Gibraltar van Indië, had de Rani van Jansi, de toegenegen gezellin van
Nana Sahib heldhaftig tot het laatste oogenblik gestreden. Men weet,
dat zij in de ontmoeting met twee escadrons huzaren van het 8e der
koninklijke armee, eigenhandig gedood werd door kolonel Munro, die met
een bataillon van zijn regiment aan het gevecht had deelgenomen. Van
dien dag af aan, men weet het ook, dateerde die onverzoenbare haat
van Nana Sahib, naar welks voldoening de nabob tot zijn laatsten
snik was blijven haken! Ja! het was beter, dat Sir Edward Munro zijne
herinneringen voor de poorten van Gwalior niet ging verlevendigen!
Voorbij Gwalior, ten westen van onzen nieuwen reisweg, was het Antri
en haar uitgestrekte vlakte, vanwaar hier en daar talrijke bergen
met hunne spitse toppen ten hemel reiken, als zoovele eilandjes van
een archipel. Het was Duttiah, dat nog geen vijf eeuwen bestaan telt
en waarvan men de sierlijke huizen, de centrale sterkte, de tempels
met hunne verschillende torens, het verlaten paleis van Birsing-Deo,
het arsenaal van Tôpe-Kana bewondert,--'twelk alles te zamen de
hoofdstad vormt van het koninkrijk Duttiah, afgezonderd liggende in den
noordelijken hoek van Bundelkund en dat zich onder de bescherming van
Engeland gesteld heeft. Evenals Gwalior, hadden ook Antri en Duttiah
een ernstig aandeel genomen aan de oproerige beweging van 1857.
Het was eindelijk Jansi, dat wij den 22n September op een afstand
van minder dan veertig kilometers passeerden. Deze stad is het
belangrijkste militaire station van Bundelkund en vooral bij het
mindere volk is de oproerige geest aldaar levendig gebleven. Jansi
is een betrekkelijk moderne stad en drijft een belangrijken handel in
inlandsche moesselines en blauwe katoenen stoffen. Er bevindt zich geen
monument van oudere dagteekening dan hare stichting, die slechts van
de zeventiende eeuw dateert. Evenwel is het belangrijk haar citadel
te bezoeken, welker buitenmuren de Engelsche projectielen niet hebben
kunnen verwoesten, alsmede haar begraafplaats der rajahs, die een
buitengewoon schilderachtig gezicht aanbiedt. Daar was de voornaamste
vesting der opgestane Sipayers van centraal Indië. Daar verwekte de
stoutmoedige Rani het eerste oproer, dat weldra geheel Bundelkund in
vuur en vlam zou zetten. Daar zou Sir Hugh Rose een slag leveren, die
niet minder dan zes dagen duurde en waarin hij vijftien percent van
zijn macht verloor. Daar moesten, niettegenstaande hunne verbittering,
Tantia Topi, Balao Rao, broeder van Nana Sahib, de Rani zelve, alhoewel
ondersteund door een garnizoen van twaalf duizend Sipayers en geholpen
door een leger van twintig duizend, voor de voortreffelijkheid der
Engelsche wapenen bukken. Daar, zooals Mac Neil het ons verhaald
had, had kolonel Munro zijn sergeant het leven gered door hem den
laatsten druppel water te gunnen, die hun overbleef. Ja! Jansi,
meer dan eenige andere dier steden vol noodlottige herinneringen,
moest buiten den reisweg gelaten worden waarvan de beste vrienden
van den kolonel de rustpunten gekozen hadden!
Den volgenden dag, 23 September, zou een ontmoeting, die ons gedurende
eenige uren ophield, een der vroeger door Kâlagani gemaakte opmerkingen
rechtvaardigen.
Het was elf uren 's morgens. Na het ontbijt hadden wij ons allen
nedergezet om de gewone siesta te houden, sommigen onder de veranda,
anderen in het salon van het Stoomhuis. De IJzeren Reus bewoog zich
tegen negen à tien kilometers per uur. Een prachtige weg, beschaduwd
door schoone boomen, slingerde zich schilderachtig tusschen velden
met katoenboomen en granen. Het weder was fraai en een schitterende
zon bescheen alles met hare koesterende stralen. Men moet erkennen
dat een besproeiing van dien grooten weg niet te versmaden zou geweest
zijn, want het fijne, witte stof, dat de wind voor onzen trein opwoei,
maakte het ons somtijds vrij lastig.
Doch het was nog geheel iets anders toen in een uitgestrektheid van
twee of drie mijlen, de dampkring ons met zulke dichte stofwolken
vervuld scheen, dat een hevige simoun geen dikkere wolken in de
Lybische woestijn had kunnen opwaaien.
»'k Begrijp niet hoe dat verschijnsel kan ontstaan," zei Banks,
»omdat er zulk een licht windje waait."
»Kâlagani zal ons dat verklaren," antwoordde kolonel Munro.
Men riep den Hindoe, die naar de veranda trad, den weg langs keek en
zonder aarzelen zeide:
»'t Is een lange karavaan, die naar het noorden trekt," zeide hij,
»en, zooals ik u reeds mededeelde, mijnheer Banks, is het zeer
waarschijnlijk een karavaan van Banjaris."
»Welnu, Kâlagani," zei Banks, »je zult er zeker nog wel eenige oude
bekenden onder aantreffen?"
»Zeer mogelijk, mijnheer," antwoordde de Hindoe, »omdat ik lang onder
die zwervende stammen geleefd heb."
»Ben je dus nu van plan ons te verlaten om je bij hen te voegen?" vroeg
kapitein Hod.
»Volstrekt niet," antwoordde Kâlagani.
De Hindoe had zich niet vergist. Een half uur later was de IJzeren
Reus, hoe onweerstaanbaar overigens, wel gedwongen op te houden voor
een muur van herkauwende dieren.
Maar hij had zich over deze vertraging niet te beklagen. Het
schouwspel, dat zich aan onze blikken voordeed, was de moeite waard
gadegeslagen te worden.
Een kudde van minstens vier of vijf duizend ossen versperde den weg
naar het zuiden, verscheidene kilometers ver. Zooals Kâlagani gezegd
had, behoorde dit konvooi rundvee aan een karavaan Banjaris.
»De Banjaris," vertelde ons Banks, »zijn de wezenlijke Zingaris van
Hindostan. Het is meer een volk dan een stam, zonder vaste woonplaats,
des zomers onder tenten, des winters in hutten levende. Het zijn de
lastdragers van het schiereiland en 'k heb ze gedurende den opstand
van 1857 aan 't werk gezien. Door een soort van zwijgende overeenkomst
tusschen de oorlogvoerende partijen, liet men hunne konvooien de door
den opstand geteisterde provincies door trekken. Zij waren inderdaad de
voorraadbezorgers van het land en ze voorzagen zoowel het koninklijke
leger als dat der inboorlingen van voedsel. Moest men ze volstrekt
ergens in Indië 't huis brengen, dan zou het in Rapoutana zijn en
meer bijzonder misschien in het koninkrijk Milwar. Maar, daar ze
voorbij ons heen gaan defileeren, mijn waarde Maucler, recommandeer
ik je deze Banjaris eens goed op te nemen."
Onze trein had zich voorzichtig aan een der kanten van den grooten
weg geschaard. Hij zou tegen dezen stroom van horenvee, waarvoor de
wilde dieren zelve niet aarzelen zich uit de voeten te maken, niet
hebben kunnen opwerken.
Zooals Banks mij had aanbevolen, sloeg ik den langen stoet met aandacht
gade, maar vooraf moet ik op het eenigszins zonderlinge feit wijzen,
dat het Stoomhuis bij deze gelegenheid de gewone uitwerking niet scheen
teweeg te brengen. De IJzeren Reus, anders zoo gewoon de algemeene
bewondering te wekken, trok nu nauwlijks de aandacht van deze Banjaris,
die ongetwijfeld gewoon waren zich over niets te verwonderen.
Mannen en vrouwen van dit Boheemsche ras waren bewonderenswaardig;--de
eerste, groot, krachtig gebouwd, met fijne trekken, een adelaarsneus,
gekrulde haren, bronskleurig, gekleed met het lange onderkleed en
den tulband op het hoofd, gewapend met de lans, het schild en den
grooten degen;--de vrouwen, rijzig van gedaante, evenredig van vormen,
fier als de mannen van hun klan, het bovenlijf gevat in een keurslijf,
het beneden gedeelte des lichaams gehuld in de plooien van een wijden
rok, en het geheel, van het hoofd tot de voeten gewikkeld in een
sierlijken mantel, juweelen in de ooren, een snoer van parelen om
den hals, braceletten om de armen, ringen aan de enkels van goud,
ivoor of schelpen.
Bij deze mannen, vrouwen, grijsaards, kinderen liepen met bedaarden
stap duizenden ossen, zonder zadel of halster, terwijl zij de roode
eikels aan hunne koppen schudden of de belletjes om den nek deden
weerklinken, daarenboven op den rug een dubbelen zak dragende, die
het koren of andere graansoorten bevat.
Het was een gansche stam, vertrokken als karavaan, onder het bestuur
van een bij meerderheid van stemmen verkozen opperhoofd, den »naik,"
wiens macht gedurende den tijd van zijn mandaat onbegrensd is. Aan
hem is de taak opgedragen het konvooi te besturen, de uren van rust
te bepalen, en voor de inrichting van het kamp zorg te dragen.
Vooraan ging een énorme stier, met fieren tred, behangen met
schitterende stoffen, versierd met een tros schelletjes en andere
sieraden van schelpen. Ik vroeg Banks of hij mij kon zeggen welke
taak dat prachtige dier had te vervullen.
»Kâlagani zou het ons met zekerheid kunnen zeggen," antwoordde de
ingenieur. »Waar is hij toch?"
Kâlagani werd geroepen, maar hij kwam niet te voorschijn. Men zocht
hem overal, doch hij was niet meer in het Stoomhuis.
»Hij is zeker oude kennissen gaan opzoeken," zei kolonel Munro,
»maar voordat we vertrekken, zal hij wel weder bij ons zijn."
Niets natuurlijkers en werkelijk was er ook niets verontrustends in
de kortstondige afwezigheid van den Hindoe, maar toch kon ik mij niet
van eenige bezorgdheid onthouden.
»Welnu," zei Banks, »als ik me niet vergis, dan is die stier in de
karavanen der Banjaris de vertegenwoordiger hunner godheid. Waar hij
heen gaat, volgt men hem. Wanneer hij ophoudt, kampeert men, maar
't zou me niet verwonderen, dat hij in 't geheim aan de ingeving van
den naik gehoorzaamt. Om kort te gaan, in hem is de geheele godsdienst
dezer zwervende stammen saamgevat."
Twee volle uren hield het voorbijtrekken van den onafzienbaren stoet
aan. Ik zocht Kâlagani in de achterhoede, toen hij eensklaps voor
ons stond, vergezeld van een Hindoe, die niet tot den Banjari-type
behoorde. Het was ongetwijfeld een van die inlanders, die zich
tijdelijk in dienst der karavanen stellen, zooals ook Kâlagani het
meermalen gedaan had. Beiden praatten koel, als met half gesloten
lippen. Van wien en waarover spraken zij? Waarschijnlijk over het land,
dat de reizende stam doorkruist had,--het land, dat ook wij onder de
leiding van onzen nieuwen gids zouden bezoeken.
De inlander, die in de achterhoede der karavaan gebleven was,
hield, het Stoomhuis voorbijgaande, een oogenblik op. Hij bekeek met
belangstelling den trein, voorafgegaan door zijn kunstmatigen olifant
en naar het mij voorkwam, nam hij meer in 't bijzonder kolonel Munro
op, maar hij sprak geen woord tot ons. Daarna groette hij Kâlagani,
voegde zich bij den stoet en was weldra in een wolk van stof verdwenen.
Toen Kâlagani bij ons was teruggekomen, richtte hij zich tot kolonel
Munro, zonder af te wachten totdat hij ondervraagd werd en zeide
alleen:
»Een mijner vroegere kameraden, die sedert twee maanden in dienst
van de karavaan staat."
Dit was alles. Kâlagani hernam zijn plaats in onzen trein en weldra
rolde het Stoomhuis wederom over den weg, doorwoeld door de breede
sporen van de hoeven dier duizenden ossen.
Den volgenden dag, den 24n September, hield de trein op om den nacht
door te brengen op vijf of zes kilometers ten oosten van Ourtcha, aan
den linker oever van de Betwa, een van de voornaamste takken der Jumna.
Van Ourtcha valt tegenwoordig niets meer te zeggen. Het is de oude
hoofdstad van Bundelkund en een stad, die in de eerste helft der
zeventiende eeuw bloeide. Maar de Mongolen aan den eenen kant,
de Maharatten van den anderen, brachten haar geduchte slagen toe,
waarvan zij zich nooit herstelde. En nu, is een der groote steden
van Centraal-Indië slechts een gehucht, dat eenige honderden boeren
tot een ellendige schuilplaats verstrekt.
Ik zeide, dat wij aan den oever der Betwa ons kamp hadden
opgeslagen. Het is juister te zeggen, dat de trein stil hield op
zekeren afstand van haar linkeroever. Want deze belangrijke stroom,
sterk wassende, trad toen buiten zijn bedding en overstroomde zijn
oevers. Vandaar misschien eenige moeielijkheden om onzen overtocht te
bewerkstelligen. Daar de duisternis evenwel reeds te groot was, kon
Banks geen raad geven en moesten wij onze plannen tot den volgenden
dag uitstellen.
Bij gevolg zochten we dus allen, dadelijk na de gewone avondsiesta,
onze vertrekken op en legden ons ter ruste.
Nooit, tenzij bijzondere omstandigheden er ons toe noopten, lieten wij
's nachts het kamp bewaken. En waartoe ook? Kon men onze rollende
huizen wegnemen? Neen! Kon men onzen olifant stelen? Evenmin. Zijn
zwaarte alleen was reeds verdediging genoeg. Wat betreft de
mogelijkheid van een aanval der nachtelijke zwervers, die deze
provinciën onveilig maken, dit was zeer onwaarschijnlijk. En al werd
er geen wacht gehouden 's nachts, dan hadden wij toch onze honden
Phann en Black, die ons tijdig genoeg van elk verdacht bezoek zouden
verwittigd hebben.
En dit nu was juist hetgeen dezen nacht gebeurde. Tegen twee uren
's morgens, werden wij door luid geblaf gewekt. Ik stond dadelijk op
en vond ook mijne metgezellen reeds op de been.
»Wat is er toch?" vroeg kolonel Munro.
»De honden blaffen," antwoordde Banks, »en ze doen dat stellig niet
zonder reden."
»'t Zal een panter zijn, die in 't naburige kreupelbosch gehoest
heeft," zei kapitein Hod. » Spoedig naar beneden, den zoom van het
bosch doorzocht en uit voorzorg onze geweren medegenomen."
Sergeant Mac Neil, Kâlagani, Goûmi, allen bevonden zich reeds buiten
het kamp, pratende, overleggende en trachtende te weten te komen wat
er in het duister voorviel. Wij voegden ons bij hen.
»Welnu," zei kapitein Hod, »'t zijn zeker een paar dieren, die hun
dorst zijn komen lesschen?"
»Kâlagani denkt het niet," antwoordde Mac Neil.
»Wat denkt ge dan dat het is?" vroeg kolonel Munro den Hindoe.
»'k Weet het niet, kolonel Munro," antwoordde Kâlagani, »maar stellig
hebben we met geen tijgers, panters of zelfs jakhalzen te doen. 'k
Meen daar onder de boomen een verwarde massa te onderscheiden."
»We zullen 't gauw weten!" riep kapitein Hod, steeds denkende aan
den vijftigsten tijger, die hem nog ontbrak.
»Wacht Hod," zei Banks. »In Bundelkund is het altijd goed zich te
wachten voor nachtelijke zwervers."
»We zijn talrijk en goed gewapend!" antwoordde kapitein Hod. »'k Wil
er het mijne van weten!"
»Mij goed!" zei Banks.
De twee honden blaften altijd, maar zonder eenig bewijs te geven van
de boosheid, die de nabijheid van wilde dieren bij hen zou hebben
opgewekt.
»Munro," zei Banks toen, »blijf in het kamp met Mac Neil en de
anderen. In dien tijd gaan Hod, Maucler, Kâlagani en ik op verkenning
uit."
»Ga je mee?" riep kapitein Hod, die terzelfder tijd Fox wenkte om
hem te vergezellen.
Phann en Black, reeds onder het eerste geboomte, wezen den weg aan. Men
had ze slechts te volgen.
Nauwlijks waren wij onder de boomen, of het geluid van voetstappen
deed zich hooren. Duidelijk verkende een talrijke troep op den zoom
van het bosch ons kampement. Men zag ter loops eenige stille schaduwen,
die de vlucht door het kreupelbosch namen.
De twee honden, liepen, blaften en vlogen eenige schreden voor ons
uit heen en weder.
»Werda?" riep kapitein Hod.
Geen antwoord.
»Een van beiden, die lieden willen niet antwoorden," zei Banks,
»of zij verstaan geen Engelsch."
»Wel, dan verstaan ze zeker Hindoesch," antwoordde ik.
»Kâlagani," zei Banks, »roep eens in het Hindoesch, dat, als ze niet
antwoorden, we vuur geven."
Kâlagani gebruikte den eigenaardigen tongval van de inlanders van
Centraal-Indië en beval den zwervers te naderen.
Evenmin een antwoord als de eerste keer.
Nu barstte een geweerschot los. De ongeduldige kapitein Hod had op
goed geluk af geschoten op een schaduw, die zich tusschen de boomen
door uit de voeten maakte.
Een blijkbare opschudding werd door de losbranding der karabijn
teweeggebracht. Het was alsof een gansche troep individuen, van welke
soort dan ook, zich naar rechts en links verspreidde. Dit vermoeden
werd zekerheid, toen Phann en Black, die vooruit gevlogen waren,
bedaard terugkwamen en geen enkel blijk van ongerustheid meer gaven.
»Wie zij ook mogen zijn, roovers of landloopers," zei kapitein Hod,
»die lieden zijn al heel spoedig op den loop gegaan!"
»Dat schijnt zoo," antwoordde Banks, »en er blijft ons niets anders
over dan naar het Stoomhuis terug te keeren. Maar uit voorzorg,
zullen we wacht laten houden, totdat de dag aanbreekt."
Eenige oogenblikken later waren wij bij onze metgezellen
teruggekeerd. Mac Neil, Goûmi en Fox maakten toebereidselen om bij
beurten de wacht van het kamp op zich te nemen, terwijl wij ons weder
naar onze vertrekken begaven.
De nacht verliep zonder verdere stoornissen. Er was dus alle reden om
te denken, dat de bezoekers, het Stoomhuis zoo goed verdedigd ziende,
het hadden opgegeven hun bezoek te verlengen.
Terwijl den volgenden dag, den 25n September, de toebereidselen tot
het vertrek gemaakt werden, wilden wij, kolonel Munro, kapitein Hod,
Mac Neil, Kâlagani en ik, een laatste maal den zoom van het bosch
onderzoeken.
Evenwel was er geen spoor meer te vinden van de bende, die ons den
vorigen nacht verontrust had. Er bestond dus in elk geval niet de
minste noodzakelijkheid meer er ons mede bezig te houden.
Toen wij teruggekomen waren, nam Banks zijne beschikkingen om den
overtocht van de Betwa te bewerkstelligen. Deze rivier was ver buiten
hare oevers getreden en stuwde hare geelachtige wateren met dolle
vaart ver buiten haar bedding voort. De stroom was buitengewoon sterk
en de IJzeren Reus moest hem het hoofd bieden, teneinde niet te ver
stroomafwaarts medegevoerd te worden.
De ingenieur hield zich eerst bezig met het kiezen van de gunstigste
plaats om te ontschepen. De oogen met een verrekijker gewapend,
trachtte hij het punt te ontdekken waar de rechteroever het best zou
te bereiken zijn. De Betwa verbreedde zich in dit gedeelte van haren
loop tot ongeveer een mijl. Dit zou dus de verste afstand te water
zijn, dien de drijvende trein tot nog toe zou af te leggen hebben.
»Maar," vroeg ik, »hoe leggen de reizigers of de kooplieden het
aan, als ze bij een dergelijken was door stroomen als deze worden
opgehouden? Me dunkt dat ponten moeielijk dergelijke stroomingen
kunnen weerstaan."
»Welnu," antwoordde kapitein Hod, »niets eenvoudiger! Ze steken
niet over."
»Ja wel," antwoordde Banks, »ze gaan over als ze olifanten ter hunner
beschikking hebben."
»Wat! kunnen olifanten dan zwemmende zulke afstanden afleggen?"
»Wel zeker, en ziehier hoe men te werk gaat," antwoordde de
ingenieur. »Men plaatst al de bagage op den rug van deze....."
»Proboscidea!..." zei kapitein Hod, om met zijn vriend Matthias van
Guitt te spreken.
»En de mahouts dwingen ze zich in den stroom te begeven," hernam
Banks. »In 't eerst aarzelt het dier, gaat terug en doet een gebriesch
hooren; maar, weldra zijn besluit nemende, stapt hij in den stroom, zet
zich aan 't zwemmen en steekt flink de rivier over. 't Gebeurt evenwel,
dat er een wordt medegesleept en voor altijd verdwijnt, maar, als ze
door een behendigen mahout bestuurd worden, komt dit zelden voor."
»Nu, goed!" zei kapitein Hod, »al hebben we geen »olifanten," we
hebben er toch een....."
»En met dien eenen hopen we 't te volbrengen," antwoordde Banks. »Hij
is licht zoo goed als de Oructor Amphibolis van den Amerikaan Evan,
die in het jaar 1804, op het land rolde en dreef op het water? Iedereen
nam zijn plaats in den trein in, Kâlouth bij zijn vuurhaard, Storr
in zijn torentje, Banks bij hem, het ambt van stuurman waarnemende.
Men moest een vijftigtal voeten op den overstroomden oever afleggen,
alvorens den eigenlijken stroom te bereiken. Zachtjes stelde de
IJzeren Reus zich in beweging en begon te loopen. Zijn dikke pooten
werden nat, maar hij dreef nog niet. De overgang van het vasteland
op de vloeibare oppervlakte moest met voorzorg geschieden.
Eensklaps kwam het geluid van dezelfde nachtelijke opschudding tot
ons over.
Een honderdtal individus, gebaren makende en leelijke gezichten
trekkende, kwamen uit het bosch te voorschijn.
»Wel drommels! 't Waren apen!" riep kapitein Hod uit, hartelijk
lachende.
En inderdaad naderde een gansche troep van die vertegenwoordigers
van het apengeslacht in een dichte groep het Stoomhuis.
»Wat willen ze?" vroeg Mac Neil.
»Ons aanvallen, zeker!" antwoordde kapitein Hod, die zich altijd ter
verdediging gereed hield.
»Neen! Er is niets te vreezen," zei Kâlagani, die den tijd gehad had
de bende apen waar te nemen.
»Maar wat willen ze dan toch?" vroeg sergeant Mac Neil ten tweeden
male.
»De rivier in ons gezelschap oversteken en niets anders!" antwoordde
de Hindoe.
Kâlagani vergiste zich niet. Wij hadden niet te doen met gibbons met
lange behaarde armen, lastige en brutale dieren, noch met »leden der
aristocratische familie" die het paleis van Bénarès bewoont. Het waren
apen van de soort der Langours, de grootste van het schiereiland,
lenige vierhandige zoogdieren, zwart van vel, glad van gelaat,
omgeven met een witten ringbaard, die hun het voorkomen gaf van oude
mannen. Wat hunne vreemde houdingen en onnatuurlijke gebaren aangaat,
overtroffen zij zelfs Matthias van Guitt. Hun vel was als dat van het
Peruaansche stinkdier, grijs op den rug, wit aan den buik, terwijl
zij den staart opgericht droegen.
Ik vernam bij deze gelegenheid, dat die Langours door gansch Indië
als heilig beschouwd worden. Volgens een legende stammen zij af van
de krijgslieden van Rama, die het eiland Ceilon veroverden. Te Amber
bewonen zij een paleis, Zenanah, alwaar de toeristen vriendschappelijk
door hen ontvangen worden. Het is streng verboden ze te dooden en de
overtreding dezer wet heeft reeds aan verscheidene Engelsche officieren
het leven gekost.
Die apen, die vrij zacht van aard en gemakkelijk te temmen zijn, zijn
zeer gevaarlijk als men ze aanvalt, en zoo ze slechts gekwetst zijn,
doen zij, zooals Louis Rousselet terecht gezegd heeft, in woestheid
niet onder voor hyena's of panters.
Maar natuurlijk was er geen sprake van deze Langours aan te vallen
en kapitein Hod wendde dan ook zijn geweer af.
Had Kâlagani dan gelijk toen hij beweerde, dat die geheele troep den
fellen stroom niet dorst te trotseeren, en daarom van ons voertuig
wilde gebruik maken, om de Betwa te passeeren?
Het was mogelijk en wij zouden het spoedig zien.
De IJzeren Reus, die het water buiten den oever doorwaad had, was nu
in de bedding der rivier gekomen. Weldra dreef de geheele trein hem
na. Een kromming van den oever vormde op deze plek een stilstaand
water en in het eerst bleef het Stoomhuis genoegzaam onbewegelijk.
De troep apen was dichterbij gekomen, en plaste reeds in het ondiepe
water rond, dat de helling van den oever bedekte.
Hun houding was volstrekt niet vijandig en plotseling, daar kwamen
ze aan, mannetjes, wijfjes, ouden, jongen, allerlei kromme sprongen
makende, elkander bij de hand vattende, en eindelijk op den trein
springende, die hen scheen af te wachten.
Binnen weinige seconden waren er tien op den IJzeren Reus, dertig op
ieder der huizen, in 't geheel een honderdtal, vroolijk, gemeenzaam,
men zou haast zeggen praatachtig,--althans onder elkander,--en
ongetwijfeld in hun schik, zoo recht van pas een vaartuig ontmoet te
hebben, waarmede zij de reis konden vervolgen.
De IJzeren Reus stapte dadelijk in den stroom en, zich stroomopwaarts
wendende, zette hij zich er tegen in.
Een oogenblik was de gedachte bij Banks opgekomen of de trein
misschien niet te zwaar zou zijn met dien overlast van passagiers,
maar zijn vrees bleek gelukkig ongegrond. De apen hadden zich met de
grootste schranderheid over den geheelen trein verdeeld. Er waren er
op het kruis van den olifant, op het torentje, op den nek, tot aan
het uiteinde van zijn tromp en, vreemd genoeg, zij waren volstrekt
niet verschrikt door den stoom, die er zich met het bekende zuchtend
geluid aan ontwrong. Dan waren er verder op de ronde koepeldaken
onzer pagoden, deze neergehurkt, gene overeind op hunne pooten,
terwijl nog anderen, zelfs onder de veranda der balkons aan den staart
hingen. Maar het Stoomhuis dreef statig voort, dank zij de gelukkige
inrichting zijner luchtkasten, en er was niet het minste gevaar voor
het buitengewone overwicht te duchten.
Kapitein Hod en Fox stonden werkelijk verbaasd, vooral de oppasser. Hij
had gaarne dien grijnzenden en ongegeneerden troep met alle eerbewijzen
in het Stoomhuis ontvangen. Hij sprak tot die Langours, hij drukte hun
de hand, hij nam zijn hoed voor hen af en zou ze gaarne met suikergoed
overladen hebben, zoo »mijnheer" Parazard, geërgerd dat hij zich in
zulk gezelschap bevond, er geen schotje voor geschoten had.
Intusschen werkte de IJzeren Reus hard voort met zijn vier pooten, die
het water sloegen en dienst deden als groote pagaaien. Al afdrijvende,
volgde hij de schuinsche lijn, die ons naar de landingsplaats zou
brengen.
Een half uur later, had hij deze bereikt, maar nauwelijks was hij
aangeland of de geheele troep vierhandige clowns sprong op den oever
en was met talrijke kromme sprongen spoedig uit het gezicht verdwenen.
»Ze hadden wel dankje mogen zeggen!" riep Fox uit, ontevreden over
de lompheid van zijn vrienden.
Een luid gelach was het antwoord op de opmerking van den oppasser,
die niets meer verdiende.