HET AFSCHEID VAN MATTHIAS VAN GUITT.

Gedurende het overige van den nacht deed zich niets bijzonders meer

voor, noch binnen, noch buiten de omheining. De deur werd ditmaal

stevig bevestigd. Hoe had zij geopend kunnen worden op het oogenblik

dat de bende wilde dieren de pâlissaden bestormde? Dit was inderdaad

iets onverklaarbaars, daar Kâlagani zelf haar met de zware dwarsboomen

gesloten had.

De wond van kapitein Hod veroorzaakte hem veel pijn, hoewel het

slechts een ontvelling was. Maar het scheelde weinig of hij had het

gebruik van den rechterarm verloren.

Wat mij betreft, ik voelde niets meer van den hevigen slag met den

staart, die mij ter aarde had geworpen.

Wij besloten dus met het krieken van den dag naar het Stoomhuis terug

te keeren.

Wat Matthias van Guitt aangaat, behalve zijn oprecht gemeend verdriet

over het verlies van drie zijner lieden, maakte hij zich overigens

volstrekt niet ongerust over zijn toestand, alhoewel het verlies zijner

buffels op het oogenblik van zijn vertrek hem in groote verlegenheid

moest brengen.

»Dat zijn de kansen van het vak," zeide hij, »en 'k had een soort

van voorgevoel, dat me iets dergelijks zou overkomen."

Daarna bezorgde hij de begrafenis der drie Hindoes, wier overblijfselen

in een hoek ter aarde werden besteld, en wel diep genoeg om niet door

de wilde dieren opgegraven te kunnen worden.

Intusschen verlichtte de dageraad weldra het benedenste gedeelte van

Tarryani en na hartelijke handdrukken gewisseld te hebben, namen wij

afscheid van Matthias van Guitt.

Om ons, althans op onzen tocht door het bosch niet onvergezeld te

laten gaan, drong de leverancier er op aan Kâlagani en twee zijner

Hindoes ter onze beschikking te stellen. Zijn aanbod werd aangenomen

en te zes uur verlieten wij de kraal.

Geen enkel ongelukkig toeval kenmerkte onzen terugkeer. Van tijgers

en panters was geen spoor meer te vinden. De volkomen verzadigde

roofdieren hadden ongetwijfeld hunne schuilhoeken opgezocht en het

was nu de tijd niet ze daar op te gaan sporen.

Wat de uit de kraal ontsnapte buffels betreft, ze waren of gedood en

lagen in het hooge gras, of wel, verdwaald in de dichte wouden van

Tarryani, mocht men er niet op rekenen, dat hun instinct hen naar

de kraal zou terugvoeren. Zij moesten dus beschouwd worden voor den

leverancier verloren te zijn.

Aan den zoom van het bosch, verlieten Kâlagani en de twee Hindoes

ons. Een uur later kondigden Phann en Black door hun geblaf onze

terugkomst aan het Stoomhuis aan.

Ik deed Banks het verhaal onzer avonturen. Hij wenschte ons hartelijk

geluk er zoo goed te zijn afgekomen. Maar al te vaak kon niemand der

aangevallenen bij dergelijke gevechten de heldendaden der aanvallers

verhalen!

Wat kapitein Hod betreft, hij moest tegen wil en dank zijn arm in een

draagband houden, maar overigens vond de ingenieur, die eigenlijk

de dokter der expeditie was, de wond volstrekt niet ernstig en hij

verzekerde, dat hij er over eenige dagen niet den minsten last meer

van zou hebben.

In zijn binnenste was kapitein Hod zeer uit zijn humeur, dat hij

zich een wond had laten toebrengen, zonder haar te hebben kunnen

wreken. Maar toch had hij een tijger gevoegd bij de acht-en-veertig

die op zijn actief stonden aangeteekend.

Den volgenden dag, 27 Augustus, op den namiddag, deed zich een

krachtig, maar vroolijk hondengeblaf hooren.

Het waren kolonel Munro, Mac Neil en Goûmi, die in het sanitarium

waren teruggekeerd. Hunne terugkomst was een ware verlichting voor

ons. Had Sir Edward Munro zijn tocht tot een goed einde geleid? wij

wisten het nog niet. Hij kwam gezond terug en dat was het voornaamste.

Dadelijk liep Banks hem te gemoet, drukte hem de hand en ondervroeg

hem met de oogen.

»Niets!" vergenoegde kolonel Munro zich met een eenvoudige beweging

van het hoofd te antwoorden.

Dit woord beteekende niet alleen dat zijne nasporingen op de grenzen

van Népaul niet het minste resultaat hadden opgeleverd, maar ook dat

alle gesprekken over dit onderwerp nutteloos waren. Hij scheen er mede

te kennen willen geven, dat het niet noodig was er over te spreken.

Mac Neil en Goûmi, die Banks dien avond ondervroeg, lieten zich

wat meer uit. Zij deelden hem mede, dat kolonel Munro inderdaad dat

gedeelte van Hindostan had willen terug zien, waar Nana Sahib vóór

zijn wederverschijning in het presidentschap Bombay zich verscholen

had. Zich verzekeren wat er van de metgezellen van den nabob geworden

was, onderzoeken of op dit punt van de Indo-Chineesche grens geen

sporen meer van hen overig waren, trachten te vernemen of in plaats

van Nana Sahib, zijn broeder Balao Rao zich niet in dat land, dat nog

niet onder Engelsche heerschappij stond, verborgen hield, ziehier

het doel dat Sir Edward Munro zich voor oogen had gesteld. Nu was

het resultaat zijner nasporingen, dat de opstandelingen ongetwijfeld

het land verlaten hadden. Van hun kamp, waar de gewaande begrafenis,

bestemd om aan den dood van Nana Sahib geloof te doen slaan, was

gevierd geworden, was geen spoor meer overig. Van Balao Kae niet de

minste tijding, noch ook van zijne metgezellen iets, dat aanleiding

kon geven hun spoor te zoeken. Nu de nabob in de bergpassen van

Sautpourra den dood gevonden had en de zijnen zeer waarschijnlijk aan

gene zijde der grenzen van het schiereiland verspreid waren, bleef er

voor den handhaver van het recht niets meer te doen over. Er stond

ons dus niets anders te doen dan de grens der Himalaya te verlaten

en eerst zuidelijk te gaan, om eindelijk onzen voorgestelden reisweg

van Calcutta naar Bombay te vervolgen.

Het vertrek werd dus bepaald en tot over acht dagen, den 3n September,

vastgesteld. Wij behoorden aan kapitein Hod den noodigen tijd te

laten ter volkomen genezing zijner wond. Van den anderen kant had

kolonel Munro, die zichtbaar vermoeid was van den lastigen tocht

langs ongebaande wegen, eenige dagen rust noodig.

Gedurende dien tijd zou Banks beginnen met het maken zijner

toebereidselen. Het in order brengen van onzen trein om in de

vlakte af te dalen en den weg op te zoeken van de Himalaya naar het

presidentschap van Bombay, zou ons wel een geheele week bezig houden.

Wij begonnen met te bepalen, dat het reisplan nogmaals gewijzigd

zou worden, in dien zin dat de groote steden van het noord-oosten,

Mirat, Delhi, Agra, Gwalior, Jansie en anderen, waar de opstand

van 1857 maar al te veel onheilen had nagelaten, zouden vermeden

worden. Met de laatste opstandelingen van het oproer moest alles

verdwijnen wat de herinnering er van in het geheugen van kolonel Munro

kon terugroepen. Onze rollende woningen zouden dus door de provinciën

gaan, zonder zich in de voornaamste steden op te houden, doch het

land was de moeite waard bezocht te worden al was het alleen om zijne

natuurlijke schoonheden. Het onmetelijk koninkrijk Scindia geeft aan

geen ander land der wereld in dit opzicht iets toe. Onze IJzeren Reus

zou dus de schilderachtigste punten van het schiereiland bezoeken.

De moesson was geëindigd met het regenseizoen, dat niet langer duurt

dan de maand Augustus. De eerste dagen van September beloofden een

aangename temperatuur, die dit tweede gedeelte minder moeielijk

moest maken.

Gedurende de tweede week van ons verblijf in het sanitarium moesten

Fox en Goûmi dagelijks in de behoefte der keuken voorzien. Vergezeld

van de beide honden, doorliepen zij deze middelste streek der Himalaya,

waar het wemelt van patrijzen, faisanten en trapganzen. Dit gevogelte,

dat bewaard werd in de ijskamer van het Stoomhuis, moest later op

weg een uitmuntend wild verschaffen.

Nog twee- of driemaal bracht men een bezoek aan de kraal. Daar

hield ook Matthias van Guitt in eigen persoon zich bezig met de

toebereidselen voor zijn vertrek naar Bombay, terwijl hij zijne

tegenspoeden opnam als een philosoof, die zich verheft boven de kleine

of groote kwellingen van ons bestaan.

Men weet, dat de menagerie door het vangen van den tienden tijger,

die zooveel gekost had, voltallig was. Matthias van Guitt had dus nog

slechts te zorgen, dat zijne buffelbespanningen in order waren. Geen

der herkauwers, die gedurende den aanval ontvlucht waren, waren

in de kraal teruggekeerd. Zeer waarschijnlijk waren zij, door het

bosch verspreid, een gewelddadigen dood gestorven. Hij moest ze dus

vervangen,--hetgeen in deze omstandigheden tamelijk moeielijk was. Met

dit doel had de leverancier Kâlagani naar de naburige landhoeven en

gehuchten gezonden en hij wachtte met ongeduld op zijn terugkomst.

Deze laatste week van ons verblijf in het sanitarium ging zonder

bijzondere voorvallen voorbij. De wond van kapitein Hod genas

langzamerhand. Hij dacht er half over om nog eens op expeditie

uit te gaan, maar op aandringen van kolonel Munro moest hij het

opgeven. Waarom zich bloot te stellen nu zijn hand niet zoo vast

was? Mocht hij op het overige gedeelte der reis een wild dier

ontmoeten, dan was hij immers in de gelegenheid revanche te nemen.

»Daarbij komt, kapitein," deed Banks hem opmerken, »dat ge nog in leven

zijt, en negen-en-veertig tijgers door uwe hand gedood zijn, zonder

de gewonden te rekenen. De weegschaal hangt dus in uw voordeel over!"

»Ja, negen en veertig!" antwoordde kapitein Hod met een zucht, »maar

'k had zoo gaarne het vijftigtal willen vol maken!"

Het ging hem blijkbaar ter harte.

De 2e September brak aan en wij zouden den volgenden dag vertrekken,

toen Goûmi op den morgen van dien dag ons het bezoek van den

leverancier aankondigde.

En werkelijk vervoegde zich Matthias van Guitt, vergezeld van Kâlagani

aan het Stoomhuis. Ongetwijfeld wilde hij op het oogenblik van zijn

vertrek, ons volgens de regelen der étiquette vaarwel komen zeggen.

Kolonel Munro ontving hem zeer hartelijk. Matthias van Guitt verviel

zooals gewoonlijk in een reeks van breedsprakige volzinnen, maar

het scheen mij toe dat er achter zijne komplimenten een bijbedoeling

school, waarmede hij aarzelde voor den dag te komen.

En toevallig roerde Banks de rechte snaar aan, toen hij Matthias

van Guitt vroeg of hij het geluk gehad had zijne bespanningen te

vernieuwen.

»Neen, mijnheer Banks," antwoordde de leverancier, »Kâlagani heeft te

vergeefs de dorpen afgeloopen en hoewel hij van mijn volmacht voorzien

was, heeft hij zich geen enkel span van die nuttige herkauwers kunnen

verschaffen. Ik ben dus tot mijn spijt verplicht te bekennen, dat,

om mijne menagerie naar het dichtstbijzijnde station te verzenden,

de beweegkracht mij ten eenenmale ontbreekt. De verspreiding mijner

buffels tengevolge van den plotselingen nachtelijken aanval van den 25n

op den 26n Augustus, brengt mij dus in een zekere verlegenheid... Mijne

hokken, met hunne vierbeenige gasten zijn zwaar... en..."

»En op welke wijze zult u ze dan naar 't station brengen?" vroeg

de ingenieur.

»'k Weet het waarlijk niet," antwoordde Matthias van Guitt. »Ik

zoek... ik overweeg... ik aarzel... en intusschen... is het uur

van vertrek aangebroken en moet ik den 20n September, dat is binnen

achttien dagen mijne bestelling te Bombay afleveren..."

»Over achttien dagen!" antwoordde Banks, »maar dan hebt u geen uur

te verliezen!"

»'k Weet het, mijnheer de ingenieur. Daarom ken ik slechts een middel,

een enkel!..."

»En dat is?"

»Dat is, zonder hem in het minst lastig te willen vallen, een zeer

onbescheiden vraag... zeer zeker, tot den kolonel te richten..."

»Spreek vrij uit, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro, »en als ik

u kan verplichten, geloof me dat ik het met pleizier zal doen."

Matthias van Guitt boog, en zijn rechterhand aan de lippen brengende,

geraakte het bovenste gedeelte van zijn lichaam in een zachte beweging,

terwijl zijn geheele houding die was van een mensch, die zich door

onverwachte goedheden bezwaard gevoelt.

Om kort te gaan, de ingenieur vroeg of het met het oog op het

trekvermogen van den IJzeren Reus, niet mogelijk zijn zou, zijne

rollende hokken achter aan onzen trein te spannen en ze op sleeptouw

te nemen tot Etawah, het naaste station van den spoorweg van Delhi

naar Allahabad.

Het was een afstand van ongeveer drie honderd vijftig kilometers,

op een vrij goeden weg.

»Zou 't mogelijk zijn mijnheer van Guitt te voldoen?" vroeg de kolonel

den ingenieur.

»'k Zie er niet de minste zwarigheid in," antwoordde Banks, »en de

IJzeren Reus zal zelfs niet eens iets van den meerderen last merken."

»Toegestaan dus, mijnheer van Guitt," zei kolonel Munro. »We zullen

uw gansche materieel naar Etawah overbrengen. Onder buren moet men

elkander helpen, zelfs in de Himalaya."

»Kolonel," antwoordde Matthias van Guitt, »ik kende uw goedheid, en,

om de waarheid te zeggen had ik, om mij uit mijne netelige positie

te redden, wel een weinig op uw dienstvaardigheid gerekend!"

»U hadt gelijk," antwoordde kolonel Munro.

Nadat dus alles overwogen en bepaald was, maakte Matthias van Guitt

zich gereed om naar de kraal terug te keeren, teneinde een gedeelte

van zijn personeel, dat nu overbodig werd, te ontslaan. Hij dacht

niet meer dan vier chikaris bij zich te houden, die noodig waren de

hokken te onderhouden.

»Tot morgen dus," zei kolonel Munro.

»Tot morgen, mijne heeren," antwoordde Matthias van Guitt. »'k Zal

in de kraal de aankomst van uw IJzeren Reus afwachten!"

En de leverancier, zeer gelukkig met den goeden uitslag van zijn

bezoek aan het Stoomhuis, ging heen, niet zonder zijn afscheid

genomen te hebben op de manier van een acteur, die geheel volgens de

overleveringen der moderne komedie, tusschen de schermen treedt.

Kâlagani had een langdurigen blik op kolonel Munro geworpen, wiens reis

naar de Népaulsche grens hem veel belang scheen te hebben ingeboezemd,

en volgde den leverancier.

Onze laatste toebereidselen waren gereed. Het materieel was op

zijn plaats gebracht. Van het Stoomhuis-sanitarium, was niets meer

overgebleven. De twee wagens wachtten nog slechts op onzen IJzeren

Reus. Eerst moest de olifant ze naar de vlakte doen afdalen, daarna

naar de kraal gaan om de hokken te gaan halen en ze terug te brengen

ten einde den trein te vormen. Dan eerst zou hij zich rechtstreeks

door de vlakte van Rohilkhande begeven.

Den volgenden dag, den 2n September, te zeven uur 's morgens, was de

IJzeren Reus gereed om de taak te hervatten, die hij tot nog toe met

zooveel ijver en zorg vervuld had. Doch op dit oogenblik had er tot

verbazing van allen een zeer onverwacht voorval plaats.

De vuurhaard van den stoomketel, in den schoot van het dier bevat,

was met brandstof opgevuld, die door Kâlouth werd ontstoken, waarna

hij op de gedachte kwam de rookkast te openen,--aan welker wand de

buizen bevestigd zijn, bestemd om de producten der verbranding door

den stoomketel te leiden,--teneinde zich te overtuigen dat niets het

trekken belette.

Maar nauwelijks had hij de deuren dezer kast geopend, of hij trok zich

snel terug en een twintigtal smalle riemen werden met een zonderling

gefluit naar buiten geworpen.

Banks, Storr en ik, wij keken zonder iets van dit vreemde verschijnsel

te begrijpen.

»Wel! Kâlouth, wat is dat toch?" vroeg Banks.

»Een slangenregen, mijnheer!" riep de stoker.

En inderdaad waren deze riemen slangen, die de buizen van den

stoomketel tot woning gekozen hadden, zeker om er beter te slapen. De

eerste vlammen van den vuurhaard hadden ze juist bereikt en eenige

van die kruipende dieren, reeds verbrand, waren op den grond gevallen;

als Kâlouth de rookkast niet bij toeval geopend had, zouden ze allen

in een oogenblik gebraden geweest zijn.

»Wat!" riep kapitein Hod uit, die kwam toesnellen, »heeft onze IJzeren

Reus een nest met slangen in zijn ingewanden?"

»Ja, waarlijk! en van de gevaarlijkste, 't zijn »whip snakes"

of zweepslangen, »goulabis," zwarte cobras, bril-najas, tot de

vergiftigste soorten behoorende.

En op hetzelfde oogenblik stak een prachtige tijger-python

of reuzenslang, van de familie der boa's, zijn spitsen kop uit

de bovenste opening van den schoorsteen, dat is te zeggen uit het

bovenste uiteinde van den snuit des olifants, die zich te midden der

eerste rookkolommen ontrolde.

De slangen, die levend uit de buizen gekomen waren, hadden zich snel

en vlug tusschen het struikgewas verspreid, voordat wij tijd hadden

ze te dooden.

Maar de python kon zoo gemakkelijk niet uit den ijzeren cilinder

ontsnappen. Ook haastte zich kapitein Hod zijn karabijn te gaan halen,

waarmede hij op hem aanlegde en den kop van het dier verbrijzelde.

Goûmi klom toen op den IJzeren Reus, heesch zich tot de bovenste

opening van den tromp en met behulp van Kâlouth en Storr gelukte het

hem er het énorme dier uit te trekken.

Niets prachtiger dan deze boa, met zijn blauwachtig groen vel,

versierd met regelmatig geplaatste ringen en die uit een tijgervel

schenen gesneden te zijn. Zijne lengte bedroeg niet minder dan vijf

meters bij een dikte als die van den arm.

Het was dus een prachtexemplaar uit de Indische slangenwereld en zou

een voortreffelijk figuur gemaakt hebben in de menagerie van Matthias

van Guitt, in aanmerking genomen den naam van tijger-python, dien

men hem geeft. Evenwel moet ik bekennen, dat kapitein Hod hem niet

onder de door hem gevelde tijgers meetelde.

Na aldus de machine van dit ongedierte bevrijd te hebben, sloot

Kâlouth de rookkast, begon het vuur van den vuurhaard, door den

tochtwind aangewakkerd, goed te branden, de stoomketel deed weldra

zijn dof gebrom hooren en drie kwartier later wees de manometer een

voldoenden stoomdruk aan. Wij konden dus nu vertrekken.

De twee wagens werden aan elkander gespannen en de IJzeren Reus stelde

zich aan het hoofd van den trein.

Nog een laatsten blik geworpen op het bewonderenswaardige panorama, dat

zich in het Zuiden ontrolde, voor het laatst het oog gewend naar die

trotsche keten welker profiel als kantwerk tegen den helderen blauwen

hemel in het Noorden afstak, een laatsten groet aan den Dawalaghiri,

die met zijn top het geheele grondgebied van Noordelijk-Indië

beheerschte en daarna gaf de stoomfluit het sein tot vertrek.

De daling langs den bochtigen weg ging zonder de minste

moeielijkheid. De atmosfeerische remtoestel hield op de al te steile

hellingen de wielen onweerstaanbaar terug. Een uur later hield onze

trein aan de onderste grens van Tarryani, aan den rand der vlakte stil.

De IJzeren Reus werd toen losgemaakt en onder geleide van Banks,

den machinist en den stoker ging hij langzaam een der breede wegen

van het bosch op.

Twee uren later liet zijn gebriesch zich hooren en kwam hij uit het

dichte geboomte te voorschijn, de zes hokken der menagerie achter

zich aan sleepende.

Zoodra Matthias van Guitt was aangekomen, hernieuwde hij zijne

dankzeggingen aan kolonel Munro. De hokken, voorafgegaan door een

rijtuig met den leverancier en zijne lieden, werden aan onzen trein

gespannen,--een wezenlijk konvooi, samengesteld uit acht wagens.

Nadat Banks wederom een signaal gegeven had en de stoomfluit zich

op nieuw had laten hooren, stelde zich de IJzeren Reus in beweging

en ging majestueus voorwaarts op den prachtigen weg, die naar het

Zuiden afdaalde. Het Stoomhuis en de hokken van Matthias van Guitt,

met wilde dieren beladen, schenen voor hem niet zwaarder te zijn dan

een eenvoudige verhuiswagen.

»Welnu, wat dunkt u er van, mijnheer de leverancier?" vroeg kapitein

Hod.

»Me dunkt, kapitein," antwoordde niet geheel ten onrechte Matthias

van Guitt, »dat die olifant nog buitengewoner zou zijn, als hij van

vleesch en beenderen was!"

Deze weg was niet die, welke ons naar den voet der Himalaya had

gebracht. Hij liep schuin naar het zuidwesten naar Philibit, een

klein stadje, dat honderdvijftig kilometers gelegen was van het punt

waarvan we vertrokken waren.

Deze afstand werd rustig, met matige snelheid, zonder eenige

onaangename ontmoeting afgelegd.

Matthias van Guitt zat dagelijks mede aan de tafel van het Stoomhuis,

waar zijn gezonde eetlust de keuken van »mijnheer" Parazard alle

eer aandeed.

Ter voorziening van de keuken moesten dan ook weldra de gewone

spijsbezorgers weder in functie treden, zoodat ook kapitein Hod,

nu goed van zijn wond genezen,--het schot op den python had het

bewezen,--zijn jachtgeweer weder ter hand moest nemen.

Daarenboven moesten niet alleen het geheele personeel, maar ook de

talrijke gasten der menagerie gevoed worden. Deze taak was den chikaris

opgedragen. Deze bekwame Hindoes, onder het bestuur van Kâlagani,

die zelf een handige schutter was, zorgden steeds voor een goeden

voorraad bison- en antilopevleesch. Die Kâlagani was werkelijk een

bijzonder mensch. Ofschoon hij gewoonlijk stil en afgetrokken was,

behandelde kolonel Munro hem zeer vriendschappelijk, daar hij niet

tot de menschen behoorde, die licht een bewezen dienst vergeten.

Den 10n September ging de trein om Philibit henen, zonder er zich op

te houden, maar men kon niet voorkomen, dat een groot aantal Hindoes

hem een bezoek kwamen brengen.

Zeer zeker konden de wilde dieren van Matthias van Guitt, hoe

merkwaardig overigens ook, de vergelijking met den IJzeren Reus niet

doorstaan. Men keek ze zelfs niet aan door de traliën hunner hokken

en al de bewondering was den mechanischen olifant voorbehouden.

De trein zette zijn tocht over de uitgestrekte vlakte van Noord-Indië

voort, eenige mijlen ten westen van Bareille, een der voornaamste

steden van Rohilkhande. Nu eens bewoog hij zich te midden van bosschen,

bewoond door een wereld van vogels, wier schitterend gevederte

Matthias van Guitt ons deed bewonderen, dan weder over vlakten, door

kreupelbosschen van doornachtige acacia's, van twee tot drie meters

hoog, door de Engelschen »wait-a-bit-bush" genoemd. Daar werden in

groote menigte wilde zwijnen aangetroffen, verzot op de geelachtige

bes, die deze struiken voortbrengen. Eenigen dezer dieren werden niet

zonder gevaar gedood, want het zijn werkelijk wilde en gevaarlijke

dieren. Bij verschillende gelegenheden hadden kapitein Hod en Kâlagani

gelegenheid een koelbloedigheid en behendigheid aan den dag te leggen,

die er twee buitengewone jagers van maakten.

Tusschen Philibit en het station Etawah moest de trein een gedeelte

van den boven-Ganges passeeren en even daarna, een zijner belangrijke

bijstroomen, den Kali-Nadi.

Het geheele rollende materieel der menagerie werd losgemaakt en het

Stoomhuis, in een drijvend toestel herschapen, werd gemakkelijk op

de oppervlakte van den stroom van den eenen oever naar den anderen

overgebracht.

Met den trein van Matthias van Guitt ging dit niet zoo gemakkelijk. Men

moest hiertoe een pont gebruiken, waarmede de hokken over de

beide stroomen een voor een werden overgezet. Er ging met dezen

overtocht wel eenige tijd verloren, maar toch had hij zonder groote

moeielijkheden plaats. De leverancier had reeds ondervinding van

dergelijke overtochten opgedaan, daar zijne onderhoorigen op hun reis

naar de Himalaya reeds verscheidene stroomen hadden moeten passeeren.

Kortom, zonder ter vermelding waardige voorvallen, hadden wij den

17n September den spoorweg van Delhi naar Allahabad, geen honderd

schreden van het station Etawah verwijderd, bereikt.

Daar zou ons konvooi zich in twee gedeelten splitsen, die niet bestemd

waren weder samen te komen.

Het eerste moest zijn reis naar het Zuiden door het uitgestrekte

koninkrijk Scindia voortzetten, teneinde de Vindhyas en het

presidentschap Bombay te bereiken.

Het tweede, geplaatst op de rolwagens van den spoorweg, nam zijn reis

naar Allahabad en vandaar per spoorweg van Bombay, naar de kust der

Indische Zee.

Men hield dus halt en richtte het kamp voor den nacht in. Den volgenden

morgen, met den dageraad, onderwijl de leverancier den weg naar het

zuidoosten zou inslaan, zouden wij, dezen weg rechthoekig snijdende,

nagenoeg de zeven-en-zeventigste meridiaan volgen.

Doch, terwijl hij ons verliet, moest Matthias van Guitt ook scheiden

van het gedeelte van zijn personeel, dat hij nu niet meer kon

gebruiken. Uitgezonderd twee Hindoes, die noodig waren voor den

dienst der hokken op een reis die slechts twee of drie dagen zou

duren, had hij niemand noodig. In de haven van Bombay aangekomen,

waar een schip, zeilree voor Europa, hem wachtte, zou de overscheping

van zijn koopwaar door de gewone bevrachters der haven plaatshebben.

Dientengevolge werden eenigen zijner chikaris weder vrij en in het

bijzonder Kâlagani.

Men weet hoe en waarom wij ons werkelijk aan dien Hindoe gehecht

hadden, sedert de diensten, die hij kolonel Munro en kapitein Hod

had bewezen.

Toen Matthias van Guitt zijne onderhoorigen ontslagen had, meende Banks

op te merken, dat Kâlagani niet recht wist wat te beginnen en vroeg

hij hem daarom of het hem zou aanstaan ons tot Bombay te vergezellen.

Na een oogenblik nagedacht te hebben, nam Kâlagani het aanbod van den

ingenieur aan, waarna kolonel Munro hem zijn genoegen te kennen gaf

hem bij deze gelegenheid zijne diensten wel te willen verleenen. De

Hindoe zou dus nu deel van het personeel van het Stoomhuis uitmaken

en kon door zijne bekendheid met dit geheele gedeelte van Indië ons

zeer nuttig zijn.

Den volgenden dag was het kamp opgebroken en bestond er geen enkele

reden meer waarom wij onzen halt zouden verlengen. De IJzeren Reus

bevond zich onder de noodige drukking. Banks gaf Storr order zich

gereed te houden.

Er bleef nog slechts over afscheid van onzen vriend den leverancier

te nemen. Dat was van onze zijde een zeer eenvoudige zaak, maar van

de zijne was het natuurlijk meer theatraal.

De dankzeggingen van Matthias van Guitt voor den dienst, hem

door kolonel Munro bewezen, waren natuurlijk zeer overdreven. Hij

»speelde" dit laatste bedrijf meesterlijk en was volmaakt in het

groote afscheidstooneel.

Door een beweging van de spieren van den voorarm, bracht hij zijn

rechterhand in pronatie, op die wijze dat de palm der hand naar den

grond gekeerd was. Dit moest beteekenen, dat hij hier beneden nooit

zou vergeten wat hij kolonel Munro schuldig was en dat, indien

de dankbaarheid uit deze wereld verbannen was, zij een laatste

schuilplaats in zijn hart zou vinden.

Daarna bracht hij zijn hand door een omgekeerde beweging in supinatie,

dat wil zeggen, hij keerde de palm om en richtte haar naar boven,

hetgeen beteekende dat zijne gevoelens zelfs daar boven niet bij

hem zouden uitgedoofd worden en dat een gansche eeuwigheid van

dankbaarheid, de verplichtingen, die hij had aangegaan, nooit zou

kunnen afdoen.

Kolonel Munro dankte Matthias van Guitt op eenigszins eenvoudiger

manier en eenige minuten later, was de leverancier van de huizen van

Hamburg en Londen uit onze oogen verdwenen.

Het Stoomhuis: De Waanzinnige der Nerbudda (2/2) · 第 10 / 47 题